U bent hier

OKV plus 2001.4

OKV plus 2001.1

 


INHOUD:

 

  • SPOOR 44  - 75 JAAR OP HET SPOOR VAN DE TOEKOMS
  • DUITSE KITSCH IN HET SLACHTHUIS (Körperwelten)
  • VERSTILDE SCHOONHEID - LILIE DUJOURIE
  • "GEBROED" - DUBBELEXPOSITIE VAN PETER BUGGENHOUT EN BERLINDE DE BRUYCKERE
  • KUNSTSCHATTEN UIT HET RUSSISCHE KEIZERRIJK TE BRUSSEL
  • FRANS M. OLBRECHTS (1899-1958) - OP ZOEK NAAR KUNST IN AFRIKA
  • BROODHUIS - MUSEUM VAN DE STAD BRUSSEL  - BRUSSEL TUSSEN HEMEL EN AARDE
  • JONGE KUNSTENAARS IN VLAANDEREN: STÉPHANIE LEBLON
  • EINDELIJK WEER THUIS!  - STAD IEPER VERWERFT 5 SCHILDERIJEN VAN FERDINAND PAUWELS
  • LODZ EN ZIJN VOORBEELDIGE VERZAMELAARS

SPOOR 44  - 75 JAAR OP HET SPOOR VAN DE TOEKOMST 

 

 

Dit najaar slaat de NMBS haar tenten op in de Dexia-galerie in Passage 44 voor een knappe overzichtstentoonstelling over het Belgische spoor, dit naar aanleidingvan haar 75ste verjaardag. 

 

 

De tentoonstelling is veeleer thematisch dan chronologisch opgezet. Ze is opgedeeld in vijf zones: het belang van de trein, de mobiliteit, de stations, de infrastructuur en het rollend materieel, en de verschillende jobs binnen de NMBS. 

 

In elke zone wordt er dieper ingegaan op de voornaamste aspecten van het verleden, de huidige situatie en de initiatieven voor de toekomst. je kunt er bijvoorbeeld de prachtige maquette van het toekomstig station Luik-Guillemins vergelijken met de oude spoorwegkathedralen van de 19de eeuw. Het weelderige interieur van de koninklijke treinen van Leopold II en Leopold III kan je er bewonderen, net als de zetels 1-ste klasse ontworpen door Henry Van de Velde. Daarnaast vind je ook, in avant-première, het rijtuig M6 met twee verdiepingen dat vanaf 2002 in gebruik wordt genomen. 

 

In België begint de geschiedenis van de trein op 5 mei 1835, met de inhuldigingvan de spoorlijn Brussel-Mechelen. Op het vlak van de spoorwegen heeft België een baanbrekende rol gespeeld: deze lijn was de eerste spoorlijn op het Europese continent. Tussen 1835 en 1926 evolueert de infrastructuur op spectaculaire wijze. De belangrijkste assen worden gebouwd en uitgebaat door de overheid, de kleinere door private maatschappijen. Er worden echter verschillende tarieven gehanteerd en het wordt steeds moeilijker het drukke spoorverkeer te organiseren. 

 

Daarom richt de overheid in 1926 de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen op. Ze heeft zo'n 120.000 werknemers, 4.800 km spoor en 1.368 stations en haltes, en natuurlijk veel wagons en locomotieven. 

 

De Tweede Wereldoorlog heeft een zware klap toegebracht aan de Belgische spoorwegen: in 1945 was de helft van het spoornet vernield en een groot deel van het materiaal onbruikbaar.

 

Het zou jaren duren eer die schade hersteld was. 

 

De jaren '50 staan in het teken van de modernisatie. Op 4 oktober 1952 huldigt koning Boudewijn in Brussel de Noord-Zuidverbinding in. In '53 was begonnen met de elektrificatie van het spoornet, een proces dat de jaren daarna onverminderd voortging. In die periode begint de concurrentie van de auto en het vliegtuig steeds zwaarder te wegen, tot de trein uiteindelijk zijn eerste plaats in de rangschikking van de transportmiddelen moet prijsgeven.

 

In de jaren '70 slaat de economische crisis toe en de staat vermindert drastisch zijn investeringen. Het reizigersvervoer houdt ondanks alles stand, maar het goederenverkeer heeft zwaar te lijden onder de recessie. 

 

Vanaf het begin van de jaren '90 klimt de NMBS uit het dal en zet een nieuwe periode van ontwikkeling in. Naast een omvangrijk plan om het bestaande spoorwegennet te vernieuwen, zijn er de TGV's die met een snelheid van 300km/u van Brussel naar Parijs zoeven, terwijl er ook richting Duitsland en Nederland hogesnelheidslijnen worden aangelegd. De NMBS ontwikkelt ook een ambitieus project voor een voorstadsnet in Brussel, dat net zoals in Parijs het mobiliteitsprobleem in de hoofdstedelijke regio moet aanpakken. 


Spoor 44 - 75 jaar op het spoor van de toekomst

Van 15 september 2001 tot 27 januari 2002 - Dexia Galerie, Passage 44, 1000 Brussel.


Foto's (te bekijken in PDF-formaat)

(allen© FOTO NMBS)

-IN I947 WERDEN ER AAN DE LOKETTEN NIEUWE BILJETAPPARATEN IN  DIENST GE NOMEN. 
-DE LOKETTEN ZAAL IN HET STATION VAN TONGEREN. 
-DE BELG', DE EERSTE IN BELGIË VERVAARDIGDE LOCOMOTIEF ( 1835) 
-HET INTERIEUR VAN DE KONINKLIJKE TREIN LEOPOLD II.                                                          
-DE REVISIE VAN STOOMLOCOMOTIEVEN, BEGIN JAREN '50, IN DE CENTRALE WERKPLAATS IN MECHELEN.

DUITSE KITSCH IN HET SLACHTHUIS 

 
 
Een beetje rare titel misschien. Niet erg respectvol, ik weet het. Körperwelten is dan ook een beetje een rare tentoonstelling en ook niet erg respectvol. Al is het dan misschien om andere redenen dan u tot hiertoe in de pers kon lezen. 
 
 
Je zou kunnen verwachten dat een tentoonstelling die tot hiertoe meer dan 7 miljoen bezoekers heeft getrokken, ondersteunt wordt door een logistiek team dat weet hoe je zo een manifestatie op poten zet, hoe je de te gebruiken zalen inricht en hoe je het publiek daar op een waardige wijze doorheen loodst. Duits, dus grondig en degelijk! Mijn verwachtingen op dat vlak waren dus vrij hoog. 
 
 
De inkom van de tentoonstelling wordt al van ver aangeduid door twee metalen stellingen op de slachthuizen van Anderlecht, die behangen zijn met zeilen met daarop het ondertussen bekende plastinaatvan 'de Ruiter'. 
   
 
Via een waanzinnig breed gangpad daal je af naar de Kelders van Cureghem en meteen kom je in een andere wereld. 
 

 

EEN SLORDIGE WERELD 

 
De gang is aan beide zijden afgebakend met lelijk timmerwerk waaraan affiches zijn opgehangen. De kisten waarin de plastinaten werden vervoerd staan tegen de muren geleund en de stapels aangeleverd drukwerk liggen lelijk te wezen in de stapelruimten.
 
 
Even dacht ik dat ik per ongeluk de dienstingang had genomen, maar dat bleek niet zo te zijn. Benieuwd hoe die erbij ligt. Maar goed, wat verder kom je dan aan de kassa's en gaat het allemaal gebeuren. 
 
 
Eindelijk lijken kijken, want hoe je het draait of keert, dat is waar de mensen voor komen. En dat is ook de reden dat ik hier ben. Iets anders beweren zou wel heel hypocriet zijn. Dus in de eerste val ben ik al met beide ogen open getrapt. 
 
 
Eens binnen krijg je eerst wat skeletten en schedels te zien alvorens de eerste plastinaten worden getoond. ja, je staat naar lijken te kijken en bij de eerste twee preparaten ben je er ook danig van onder de indruk. je doet dit tenslotte niet elke dag. Maar na 10 minuten is dat over en vraag je je af waar al die heisa nu eigenlijk om gaat. Maar daar wil ik het nu even niet over hebben. 
 
 
De bezoeker dient een parcours te volgen dat afgebakend is door middel van linten en dat je in grote lussen doorheen de kelder gidst.
 
