Woord vooraf Vorig jaar publiceerde Openbaar Kunstbezit een overzicht van de Belgische kunst tijdens de periode 1980 1990. Ditmaal komt de architectuur van het afgelopen decennium aan bod. Als het geven van een beeld van de plastische kunst reeds een hachelijke onderneming was, dan is dit voor de bouwkunst, binnen het bestek van dit tijdstip, een nog meer complexe opgave. Als basisopzet is niet gekozen voor een inventaris die streeft naar volledigheid.
Onder deze titel willen we een tipje oplichten van de sluier waarachter een wereld van controversen over begripsbepaling en begripsinhoud schuilgaat. Een wereld, die nochtans ook een schat aan kunstvoorwerpen en creativiteit herbergt, waarop in Vlaanderen het zonlicht nog nauwelijks heeft geschenen. Niettegenstaande 176 musea - van de 259 die de Museumgids voor Vlaanderen vermeldt - in het bezit zijn van volkskunst of voorwerpen met betrekking tot de volkskunde, is dit patrimonium nauwelijks bekend.
Toen Petrus Kaerius in 1617 te Amsterdam de atlas 'Germania inferior' uitgaf, waarvan bijgaande kaart 'Leo Belgicus' deel uitmaakte, was dit de eerste bekende atlas die afzonderlijk de Nederlanden of de zeventien provincies behandelde. Het was echter niet de eerste maal dat de zeventien provincies werden afgebeeld in de vorm van een leeuw. Petrus Kaerius had deze voorstelling ontleend aan een boek 'de Leone Belgico' van de Oostenrijkse historiograaf en publicist Michael Aitzinger, agent van de Oostenrijkse Habsburgers, waarin deze de opstand van de Nederlanden tegen Philips II beschreef.
Wie de etsen van de in 1937 geboren Amsterdammer Sipke Huismans bekijkt, zal misschien even het gevoel hebben, dat hij op bekend terrein is. Geen onduidelijke abstractie of onstuimige verf-erupties, die je bij voorbaat al op het verkeerde been brengen, maar een wereld vol mensen, dieren, dingen en situaties, die herkenbaar is en waarin je, zo lijkt het, zonder angst voor speciale valstrikken of mijnen op je gemak een tijdje kunt ronddwalen, je bent immers op bekend, vertrouwd gebied.
De titelbladen en de boekillustraties, die Rubens heeft ontworpen, behoren tot de minst bekende aspecten van zijn artistieke bedrijvigheid. Deze vaststelling hoeft ons niet te verwonderen. De zeventiende-eeuwse boeken, waarin men deze naar Rubens' ontwerpen gegraveerde prenten kan vinden, berusten in de rariorakasten van de bibliotheken of in de verzamelingen van bibliofielen en komen derhalve uiterst zelden onder de ogen van het publiek. De eigenhandige tekeningen, die de schilder uitvoerde ten behoeve van de graveurs, kunnen evenmin op grote bekendheid bogen.
De zeefdruk 'Hommage aan Jan Dibbets' van de in 1936 te Oostende geboren Etienne Elias, treft onmiddellijk het oog door zijn eenvoud zowel in de vormgeving als in het kleurgebruik. Alles lijkt zo duidelijk en zo herkenbaar: primaire kleuren, een stoel met gras op de zitting en onderaan in schools handschrift: 'Hommage aan Jan Dibbets'. Een eerste vluchtige blik op het werk streelt het oog: de prent is mooi, kleurrijk, overzichtelijk. Ze heeft iets van een 'verborgen verleider' om Vance Packard te citeren. Ze boeit onze ogen als een affiche. Maar dat is ze nu juist niet.
Met het einde van de eerste wereldoorlog is er in België, niét minder dan in andere landen, een uitzonderlijk levendige bloei ontstaan op het gebied der schone kunsten. Het reeds van bij het begin der 20ste eeuw buiten onze grenzen gistend expressionisme, had ook onze schilders en beeldhouwers grondig aangedaan en wel zodanig dat aldus het specifiek Vlaams expressionisme zou opschieten en onze kunstschool verheffen tot een peil dat zij niet meer bereikt had sedert de eeuw van Pieter Pauwel Rubens.