U bent hier

René Magritte - De dagdromen van een eenzame wandelaar

 

Op 15 augustus 1967 verloor de kunstgeschiedenis één van zijn prominentste vertegenwoordigers van de twintigste-eeuwse schilderkunst. De Waalse surrealist René Magritte (1898-1967) liet het leven ten gevolge van alvleesklierkanker. Vijftig jaar na zijn overlijden kan zijn kunst nog steeds rekenen op grenzeloze erkenning. Doorheen de tijd bleven zijn mysterieuze doeken kunstenaars inspireren en zijn oeuvre was een uitgangspunt voor kunsttalen als pop art en conceptuele kunst.

 

Magritte’s liefde voor de schilderkunst ontpopte zich tijdens een vakantie bij zijn grootmoeder in Zennik. Samen met een meisje speelde hij er op een vroeg-Romaans kerkhof waar ze samen grafkelders exploreerden. Toen het duo terug het daglicht opzocht, zag Magritte de kunstenaar Léon Huygens aan het werk. Op dat ogenblik verscheen de schilderkunst als iets magisch voor de dertienjarige Magritte.

 

Als jongvolwassene genoot Magritte een opleiding aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Brussel. De traditionele scholing boeide de kunstenaar amper, interessanter waren de verschillende ontmoetingen. Zo introduceerde Victor Servranckx het kubisme en futurisme bij Magritte.

 

Begin de jaren twintig oogstte de kunstenaar geen succes met zijn futuristische schilderijen en ging aan de slag als decoratietekenaar in een behangfabriek. Ook trouwde Magritte met zijn jeugdvriendin Georgette Berger. Ze bleef zijn muze voor het leven en verscheen regelmatig op zijn doeken. In 1923 onderging zijn kunst een visuele metamorfose toen hij een reproductie zag van Het Liefdeslied (1914) van Giorgio de Chirico. Die revelatie bracht Magritte op het surrealistische pad. In 1927 verhuisde het koppel voor drie jaar naar de Parijse randstand Perreux-sur-Marne, waar het surrealistisch experiment een climax kende door de ontmoeting met de voornaamste Franse surrealisten. Het was eveneens de omgeving waar Magritte de mogelijkheden van taal in de schilderkunst aftoetste. Wanneer de Brusselse galerij Centaure in 1930 over kop ging, was Magritte genoodzaakt om de kost te verdienen als vormgever van commerciële advertenties. Het duurde tot de late jaren dertig voor hij terug aan de slag ging als kunstschilder, gestuwd door de stijgende vraag van internationale collectioneurs.  

 

Openbaar kunstbezit vlaanderen - René Magritte

© Belga

 

De Tweede Wereldoorlog strooide roet in Magritte’s artistieke carrière. Hij reageerde op de malaise met vrolijke schilderijen en hanteerde een impressionistisch en kleurrijk pallet. De schilderwijze leverde de kunstenaar weinig succes, waardoor hij in de jaren vijftig en zestig terugkoppelde naar zijn vertrouwde schilderstijl. Het werd Magritte’s meest succesvolle periode waarin hij de grote vraag naar kunstwerken niet meer kon inlossen.

 

Het thema van de dood in de kunst van Magritte

 

Herhalende motieven typeren Magritte’s oeuvre en verwijzen veelal naar zijn kindertijd. Zo’n repetitieve structuur verwijst doorgaans naar onverwerkte traumatische ervaringen of stelt de kunst in vraag. De dagdromen van een eenzame wandelaar (1926) bevestigt mogelijks beide opvattingen.

 

Toen de familie Magritte in 1904 verhuisde naar het industriële Châtelet, vestigde het jonge gezin met drie zonen zich langs de Samber. De nieuwe omgeving maakte Magritte’s moeder ongelukkig en ze beging enkele zelfmoordpogingen. Om die destructieve daden te verhinderen, besloot Magritte’s vader om haar ‘s nachts op te sluiten in de slaapkamer van Paul. Moeder en zoon sliepen er samen, maar het belemmerde haar niet om op 24 februari 1912 het huis te verlaten. Zeventien dagen later werd haar lichaam levenloos teruggevonden in de Samber. Die verschrikkelijke ervaring ligt vermoedelijk aan de basis voor Magritte’s ongrijpbare schilderkunst. 

 

Magritte praatte nauwelijks over het gezinsdrama, zo sprak hij er één keer over met zijn vriend Louis Scutenaire. Zo trof de schilder zijn moeder aan met haar nachtjapon over het hoofd. Wellicht verbloemde hij met dit verhaal de realiteit om over het toegetakelde lichaam te kunnen praten. Vanaf 1925 duiken er verschillende sporen van op in zijn schilderkunst. Zo maakte hij meerdere voorstellingen van de dood, maar ook gesluierde, verborgen of ontbrekende gezichten verschijnen veelvuldig in zijn werk. Zo toont het schilderij De dagdromen van een eenzame wandelaar een rivier met voetgangersbrug in een overtrokken omgeving, een voorstelling die sterk laat denken aan Magritte’s kindertijd in Châtelet. Het zwevende naakte lichaam kan gelinkt worden aan zijn moeder en geldt als een archetypisch beeld van de dood. De wandelaar wordt doorgaans geassocieerd met de kunstenaar en is een belangrijke precedent voor de vele rückenfiguren in zijn oeuvre. De identificatie met zichzelf werkte Magritte zelf in de hand door in de late jaren dertig een bolhoed te dragen. 

 

 

Elke maand bespreekt een tento.be-redacteur een kunstwerk. In augustus is Benedict Vandaele aan de beurt.

 

René Magritte,

Les Rêveries du Promeneur Solitaire

1926

olieverf

139x105 cm

Foto: www.magritte.be