 
Helemaal waterdicht is deze afbakening niet zodat je sommige mensen raar ziet opkijken als er ineens achter een plastinaat een levende opduikt die een kortere weggenomen heeft. Temidden dit alles zijn een soort van eilandjes gemaakt die bestaan uit gigantische planten en keien. Kwestie van sfeer te scheppen. Temidden van zware gewelven, laaghangende spots en storende wegwijzers valt zoiets niet mee.
 
 
Die wegwijzers, een soort van metalen paaltjes met daarop de aanduiding waar zich wc, bar en uitgang bevinden, zijn een belevenis op zich. Ze staan meestal heel erg tactisch opgesteld. Zo kan je naast de kast met de levercirrose-plastinaten het bordje zien staan dat je de richtingvan de bar weergeeft!
 
 
Humor, ongetwijfeld! 
   
 
Een mens, en zeker een leek, wil ook al wel es vernemen waar hij nu eigenlijk naar kijkt en dan weet je als (Nederlandstalige) bezoeker even niet wat je meemaakt! Naast elk plastinaat hangen borden met uitleg, of althans, dat is de bedoeling. Maar de vertalingvan het Duits naar het Nederlands is zo beschamend slecht en er staan zoveel schrijffouten in deze teksten dat je het na een tijdje gewoon opgeeft.
 
 
Bovendien is de manier waarop deze teksten tussen de plastinaten zijn geplaatst gewoon beneden alle peil. Slordig neergezette bordjes of slecht leesbare, schuin afgedrukte fotokopieën, tekstpaneeltjes die tegen het plastinaat aan staan gedrukt, het is allemaal aanwezig. Kadertjes met info aan de muren hangen vaak schuin en zijn gewoon vuil.
 
 
Ook maakt het geheel een afgeleefde indruk. Vele kasten hebben krassen of barsten; die 7 miljoen voorgangers hebben hun sporen achtergelaten. 
 
 
Opeens bekroop me een wrang gevoel. Dit klopt niet en je weet niet eens waarom. Hier zit ergens een heel erg goedkoop kantje aan. Even verder werd dat pijnlijk duidelijk. 
 
 
Zoals elk anatomisch kabinet dat zichzelf respecteert is ook hier het griezelhoekje aanwezig.
 
 
Een bordje waarschuwt je dat in dit gedeelte dingen te zien zijn die op het gevoel van de toeschouwer kunnen werken.
 
 
Dat is zacht uitgedrukt.
 
 
De zaal bevattwee grote glazen kasten waarin plastinaten van foetussen te zien zijn. In de ene kast de verschillende leeftijden en ontwikkelingsfasen van een mensenkind, in de andere verschillende plastinaten met afwijkingen .
 
 
Het zijn niet de misvormde mensjes die afstotend zijn, het is de manier waarop ze getoond worden. In de kijkkasten staat een draaiend platform waarop de foetussen langzaam ronddraaien. Plat voyeurisme is dit, om niet goed van te worden. In het Engels heet zoiets een freakshow. Op de Sinksenfoor zie je dergelijke dingen ook. 
 
 
Ineens moest ik het wel toegeven: dit gaat om geld. Om niets anders. Dit is een plat commerciële boel die draait op valse sentimenten en op de sensatiezucht van de mensen. Het oude trucje: lok een contoverse uit en de mensen komen massaal kijken. En wie kritiek geeft is ouderwets of jaloers dat hij hier zelf niet op gekomen is. En ja, ook ik ben er met open ogen ingelopen.
 
 
Ik was halverwege de tentoonstelling en had er genoeg van.
 
 
Alles begon me te storen, te ergeren, hier klopte niets van.
 
 
Het plastinaatvan de 'zwemster' (compleet met kabbelend water op de achtergrond !), de planten, de goedkope en lelijke illustraties die naast sommige stukken waren opgehangen. Alsof een reproductie van Leonardo Da Vinci het geheel meer grandeur kan geven. Alsof 17de en 18de eeuwse gravures dit circus kunnen rechtvaardigen. Alsof dit ook maar iets met kunst en cultuur te maken heeft. Want een circus, dàt is het. 'Kom kijken, dit wilde U altijd al zien!!!!!!!'
 
 
Big Brother, maar deze keer met lijken. 
 
 
 

HET PUBLIEK GEEFT ER ALLEMAAL NIET OM

 
Het komt kijken en zo te zien beviel het hen wel. Zo erg zelfs dat ik een groepje grappen hoorde maken over de plastinaten en ze regelmatig in luid lachen uitbarstten. Niemand leek zich daaraan te storen. Ook niet toen de leukste van het gezelschap zover ging zijn hand in de buik van de zwangere vrouw te stoppen ... Het wrange gevoel dat ik had werd toen nog wranger. Moet dit echt kunnen? 
 
 
Over de plastinaten en de gebruikte techniek niets dan lof, het is nu eenmaal indrukwekkend. Maar bij de manier waarop er met deze 'mensen' omgesprongen wordt kan je veel vraagtekens plaatsen. De rechtvaardiging dat alle gebruikte donoren zélf de toestemming hebben gegeven hiertoe is wel héél zwakjes. Alsof iemand kan inschatten wat er na 5 jaar met zijn of haar lijk gebeurd. Ik zeg het niet graag maar soms, niet te vaak, moet je na lang nadenken al eens iemand tegen zichzelf beschermen. Misschien moet dat maar eens met Gunther Von Haagens zelf gebeuren. De man meet zich een imago aan dat niet deugt. Als een pseudo joseph Beuys. ln de video zie je hem een plastinaat prepareren met de hoed op die hij altijd draagt! Sta mij toe aan zo iemand te twijfelen. Anatomie als showbusiness? Als de man dan nog citaten van bezoekers in de catalogus opneemt om zijn 'kritische' zin te tonen, en je leest: 'Waarom zijn er geen plastinaten van de coïtus te zien, hoe moet ik hier mijn kinderen voorlichten?', dan kan je daar op zijn minst zware bedenkingen bij hebben. Ook bij die bezoekers trouwens. Ook een goeie is :'Sinds ik van de plastinatiemethode weet, zie ik mijn dood absoluut rustig tegemoet'. ja, hallo? 'Minachting van het menselijk leven is veel te zwak uitgedrukt. Deze tentoonstelling heeft de grenzen van het smakelijke allang overschreden en is ethisch niet te rechtvaardigen. Waarom is zoiets niet strafbaar?' schreef een zekere Christine op de website. Omdat slechte smaak niet strafbaar is, beste Christine. Dit deugt allemaal voor geen meter. Hier klopt geen bal van. Toon deze plastinaten in een serene omgeving met een degelijke begeleiding maar sluit deze kijkbarak. Het enige wat nog ontbreekt is dat je stukjes plastinaat in de shop kan kopen, en ongetwijfeld breng ik nu nog iemand op ideeën ook! Dit heeft niets te maken met 'voorlichten van de massa' en 'anatomie voor leken'. Anatomie fs niet voor leken, maar daar staat al niemand meer bij stil. Het is populair om de tegenstanders af te doen als conservatieve gefrustreerde wetenschappers die het publiek bewust dom willen houden. Aan de reacties die ik van dat publiek mocht horen is het daar zelf heel goed toe in staat. Deze tentoonstelling is smakeloos, lelijk en plat commercieel. En dat komt niet door de lijken. Het komt door hoe er met hen omgesprongen wordt. Kitsch, dàt is het. Duitse kitsch in Brussel. In het slachthuis. 
 
MICHEL PEETERS 
 

 


 

Tot 24 februari 2002: Kelders van Cureghem. Slachthuizen en Markten van Anderlecht, Ropsy Chaudronstraat 24, B-1070 Anderlecht-Brussel​

 


 

Foto's (te bekijken in het PDF-formaat)

(allen  © FOTO INSTITUUT VOOR PLASTINATIE, HEIDELBERG) :

  • GESTALTEPLAST MET HUID
  • PLASTINAAT VAN BEUYS?
  • KIJKEN NAAR LIJKEN
  • DE SCHAKER
  • DE HARDLOPER
  • SIAMESE TWEELING

 


VERSTILDE SCHOONHEID - LILIE DUJOURIE

 

 

Haar laatste grote tentoonstelling had plaats in München, 3jaar geleden. Ze is spaarzaam met tentoonstellen. Lili Dujourie (°1941, Roeselare) geniet internationale bekendheid, maar krijgt in België nauwelijks de aandacht die ze verdient. In het Internationales Kunstzentrum Ostbelgien (IKOB) te Eupen toonde ze van 9/9/01 tot 21/1 0/01 een overzicht van haar werk. Een terugblik. 

