U bent hier

Uilenspiegel 500 jaar actueel - Schurk of schelm?

Het Damse Uilenspiegelmonument van Jef Claerhout, 1979.

 

Achter de gevel van het imposante, vijftiende-eeuwse patriciërshuis De Grote Sterre bevindt zich niet enkel de toeristische dienst van de stad Damme maar ook het interessante Uilenspiegelmuseum. Wat heeft Damme met Uilenspiegel en wie was die figuur eigenlijk?

 

 

Zondig en dom

 

Wie het Uilenspiegelmuseum bezoekt, kan echt iets opsteken. Het situeert de figuur in zijn tijd en maakt eveneens duidelijk hoe die tijd met de figuur is omgegaan. Wie heeft de verhalen geschreven en waarom?

 

Uilenspiegel zou geboren zijn rond 1300 aan de Elm, in het dorpje Kneitlingen, nu een deel van de fusiegemeente Schöppenstedt in Niedersachsen, en overleden rond 1350. Het is een zekere Hermann Bote, die in het laatste kwart van de vijftiende eeuw als tolschrijver in dienst was van de stad Braunschweig, die de diverse Uilenspiegelverhalen verzamelde en bundelde. Dat bewijst niet dat de figuur Uilenspiegel echt bestaan heeft, maar wel dat er in de streek tal van vertelsels de ronde deden over een excentrieke schelm, verhalen die ongetwijfeld werden aangedikt, gewijzigd en vervormd al naar gelang de verteller.

 

Uiteindelijk zijn er 96 verhalen over Uilenspiegel. Ze zijn voor het eerst gedrukt in het begin van de zestiende eeuw. Die oudste Uilenspiegeltekst bestaat uit twee fragmenten die men als vulling in een boekband teruggevonden heeft bij een restauratie. Men heeft ze kunnen dateren aan de hand van de lettertypes die te situeren zijn bij een drukker in Straatsburg in 1510 of 1511. De bewerker van de oudste volledig bewaarde druk (1515, eveneens in Straatsburg) zegt in zijn voorwoord dat hij in het begin van de eeuw gevraagd werd om alle verhalen over Uilenspiegel te verzamelen. Ook correspondentie uit 1411 tussen twee geestelijken maakt gewag van een Uilenspiegel-geschrift.

 

Het merkwaardige aan de verzameling verhalen die Hermann Bote heeft samengebracht is dat hij nergens echt stelling neemt tegen of voor de hoofdfiguur. Hij bekijkt hem wel kritisch, maar geeft geen waardeoordeel en waarschuwt ook niet tegen hem. We moeten ons misschien even verdiepen in de tijdsgeest van toen. Het museum in Damme doet dat met het schilderij Nederlandse spreuken van Pieter Breughel de Oude (Gemäldegalerie, Berlijn). Het toont een dorp aan de zee waar de inwoners schijnbaar met hun alledaagse bezigheden doende zijn. In feite beelden ze een honderdtal spreuken en zegswijzen uit. Vroeger was de titel De wereld op zijn kop, een verwijzing naar de omgekeerde globe links in het schilderij. De uitgebeelde activiteiten zijn het tegenovergestelde van wat wenselijk is. Dat is ook het geval met De zeven hoofdzonden, een werk van Hiëronymus Bosch (Prado, Madrid). Beide schilderijen vormen een lexicon van dingen die je als christengelovige niet hoorde te doen. Het is de tijd van Erasmus’ Lof der Zotheid maar evenzeer van Het Narrenschip, een boek van de Baselse hoogleraar en rechtsgeleerde Sebastian Brant. Die hekelt een zondige levenswijze en hij beschouwt de zondaars eerder als narren. Narren zijn dus afkeurenswaardig en worden tot in de baroktijd in zogenaamde narrensatires opgevoerd.  En de uil staat niet voor wijs, wel voor dom. We vinden die betekenis nog steeds terug in het weinig vleiende ‘uilskuiken’.

