U bent hier

OKV plus 2003.3

OKV plus 2003.3

 

Edito

 

 

Hoe beleven we kunst?

2003  is het Jaar van de Personen met een  Handicap. "Schilderijen en andere vormen van beeldende kunst zijn er niet enkel om naar te kijken. Vaak prikkelen ze ook het verstand en de verbeelding."

 

Zo schrijft Karin De Coster in dit nummer. Ze werkt aan een doctoraats­thesis  over de kunstbeleving van mensen  met een handicap. Het is ook het thema van de extra bijlage in deze OKV Tento. Hoe ervaren blinden en slechtzienden kunst?  Hoe gaan  onze musea  om met gehan­dicapten?  En vooral: wat kunnen wij, die minder of geen  beperkingen hebben,  leren van de kunstbeleving van mensen  met een handicap?

 

Om te beginnen het gebruik van tijd. Vele lichamelijke gehandicapten moeten letterlijk heel wat drempels overwinnen alvorens ze in een museum van de kunst kunnen genieten. Eens ze binnen zijn, nemen ze al hun tijd. Contemplatie, kijken en genieten van kunst vraagt inderdaad in de eerste plaats tijd en inspanning. Die ontbreken dikwijls op de grote mega-tentoonstellingen waar het duwen en trekken is en stapvoets aanschuiven. Verder denken we ten onrechte dat beeld­ houwwerken, tekeningen, schilderijen en artistieke installaties abso­luut moeten bekeken worden.  

 

Daaren boven  blijkt uit onderzoek dat vele mensen  eerst -en in sommige gevallen enkel- het naamplaatje en de titel van het werk willen lezen! Kunst willen we immers zo snel mogelijk begrijpen. Blinden en slechtzienden vertrekken vanuit de details en bouwen zo een groter beeld op. Ze 'verbeelden' zich meer en die verbeelding is iets wat vele onder ons ook kunnen gebruiken. Op onze Abonneedag hebben we trouwens extra aandacht voor gehandicapten en we roepen hierbij onze abonnees op om als vrijwil­liger blinden en slechtzienden te begeleiden. U leest er meer over in dit nummer.

 

Verder is er natuurlijk Europalia. Het cultuurfestival Europalia, wat afgeleid is van Europa en Opalia (de overvloed van de oogst), werd 32 jaar geleden in België gesticht. Het doel is de kennis van het cultuur­ patrimonium van een land bij het Belgische en Europese  publiek te bevorderen. Europalia keert terug naar haar eerste liefde in 1969: Italië. Samen met onze redacteurs kijken we achter de schermen van dit festival.  Herinnert u zich nog hoe u als scholier vol bewondering keek naar het schaalmodel van Rome in het Koninklijk Museum voor Kunst en Geschiedenis in Brussel? Ter gelegenheid van de Europaliatentoonstelling Da Pompeij a Roma, renoveerde het museum het schaalmodel volledig. Bijna honderd lichtprojectoren en een digi­taal bestuurde beeld- en geluidsband becommentariëren de belangrijkste monumenten. We nodigen u alvast graag uit om dit op onze Abonneedag te komen bewonderen. Verder opnieuw catalogi, rondleidingen en tickets te winnen. Een overvloedige oogst maar wat had u verwacht met zo'n zomer? 

 

Peter Wouters

 


 

Inhoud

  • Edito
  • Kunst in openbare ruimte - Philip Aguirre y Otegui: een beeld voor Viaanderen
  • Reportage: Het nieuwe Folkmuseum in Dranouter
  • Actueel
  1. Vietnamese cultuur trotseerde alle oorlogen
  2. Jong talent Sven 't Jolie en Global Success Sharing
  3. Undercover Ten Duinen: historie van vergane glorie
  4. Europalia Italië: Een heel bijzondere renaissance / Alle wegen leiden naar Rome / Futurisme
  • Musea apart - Het Renaat Braem Huis
  • Kunsttoer - Citytrip Oudenaarde en Ename 
  • Voor u gelezen!
  1. ​Virginie Devillez, Kunst aan de Orde. Kunst en politiek in België 1918-1945.
  2. Het Museumboek. Van Eyck tot Alechinsky - De 'Top 120' van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen.
  • Tento bijlage: Traag Kijken - Mensen met een handicap en kunstbeleving
  1. ​Mensen met een handicap en musea
  2. Blinden kunnen van beeldende kunst genieten
  3. Een beeld vormen
  4. Informatie toegankelijk
  5. Hoe zien musea het?
  6. Tips voor het omgaan met mensen met een handicap

