U bent hier

Terugblik 6 - OKV drieëndertigste jaargang 1995

Antoon De Clerck, Wat een drukte op de E5, Schilderij op doek, SMAK, Gent.

 

In elk nummer van deze vijftigste jaargang grasduinen we in de boeiende geschiedenis van een halve eeuw Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen.

 

De "schoone kunsten" voorbij

 

Bij het doorbladeren van de jaargang 1995 van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen, dat zich nog altijd profileert als “tijdschrift voor inwijding in de beeldende kunsten door reprodukties, teksten en radiouitzendingen,” blijkt dat in tegenstelling tot de vroege jaren schilder- en beeldhouwkunst niet langer de exclusieve aandacht genieten. Het spectrum is aanzienlijk verruimd. De geselecteerde onderwerpen voor deze jaargang bewijzen dat overduidelijk: Middeleeuwse Muurschilderingen, als een soort ‘Bijbel der Armen’, Het Provinciaal Museum Sterckshof met zijn oogverblindende zilvercollectie, Affichekunst, met een vuurwerk aan visuele vondsten (mijn favorieten: de zwarte kat van Julian Key en de blote bips van Ida van Bladel!), en tot slot een aflevering over Bruggen, die zoals in de inleiding terecht gesteld wordt, eerder dubbelzinnig als ‘kunstwerken’ worden bestempeld. Laatste bladzijde en afsluiter van de jaargang is de reproductie van het schilderij Wat een drukte op de E 5 van Antoon De Clerck (1923 – 2001).

 

 

Vooral goed kijken

 

In een aantal beschouwingen die minder dan een bladzijde beslaan duidt professor Claire van Damme het schilderij. Zij grijpt hiermee terug naar de initiële formule van OKV: een praatje bij een plaatje, jarenlang verguisd, maar zoals hier blijkt nog altijd doeltreffend en gesmaakt. De auteur slaagt er in om heel bondig de kunstenaar te situeren, zowel binnen het kortstondig fenomeen van het ‘hyperrealisme’ als in de omgeving van zijn vriend Roger Raveel. Ook maakt zij meteen duidelijk dat De Clerck niet te reduceren is tot die verwantschap. Zij wil ons laten inzien dat de kunstenaar niet louter een banaal fenomeen registreert –de thematiek bij uitstel van het hyperrealisme-, maar dat hij op een heel handige manier die schijnbaar hyperaccurate realiteitsweergave een eigen invulling geeft.

 

Van een platte polaroidachtige momentopname maakt De Clerck een boeiende vraagstelling van de waarneming, tenminste voor wie het schilderij aandachtig bekijkt. Twee jonge kerels die van de fiets gestapt zijn kijken geboeid naar het voor ons onzichtbaar druk verkeer op een intussen hernummerde autosnelweg. Zij staan op een brug, herkenbaar aan de reling en het heraldisch gemeenteschild, tot de laatste bronzen bout exact weergegeven. Het straffe zonlicht vreet de achtergrond volledig weg, maar werpt heel scherpe schaduwen af op het voetpad en op de rijweg.

 

Door de afsnijding van het origineel werk in deze reproductie, missen wij een stuk schaduw van het fietswiel op de rijweg en spijtig genoeg verandert hierdoor ook enigszins het formaat: langwerpig in plaats van vierkant en hierdoor iets minder polaroid. Toch even de vormgever op de vingers tikken.

 

Het beeld is typisch jaren zeventig en dat is enkel te danken aan de gedateerde kledij en kapsels. Je wordt zo in de tijd teruggeworpen: die bruine broek met ruitjesmotief en die brede broekspijpen, de brede leren broeksriem, het geel hemd; gelukkig blijft ons het zicht bespaard van die superlange kraagtippen. De broekspijpen zijn te kort; de jongen is duidelijk uit zijn broek aan het groeien: heel onelegant, maar o zo herkenbaar.

 

 

Abstractie?

 

Tot zo ver de waarneembare realiteit. Maar Claire van Damme wijst ons op de originaliteit van de voorstelling, op een aantal tegenstellingen en dus op de complexiteit ervan. Zij schrikt zelfs niet terug voor de term ‘abstractie’. En inderdaad kunnen wij de omgeving waarin de twee jongens staan als abstract bestempelen. Zij staan eigenlijk nergens, kijken naar iets dat er misschien evengoed niet is, dat enkel door de titel van het werk wordt aangebracht. Wij krijgen noch drukte noch snelweg te zien. De toegang tot de voorstelling wordt ons feitelijk ontzegd. Toch kijkt de linkerjongen ons aan en zo betrekt hij ons in het schilderij, een heel oude schilderstruc. Terzelfdertijd doet het personage rechts ons voor hoe wij dat voorbijrazend verkeer kunnen bekijken. En de auteur concludeert: “Alle voornoemde elementen dragen bij tot het bevreemdende karakter van het schilderij waar tijd en ruimte onvatbaar zijn en een spontane lichaamsbeweging gestatufieerd lijkt; waar de evocatie van rust en verstilling in schril contrast staat met de verwachting door de titel van het werkt gewekt: de autosnelweg waar in een hels tempo en onder motorengeluid, auto’s in grote getale en kleurige verscheidenheid voorbijrazen. (…) Het schilderij Wat een drukte op de E 5 laat niet zien wat het belooft. Het suggereert door middel van negatie.”

 

 

Over bruggen en overbruggen

 

Die beschouwingen over een enkel schilderij zijn een verademing in een eivolle aflevering. Want over bruggen valt heel wat te vertellen en te tonen. Om het onderwerp enigszins overzichtelijk te houden ligt de klemtoon op de moderne bruggenbouw zoals die in ons land tijdens de twintigste eeuw beoefend wordt.

