U bent hier

Pieter-Jozef Verhaghen in M Leuven en Parkabdij

In het spoor van Rubens

 

 

Na het succes van de Van der Weyden tentoonstelling brengt M Leuven een Brabants schilder uit de tweede helft van de achttiende eeuw, Pieter-Jozef Verhaghen, vergeten maar lang niet oninteressant en ooit een beroemdheid. 

 

 

LIEVER LEUVEN 

 

Met deze tentoonstelling toont M echte belangstelling voor ons erfgoed, door een 'vergeten' kunstenaar ruimte te geven. Dat gebeurt helaas veel te weinig. Leuven is bovendien de geschikte plaats. De kunstenaar had er zijn atelier en in de nabije Parkabdij is een monumentale cyclus in situ bewaard gebleven.  

 

Pieter-Jozef Verhaghen (Aarschot, 1728 - Leuven, 1811) was een zoon van de stadsontvanger van Aarschot. Hij kreeg zijn eerste artistieke vorming als decoratieschilder bij Jan-Baptist van den Kerckhoven in Leuven. Daarna had hij het geluk te kunnen studeren aan de academie van Antwerpen, waar zijn leermeester Balthasar Beschey (1708-1776) les gaf. Beschey zette de traditie van de monumentale (barokke) kunst verder. Naast Verhaghen, studeerden daar ook A.C. Lens en G. Herreyns. Dit trio werd beroemd in de tweede helft van de achttiende eeuw. De Antwerpse academie had toen een zeer goede naam (ook in Europa), omdat men er de Rubeniaanse erfenis in stand hield. Voor Verhaghen blijven Rubens en De Crayer lichtende voorbeelden. 

 

De jonge kunstenaar moest zich in het begin van zijn loopbaan echter redden met opdrachten voor decoratief schilderwerk. Het ging dan om uithangborden, wapenschilden, diploma's en vlaggen en ook ontwerpen voor grote feestelijkheden in de stad Leuven. Verhaghen had in Antwerpen een loopbaan kunnen opbouwen, maar kwam wegens sentimentele redenen terug naar Leuven. Maar er was misschien wel meer.

 

Leuven had in die tijd een wat aparte maar interessante kunstmarkt voor een kunstenaar die zich toelegde op bestellingen van de talrijke religieuze instellingen: de universiteit, de kerk, de kloosterorden. Zo kwamen er heel wat opdrachten uit de universitaire colleges. Het College van Bergen bestelde al in 1754 bij de jonge schilder een reeks van 11 werken voor de Collegekapel. Daar is niets van overgebleven. Voor afgestudeerden schilderde hij ook wapenschilden waarop de behaalde titel, al dan niet voorzien van een wapenschild of portret, figureren. Dit charmante gebruik verdween met het Ancien Régime.  

 

 

KLOOSTERS EN HET HOF  

 

De kloosterorden werden zijn beste opdrachtgevers. Nog voor 1760 schilderde hij twee grote werken voor de kapittelzaal van de Parkabdij (bewaard in situ en deel van de tentoonstelling). De onderwerpen werden uiteraard bepaald door de opdrachtgever. Het gaat hier om De bekering van Norbertus en De overbrenging van de relieken van de heilige Norbertus. Twee onderwerpen in verband met het ontstaan van de Norbertijnerorde.  

 

Men kan het succes van Verhaghen niet begrijpen zonder aandacht te hebben voor de buitengewone bloei van het kloosterwezen in de Oostenrijkse Nederlanden, in de tweede helft van de achttiende eeuw. Tijdens deze relatief rustige periode investeerden de orden grote sommen in nieuwe kloostergebouwen. Als men rekening houdt met het toch niet zo grote aantal monniken waren een aantal gebouwen gewoonweg gigantisch. Opmerkelijk genoeg probeerde de Oostenrijkse overheid (de zeer katholieke Habsburgers) deze trend (of nutteloze verspilling?) af te remmen met hervormingen en belastingen, waarvoor keizer Jozef II in onze geschiedenis bekend is gebleven. Maar voor een kunstenaar als Verhaghen waren dit de gouden jaren. Hoe groter of meer prestigieus het nieuwe kloostergebouw of de kerk, hoe meer bestellingen voor de decoratie: monumentale schilderijen en/of beeldhouwwerk. Veel kan men daar vandaag niet meer van zien wegens de ravage na de Franse revolutie. 