 

 

COMPLEXE SOBERHEID 

 

De werken zijn uiterst zorgvuldig in de ruimte geplaatst. Al omvat dit overzicht een periode van 25 jaar, van stijlbreuken is hier geen sprake. De wandeling levert verrassende perspectieven op, omdat de werken duidelijk in dialoog treden en mekaar in hun impact versterken. Wars van alle trends kiest Dujourie voor uitgepuurde esthetiek, voor een visueel discours dat suggestief, associatief en poëtisch is. Geen anekdotiek of luidruchtigheid, maar stille concentratie. Uit angst voor eenduidige interpretaties, spreekt ze zelden over haar werk. "Voor mij gaat het niet zozeer om de woorden, maar om de stilte die ze omsluiten. Datgene wat tussen de regels wordt verteld" zei ze ooit in een interview. 

 

 

HET OOG VERLEIDEN 

 

Refererend naar haar videoperiode (72/81), waarin langzaam bewegende lichamen nadrukkelijk aanwezig zijn in 'real time', wordt hier een reeks zwart wit foto's getoond. Een naakt beweegt -als in een choreografie- op het parket van een kamer. Niets is wat het lijkt. Het vrouwelijk ogende lichaam is dat van een man. Het werk 'nu bleu' uit '79 vormt de schakel naar de sensuele beelden uit de jaren '80, waar ze grote bekendheid mee verwierf. Het zijn installaties met draperieën van fluweel, in een zwierige beweging gevangen. Met hun uitgesproken kleurkracht en de referenties naar de textuurschilderkunst van de Vlaamse primitieven balanceren ze tussen schilderkunst en beeldhouwkunst. 

 

Vaak hangt Dujourie de fluwelen sculpturen aan de wand. De skeletachtige constructie is soms zichtbaar, de doeken "omarmen de leegte". 

 

Bart Cassiman beschreef de opgewekte suggestie als "de volle leegte", of verder: "Diverse werken lijken bewoond. Door mysterieuze personages die we niet te zien krijgen, al heeft het er de schijn van dat die er zopas nog waren. Net zoals een rokende schoorsteen menselijke aanwezigheid verraadt, ademen Dujouries sculpturen een zekere geladenheid. Geladenheid die voortvloeit uit een gemis, een afwezigheid waar een betovering van uitgaat ( ... ) en die een verlangen aanwakkert naar iets wat er ooit was, maar waarvan men weet dat het nooit terugkomt en wat alleen in de herinnering blijft leven." 

 

Mieke Bal ("Hovering between Thing and Event/ Encounters with Lili Dujourie") noemt Dujourie's sculpturen "barok". De plooien, golvingen en suggestieve vormen zijn dynamisch/theatraal en evoceren het chiaroscuro. Het rijke materiaal verwijst naar de achtergrond van de barokke representatie. Maar belangrijker nog, zij onderzoeken het lichaam in relatie tot de perceptie, een relatie gedefinieerd door de poging een link te leggen tussen de afstandelijkheid van de blik en de nabijheid van de aanraking. 

 

In Eupen toonde Dujourie "Jeu des dames'' (1987), een werk waarin de zinnelijkheid ten top gedreven wordt door de weloverwogen keuze van materialen. Het marmeren dambord als sokkel contrasteert met de bevroren beweeglijkheid van de intens blauwe drapage op de zwarte paravent. De geometrisch minimalistische vormentaal (Dujourie's werk is verankerd in het Minimalisme van de jaren '70) wordt weloverwogen gecombineerd met barokke overvloed. De gecreëerde polarisatie roept spanning op. "Mijn echte werk is dat onzichtbare magnetische veld, dat ondraaglijk spel van verleiding en afstoting tussen nooit te verzoenen polen," aldus Dujourie. 

 

 

DE SCHADUW VAN DE SCHADUW 

 

Met "Ibant obscuri sola sub nocte per umbra" 1988 ("Ils allaient obscurs dans une nuit déserte à travers les ténèbres") toont Dujourie drie rijzige zwarte silhouetten in een zwaar zwarte perspectivische omkadering. Bij nader inzien blijkt het om schaduwbeelden te gaan. In de marmerpartij onderaan tekent zich een strak onwerkelijke donker vlak af: het schaduwbeeld bezit zelf een schaduw. Zo lijkt dit beeld over "schijn" en "zijn" te gaan, en misschien over de vraag naar het wezenlijke van de schijn. 

 

In "Dimanche apres-midi à Berlin" (1990) lijkt de schaduw van een raam zich op vloer en muur af te tekenen. Het licht wordt gevangen in witte en zwarte marmer. Vergankelijkheid en tijdelijkheid. "Rozehoek" (1987) raakt plafond en muren. Hierwordt de ruimte subtiel door het roze marmer afgetast. 

 

 

MELANCHOLIE 

 

"Mille et une nuit" (1993) : 2 sober zwarte panelen tegenover mekaar geplaatst. Op elk paneel hangt een soepel vallende doek, ditmaal niet in fluweel, maar in gips. Broze bevroren plooien, maagdelijk wit. In de jaren '90 is Dujourie's werk doordrongen van het vanitas motief. Geen typische iconografie -schedel, zandloper, kaars ... - maar "afwezigheid" als thema. Haar "nature morte" uit 1992 bestaat uit een marmeren vensterbank waarop een soepel geplooid gipsen doekje ligt. 

 

Bedrieglijk licht ogen de zorgvuldig gedrapeerde lakens op eenvoudige houten of metalen dragers. Ze hangen in groepen frontaal of zijlings tegen de muur. Ze liggen opgeplooid op een rekje. In werkelijkheid zijn deze doeken letterlijk loodzwaar. Lood is weerom een symbolisch geladen materiaal. In de middeleeuwen zou het gebruikt zijn in preparaten tegen zwaarmoedigheid. Een trapeziumvormige sokkel bekleed met een loden drapering; "des point cardinaux" (1997) geeft de 4 windstreken (blikrichtingen ?) aan.

 

Het geheel rust op 2 dunne eenvoudige metalen buizen. Dujourie plaatste het werk tegenover "Jeu des dames", waardoor het aan zwaarte verliest

 

Dujourie's kunst wordt en werd bepaald door een attitude die zich afzet tegen sensationele, luidruchtige kunst. Hier is in alle stilte aan een groots en uiterst fijnzinnig oeuvre gewerkt. 

 

Louterende schoonheid. Een verademing. 

 

 

ELS NOUWEN


Foto's:

(alle foto's te bekijken in het PDF-formaat: © WILLI FILZ)

LILI DUJOURIE, JEUX DES DAMES, 1987, MARBER, VELOURS, 300 X 300 X 160

LILI DUJOURIE, IBANT OSCURI SOLA SUB NOCTE PER LIM BRA, 1988, MAR8ER, VELOURS, 288 X 192 X 35 CM 


"GEBROED" - Dubbelexpositie van Peter Buggenhout en Berlinde De Bruyckere 

 

Als ze vertellen over hun beeldend werk, en mekaars woorden bedachtzaam aanvullen, valt op hoe sterk het gemeenschappelijk aanvoelen is. Kunst kan voor Berlinde De Bruyckere (°64, Gent) en Peter Buggenhout (°63, Dendermonde) niet anders dan ontstaan vanuit een menselijke bewogenheid, vanuit een ethische houding. 

 

"Een kunstenaar regenereert puin tot een hoopbrengend, troostend gegeven. Een middel om onze waardigheid te behouden, ondanks alles" aldus Buggen hout. 

 

Onder de beladen titel "Gebroed" tonen de kunstenaars 2 installaties in het Vlaams cultuurhuis de Brakke Grond, Amsterdam. in het oude neo-gotische schooltje in Gent, waar de kunstenaars wonen en werken, blikken we vooruit op de tentoonstelling. 

