U bent hier

Théodore Géricault - De waanzinnige moordenaar

Théodore Géricault - De waanzinnige moordenaar
Théodore Géricault (1791-1824), De waanzinnige moordenaar, Olieverf op doek - 61 x 51 cm - niet gesigneerd - niet gedateerd, Museum voor Schone Kunsten, Gent.

 

Gestorven op drieëndertigjarige leeftijd, heeft Géricault uiteraard geen bijzonder omvangrijk œuvre nagelaten, iets dat afgezien nog van zijn vroegtijdige dood, hieruit kan verklaard worden dat hij een heel deel van zijn scheppingskrachtige jaren heeft besteed aan het voorbereiden en voltooien van het grote doek, waaraan zijn naam bij uitstek verbonden is, nl. 'Le Radeau de la Méduse' thans in het Louvre-museum te Parijs.

 

Gewis hebben nog andere schilderijen Géricault beroemd gemaakt, o.m. zijn figuren van kurassiers, grenadiers en karabiniers uit het leger van Napoleon, die de krijgshaftige tijd waarin de schilder heeft geleefd in beeld brengen. Een geliefd thema van Géricault is overigens steeds het paard geweest en hij die voor zijn veldslagepisoden heel wat aan Rubens te danken heeft is met zijn voorstellingen van paardenrennen een voorloper van Degas geworden. Met dat al is zijn produktie toch niet zeer groot, en zijn beeltenis van de 'Waanzinnige moordenaar' uit het Museum voor Schone Kunsten te Gent is, met 'Het Wrak' uit dat van Brussel, wel een der weinige schilderijen van Géricault die zich in ons land bevinden.

 

Een nogal onverwacht onderwerp, zal men zeggen, bij een kunstenaar die zich tot dramatisch bewogen thema's aangetrokken voelde. Zó bevreemdend is dat evenwel niet als men weet dat de schilder zich voor zijn grote werken doorgaans zeer grondig en accuraat documenteerde. Zo bezocht hij hospitalen en lijkhuizen om de figuren van doden en stervenden, die men op het vlot van de vergane Méduse ziet liggen, natuurgetrouw te kunnen uitbeelden. Men zegt zelfs dat hij afgezette lichaamsdelen naar zijn atelier meenam... Vandaar de aanzienlijke hoeveelheid tekeningen en schetsen die hij maakte voor dit groot schilderij, een der hoofdwerken van het Franse romantisme (de naturalisten waren dus volstrekt niet de eersten die documentatie verzamelden vooraleer ze hun werk begonnen: dat deed de romanticus Géricault hun reeds voor!); vandaar wellicht ook het feit dat de schilder in dokterskringen bekend was geraakt en er vrienden telde.

 

Eén hunner, Dr. Georget, had het plan opgevat een verhandeling over geestesziekten te schrijven en voelde de behoefte daartoe steeds het beeld van krankzinnigen voor ogen te hebben. Blijkbaar was dat niet mogelijk in het soort Parijzer Godshuis 'La Salpêtrière' waar hij kliniekchef was en waar buiten bedelaars en vagebonden ook gekken opgenomen werden.

 

Zo stelde Géricault zijn vriend voor tien doeken te schilderen naar de meest interessante gevallen van zijn ziekenhuis. Zo is dan 'De krankzinnige moordenaar' van Gent een der tien klinische documenten, waarvan de helft verloren is gegaan en waarvan er zich nog drie andere in openbare verzamelingen bevinden, namelijk in het Louvre te Parijs, het Museum voor Schone Kunsten te Lyon, en het Museum van Springfield in de Verenigde Staten van Amerika. Een vierde is in Zwitserland in privé bezit.

 

Het was dus wel een buitenkansje voor het Gents museum zich, dank zij een schenking van de Vrienden van het Museum in 1908, met een der uiteraard zeldzame schilderijen te kunnen verrijken, zeldzaam vooral onder oogpunt van hun bestemming. Want indien men tegenwoordig misschien een weinig glimlachen kan over de wetenschappelijke waarde en bruikbaarheid van een schilderij als studiemateriaal voor geestesziekten, dat neemt niet weg dat men ze als psychologische of psychopathische portretten van ongewone betekenis, want met opzet en rechtstreeks naar de patiënt gekonterfeit, kan beschouwen.

 

Een Franse schrijver over kunst, Charles Clément, heeft honderd jaar geleden in zijn boek over Géricault geprobeerd de verschillende door de kunstenaar uitgebeelde gevallen te karakteriseren: monomanie van het spel, monomanie van de kinderroof enz. Bij het schilderij van Gent zou het dus gaan om de monomanie van de moord. Soms heet het ook de monomanie van de diefstal. Men is dus niet akkoord. - Ik acht mij geenszins bevoegd op de psychopathische kant van dit werk in te gaan, maar, in tegenstelling b.v. met 'La Folle' van Lyon, aan wier geestelijk (en fysisch) verval niemand zal twijfelen, maakt naar mijn gevoel de man, die op het Gentse doek voorgesteld is, niet noodzakelijk de indruk een waanzinnige, laat staan een moordenaar te zijn. Althans niet op het eerste gezicht.