 

Er is een terechte hommage aan drie vernieuwende ingenieurs van eigen bodem: Arthur Vierendeel, Gustave Magnel (bijgenaamd ‘de betonprofessor’) en René Greisch, die wij respectievelijk blijvend associëren met metalen bruggen met verticale spanten, betonnen bruggen in voorgespannen beton over onze autosnelwegen en imposante tuibruggen met hun waaier aan glimmende tuikabels. Anders uitgedrukt: de typerende constructies van het begin, het midden en het einde van de eeuw. Met daarnaast nog een weelde aan bruggen die wij niet meteen aan een ronkende naam koppelen. De overvloed is opvallend. Bruggen in steen, in staal, in beton overspannen wegen, valleien, waterlopen en spoorlijnen. Zij zijn utilitair, meestal toch, maar sommige worden ook louter voor het plezier gebouwd, zelfs in imitatierotsen. Versiering neigt naar decadente overdaad, met sierkrullen in gietijzer, reliëfs in hardsteen, bronzen beelden, sierlantaarns rond gepolijste masten en pseudomiddeleeuwse tierlantijnen. Opvallen doen zij in ieder geval.

 

 

Dromen zijn (soms) bedrog

 

De veelheid is alvast een openbaring en verantwoordt ruimschoots de aandacht. Dromen is toegelaten. Dat bewijzen niet enkel de originele ingrepen van architect Luc Deleu, of hij nu de Schelde te Antwerpen wil overbruggen of de Brusselse binnenstad. Brussel gunt hij zijn TGV, als Antwerpen maar ‘your next cruise stop!’ mag worden. Beslissingmakers in de Scheldestad raden wij aan het artikel van Marc Dubois te herlezen over Utopische Projecten; eerste ondertitel: ‘Antwerpen, een stad zonder bruggen’. De droomoplossingen van Le Corbusier, Léon Stynen of Georges Vantogerloo om de oude stad met de Linkeroever te verbinden zijn evenzoveel vermeden nachtmerries. Waarmee ik zeker niet wil gezegd hebben dat nachtmerries niet boeiend kunnen zijn.

 

 

Rik Sauwen

 


Een jaar een halve eeuw

 

 

Het hele jaar 2012 heeft Openbaar Kunstbezit Vlaanderen, samen met de abonnees, de vijftigste jaargang gevierd. Dit nummer brengt de laatste Terugblik, een boeiende bloemlezing markante stukken uit de bijzonder rijke en gevarieerde OKV-collectie.

 

In het voorjaar startte de digitalisering van alle vijftig jaargangen. Ze zijn ondertussen op de OKV-website www.tento.be te raadplegen. En een vijftiental vrijwilligers legt de laatste hand aan de indexering, zodat de duizenden bladzijden straks optimaal ontsloten zullen zijn. Het is een schat aan informatie over musea en tentoonstellingen, kunstwerken en kunstenaars.

 

Op de zomerse zondag 9 september beleefden honderden OKV-abonnees een feestelijke dag in Gent. Ze genoten van geleide bezoeken aan het STAM, MIAT, Museum voor Schone Kunsten, Huis van Alijn, Museum Dr. Guislain en Designmuseum. Er waren interessante lezingen van Prof. Dr. Anne van Grevenstein-Kruse over de restauratie van het Lam Gods, Matthias Depoorter over vogels in de schilderkunst, Jozef Glassée over de schenkingen voor onze grote kunstmusea en Rudy Pieters over de diefstal van de Rechtvaardige Rechters. Het terugvinden van (een reproductie van) dat paneel was de inzet van de museumzoektocht. De beste speurder was Chris Van Maele uit Zwijnaarde die de Rechtvaardige Rechters ontdekte in een hokje naast de sacristie van de Sint-Stefanuskerk in het Augustijnenklooster. De dag werd afgerond met de huldiging van de abonnees van het eerste uur die alle vijftig jaargangen in de boekenkast hebben en het aansnijden van de feesttaart. Dezelfde 9 september vond in de veertiende-eeuwse abdijrefter van het STAM de feestzitting plaats. Joke Schauvliege, Vlaams minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur, opende met felicitaties en de appreciatie voor Openbaar Kunstbezit Vlaanderen als kunst- en erfgoedtijdschrift met een landelijke uitstraling. Directeur Peter Wouters belichtte OKV vandaag: het tijdschrift, de uitgave van erfgoedgidsen en boeken, de website, de Museumprijs, de internationale samenwerkingen. Jozef Dauwe, voorzitter van de Raad van Bestuur, nam de genodigden mee in de geschiedenis van een halve eeuw OKV. Prof. Willem Elias, Vakgebied Culturele Agogiek van de Vrije Universiteit Brussel, onderstreepte de meerwaarde van OKV als pionier van de kunsteducatie. 

 

De inbreng van professor Elias op de feestzitting bracht de hoofdlijnen uit zijn bijdrage voor het boek over 50 jaar OKV. Het boek vertelt en illustreert uitgebreid de geschiedenis van OKV, van het prille begin in 1963 tot vandaag. Er is een interessante bijdrage van Jozef Glassée over de schenkingen aan de kunstmusea van Antwerpen, Brugge en Gent tussen 1800 en 1960. Prof. Annick Schramme en Joke Schrauwen geven een overzicht van privéverzamelingen die de jongste jaren ‘openbaar’ zijn gemaakt in private musea. En Misjel Vossen bekijkt 50 jaar OKV vanuit typografisch oogpunt. Het boek verschijnt in januari 2013 en is de afsluiter van de viering van 50 jaar Openbaar Kunstbezit Vlaanderen.