 

 

BRAAKBALLEN OP ZOLDER 

 

Sinds een aantal jaren wordt in Buggenhout's werk het lichaam letterlijk binnenstebuiten gedraaid. Koeienmagen en paardendarmen vormen het basismateriaal. Ze worden opgevuld met "puin" en zien eruit als gestolde vloeibare vormen, van binnenuit gegroeid. De vorm kan nooit voorafbepaald worden, het is immers de materie zelf die bepaalt. De bleke getaande pulserende massa's ogen bijzonder tactiel en laveren tussen aantrekken en afstoten. Dit "taboemateriaal" ("het abjecte", zoals door Julia Kristeva beschreven, en verwant met "J'informe" van Georges Bataille) situeert Buggen hout's praxis in een moeilijk definieerbare schemerzone. Hijzelf refereert aan zijn sculpturen als "datgene wat langs de zijkanten wordt opgeworpen wanneer de pletwals van de cultuur voorbijrijdt". Door de presentatie van zijn beelden en de plaatsing in de tentoonstellingsruimte of een specifieke context, tracht Buggenhout de vervreemding ten top te drijven. Zijn beelden baden vaak in een "unheimlich" licht. Soms verplicht de enscenering de toeschouwer op ontdekkingstocht te gaan, of door een labyrintisch verhaal te wandelen (vb. "Silent green", eerder dit jaar aan boord van een schip te Oudenaarde). Zo ook voor de installatie in de Brakke Grond. In zijn atelier toont Peter Buggenhout me de maquette voor zijn installatie. De toeschouwer zal in de besloten helverlichte tentoonstellingsruimte in eerste instantie niet direct diens ingreep kunnen waarnemen. immers, Buggenhout zal een immens vals plafond installeren. Hier en daar bevindt zich een opening waar de toeschouwer via ladder of stoel zijnfhaar hoofd in kan steken. Tussen de geconstrueerde scheidingswand en het reële plafond aanschouwen we dan een vervreemdende, schaars verlichte ruimte, die op zich ook verschillende lagen in zich draagt. Hier en daar, verstopt in hoeken en kanten, belicht of in tegenlicht, zal men Buggen hout's organische sculpturen ontdekken. "Als braakballen op een zolder" zegt Berlinde De Bruyckere. Duister verborgen ligt datgene wat ontdekt moet worden. De intimiteitvan een broedplaats. 

 

De gelaagdheid van de beelden, de gelaagdheid van de ruimtelijke enscenering; voor Buggenhout een metafoor voor "hoe wij met cultuur de waarheid eerder verdoezelen -vertroebelen-dan dat we ze opzoeken". Buggenhout vraagt ons letterlijk in of tussen zijn werk te kruipen om een glimp op vangen van datgene wat misschien niet meer te detecteren is. 

 

 

EEN TOREN VAN ONVOLKOMENHEDEN 

 

Berlinde De Bruyckere put voor de tentoonstelling in Amsterdam uit haar archief van archetypische beelden. Ze herwerkt haar "knekelhuis van knuffelbeesten", een immense installatie die ze eerder dit jaar presenteerde in het MUHKA. Een bonte mengelmoes van gedumpte speelgoedbeesten werd opgetast in rekken, als in een depot, en beschenen met een gedempt rood licht. Zoals al haar werk, groeide dit beeld uit persoonlijke ervaringen, namelijk toen ze drie jaar geleden eigenhandig, uit dekenstof, een speelgoedbeestje vervaardigde voor haar pasgeboren zoon. Anders dan de knuffels in het werk van de Amerikaanse kunstenaar Mike Kelley, werden de tweedehands knuffels in haar installatie niet in hun oorspronkelijke toestand gelaten, maar integendeel verder uit elkaar gerukt en weer aan elkaar genaaid. Ze vertonen eigenaardige uitstulpingen, zijn onvolkomen, soms zelfs monsterlijk. 

 

Op de binnenhof van het oude schooltje in Gent staat de 6 meter hoge toren die in de grote theaterzaal van de Brakke Grond geplaatst zal worden. De knuffels zullen ditmaal in, op en tegen de constructie bevestigd worden en via een trap zal de toeschouwer de mogelijkheid krijgen om deze vreemde kleurrijke wereld letterlijk van binnenuit te ervaren. 

 

De knuffels hebben allemaal een geschiedenis. Het zijn voor De Bruyckere "Materialen met een ziel", net zoals dekens, die ze sinds begin jaren '90 veelvuldig gebruikt. Een deken heeft een dualiteit in zich: enerzijds symbool van geborgenheid en warmte, anderzijds kan ze ook beklemmen, verstikken en herinnert ze aan vluchtelingen-en noodkampen, aan angst en kwetsbaarheid. Tot haar bekendste werken horen de dekenvrouwen, figuren met kleurrijke dekens over het hoofd, die ze o.a. toonde in het beeldenpark Middelheim ( ' 95), in de Pont Tilburg (2000) en in het Muhka (2001). 

 

"Een kunstenaar is voortdurend op zoek naar metaforen. Een daarbij hou ik van dingen die niet eenduidig zijn, dingen waar een veelheid van betekenissen in zit, zodat de toeschouwer het beeld als het ware zelf kan afmaken." zegt De Bruyckere. Ze wil een beschadigd en verbrokkeld mensbeeld tonen. De essentie van haar werk zijn onuitgesproken angsten en verlangens die iedereen (her)kent en onder uiterlijkheden verbergt. Het werk "In Flanders' Fields" dat ze in 2000 voor het oorlogsmuseum in leper creëerde, behoort ook tot die archetypische beelden van pijn en lijden. Polyester afgietsels van creperende paarden, bekleed met paardenhuiden, symboliseren de onschuld en staan in contrast met de gruwel van de oorlog. "Ik besef dat ik bezig ben met pijnlijke dingen, maar ik probeer dat op een mooie manier te doen, zodat men er troost in kan vinden," zegt De Bruyckere. 

 

 

GEBROED 

 

Beiden werken met doorleefde materialen. Ze vragen de toeschouwer in hun werk te treden, om het ten volle te ervaren. Ze beogen daarmee een helend effect. Uiterlijk mag hun werk dan wel erg verschillen, de verlangens en dromen van De Bruyckere en Buggenhout raken mekaar. 

 

ELS NOUWEN 


 

"GEBROED" Dubbelexpositie van Peter Buggenhout en Berlinde De Bruyckere

26/10/01 tem 27/01/02

Vlaams Cultuurhuis de Brakke Grond, Nes 45, 1012 KD Amsterdam

 


Foto's:

Te bekijken in het PDF-formaat

- BERLINDE DE BRUYCKERE, 'ANÉÉN-GEGROEID, 2001, MUHKA, ANTWERPEN, © FOTO JAN PAUWELS 

- PETER BUGGENHOUT, WOLKEN ZIJN GEEN BOLLEN, 1998, © BRAKKE GROND, AMSTERDAM 

- PETER BUGGENHOUT, SILENT GREEN, 2001, © BRAKKE GROND, AMSTERDAM 


KUNSTSCHATTEN UIT HET RUSSISCHE KEIZERRIJK TE BRUSSEL 

 

 

Naar aanleiding van het bezoek van de Russische president Poetin aan België, begin oktobervan dit jaar, werd in het Legermuseum te Brussel -het andere jubelparkmuseum-een zaal geopend over kunstschatten van het Russische keizerrijk

 

Het gaat over een collectie die voor het overgrote deel afkomstig is van het Regiment Kozakken van Zijne Majesteit, genoemd de Kozakken van de Keizerlijke Garde, gestationeerd in Sint-Petersburg. Een collectie die al sedert de jaren 1930 in het bezit is van het Museum en oorspronkelijk in de zaal over de Eerste Wereldoorlogwas opgesteld. Enkele jaren geleden, bij de herinrichtingvan de verzamelingen WO I, verhuisde de verzameling naar de reserve. Op dinsdag 2 oktober jl. werd ze met grote trom terug aan het publiek 'geschonken'. 

 

Het woord 'kunstschatten' moet bij de nieuwe zaal wel erg letterlijk worden genomen want wat uit de reserve werd opgediept, is bijzonder waardevol en uniek. Dit is ongetwijfeld zo voor de uitgebreide collectie Russisch zilverwerk-o.m. tafelservies, vaatwerk en een uniek ensemble van 22 zilveren trompetten -of voor de enkele uniformen die tot de persoonlijke garderobe van de tsaren behoorden maar eveneens voor de vier standaarden die in 1799 door tsaar Alexander I aan het regiment 'Kozakken van Zijne Majesteit' werden overhandigd. De opstelling van het geheel, de keuze van de achtergrondkleuren en de aangepaste verlichting dragen bij tot een verzorgd en aantrekkelijk geheel dat de sfeer van een echte schatkamer oproept. De inrichtingwerd toevertrouwd aan de Zwitsers-Engelse musealoog . Laatstgenoemde heeft in het museum reeds zijn sporen verdiend met de opbouw van de Wapen-en Harnassenzaal (1987) en de installatie van de collecties over de Eerste Wereldoorlog (1998). 

 

Voor de financiering van het project kon het museum, buiten zijn eigen middelen, rekenen op gelden die door de Vereniging der Vrienden van het Legermuseum ter beschikking werden gesteld. 