 

Eigenlijk vertoont zijn langwerpig ovaal gelaat met het tamelijk hoog voorhoofd fijn gesneden trekken, en spijt zijn verwilderde haarbos en zijn niet bijster verzorgde korte bruine baard ziet hij er eerder uit als een aristocraat dan als een plebejer. Dat zegt ongetwijfeld niets wat zijn geestesziekte betreft, maar men stelt zich gemakkelijk voor dat die, naar schatting ongeveer veertigjarige man gecultiveerd zou kunnen zijn en over een levendig verstand zou kunnen beschikken, - of beschikt hebben.

 

Bovendien lijkt hij vrij keurig gekleed. Om zijn hals draagt hij een wit zijden foulard waarboven de lange hoeken van zijn hemdsboord uitsteken. De rest van zijn kledij, in donkere tonen gehouden, blijft onduidelijk, maar men onderscheidt toch een groenachtige mantel met brede opslagen, die vlak onder de halsdoek een deel van zijn blijkbaar blauw fluwelen wambuis laten zien. Uiterlijk een heer dus.

 

En onweerstaanbaar ga ik denken aan de late zelfportretten van een genie als Vincent van Gogh, die tienmaal meer de indruk maken niet enkel een waanzinnige, maar zelfs een boef voor te stellen. En dit niet enkel wegens het haveloos plunje, waarin de grote schilder zich hulde. Hier staan wij precies voor het probleem: is er, afgezien van het vrij normaal voorkomen van de zogenaamde waanzinnige moordenaar, iets in zijn fysionomie dat aan geestelijke stoornissen doet denken?

 

Hij heeft ongetwijfeld een stekende blik in zijn ietwat roodomrande ogen, een blik die zich kennelijk op niets bepaalds richt, terwijl zijn gelaatsuitdrukking met de nogal hard gesloten mond, die overigens de fijn gevormde lippen geenszins verkrampt, misschien wel wat weerbarstig aandoet. Maar dat alles wijst mijns inziens niet noodzakelijk op zinsverbijstering en hier zou het natuurlijk de taak zijn van de krankzinnigenarts uit te maken in hoeverre dit wèl het geval is.

 

Voor het overige is, zuiver schilderkundig gezien, de 'Waanzinnige moordenaar' een fraai doek. Boven de in donkere tonen gehouden buste verheft zich tegen de insgelijks donkere, bruingrijze achtergrond, die naar boven toe iets lichter wordt, de heldere vlek van het gelaat en de halsdoek. Het zijn de enige klare partijen van het schilderij: ze vallen dus dadelijk in de blik.

 

Géricault was een druk bezoeker van het Louvre-museum en men vermoedt dadelijk dat het eerder de invloed is van de donker geworden portretten der oude meesters die hem zijn werk direct in doffe tonen heeft doen uitvoeren, dan dat het met de jaren de bekende museumtint zou gekregen hebben.

 

Wat ervan zij, merkwaardig zijn de getemperde harmonieën waaruit de subtiele schakeringen van het min of meer steenrode gelaat en het gebroken wit van boord en halsdoek helder maar zacht oplichten. De tint van het gelaat noemde ik steenrood, maar dat is wellicht niet het juiste woord, al weet men genoeg dat inzonderheid het baksteenrood heel wat schakeringen oplevert. Hier is die tint overigens lichtelijk verhevigd op rug en top van de rechte, aristocratische neus terwijl het op het voorhoofd naar fijne spelingen overgaat. Het voornaamste is dat die gelaatskleur zo natuurlijk aandoet, wat zelfs bij schilders groter wellicht dan Géricault niet altijd het geval is. Hoe dikwijls valt ze niet te zoeterig of te vulgair uit, en doet aldus afbreuk aan een voor het overige soms schitterend doek. Hier is er ik weet niet wat gedistingeerds in die gevoelig getemperde gelaatstint, een distinctie die eigenlijk alleen maar daaraan toe te schrijven is dat de schilder de juiste toon heeft weten te treffen, feilloos afgestemd op het zachte grijswit van de foulard en de donkere spelingen van de achtergrond. Het bruin van haar en baard vormt de geleidelijke overgang. In het vinden van die juiste verhoudingen ligt heel het geheim van de kunst der kleur.

 

Hoe bescheiden dit doek feitelijk moge aandoen, wegens de kwaliteiten van zijn kleurexpressie is het grote schilderkunst. Het stamt overigens uit de laatste jaren van Géricault's leven. In een dunne verflaag uitgevoerd, werd het kennelijk in één geut geschilderd, wat bewijst dat hij toen meer dan ooit meesterlijk over al zijn middelen beschikte. Ze geheel te ontplooien, zoals zijn jongere en wellicht minder begaafde vriend Delacroix, is hem niet gegund geweest.

 

U. van de Voorde

 


Keuze uit te raadplegen Nederlandse boeken:

Gemeentelijke kunstschatten, Uitgeverij De Arcade, Brussel blz. 230-233.