Dit werk zou kunnen beschouwd worden als een manifest dat de situatie in Duitsland omtrent de jaren twintig aan de kaak stelt en de na-oorlogse ellende, het verval van een burgergeneratie en de gevolgen van een heersend militarisme aanklaagt. In deze periode heerst er te Berlijn, waar de Dada-beweging de bestaande opvattingen bestreden heeft, grote beroering op politiek, economisch en maatschappelijk vlak. Otto Dix verzet zich, samen met kunstenaars als Gross en Beckmann, tegen de heersende toestanden en zoekt naar een vrij uitdrukkingsmiddel voor zijn verzet.
Auguste Herbin maakt deel uit van de generatie die geboren werd in de wisselperiode tussen de 19de en 20ste eeuw (Quiévy 1882), waarin dank zij de neo-impressionisten en figuren zoals Cézanne en Gauguin, enkele plastische waarden werden herzien. Na enkele jaren van eerste vorming volgt Herbin de lessen aan de school voor schone kunsten te Rijsel (1900-1902), maar bevindt zich in 1903 reeds te Parijs.
De periode waarin Eugeen Laermans zijn 'Stakingsavond' schildert is er een van sociale beroeringen en industriële vooruitgang. De jonge Laermans ziet de randgemeenten van de hoofdstad stilaan bezit nemen van de boomgaarden en velden; fabrieksschoorstenen en werkmanswoningen beginnen het landschap te beheersen en dat is ook het geval voor de wijk van Sint-Jans-Molenbeek waar de schilder het levenslicht zag. Reeds geruime tijd deed die ontwikkeling zich gevoelen.