 

Hoe komt nu zo'n belangrijke en gevarieerde collectie Russische voorwerpen in het Brusselse Legermuseum terecht, zult U zich terecht afvragen. Het antwoord hierop voert ons terug naar het revolutiejaar 1917-De officieren van het Regiment Kozakken van de Keizerlijke Garde vernemen in Sint-Petersburg de troonsafstand van hun chef en beschermheertsaar Nicolaas 11. Bevreesd voorwat komen zou, besluiten ze de verschillende kostbaarheden die ze in hun mess hebben ondergebracht en die fungeert als traditiezaal, in veiligheid te brengen. Alles wordt ingepakt en verhuist naar Novotsjerkassk, een stad niet zo ver van de Zwarte Zee, gelegen in Oekraïne. Na de oktoberrevolutie en de vrede met Duistland in maart 1918 trekken de officieren van de Kozakken van de Garde zich terug uit Sint-Petersburg. ln de burgeroorlog die dan uitbreekt, vechten zij met de Witten tegen het Rode leger. In 1920 verlaten ze Rusland en uiteindelijk arriveert een groot deel van de officieren als Russische emigrant in Frankrijk en België, waar ze om den brode aan het werk moeten. 

 

De collectie zelf werd in volle burgeroorlog overgebracht naar Constantinepel en strandt in begin van de jaren 1920 in Joegoslavië in de kelders van een artilleriearsenaaL Het geld ontbreekt om de kostbaarheden ook naar Frankrijk over te brengen. Dit kan pas eind van de jaren 1920. De inmiddels opgerichte vereniging van oudofficieren van de Kozakken van de Garde, richt in Courbevoie, nabij Parijs, voor Russische emigranten een ontmoetingsplaats in die tevens als museum wordt uitgebouwd. De schatten van het regiment worden er uiteindelijk in 1930 bij elkaar gebracht en uitgestald. De deelname van de communisten aan de Volksfrontregering in Frankrijk in 1936 verontrust in die mate de oud-officieren, dat ze beslissen om de collectie naar veiliger oorden over te brengen. Ze verhuist naar België naar het Legermuseum en nog hetzelfde jaar wordt de uitgebreide Russische afdeling in het Museum plechtig geopend. Tot 1992 vormde ze een permanent onderdeel van de collecties over WO I. 

 

Centraal in de nieuwe zaal is terecht het grote punchvat opgesteld dat aan het regiment in 1913 werd geschonken naar aanleiding van de 100ste verjaardag van de slag bij Leipzig in 1813, waar het regiment zich uitzonderlijk onderscheiden had en waar meer algemeen gesproken, de nederlaag van Napoleon werd voorbereid. Het is een zilveren meesterwerk dat versierd is met miniatuurportretten van de tsaren en een afbeelding van de slag bij Leipzig. Daarnaast moeten we het prachtige en gevarieerde zilveren tafelservies-en vaatwerk vermelden, afkomstig van de mess van de officieren en besteld bij de voornaamste zilverateliers die in Sint-Petersburg gevestigd waren, waaronder Fabergé. Uniek zijn de 22 zilveren trompetten, die kort na de Russische campagne tegen Frankrijk (1812-1813) door de tsaar zelf aan het regimentvan de Kozakken werd aangeboden. Het schenken van trompetten als ereteken voor bijzondere diensten komt in het tsaristische Rusland nog voor maar het blijft een erg uitzonderlijk en opmerkelijk gebeuren. Dat zo'n ensemble, dat bedoeld is om er werkelijk mee te musiceren, in een Belgische collectie voorkomt, is des te merkwaardig. 

 

Ook inzake uniformen pakt het Legermuseum met enkele topstukken uit. Vier uniformen van het Kozakkenregiment die door de tsaren zelf werden gedragen: een Chekmen of dienstuniform (een blauwe redingote) van tsaar Nicolaas I (1825-1855), een korte uniformjas van het parade-uniform gedragen Alexander 11 (1855-1881), een redingote van het parade-uniform van Alexander 111 (1881-1 894) en het ceremoniële tenue van het regiment zoals dat door tsarevitsj Alexis Nicolaevitch, in 1917 vermoord, gedragen werd. Niet minder zeldzaam en spectaculair zijn de 4 originele regimentsstandaarden die in 1799 door tsaar Alexander I aan het regiment werden geschonken. 

 

Verrassend is ook het verhaal van een Belgisch regiment (de zogenaamde autokanonnen in Rusland) dat in WO I aan het Russische front vocht en dat in 1918 via Vladisvostok en San Francisco uiteindelijk in New York belandde. Deze opmerkelijke odyssee krijgt plots gestalte via een Belgisch uniform met Russische kentekens en enkele persoonlijke uitrustingsstukken en souvenirs. 

 

Het Legermuseum toont met deze nieuwe permanente expositie nog maar eens aan dat zijn collecties zo gevarieerd en zo gediversifieerd zijn dat ze moeilijk onder één noemer te vatten zijn. Is de rode draad 'het militaire', dan is het verrassend vastte stellen hoe verscheiden dit alles wel kan zijn en dat het niet alleen 'bommen en granaten' betreft maar ook prachtige kunstwerken van allerlei aard. 

 

PIET DE GRYSE 


Foto's:

Te bekjken in het PDF-formaat.

- HET BORSTBEELD VAN PETER DE GROTE, AAN DE INGANG VAN DE ZAAL, © KONINKLIJK LEGERMUSEUM, PIET DE GRYSE.

- DE NIEUWE ZAAL, © KONINKLIJK MUSEUM, PIET DE GRYSE.

- DE TOESTAND VAN DE ZAAL VOOR DE VERBOUWING, © KONINKLIJK LEGERMUSEUM.


FRANS M. OLBRECHTS (1899-1958) - OP ZOEK NAAR KUNST IN AFRIKA 

 

 

In het Etnografisch Museum staan de niet-Europese volkeren centraal. Een ruime keuze van 2500 kunst en gebruiksvoorwerpen, schetst de leef-en denkwereld van bekende en minder bekende culturen uit Afrika, Amerika, Azië en Oceanïe. Bij elk van deze afdelingen hoort een aantal voorwerpen met wereldfaam. ln het najaar organiseert het Etnografisch Museum een tijdelijke tentoonstelling waarbij de Afrikaanse kunst opnieuw centraal staat sedert de tentoonstellingen het "Gelaat van de Geesten. Maskers uit het Zaïrebekken" gerealiseerd in het kader van Antwerpen 1993 Culturele Hoofdstad van Europa en "De sculptuurvan Angola" (1995). 

 

" ... . van een tocht, niet op zoek naar goud of naar ivoor; noch ebbenhout of radium, maar naar dat wat Afrika misschien nog ooit beroemder zal maken dan al de schatten die het aan mineralen in zijn schoot bergt: zijn kunst en zijn kunstenaars." Uit: Frans Olbrechts "Maskers en dansers in de Ivoorkust" (1940:9). 

 

Deze tentoonstelling belicht de pioniersrol die Frans Olbrechts heeft gespeeld in de studie van niet-Europese volken en hun kunst. Sinds 1932 doceerde hij de zogenaamde Primitieve Kunst aan de Universiteit Gent. Van 1947 tot aan zijn dood in 1958 was hij directeur van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika. Het is minder bekend dat hij ook aan de basis ligt van het ontstaan van een museum over niet-Europese culturen in Antwerpen. 

 

Na in 1925 een doctoraat in de Germaanse filologie te hebben behaald aan de Katholieke Universiteit Leuven, trok Olbrechts naar de Verenigde Staten. Aan de Columbia University te New York werd hij door Franz Boas ingewijd in de antropologie. 

 

Tussen 1925 en 1930 verrichtte hij antropologisch veldwerk bij verschillende lndianengroepen. Terug in België, werd hij in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te Brussel belast met het beheer van de afdeling Etnografie. In 1933 maakte hij in opdracht van dit Brusselse museum een verkennings-en verzameltocht door West-Afrika: het was het beginpunt van een intense belangstelling voor de Afrikaanse cultuur en kunst. 

 

Het boek Plastiek van Kongo (1946) gaat in vakkringen terecht door als Olbrechts' belangrijkste wetenschappelijke bijdrage. Het is de neerslag van de tentoonstelling Kongo-kunst die hij in 1937-38 in samenwerking met enkele van zijn studenten had georganiseerd in de Antwerpse StadsfeestzaaL In het t boek paste Olbrechts de methode van morfologische analyse toe op de figuratieve sculptuur van Kongo. Dit onderzoek leidde tot de toeschrijving van een aantal voorheen ongeïdenticeerde voorwerpen en tot de classificatie van de Kongolese kunst in vier stijlgebieden. Tegelijk bracht het de stijl aan het licht van een individuele Luba-kunstenaar die Olbrechts doopte tot de Meester van de Langgezichtstijl van Buli'. 

