Toen de groep 'Art Abstrait', gesticht in 1952, na andere manifestaties voor de eerste maal in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel exposeerde, konden wij in de bij die gelegenheid gepubliceerde beginselverklaring lezen dat 'België sinds de schitterende bijdrage tot het expressionisme afwezig gebleven was bij al de grote esthetische stromingen op internationaal vlak'.
'Phidias, Raphaël, Seurat creëerden de kunstwerken van hun tijd, met middelen eigen aan die tijd. Sindsdien werden evenwel de gezichtsvelden ruimer. De kunst heeft bezit genomen van gebieden die haar destijds ontzegd waren. Hierin kan men o.m. gebruik maken van een mathematische denkwijze die, ondanks rationele elementen, tal van ideologische gegevens bevat die een uitzicht bieden op nog onontgonnen terreinen.' Deze woorden van Max Bill kunnen een eerste inzicht verschaffen in zijn artistieke opvattingen.
'Men mag schilderen met alles, met pijpen, postzegels, prentbriefkaarten, speelkaarten, kandelabers, stukken wasdoek, losse boorden, behangpapier en dagbladen'. Dat schreef Apollinaire in zijn 'Peintres Cubistes' van 1913. Toen schilderden de kubisten Picasso en Braque reeds zó. Zij waren de eersten die stelselmatig onedele materialen in hun werken integreerden.
De zienswijze van Apollinaire was reeds fel verspreid in het avant-garde milieu en zou steeds meer ingang vinden, om weldra een der breedste stromingen van de moderne kunst te worden.
Carl Andre, een van de radicaalste vertegenwoordigers van de Minimal Art, heeft ergens gezegd: 'Kunst is, wat wij maken; cultuur, wat ons wordt opgelegd'. Kunst is een tegenpool van cultuur, de kracht die onze culturele afspraken voortdurend doorbreekt, het kanaal waarlangs het leven de cultuur binnenstroomt. Cultuur is al hetgene waarmee we vertrouwd zijn, waarin we ons veilig voelen: de bewondering voor de Vlaamse Primitieven omdat het Vlaamse Primitieven zijn; de afkeer voor Rubens, omdat hij Barok is en barok bijvoorbeeld niet past in ons cultureel patroon.
Doorgaans wordt de abstracte schilderkunst in twee kampen verdeeld: aan de ene kant dat van het lyrisme en het dynamische, het informele en het tragische, het beweeglijke, het dionysische en het romantische, - dus al wat, zoals ook het tachisme, fysisch en psychisch fel bewogen is (wij nemen als voorbeeld de beginperiode van Kandinsky), en anderzijds het kamp van het statische, het geconstrueerde en streng beredeneerde, met wat men noemt de geometrische, constructivistische, neo-plastische, concrete, suprematische en koud-abstracte kunst, met natuurlijk als voorbeeld Piet Mondriaan.