 


 

Kunst in openbare ruimte - Philip Aguirre y Otegui: een beeld voor Viaanderen 

 

 

Op de vooravond van 11 juli 2003 werd te Kaprijke in Oost-Vlaanderen onder grote belangstelling een bijzonder beeld ingehuldigd.

 

 

Auteur van de Vlaamse Leeuw 

 

Inhuldigen van beelden gebeurt wel meer in de Vlaamse dorpen en steden waar nogal wat brons de pleinen en straten moet opfleuren, overigens niet altijd met een goed resultaat. Vele gemeentebesturen willen de een of andere lokale beroemdheid dan met een opdracht plezieren en komen zo tot de meest banale sculpturen, die de folklore amper overstijgen. Hier wil ik het dus even hebben over kunst in de openbare ruimte. 

 

In Kaprijke wilde men een beeld om Hippoliet Van Peene (1811-1864) te herdenken. Van Peene werd geboren te Kaprijke en was auteur van de Vlaamse Leeuw, die door Karel Miry werd getoonzet. 

 

Dat werd daar in 2002 herdacht met een tentoonstelling in het mooie stadhuis. Van uit zowel het gemeentebestuur als vanuit een serviceclub wou men een blijvend memoriaal. Er werd beroep gedaan op de provinciale commissie voor beeldende kunst om enig advies te verstrekken. Een verstandige daad! 

 

 

Man met megafoon

 

Vooreerst werd gesteld dat er in de eerste plaats een goed beeld moest komen, het herdenkingsaspect werd ondergeschikt aan de kwaliteit. Uiteindelijk werd een open wedstrijd uitgeschreven maar werden ook een aantal kunstenaars expliciet uitgenodigd om ontwerpen in te zenden. Uit de inzendingen werd door een onafhankelijke jury een vijftal ontwerpen gekozen. 

 

De uitverkoren kunstenaars kregen de opdracht om een maquette te maken van hun ontwerp en konden hiervoor rekenen op een vergoeding. 

 

De maquettes kunnen gezien worden als zelfstandige kunstwerken en blijven eigendom van de gemeente. Ze werden aan het publiek getoond in de tentoonstelling van 2002. 

 

De jury had inmiddels haar keuze gemaakt.

 

Met unanimiteit werd het werk 'Man met megafoon' verkozen. Het is een heel herkenbaar beeld maar met een grote plastische kwaliteit. Het stelt een man voor die iets verkondigt, die een overtuiging uitdraagt. 

 

Het is een man van het volk, een man met een stofjas zoals destijds de figuren die het woord voerden in het dorp: de koster, de schoolmeester, de duivenmelker ... Het beeld verliest zich niet in nodeloze details en anekdotiek zoals dat nogal dikwijls het geval is bij de uitvergrote 'postuurkes' die de openbare ruimte bevolken. Het beeld is van Philip Aguirre y Otegui, een Vlaamse kunstenaar met Baskische roots. 

 

 

Fascinatie voor Afrika 

 

Aguirre werd in 1961 te Schoten geboren, volgde les aan de Academie van Antwerpen en daarna aan het Hoger Instituut voor Schone Kunsten. Ik heb zijn werk eind de jaren tachtig leren kennen via talrijke groepstentoonstellingen. 

 

Het viel mij op door zijn eenvoud en ook zijn complexiteit, zijn herkenbaarheid en ook zijn abstractie. 