 

 

Van boerenkind tot fenomeen

 

De figuur van Uilenspiegel evolueert van een arm boerenkind, dat geen ambacht heeft geleerd of onderwijs heeft genoten, naar een fenomeen. Hij wordt, in tegenstelling tot zijn afkomst, afgeschilderd als een stadsmens. Men schrijft hem niet echt boers gedrag toe, hij is eerder een schelm die mensen bedriegt maar daar weinig voordeel uit haalt. Het is enkel een manier om te overleven. Hij zwerft van stad naar stad en blijft nergens lang, om de eenvoudige reden dat de grond hem meestal te heet onder de voeten wordt, na weer een frats. Hij treedt op in Praag, Erfurt en Magdeburg, niet de minste onder de steden. Hij past zich wonderwel aan in elke situatie. In de universiteitstad Praag waar men vooral een scholastieke traditie heeft en met argumenten werkt en minder met meetinstrumenten, vraagt hij de rector om het water dat naar de zee vloeit, tegen te houden zodat hij alles goed kan opmeten. In Erfurt is men eerder humanistisch en humanisten vinden lezen van het hoogste belang. Hier leert hij de ezel lezen. In Magdeburg, een stad van de Hanze waar men vertrouwd is met de nieuwigheden die de handel met zich brengt, zal hij zijn vliegstunt uitvoeren.

 

Alhoewel het om volkse verhalen gaat, verschijnt er na enige tijd een Latijnse versie, iets wat erop duidt dat ook geleerden en intellectuelen geïntrigeerd worden door die figuur.

 

In Antwerpen verschijnt de oudst bewaard gebleven Nederlandse vertaling ergens tussen 1526 en 1532. Van Ulenspieghels leven omvat 46 verhalen en 28 illustraties. Meestal zijn de vertalingen korter dan de oorspronkelijke teksten omdat overbodigheden en al te lokale gegevens zijn weggelaten. Vertalingen brengen soms ook nieuwe elementen aan. Zo is er in de genoemde uitgave een verhaal bijgekomen over hoe Uilenspiegel antwoordt aan een man die hem de weg vraagt. In die Nederlandse uitgave wordt wel gewag gemaakt van ‘boeveryen’, een waardeoordeel van de vertaler: het gaat hier om gedrag dat niet mag nagevolgd worden.

 

Vóór de hierboven genoemde vertaling moet er al eerder een Nederlandse versie verschenen zijn eveneens in Antwerpen tussen 1510 en 1520. Vergeten we niet dat op dat moment Antwerpen het economische centrum van de Nederlanden was. Van de 133 bekende drukkerijen in de Nederlanden waren er liefst 66 in Antwerpen gevestigd. Het is dus redelijk normaal dat er tal van vertalingen in die stad verschenen en van daaruit werden verscheept.

 

Het is vooral in de zeventiende eeuw dat er zich een ware Uilenspiegelcultus ontwikkelt in het Vlaamse Damme. In 1628 verschijnt er een Nederlandse versie die op een aantal punten wezenlijke verschillen vertoont van de oorspronkelijke vertalingen. Deze versie vertelt dat Uilenspiegel in Damme sterft. Er wordt gezegd dat zijn grafzerk nog in de kerk te zien zou zijn. Wellicht gaat het hier om de verweerde grafzerk van Jacob van Maerlant die verkeerdelijk voor Uilenspiegels graf werd aangezien. De steen zou later door de pastoor verkocht geweest zijn omdat hij niet meer kon verdragen dat al dat volk naar zijn kerk kwam voor het graf van een goddeloze schelm.

 

In de Nederlandstalige versies groeit de figuur van Uilenspiegel stilaan uit tot een verzetsheld, een sympathieke figuur die de overheersers van de Spaanse Nederlanden een pak last heeft bezorgd. De verhalen worden ontdaan van hun platvloerse uitdrukkingen en worden op die manier ook toegankelijk voor de kinderen.

