Tijdens de middeleeuwen bestond het tafelgerei in hoofdzaak uit houten en ceramische voorwerpen. Benen en hoornen stukken of onderdelen kwamen eveneens voor, maar ook metaal werd aangewend. Uiteraard waren meslemmers van ijzer, later van staal en geleidelijk werd meer gebruik gemaakt van allerlei koperen en tinnen gerei. Voor de gewone man bleef dit eetgerei beperkt tot het allernoodzakelijkste: het op het vuur klaargemaakte eten kwam in een kookpot of braadpan op het tafelblad, waaruit ieder kon lepelen of zijn portie nemen.
Het succes van Jacob Jordaens Misschien leerde ook u het werk van Jordaens kennen op grootmoeders koekentrommel: Soo d'oude songen (Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen) of De koning drinkt (Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel) waren lange tijd even populaire dekselversieringen als Rembrandts Nachtwacht (Rijksmuseum, Amsterdam) in gedreven koperkleurig blik. Het waren succesvoorstellingen, en uit de lage kwaliteit van de reproduktie blijkt duidelijk dat dit succes niet te danken was aan de schilderkunstige kwaliteit van deze werken.
Brugge is een stad die in een reproduktie is veranderd, - en daarom niet meer veranderen kan. Dat is het noodlot van alle monumenten, waarvan het verleden veel belangrijker is dan het heden. Het heden verandert daar in het verleden: heel wat nieuwe gebouwen worden nu, in Brugge, in een twintigste-eeuwse, enigszins aangepaste neogotische stijl gebouwd. En dat is al in de vorige eeuw begonnen toen de frustratie door Antwerpen als handelsstad te zijn voorbij gestreefd (in de zestiende eeuw) wegebde en plaats maakte voor Brugs chauvinisme.
Bisschop Carolus Maes had opdracht gegeven aan Pieter-Paul Rubens om een ontwerp te maken voor een schilderij, dat het nieuwe hoofdaltaar van de Gentse kathedraal moest versieren. Doch de bisschop overleed in 1612 en zijn opvolger F. van der Burch en nadien ook J. Boonen lieten het plan varen. Daarom richtte Rubens op negentien maart 1614 een brief aan Aartshertog Albrecht.