 

Pieter-Jozef Verhaghen maakt niet alleen naam in Leuven en omgeving, hij wordt ook opgemerkt aan het Oostenrijkse hof in Brussel en Tervuren. De gevolmachtigd minister Cobenzl, premier van de Oostenrijkse Nederlanden, liet hem, als geschenk voor keizerin Maria-Theresia, een passend werk schilderen De kroning van de Heilige Stepbanus, eerste koning van Hongarije. Cobenzl overleed voor de opdracht klaar was en zo liet de landvoogd Karel van Lotharingen (die persoonlijk misschien meer belangstelling had voor A.C. Lens) het werk aan MariaTheresia bezorgen. Die betaalde er prompt 250 dukaten en 5 gouden gedenkpenningen voor. Het werk maakte een goede indruk en bracht de loopbaan van Verhaghen in een stroomversnelling. Het Oostenrijkse bestuur beloonde de kunstenaar, die ondertussen een tweede werk voor MariaTheresia (De onthouding van Scipio, tegen 600 dukaten) geschilderd had, met een studiereis van twee jaar naar Frankrijk, Italië en Duitsland. Men gaf hem de raad goed te letten op de gracieuze opbouw van de compositie bij de Italiaanse meesters. Net voor het begin van de reis had Karel van Lotharingen hem al benoemd als gewone hofschilder. In 1771 ontmoette Verhaghen in Parijs de hofkunstenaars van Lodewijk XV, die hem grote lof toezwaaiden: "een tweede Rubens". Zijn reis voerde hem naar verschillende Italiaanse steden en tenslotte naar het hof in Wenen. Daar kreeg hij een belangrijke onderscheiding, namelijk die van eerste hofschilder van de keizerin. Meer was er werkelijk niet nodig om een rol te spelen in de Europese kunstwereld van toen. Dat was blijkbaar niet de ambitie van Verhaghen: hij keerde zo snel mogelijk terug naar Leuven, waar hij uiteraard als een vedette ontvangen werd. 

 

De traditionele opdrachtgevers (universiteit, kloosterorden, kerk) en een nieuw publiek, de gegoede burgerij, lieten hun internationaal erkende schilder niet los. Maar de toestand veranderde langzaam onder invloed van de hervormingen ingevoerd door de Oostenrijkse overheid, die nog maar net de kunstenaar gelauwerd had. Die overheid wou haar greep op de kerkelijke instellingen versterken. De opheffing van de Jezuïetenorde, in 1773, was al een teken, gevolgd door de afschaffing van de als nutteloos beschouwde kloosters. Naast de abdijen werd ook de universiteit aan administratieve en financiële banden gelegd. Dat alles bracht mee dat het cliënteel van Verhaghen dramatisch kromp. Jan Gerits, een Verhaghen-kenner, heeft daarvan de rekening (het aantal bestellingen) gemaakt en zo blijkt dat de verkoop in de periode 1785-1792 aanzienlijk daalde. De abdijen van 't Park en Averbode bleven positief. Zij bestelden in die jaren zelfs iets meer dan vroeger.

 

De traditionele opdrachtgevers (universiteit, kloosterorden, kerk) en een nieuw publiek, de gegoede burgerij, lieten hun internationaal erkende schilder niet los. Maar de toestand veranderde langzaam onder invloed van de hervormingen ingevoerd door de Oostenrijkse overheid, die nog maar net de kunstenaar gelauwerd had. Die overheid wou haar greep op de kerkelijke instellingen versterken. De opheffing van de Jezuïetenorde, in 1773, was al een teken, gevolgd door de afschaffing van de als nutteloos beschouwde kloosters. Naast de abdijen werd ook de universiteit aan administratieve en financiële banden gelegd. Dat alles bracht mee dat het cliënteel van Verhaghen dramatisch kromp. Jan Gerits, een Verhaghen-kenner, heeft daarvan de rekening (het aantal bestellingen) gemaakt en zo blijkt dat de verkoop in de periode 1785 -1792 aanzienlijk daalde. De abdijen van 't Park en Averbode bleven positief. Zij bestelden in die jaren zelfs iets meer dan vroeger.