 

In een Franse uitgave van 1840 wordt de geboorteplaats van de schelm het Vlaamse Knesselare in plaats van het Duitse Kneitlingen. Het is duidelijk: de versie van ‘onze’ Charles De Coster is niet meer veraf.

 

 

Vrijheidsstrijder

 

Het museum besteedt terecht heel wat aandacht aan het nieuwe Uilenspiegelbeeld dat De Coster heeft geïntroduceerd. In zijn Légende d’Ulenspiegel van 1867 wordt de schavuit in Damme geboren en krijgt hij er zijn metgezellen Nele en Lamme Goedzak. In dit boekwerk is Tijl nu duidelijk een vrijheidsstrijder die zich verzet tegen de Spanjaarden en de inquisitie. Hij wordt gedreven door wraakgevoelens want zijn vader is door de bezetter op de brandstapel terechtgesteld en hij draagt de as van zijn vader altijd op zijn borst. Het drietal trekt door het Habsburgse Rijk waar Tijl in tal van plaatsen zijn gekende fratsen uithaalt.

 

Het werk van De Coster werd pas op het einde van de negentiende eeuw gewaardeerd. Voordien vond de Franstalige bourgeoisie het te Vlaams en voor de Vlamingen zelf was het te antiklerikaal. Het is natuurlijk een boek dat wat later helemaal paste in het groeiend nationaal bewustzijn van het nieuwe België. Het is de tijd waarin ook in talrijke steden standbeelden voor ‘nationale’ helden worden opgericht. Denk maar aan Breydel en De Coninck te Brugge, Jacob van Artevelde te Gent, Ambiorix te Tongeren. Het is de bloei van de romantiek.

 

Het museum heeft gelukkig ook aandacht voor de manier waarop de tijd de figuur van Uilenspiegel heeft gerecupereerd of hoe kunstenaars door hem zijn aangesproken. Gaande van glijmiddel voor handelspraktijken tot inspiratie voor duidelijke oproepen tot de strijd, Uilenspiegel wordt ervoor gebruikt. Hugo Claus maakte in 1965 een theaterversie van De Costers’ roman. Richard Strauss schreef in 1896 een symfonisch gedicht gebaseerd op de legende.  De ongeëvenaarde Vaslav Nijinsky, sterdanser van de Ballets Russes, creëerde in 1916 het ballet op Strauss’ muziek terwijl hij in de Verenigde Staten verbleef. Zelfs in 2003 wist Tijl nog altijd jong en oud te verleiden met een musical. Jawel, Tijl Uilenspiegel leeft.

 

Het feit dat de oudst bekende Uilenspiegelverhalen terug te vinden zijn op drukwerk dat van 1510 of 1511 dateert is niet alleen een leuk weetje maar het is ook aanleiding voor een rondreizende tentoonstelling in de vier steden die zich nauw met de schelm verbonden weten: Damme, Schöppenstedt, Mölln en Bernburg.

 

Daan Rau

 

 


Info

 

Tentoonstelling:

unFASSbar – Niet te vatten!

Uilenspiegel 500 jaar actueel

Nog tot 6 november 2011

Open van 16 april tot 15oktober: maandag t.e.m. vrijdag van 9 tot 12 uur en van 14 tot 18 uur, zaterdag, zondag en feestdagen van 10 tot 12 uur en van 14 tot 18 uur

Open van 16 oktober tot 15 april: maandag t.e.m. vrijdag van 9 tot 12 uur en van 14 tot 17 uur, zaterdag, zondag en feestdagen van 14 tot 17 uur

 

Uilenspiegelmuseum

Huyse de Grote Sterre

Jacob van Maerlantstraat 3

8340 Damme

Tel. 050 28 86 10

www.toerismedamme.be

 

Andere Uilenspiegelmusea zijn te vinden in Schöppenstedt en Mölln.

De tentoonstelling is ook nog te zien in het Museum Schloss Bernburg.