 

Zijn sculpturen waren als klassieke stillevens terwijl ze dat juist overstegen door de universaliteit van de vormen, vormen die dan weer zeer herkenbaar waren als bijvoorbeeld kalebassen. Soms gebruikte hij diverse recipiënten en zette ze in relatie tot mekaar, zo verwees hij op een plastische manier naar de vormentaal die zich al vele duizenden jaren bij de mens heeft gehandhaafd. Een halve bol is zo'n universeel en tijdloos gebruiksvoorwerp dat zij nog nooit is vervangen, ze heeft oppervlakkige veranderingen ondergaan maar wezenlijk is ze onveranderd gebleven. 

 

Afrika is een wereld die hem fascineert en waar zijn werk veel inspiratie vond en nog steeds vindt. Aguirre is niet zomaar een kunstenaar die speelt met vormen en vormentaal, hij heeft niet alleen esthetische maar ook ethische bekommernissen. In zijn atelier staat er tegen de wand een ontroerende foto, een lichtbak, van een installatie die hij in 1998 in Senegal realiseerde. Een pad gevormd door versleten slippers loopt, over een niet bepaald vruchtbare bodem, richting horizon. 'Exodus' heet het werk. Afrika confronteert je met de mensen en hun maniervan leven, met de wereldproblematiek in al zijn scherpte. Aguirre heeft er gewerkt en zich laten inspireren door de lokale manieren van omgaan met materialen, het recycleren dat de Afrikaan als het ware heeft uitgevonden.

 

Zo heeft hij er ook gewerkt met kleurrijke olievaten en heeft hij even die kleurenrijkdom meegenomen tot bij ons. Om dan stilaan te komen tot de menselijke figuur in zijn essentie, in zijn universaliteit.  

 

 

Voor iedereen 

 

Wie af en toe op de luchthaven te Zaventem komt zal het beeld onder de roltrap wel kennen: 'Man met matras'. Het had geen betere plaats kunnen vinden, telkens weer grijpt het mij naar de keel. Af en toe wordt de matras ook wel gebruikt door een levende mens, iemand die in de transitzone moet overnachten omdat zijn papieren niet in orde zijn bijvoorbeeld ... 

 

In de collectie van de Universiteit Antwerpen heeft de 'Waterdrager' een plaats gevonden, een menselijke figuur op ware grootte, op zijn rug een aantal waterflessen dragend.  

 

De beelden van Aguirre zijn van zo'n zuiverheid, ontdaan van elke pose, gelouterd van elke pretentie, dat ze vele mensen kunnen aanspreken. Ik vind dat een grote verdienste. Beelden in de openbare ruimte hebben ook een sociale functie. Ze zijn er voor allen die die ruimte betreden en bewonen en niet alleen voor de professionele kunstkenner. Daarom hou ik van beelden met een gelaagdheid waar vele betekenissen in schuilen of kunnen in gelegd worden, beelden die rijk zijn aan interpretatiemogelijkheden, beelden die veel vertellen en toch nog hun geheim bewaren. 

 

Het beeld in Kaprijke is zo'n beeld: sprekend en mysterieus, zeer herkenbaar en toch vreemd, opvallend aanwezig en toch intravert. Het is een beeld dat er mag zijn, dat de dorpskern van Kaprijke aanzienlijk heeft verrijkt. De initiatiefnemers wezen gelukgewenst omwille van de manier waarop ze zijn tewerk gegaan en ook om hun bereidheid om in voortdurende dialoog met de kunstenaar tot de uiteindelijke realisatie te komen. Dit mag een voorbeeld zijn voor vele openbare besturen.

 

Daan Rau 

 


 

Reportage: Het nieuwe Folkmuseum in Dranouter

 

 

Muziek zoekt liefhebbers. Geen ervaring vereist.

 

 

Multimediaal inleefparcours 

 

De laatste tijd rijzen de musea in Vlaanderen als paddestoelen de grond uit. Althans, de organisaties noemen zich musea, maar voegen daar nog snel het woord 'beleving' aan toe, en nog liever 'experience'. De term komt overgewaaid vanuit de bedrijfswereld waar de stelling luidde dat je niets meer kan verkopen zonder dat de consument er een belevenis bijkoopt. Banale consumptiegoederen kregen zo een belevingsverpakking. 

