Grenoble 1927
In 1927 verwelkomde het Musée de Grenoble moderne Belgische kunst. Het werd een historische afspraak naar Belgisch model: een expo met de eerder gematigde Brusselse scène, en een expo met de vooruitstrevende expressionisten en surrealisten. Het FeliXart Museum maakt een reconstructie.
Toenmalig minister voor Buitenlandse Zaken Emile Vandervelde (1866-1938) opperde: “We moeten exporteren of ten onder gaan.” Wilde men uit het economische dal na de misère van de Grote Oorlog klauteren, dan was elke mogelijke vorm van expansie goed. Men ging daarenboven in 1927, alsof de situatie niet urgent genoeg was, met rassenschreden de economische crisis van de jaren 1930 tegemoet. Dat was de realiteit van het interbellum.
Waarom moest die expo precies in Frankrijk plaatsvinden? Bilaterale economische banden waren op dat moment een noodzaak. Duitsland bleek omwille van morele redenen geen optie. Groot-Brittannië verschuilde zich als vanouds achter het asociale isolationisme. En Nederland bleek de eeuwige economische concurrent. Frankrijk, al sinds oudsher een soort van zielsverwant, bleek de ideale afzetmarkt.
Bij de organiserende Belgen zorgde een politieke tweedeling voor onmin over de selectie van de werken. Men splitste dan maar het deelnemersveld op. De eerste groep bestond uit kunstenaars uit de zogenaamde Brusselse School en andere mannen die toen al als eerder traditioneel beschouwd werden. In die groep vinden we kunstenaars zoals Jean Brusselmans, Auguste Oleffe, Henri Ramah en Rik Wouters. Ook James Ensor (1860-1949) werd als spilfiguur in deze groep opgenomen. Iets later dat jaar werd een tweede groep met expressionisten, surrealisten en aanverwanten aan het publiek in Grenoble voorgesteld. Goed volk zoals Gust de Smet, Edgar Tytgat, Constant Permeke, René Magritte, Gustave Van de Woestyne en Fritz Van den Berghe vinden we er terug.
Het FeliXart Museum in Drogenbos maakte een reconstructie van deze dubbele expo. Een begrip als de tijdgeest mag dan wel wetenschappelijke onzin zijn, een dergelijke tentoonstelling komt toch zeer dicht bij de evocatie van heersende ideeën over kunst in een bepaalde tijdsperiode. Het is wonderlijk om te zien hoe bepaalde picturale ideeën aarzelend of zelfs vijandig onthaald werden, ook al waren ze op dat moment hoegenaamd niet meer revolutionair. Merkwaardig hoe lang het gekrakeel over de banaliteit van moderne kunst standhield, en opmerkelijk dat men nog altijd dezelfde kant noch wal rakende argumenten anno 2012 hoort.