 

 

VISIE HERZIEN 

 

Het is een geluk dat de Leuvense stadsarchivaris bij de atelierveiling een groot aantal werken (waarbij veel tekeningen) kocht en deze later aan de stad schonk. Zo bleef er toch iets bewaard om meer dan 70 jaar later de tentoonstelling Exposition des oeuvres de Verhaghen (1883) te stofferen. In de negentiende eeuw zag men Verhaghen hoofdzakelijk als een exponent van de decadentie en de verstarring van de Vlaamse schilderschool. Verhaghen was nu eenmaal een kunstenaar die meer naar het verleden dan naar zijn eigen tijd keek, die zich eerder thuis voelde in een kleine stad zonder concurrentie dan in de grote centra als Antwerpen en Wenen.  

 

Maar dat wil nog niet zeggen dat hij alleen maar kopieerde. Wat hem van meer 'moderne' schilders onderscheidde was het belang van de kleur in de opbouw van zijn komposities. Men vertrok in die tijd vaak vanuit een tekening die dan bijgekleurd werd. Op dit gebied sloot Verhaghen duidelijk aan bij de traditie van Rubens. Van de barok neemt hij ook de theatrale opbouw over, met verschillende plannen (voor- midden- en achterplan, met de hulp van treden). Op die eenvoudige manier creëert hij een dieptewerking aangepast aan de plaats waarvoor het monumentale werk bestemd is.  

 

Een groot atelier met veel medewerkers heeft Verhaghen blijkbaar nooit gehad. Hij werkte wel samen met zijn oudere broer, Jan-Jozef, die bij hem inwoonde. Die was eerder gespecialiseerd in stillevens (met potten en kruiken), die dan ook vaak voorkomen als stoffering. Een groot portrettist is Verhaghen nooit geweest: men herkent gemakkelijk hetzelfde gelaat in verschillende werken. Hij schilderde portretten van een aantal abten maar die deden daarna een beroep op een specialist voor een meer gelijkend portret. Hij is vindingrijker in het naast elkaar plaatsen van figuren en doet dat met een zekere zwier. De beweging wordt vaak gesuggereerd door de kleur, eerder dan door een lijnenspel. In de mythologische en religieuze taferelen legt men graag de nadruk op de verheven uitdrukking van de figuren. Bovenaards is niet echt nodig, maar men staat toch duidelijk ver boven het gewone volk. Dat lukt niet altijd bij Verhaghen. Er is een zekere volkse gemoedelijkheid in veel van zijn figuren. Die sprak het publiek waarschijnlijk wel aan, maar werd niet als de uitdrukking van 'genie' aanzien.  

 

Voor de tentoonstelling werden veel werken gerestaureerd. De kleurkwaliteit komt zo veel beter tot uiting. Het feit dat een tiental werken nog altijd te zien is op de plaats waarvoor ze besteld waren, in de Parkabdij, geeft het evenement een uitzonderlijke karakter. Ook de traditionele visie op die tijd - de indruk van verval van de Vlaamse school in de achttiende eeuw- is aan herziening toe.

 

Joost De Geest 


Info

Tentoonstelling

Pieter-Jozef Verhaghen in het spoor van Rubens  

Nog tot 25 september 2011

Open dinsdag t.e.m. zondag van 11 tot 18 uur

Gesloten: maandag

 

M - Museum Leuven

Leopold Vanderkelenstraat 28

3000 Leuven

Tel. 016 27 29 29

www.mleuven.be  

 

Werken van Pieter-Jozef Verhaghen in situ

Abdij van Park

3001 Heverlee

Open: woensdag t.e.m vrijdag van 10 tot 12.45 en van 13.15 tot 17 uur, zaterdag op afspraak en zondag van 10 tot 12.45 en van 13.15 tot 17 uur

Gesloten: maandag en dinsdag

Tel. 016 40 60 73

http://crkc.be/