 

Die tendens zet zich nu ook voort in de culturele wereld en in een aantal gevallen zelfs met goede gevolgen. Niet elk erfgoedthema laat zich immers zomaar in het keurslijf van een klassiek museum duwen. 

 

De Folk Experience vertelt het verhaal van Vlaamse folk en traditionele muziek. Het is dus niet zozeer een museum maar een multimediaal inleefparcours over een stuk muzikale geschiedenis dat aan een nieuwe opmars bezig is. Want de tijd dat folkmuziek enkel bestemd leek voor langharige specialisten en een handvol fans met baarden is voorbij. Zo verkocht de debuutplaat van de Vlaamse folkgroep Laïs niet minder dan 50.000 exemplaren en stonden zij her en der op allerlei binnen- en buitenlandse festivalpodia. 

 

Van zodra je binnenkomt krijg je een boeiende inleidende film te zien die uitlegt wat folkmuziek vandaag betekent. Dat is zo'n beetje de rode draad doorheen het museum parcours: het maakt duidelijk dat traditionele muziek niet enkel wortels heeft in het verleden maar dat het nog altijd een zeer actueel gegeven is.

 

 

Van lullepijp tot hommel 

 

Allerlei interactieve kiosken bestoken je met weetjes, achtergrondinformatie en vooral prikkelende muziek. Verder in het museum leer je verschillende traditionele instrumenten kennen. Zo is een doedelzak niet typisch Iers of Schots. Het is een Europees instrument met talloze regionale varianten. Er bestaat zelfs een Vlaamse doedelzak, ookwel 'zakpijp' of 'lullepijp' genoemd. De hommel blijkt het Vlaamse instrument bij uitstek te zijn, 'épinet' of 'vlier' zijn andere namen voor hetzelfde instrument. Tijdens de oorlog maakte men zelfs eenvoudige hommels uit houten kratjes. 

 

In een ander zaaltje kan je horen hoe verschillende instrumenten samen of elk apart klinken door onder een soort grote luidspreker te gaan staan die één specifiek instrument uit het samenspel naar voor haalt. Maar het museum beperkt zich niet alleen tot passief luisteren, er is ook een soort karaoke waar je bekende Vlaamse liedjes kan meezingen. Voor de kinderen zijn er interactieve muziekinstrumenten die je alleen of samen kan bespelen. Ze spelen op een harp, dansen op een muziektapijt of zingen zelf een hit in de karaoke-box.  

 

Maar vele volwassenen kunnen het blijkbaar niet nalaten om zich ook te laten gaan op deze kleurrijke en inventieve instrumenten die je niet alleen heel wat inzicht geven in het ontstaan van klanken maar ook in de verschillende muzieknoten. 

 

Dat folkmuziek eigelijk nooit uit ons leven is weg te denken, bewijst een reeks woorden waarvan de oorsprong duidelijk in volkse muzikale tradities ligt. Een klaploper is nu een profiteur maar het woord komt van de middeleeuwse lepralijders die met een 'klapspaen' of ratel hun komst aankondigden. Flierefluiter is ook geen compliment, maar komt van de gewoonte om van vlier fluitjes te maken. De smartlap tot slot vindt zijn oorsprong in het doek of blad waarop de liedjeszanger destijds met een stok de illustraties en teksten aanwees zodat het publiek kon volgen. 

 

 

Dranouter in het Heuvelland

 

Het Folkcentrum ligt in het schitterende Heuvelland en de architectuur van het museum integreert het landschap optimaal door het gebruik van grote ronde ramen waarlangs de glooiende heuvels zachtjes naar binnenglijden. Vanuit de Folk Experience heb je een uniek zicht over de Kernmelberg en het groene landschap. In het dorp Dranouter stromen tijdens de zomer al jaren tienduizenden mensen samen om te genieten van internationale toppers en ontdekkingen tijdens het Folkfestival Dranouter. 

