MET (*) WORDT VERWEZEN NAAR ILLUSTRATIES IN HET PDF-DOCUMENT INLEIDING Alom gekend zijn de schilderijen van de Vlaamse primitieven. Verscheidene werken van deze 15e-eeuwse meesters als Jan van Eyck, Rogier van der Weyden, Dirk Bouts, Hugo van der Goes, Hans Memling en Gérard David zijn te bewonderen in onze Vlaamse musea en kerken. Dat de realisaties van de Vlaamse primitieven een mijlpaal vormen in de evolutie van de kunst in het algemeen en van de Vlaamse kunst in het bijzonder, hoeft geen betoog.
Buiten de in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten aan Botticelli toegeschreven 'Nood Gods' vindt men in de Belgische verzamelingen van deze geniale Florentijn geen enkel werk. Het onderhavig paneel, dat vroeger in de Keulse verzameling Bourgeois voorkwam en dat in 1964 door Pierre Bautier aan het Brusselse museum werd geschonken, wordt meestal niet als een origineel beschouwd.
Met 'De Bewening' of 'Piëta' worden wij binnengeleid in een wereld van gedachten en gevoelens, waarover 500 jaar zijn heengegaan. Er is sinds de uitvoering van dit werk heel wat veranderd in onze kijk op de kunst en op het leven. Ondanks dat feit is dit kleine paneeltje het bekijken overwaard. Het vraagt de bezoeker van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten te Brussel geen grote inspanning om tot de zin en de betekenis van het meesterwerk door te dringen. Ik meen dat hiervoor twee redenen voorhanden zijn.
Rubens verbleef als jong kunstenaar acht jaar in Italie met als eerste bedoeling zijn artistiek inzicht en kunnen te volmaken. In oktober 1608 spoedde hij zich onverwacht naar Antwerpen. Zijn moeder, die hij niet levend meer zou aantreffen, verkeerde in stervensgevaar. Hij was van zins naar Italie terug te keren. Zo hij te Antwerpen bleef, valt dat ten dele door zijn huwelijk met Isabella Brant te verklaren, een meisje uit de gegoede stand, anderzijds door het succes dat hij dadelijk in zijn vaderstad genoot.
Wat betreft Quinten Metsys' altaarschilderijen van grotere omvang hebben onze Koninklijke Musea voor Schone Kunsten, het Brusselse en het Antwerpse, elkander stellig niets te benijden. In 1879 verwierf het eerste museum uit de Leuvense St.-Pieterskerk het beroemde, in 1509 voltooide St.-Anna-retabel, in het tweede wordt 's meesters niet minder befaamde Passie-retabel bewaard. Beide retabels of altaarstukken zijn opgevat als triptieken of drieluiken.
Een retabel, zoals het hier behandelde laat-gotische, is een op het altaar als boven-achterwand geplaatst kunstwerk. Het bestaat in die periode meestal uit een gebeeldhouwd middengedeelte - in meerdere vakken verdeeld - en heeft daarnaast twee of meer geschilderde of gebeeldhouwde zijluiken. Het geheel rust vaak op een geschilderd of gebeeldhouwd onderstel, de predella.