Poëzie en schilderkunst zijn vijandige broers. Ze stellen soms vertrouwen in elkaar maar lijden er evengoed onder dat de ander slimmer is, of mooier, goed ter tale is of beter uit de verf komt. Er zijn nog andere kinderen in de familie: muziek, dans, theater, ... Maar de relatie tussen poëzie en schilderkunst is altijd heel bijzonder geweest. Ze schijnen elkaar perfect aan te vullen, zoals onder meer blijkt uit de richtlijnen van sommige middeleeuwse schildersgilden:
Het woonhuis dat de Brusselse architect Victor Horta in 1898 voor zichzelf bouwde, behoort tot de architectuur van de 'Art Nouveau' of 'Jugendstil'. De term 'Art Nouveau' was uit Parijs naar het noorden gekomen met een in 1895 uitgegeven circulaire, waarin melding werd gemaakt van een permanente tentoonstelling van moderne produkten op allerlei gebied, waaraan de naam 'Salon de l'Art Nouveau' was gegeven.
Sinds de veel te vroege dood van de fotografe Emmy Andriesse in 1953 treft men nog regelmatig foto's van haar aan op tentoonstellingen en in publikaties van de meest verschillende aard. Ondanks haar korte leven heeft zij ons tienduizenden negatieven en honderden foto's nagelaten die zich thans voor het grootste deel bevinden in de collectie van de afdeling Geschiedenis van de Fotografie van het Prentenkabinet/Kunsthistorisch Instituut der Rijksuniversiteit te Leiden. Zo worden zij voor het nageslacht bewaard.
In de ontwikkeling van het kunstgebeuren stellen we steeds en opnieuw vast dat de essentiële stoot tot het ontstaan van een nieuwe stijl wordt gegeven door een te vergaand maniërisme van de voorafgaande. Alhoewel deze regel algemeen geldend is, ontstaat toch geen enkele nieuwe tendens of zij draagt de sporen van, of grijpt terug naar een eerder in de tijd ontstaan kunstfenomeen.
Veertig jaar geleden, toen ik in Holland studeerde, ontdekte ik voor mijzelf Georges-Hendrik Breitner, de man met de geweldige schildershartstocht, de schilder van de actie, met zijn cavalleriestukken, zijn stadsgezichten van het bezige Amsterdam, met zijn straatmeiden, zijn trampaarden, zijn gebouwen in afbraak, zijn drukke scheepswerven. De schilder met de breedst denkbare en meest vrijgevochten verftoets, met de zware en sombere kleurorchestratie, met blauwen en gelen, vergaan wit en rood die plots kunnen opfonkelen met zeldzame pracht.
Bij de eerste aanblik is dit schilderij van Karel Appel vreemd en verward, een picturale chaos waar niets onmiddellijk herkenbaars thuishoort, doch het werk is kleurrijk, heftig en opwindend, het houdt het oog in de ban.
De kleur boeit door haar primair geweld en door haar dubbele tegenstelling tussen de warme kleuren roodgeel en de koude blauwen enerzijds en tussen wit en zwart anderzijds.
De kleur heeft een psychische inhoud en een symboliek. Delacroix, Kandinsky e.a. hebben daarover heel wat geschreven.