 

Even speelden de initiatiefnemers met de gedachte om het museum in Brugge te bouwen, maar de stevig verankerde folktraditie in Dranouter en de waaier aan mogelijkheden om de regio te bezoeken gaven de doorslag om het museum hier uit te bouwen. De Folk Experience biedt dan ook een hele reeks daguitstappen aan voor groepen en combineert folkmuziek met een schier eindeloze reeks thema's zoals gastronomie met een bezoek aan de Oude Kaasmakerij Passendale, met avontuur en sport, met Wereldoorlog I en een bezoek aan Flanders Fields en zelfs een daguitstap waar je kan leren volksdansen. Niet meer dan logisch eigelijk want tenslotte spreekt de volksmuziek over alles wat er leeft onder de mensen en kan je over elk onderwerp wel een liedje vinden.  

 

Peter Wouters

 

Praktisch

Folk Expercience 

Dikkebusstraat 234

8950 Dranouter 

tel. 057  44 69 33

www.folkdranouter.be


 

Actueel

 

 

1. Vietnamese cultuur trotseerde alle oorlogen

 

 

Het jubelparkmuseum exposeert Vietnamese vondsten van de voorbije 3000 jaar.

 

 

Verzameling van een zakenman

 

Vietnam was voortdurend een politiek kruitvat. Door de strategische ligging en het onafhankelijkheidsstreven van de verschillende bevolkingsgroepen volgden de gewapende conflicten elkaar in een hoog tempo op. De Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis en het Weens Museum voor Volkenkunde willen met hun gezamenlijk tentoonstellingsproject de schrijnende oorlogsbeelden van genadeloze luchtbombardementen, de mijnenvelden en de verminkte of getraumatiseerde soldaten zeker niet uit het geheugen wissen. Wel eisen ze nu ook onze aandacht op voor de rijke Vietnamese cultuur, die de koloniale bezettingen, de migratiebewegingen en de guerrilla's heeft overleefd. Dank zij een versoepelde wet op artistieke bruiklenen kunnen 350 expositiestukken voor de eerste keer buiten het land van herkomst worden getoond. Daar worden nog een honderdtal objecten uit Europese instellingen aan toegevoegd. 

 

"Vanzelfsprekend pakken we ook uit met blikvangers uit onze eigen collectie," zegt wetenschappelijk conservator Miriam Lambrecht. "Het Jubelparkmuseum bezit unieke Vietnamese keramiek. Al in het begin van de jaren vijftig verwierven we niet minder dan 2850 voorwerpen uit de verzameling van Clément Huet. Deze Belgische zakenman verbleef in het begin van de twintigste eeuw in Thanh-hoa. Hij maakte fortuin met import en export. Zijn omvangrijke collectie geeft een representatief overzicht van de evolutie in de keramiekkunst En dit al vanaf het Neolithicum! Uit documenten en foto's blijkt dat elk object wel degelijk in Vietnam werd vervaardigd." 

 

 

Geduld beloond 

 

Het Brussels museum is ook trots op de grote bronzen tamboeren, die indertijd voor magische praktijken werden gebruikt. Ze zijn versierd met vruchtbaarheidssymbolen als kikkers en slakken. Ook van de vermaarde Zweedse oudheidkundige Olaf Janse zijn er indertijd enkele topstukken aangekocht. 

 

In de omgeving van Hanoi wordt door museummedewerkers, in samenwerking met Aziatische collega's, trouwens nog steeds archeologisch onderzoek verricht. Gelukkig wordt daar niet enkel oorlogsmateriaal opgegraven. 

 

"Zeven jaar geleden zonden we uit strategische overwegingen enkele pronkstukken uit onze verzameling naar Vietnamese musea," licht Miriam lambrecht toe. " Ik ben er zelf naar toe gereisd, maar moest noodgedwongen tot nu wachten, vooraleer zij zelf aan ons voorwerpen wilden uitlenen. Tot voor kort dienden zij zich te houden aan het wettelijk voorgeschreven uitleenverbod aan buitenlandse instellingen. Eindelijk wordt ons geduld beloond." 