 

Olbrechts was niet alleen een pionier in het stijlonderzoek van de Afrikaanse kunst, hij kan ook beschouwd worden als een van de grondleggers van de discipline die thans bekend staat als de antropologie van de kunst'. 

 

Gestimuleerd door zijn eerste Afrika-reis van 1933, organiseerde hij in 1938-39 met de steun van een aantal Antwerpse mecenassen, de "Ivoorkust-Expeditie der Rijksuniversiteit te Gent en van het Vleeschhuis-Museum te Antwerpen". Tijdens deze expeditie verrichtten twee van zijn studenten, Pieter jan Vandenhaute en Albert Maesen, één jaar lang op kunst gericht veldwerk bij respectievelijk de Dan en de Senufo. Het onderzoek van beide jonge wetenschappers mondde uit in de eerste proefschriften over de Afrikaanse kunst ter wereld. 

 

In de tentoonstelling zal aan de hand van voorwerpen, fotografische en geschreven bronnen eerst een licht worden geworpen op Olbrechts' academische vorming en zijn postdoctorale studies en veldonderzoek in de Verenigde Staten. Vervolgens zal worden stil gestaan bij de historische lvoorkustexpeditie. Hierbij zal veel aandacht worden besteed aan het veldonderzoek van Pieter jan Vandenhaute en Albert Maesen. Er zal een selectie te zien zijn van de tijdens die expeditie door beide onderzoekers verzamelde kunstvoorwerpen en etnografica van Dan-, Wè-en Senufoherkomst. Het merendeel van deze voorwerpen wordt vandaag bewaard in het Etnografisch Museum, Antwerpen, en de Etnografische Verzamelingen van de Universiteit Gent. 

 

Tenslotte zal dieper worden ingegaan op de tentoonstelling Kongo-kunsten het standaardwerk Plastiek van Kongo. Een deel van de Kongolese kunstwerken die toen, in 1937-38, in de Antwerpse Stadsfeestzaal werden getoond zullen voor de gelegenheid opnieuw samen worden gebracht. Daartoe behoren niet alleen voorwerpen uit de eigen collectie van het Etnografisch Museum en andere Belgische openbare verzamelingen, maar ook voorwerpen uit diverse privé-verzamelingen. Enkele van de voorwerpen zijn sinds 1937-38 niet meer tentoongesteld. 


FRANS M. OLBRECHTS (1899-1958) OP ZOEK NAAR KUNST IN AFRIKA

7 december 2001 - 3 1 maar t 2002

Etnografisch Museum, Suikerrui 19, 2000 Antwerpen.


Foto's:

Te bekijken in het PDF-formaat.

- MAN, IVOORKUST, 1938.

- PIJLDRAGER. LUBA (KATANGA), DEMOCRATISCHE REPUBLIEK KONGO. HOUT; H. 59,5 CM. ETNOGRAFISCH MUSEUM, ANTWERPEN (AE 722 ). 

-  ©  ETNOGRAFISCH MUSEUM, ANTWERPEN 

-  ©  EDITIONS DAPPER, PARIJS. PHOTO: HYGHES DUBOIS 


Broodhuis - Museum van de Stad Brussel  - BRUSSEL TUSSEN HEMEL EN AARDE 

 

 

Brussel tussen hemel en aarde,een verhaal over de open ruimte in de vijfhoek, kadert in een cyclus van tentoonstellingen over diverse thema's die verband houden met de geschiedenis van de Brusselaars. 

 

Dit jaar koos de dienst musea, in samenwerking met het Archief, voor het thema stedenbouw, met een dubbel doel: enerzijds een andere blik werpen op de collecties van het Broodhuis rond de stedelijke ontwikkeling van Brussel, en anderzijds aanzetten tot nadenken over de presentatie ervan. Met die laatste stap is het de bedoeling de toekomstige denkpistes uit te tekenen voor de grote verbouwingswerken in het museum. 

 

De samenstelling en de bestemming van de collecties van het Broodhuis hebben als voornaamste doel aan de Brusselaars te tonen dat de geschiedenis van hun stad vóór 1830 begint. Hoewel het aspect stedenbouw al uitvoerig behandeld werd, leek het de tentoonstellingsmakers interessant te kijken hoe de open ruimte binnen de vijfhoek geëvolueerd is. Ten gunste van de voornaamste componenten van deze stad, zoals een waterloop, de Zenne, handelsactiviteiten, een godsdienstige plaats, een politiek centrum, ontstonden namelijk pleinen, parken en tuinen, zones voor cultuur, enz. Dit landschap is mettertijd ingrijpend veranderd, mede door enkele belangrijke gebeurtenissen: de bouw en vervolgens de afbraak van de stadsmuren, gevolgd door de aanleg van de lanen van de kleine ring in de 19de eeuw, de uitbouw van de functies van een moderne stad, de overwelving van de Zenne in de tweede helft van de 19de eeuw en de noordzuidverbinding in de eerste helft van de 2oste eeuw. Met de twee laatstgenoemde projecten werd het landschap van het ancien regime in Brussel definitief ten grave gedragen. 

 

Om een verband te leggen tussen een nogal bucolisch beeld van het vroegere Brussel en de hedendaagse stad, waar namen van straten of pleinen, enkele resten van de stadsmuren en oude gebouwen nog herinneren aan haar verleden, gaf het Museum van de Stad Brussel aan Marie-Françoise Plissart de opdracht foto's te maken van de belangrijkste plaatsen die in de tentoonstelling worden voorgesteld. 

 

 

HET BROODHUIS 

 

Op drie verdiepingen toont het museum enerzijds de getuigen van de beeldende en decoratieve kunsten die mee de faam van onze hoofdstad hebben gevestigd: beeld bouwwerk, schilderijen, retabels, wandtapijten, aardewerk en porselein anderzijds wordt bet ontstaan en de ontwikkeling van de stad geschetst: het sociale, economische, institutionele, culturele en intellectuele leven. 

 

Het Broodhuis werd in 1936 uitgeroepen tot beschermd monument. Het behoort ook tot de reeks gevels van de Grote Markt die op de monumentenlijstvan het werelderfgoed van de Unesco staan.

 

Het Museum van de Stad Brussel heeft het voorrecht dat het is ondergebracht in een gebouw waarvan de geschiedenis verbonden is met die van het stadscentrum . 

 

Het gebouw, gelegen op de vestigingsplaats van de hallen naast de Brusselse markt in de 13de eeuw, kende enkele gedaanteveranderingen die getuigen van zijn merkwaardige geschiedenis. Het in de 16de eeuw gebouwde Broodhuis kwam in de plaats van de middeleeuwse broodhal (vandaar de naam) en diende om er kantoren van bet bestuur van Keizer Karel in onder te brengen. Nadat het verscheidene eigenaars had gekend, werd bet Broodhuis tijdens het laatste kwart van de 19de eeuw volledig heropgebouwd, op initiatiefvan de Stad Brussel die het gebouw in 1860 had overgenomen. De opdracht werd toevertrouwd aan stadsarchitect van de stad, P.-V. Jamaer. 

 

Gezien de groei van Brussel in de 19de eeuw had Charles Buls, burgemeester van de stad, de noodzaak vastgesteld om het publiek de instrumenten van de kennis van zijn verleden aan te reiken. ln die optiek besliste bij een historisch museum te openen. Het Museum van de Stad Brussel werd opgericht in 1884 en ingewijd in 1887. Het beheer ervan werd toevertrouwd aan de stadsarchivaris en het nam aanvankelijk slechts een deel van bet Broodhuis in beslag.

 

De collecties van bet museum bestonden aanvankelijk uit schenkingen van vrijgevige mecenassen en werden in de loop der jaren uitgebreid. De presentatie ervan werd aangepast op basis van de verbouwing van het museum. De laatste fundamentele reorganisatie van het museum gebeurde van 1981 tot 1986. 

 


Brussel tussen hemel en aarde

Van 31/10/01 tot 31/08/02 

Broodhuis - Museum van de Stad Brussel, Grote Markt, 1000 Brussel


Foto's:

Te bekijken in het PDF-formaat

- ©Marie-Françoise Plissart  Stad Brussel-Educatieve dienst


Jonge kunstenaars in Vlaanderen: Stéphanie Leblon

 
Voor de reeks 'jonge kunstenaars in Vlaanderen' doen wij een beroep op jong artistiek talent dat met werk vertegenwoordigd is in de collectie van Kunst in Huis. 
 
Stéphanie Leblon
Geboorteplaats: leper 
Geboortedatum: 22/12/70 
 
Studie 
1989-1993: Monumentale Kunsten, Schilderkunst, Hoger St-Lucasinsituut, Gent 
1995: Meestergraad Schilderkunst, Hoger Instituut St-Lucas, Gent 
95-98: Hoger Instituut voor Schone Kunsten, Antwerpen 
 
Individuele tentoonstellingen 
mei/juni 94: 'Landschap in het landschap, Galerij 'De Queeste', Lokeren 
juni 95: Galerij Devos, Aalst 
september 99 : Galerij 'De Keulenaer', Gent 
september '99: CC Hasselt 
 
 
Stéphanie Leblon maakt grote tekeningen, schilderijen en verder kleine gouaches en collages. Haar uitgangspunt is onze " condition humaine" en het eerder vaag en ongedefinieerd menselijk onvermogen het bestaan te vatten. De mens zit opgesloten in zichzelf, in zijn gedachten, in zijn lichaam, in zijn omgeving en zijn cultuur. 
 
 
Ze tekent humanoïden die geënt lijken op machines. Er ontstaat zo een beklemmende tussenvorm tussen mens en techniek. Ze zijn verbonden met elkaar via een gesloten circuit waaruit geen uitweg mogelijk is. 
 
 
De tekeningen en de gouaches van Stéphanie Leblon zijn gebaseerd op collages die ze vooraf gemaakt heeft. Uit kranten worden afbeeldingen van mensen geknipt en uit allerhande catalogi fragmenten of onderdelen van machines. De menselijke figuren worden vervolgens gecombineerd met de machinefragmenten. 
 
 
De tekeningen worden gemaakt naar de collages. Het beeld zweeft op het papier. Er is geen horizon of achtergrond. De tekening is de structuur, hetverhaal en de inhoud. Ze is een visueel denkproces waarbij de menselijke grenzen gevisualiseerd worden. Elke tekening is het opnieuw afzoeken van die grens. De beelden hebben een erg menselijk karakter door hun fijnzinnige en schilderkunstige aanzet en door het kleurgebruik dat verwijst naar menselijke huid en bloed. 
 
RAF  COENJAERTS (SEPTEMBER 2001) 
 

Foto's:

Te bekijken in PDF-formaat

- ZONDER TITEL, 9 GOUACHES, ELK 21 X 30 CM   © KARIN DEMETER

- ZONDER TITEL, GOUACHE, 21 X 30 CM ©KARIN DEMETER


EINDELIJK WEER THUIS!  - STAD IEPER VERWERFT 5 SCHILDERIJEN VAN FERDINAND PAUWELS. 

 

 

Op 5 januari 2001 kon de stad leper overgaan tot de aankoop van de zes schilderijen van Ferdinand Pauwels.Een lange periode van lang onderhandelen kon hiermee succesvol afgesloten worden

 

Voor de kunstgeschiedenis en het cultuurpatrimonium van de stad leper zijn deze schilderijen van enorm belang. Tussen 1861 en 1891 werd in de Ieperse Lakenhallen -op nationaal vlak gezien-één van de omvangrijkste projecten van muurschilderkunst gerealiseerd waarvoor telkens op de beste kunstenaars een beroep gedaan werd. Zo werd de Raadszaal gedecoreerd door Godfried Guffens en Jan Swerts (1861-1869), terwijl de versiering van de oostelijke vleugel op de verdieping van de Lakenhallen toegewezen werd aan Charles Degroux. Deze schilder overleed op 30 maart 1870 vooraleer ook maar één muurschildering gerealiseerd te hebben waarna, op 21 mei 1870, de immense opdracht naar Ferdinand Pauwels ging. Naderhand zou ook de aansluitende westelijke vleugel door Louis Delbeke van muurschilderingen voorzien worden (1882-1891). 

 

De muurschilderingen in leper werd uitgevoerd onder auspiciën van de stad leper en de Koninklijke Commissie voor Monumenten. Vooraleer aan de slag te gaan moest Pauwels een programma voorleggen: niet alleen de onderwerpen die hij plande moesten goedgekeurd worden, ook van de schilderingen zelf moest hij ontwerptekeningen en zgn. modellen voorleggen: gedetailleerde schilderijen op groot formaat die de compositie, het kleurgebruik, de voorstelling van een thema, enz. duidelijk weergeven. De aankoop omvat zes van deze modellen, uiterst belangrijke schakels in het productieproces.

 

Samen met stadsarchivaris Alphonse Diegerick en minister van Staat Alphonse Vandenpeereboom besloot Pauwels om negen onderwerpen in chronologische volgorde te verbeelden. Ze kregen allemaal een verklarend opschrift mee: bovenaan in het Nederlands, onderaan in het Frans. 

 

1. ln 1187 legde Philips van Elzas, graafvan Vlaanderen, een bezoek af in het St-Mariahospitaal van leper. 

2. Op Goede Vrijdag 1206 schonk Johanna van Konstantinopel, gravin van Vlaanderen, de vrijheid aan gevangenen te leper. 

3· In 1214 gebood Ferdinand van Portugal, graaf van Vlaanderen, aan het magistraat van leper de versterkingen rond de stad te bouwen. 

4· In 't jaar 1248 schenken de heren der Wet aan gravin Margareta geld en juwelen tot verlossing van haren zoon Willem, krijgsgevangene in Egypte. 

5· Onder de regering van Graaf Gwijde van Dampiere werd begonnen met de bouw van de westvleugels van de Ieperse Lakenhalle. 

6. Terugkomst van de Ieperse gelederen na de Slag van Groeninge -Gulden Sporen 

7. ln 1349 brak er te leper pest uit die een vierde van de bevolking uitroeide. 

8.Ter gelegenheid van het huwelijk van Mechtildis, Gravin van Vlaanderen met Mathias, Hertog van Lotharingen en Bar werd in de Lakenhalle een prachtig feestmaal gehouden. 

9. ln 1383 belegeren de Gentenaren de stad leper maar trokken zich na zeven aanvallen terug De eerste acht muurschilderingen bracht Pauwels aan op de noordelijke wand (tussen 1873 en 1880), de negende en laatste schildering verscheen op de aansluitende oostelijke wand (in 1881). 

 

De eerste acht muurschilderingen bracht Pauwels aan op de noordelijke wand (tussen 1873 en 1880), de negende en laatste schildering verscheen op de aansluitende oostelijke wand (in 1881).

Met de aankoop van deze zes schilderijen kon aldus een belangrijk hiaat in de collectie van het Stedelijk Museum gedicht warden. Meer zelfs, de aankoop kan gerust de belangrijkste sedert de Eerste Wereldoorlog genoemd worden.

 

MICHEL PEETERS 


Foto's:

- HET OPBREKEN VAN HET BELEG VAN IEPER © STEDELIJKE MUSEA, IEPER 

- DE PAUWELSZAAL ROND 1900 © STEDELIJKE MUSEA, IEPER

- HET SCHENKEN VAN HET LOSGELD AAN GRAVIN MARGARETHA © STEDELIJKE MUSEA, IEPER 


LODZ EN ZIJN VOORBEELDIGE VERZAMELAARS 

 

 

Op de platgetreden paden van de 'petite histoire' rond grote kunstverzamelingen tref je excentrieke, wereldvreemde en meestal steenrijke verzamelaars aan. Doorgaans schenken ze hoogbejaard hun kostbaarheden aan één of ander museum, tot groot ongenoegen van hun gefnuikte erfgenamen die nadien maar wat graag de nagedachtenis van hun harteloos familielid door de modder halen. Niets hiervan bij de verzameling Sztuki (Museum voor Schone Kunsten) van Lodz die naar aanleiding van Europalia Polen in het 

 

Museum voor Schone Kunsten van Gent te gast is. Hier liggen kunstenaars zelf aan de oorsprong van de verzameling. 

 

Het was inderdaad de verdienste van het kunstenaarskoppel Wladyslaw Strzeseminski en Katarzyna Kobro dat een evenwichtige staalkaart van het hoofdzakelijk abstracte modernisme rond 1930 werd samengesteld. Noem het een gelukkigtoeval dat de groep 'a.r.' (de handige afkorting staat voor een moeilijk leesbare Poolse benaming die zoveel wil zeggen als 'reële avant-garde / revolutionaire kunstenaars') door hen beiden gesticht, in contact stond met de groep 'Cercle et Carré' uit Parijs. 'Cercle et Carré', met als mentoren Michel Seuphor en joaquin Torres-Garcia, ging graag in op Strzeminski's vraag of kunstenaars elk één werk aan een nieuw op te richten museum wilden afstaan. Seuphor en de Poolse auteur jan Brzekowski schuimden Montparnasse af; en met succes. Henryk Stazewski, een lid van 'Cercle et Carré', leverde in de loop van 1931 de rijke buit te Lodz af. Samen met de werken die a.r. in Polen verzameld had, stak het nieuwe museum met een onovertroffen collectie van 111 werken van wal. 

 

Dan eist de bewogen geschiedenis van Polen haar tol. Tijdens de tweede wereldoorlog gaan 29 werken verloren. De stalinisten zijn al even grote tegenstanders van abstractie als de nazi's. Toch overleeft de kern van de collectie alle stormen. 

 

In de tentoonstelling te Gent komt die kernverzameling ruimschoots aan bod. ln de heldere opstelling domineren de constructivistische schilderijen. De discipelen van Mondriaan geven de toon aan, al is de meester zelf in de collectie nooit aanwezig geweest. Even kan een Jean Gorin voor verwarring zorgen met een compositie met rood en blauw, en uiteraard grote witte vlakken, scherp met zwart afgelijnd. Van Doesburg en Vantongerloo zijn met heel typische werken vertegenwoordigd. Hans Arp heeft het nooit voor de rechte lijn gehad. Hij leeft zich uit in curven, in tekeningen en in een speels, maar sober reliëf. Fernand Léger blijft zijn eigen varianten van de nonfiguratie trouw. 

 

Dan pas krijg je de minder vertrouwde vormen van abstractie in de gaten. Een zeer fraaie 'frottage' van Max Ernst, de eigenzinnige druksels van Hendrik Nikolaas Werkman, een kleine compacte collage van Kurt Schwitters, de rustige lijnstructuren van Stazewski. Het begin van de jaren dertig is zeker niet de verstarde periode die de handboeken ervan gemaakt hebben. Varianten op het kubisme en het futurisme komen nog volop aan bod. Kurt Seligman brengt het soort abstractie dat door de surrealisten op prijs werd gesteld. 

 

Heel verrassend zijn de 'unistische composities' van Strzeminski zelf, een soort minimalistische schilderkunst uit 1931 die duidelijk op haar tijd vooruit loopt. In een volgende zaal, nog meer verrassingen: naast de figuratieven uit Montparnasse (Marcoussis, Lurçat, Prampolini), enkele Poolse kunstenaars die uit een ander vaatje tappen. Tytus Czyzewski die kubisme en surrealisme aan elkaar koppelt, maar vooral het ongemeen sterk werk van Stanislaw lgnacy Witkiewicz die aan het expressionisme een volledig eigen invulling geeft. 

 

Ook deze zaal biedt een mix van herkenning en ontdekking. Dit is dan ook een constante door deze verzorgde tentoonstelling. Maar eveneens het optimaal benutten van de constructieve mogelijkheden van het museumgebouw. De halve rotonde met zijn overvloedige lichtinval laat de Noord-Amerikaanse werken bijzonder goed tot hun recht komen, een bonte en levendige verzameling die voortkomt uit een uitwisseling met het Los Angeles Museum of Contemporary Art. Er werd al wat afgesakkerd over die driehoekige zalen in het museum die veeleer uit een gril van de architect dan uit museale noodzaak ontstaan zijn. Nu blijkt die ondankbare ruimte uitstekend te functioneren voor de installatie 'Polentransport' van Joseph Beuys. De meester van de moderne icoon schonk in 1981 de helft van zijn archief aan het museum van Lodz. Grafiek, notities, foto's langs de schuine wanden en, prominent aanwezig in het midden van de zaal, een houten kist met enkele uit hun alledaagsheid losgerukte voorwerpen: Het zijn de ingrediënten van een verrassende, haast intimistische opstelling. Even boeiend maar helemaal anders opgevat is de installatie met enkele schilderijen van Roman Opalka in een ruimte badend in het licht. 

 

Lodz verrast ons met kwaliteitswerk uit een verzameling die bij de kenners altijd al hoog aangeschreven stond. Ik herinner mij de inspanningen van wijlen Phil Mertens, jarenlang de voorvechtster van onze eerste abstracten, om aan het einde van de jaren zeventig een initiatief rond die unieke verzameling op te zetten. Al haar enthousiasme is toen op het bureaucratisch pantservan het regime afgeketst. In die tijd kon dat nog. Wat zou ze van deze tentoonstelling genoten hebben! 

 

RIK SAUWEN 


Nog tot 31/12/2001: Lodz en zijn voorbeeldige verzamelaars

Museum voor Schone Kunsten, Citadelpark, 9000 Gent.

 


Foto's:

Te bekijken in het PDF-formaat.

- DE A.R. COLLECTIE IN HET MUZEUM SZTUKI LODZ, 1932 ARCHIEF MUZEUM SZTUKI LODZ © MUZEUM SZTUKI LODZ 

- JEAN LURÇAT LANDSCHAP, 1930, OLIEVERF OP DOEK, 24 X41 CM © MUZEUM SZTUKI LODZ 

- ED MOS AWAC, 1981, ACRYL OP DOEK, OP HOUT GESPANNEN, 81 X 81CM © MUZEUM SZTUKI LODZ 

- SONIA DELAUNAY-TERK, DANS, CA. 1923, AQUAREL OP PAPIER, 26 X 21 CM © MUZEUM SZTUKI LODZ 

- KATARZYNA KOBRO, ABSTRACTE SCULPTUUR, 1924, GLAS, METAAL EN HOUT, 72,5 X 17,5 X 15,5 CM © MUZEUM SZTUKI LODZ


 

a.r.groep, Alexander II tsaar, Alexander III tsaar, Alexis Nicloaevitch tsarevitsj, Anéén gegroeid, Arp Hans, assemblage, Beuys Joseph, Boas Franz, Boudewijn I, Brzekowski Jan, Buggenhout Peter, Buls Charles, Cassiman Bart, Cercle et Carré, Coenjaerts Raf, Czyzewski Tytus, De Brakke Grond, De Bruyckere Berlinde, de Groux Charles, de Gryse Piet, Delaunay Sonia, Delbeke Louis, Des points cardinaux, Diegerick Alphonse, Dimanche après-midi à Berlin, Ernst Max, Fabergé Sint-Petersburg, Filz Willy, Georges Bataille, Gorin Jean Albert, gouacheverf op papier, Guffens Godfried, hout, Hovering between Thing and Event/Encounters with Lili Dujourie, Ibant obscuri sola sub nocte per limbra, IKOB, In Flanders Fields, Instituut voor Plastinatie Heidelberg, Internationales Kunstzentrum Ostbelgien, Jamaer P-V, Jeux des dames, Kelders van Cureghem, Kelley Mike, Knekelhuis en knuffelbeesten, Kobro Katarzyna, Kristeva Julia, Leblon Stéphanie, Leger Fernand, Leopold II koning, Leopold III koning, Lili Dujourie, Lurçat Jean, Maesen Albert, Marcoussis Louis, marmer, Mertens Phil, Mieke Bal, Mille et une nuit, Mos Ed, Museum Sztuki, muurschildering, Nature morte, Nicolaas I, Nicolaas II tsaar, Nouwen Els, nu bleu, Olbrechts Frans M, Opalka Roman, Passage 44 Brussel, Pauwels Ferdinand, Peeters Michel, Plissart Marie-Françoise, Prampolini, Rozehoek, Sauwen Rik, Schwitters Kurt, Seligmann Kurt, Seuphor Michel, Silent Green, Stazewski Henryk, Strzeminski Wladyslaw, Swerts Jan, tekening, Torres-Garcia Joaquin, van de Velde Henry, Van Doesburg Theo, Vandenhoute Pieter Jan, Vandenpeereboom Alphonse, Vantongerloo Georges, velours, Von Haagens Gunther, Werkman Hendrik Nicolaas, Witkiewicz Stanislaw Ignacy, Wolken zijn geen bollen, beeldhouwkunst, schilderkunst, classicisme, tekenkunst, toegepaste kunst, abstract, hedendaags, OKV2001, OKV2001.4+