 

 

Khmers en Confusius

 

Met geografische kaarten en tijdlijnen worden de historische ontwikkelingsstadia geschetst. Het gevaar om de eigen aard te verliezen vormde steeds een groot probleem. Van de 54 etnische groepen worden er slechts zes uitgebreid belicht. "Toch streven we volledigheid na," nuanceert de conservator." In de catalogus komen ook de andere etnische groepen aan bod. Ongeveer 85 procent van de bevolking behoort tot de Viet. De Khmer, de Hoa, de Muong en de Dao drukken wel hun stempel op de samenleving en het regime, maar zijn duidelijk in de minderheid. 

 

Op de tentoonstelling raken we noodgedwongen alles maar heel even aan. We peilen naar de typische kenmerken van de Vietnamese beschaving. Dat die door de Chinese en de Indiase cultuur werd beïnvloed kan echter niet ontkend worden. Toch worden eigen accenten gelegd. De sculpturen in de tempels verwijzen niet alleen naar Shiva of door monniken geïmporteerde boeddhistische godheden, maar ook naar plaatsgebonden helden.  

 

Er is een apart luik gewijd aan religie en verering. Niet zonder reden is een boeddhistisch heiligdom nagebouwd. De meeste Vietnamezen komen daar immers geregeld over de vloer. In de gereconstrueerde woning vervult het huisaltaar, dat voor de vooroudercultus dient, een sleutelrol." 

 

Het confucianisme, dat verbonden was met het mandarijnschap, liet eveneens veel sporen na. De beroemde Tempel van de Literatuur, waar een indrukwekkend beeld van Confucius staat, is hiervan een schoolvoorbeeld. De verhoudingen tussen meesters en dienaars waren aan strenge regels onderworpen. Volgens deze leer moesten kinderen hun ouders altijd met het nodige respect tegemoet treden. 

 

De eigen aard van het Vietnamese volk komt heel sterk tot uiting in de sprookjes met animistische, bovenaardse wezens. De Franse kolonisten werden op hun beurt vaak bespot met de typische twee- of vierregelige 'Ve'gedichten. De Vietnamese 'literaten' baseerden zich eeuwenlang op het ingewikkelde 'Mon-Khmer' schrift. De karaktertekens hielden rekening met de uitspraak. Rond 1650 bracht de Franse jezuïet Alexandre de Rhodes hierin verandering. 

 

Hij zorgde voor een transcriptie in Latijnse letters. Dat zou zijn nut bewijzen tijdens de kerstening. Ondertussen is deze taal geëvolueerd tot de officiële uitdrukkingsvorm. 

 

 

Aanzet voor meer 

 

De tentoonstelling opent met betekenisvolle documenten uit de recente geschiedenis: "We konden de hand leggen op geweren, identiteitskaarten en brieven uit de gewelddadige bezettingsperiodes," licht Miriam Lambrechts toe. "De Vietnamezen werden door de oudere generatie toen nog 'Annamieten' genoemd. Maar lang voor de Fransen en de Amerikanen hun troepen naar het gebied hadden gestuurd, moest de bevolking afrekenen met de Chinezen. Meer dan duizend jaar deelden die de lakens uit. Ook binnenlands waren er spanningen. Veel Noord-Vietnamese families hoopten in het Zuiden levensruimte te veroveren." 

 

Aangrijpend is een fotoalbum met portretten van moeders, die hun zoon in de oorlog hebben verloren. "Op een bepaald moment waren er in Hanoi bijna geen mannen meer," onderstreept Miriam Lambrechts. "Toch verloren de achtergebleven vrouwen de moed niet. We beschikken over een gelukwensbrief van generaal Giap ('Pantser') aan een verzetsheld in. Ook zijn er emotionele epistels van soldaten op het slagveld aan hun moeder. Deze documenten werden ons door de vrouwenmusea uit Hanoi en Ho Chi Minh stad toevertrouwd." 

 

Na dit hedendaags luik maken de tentoonstellingbouwers een sprong in de tijd. De dolken, de sieraden, de muziekinstrumenten en het keramiek vertegenwoordigen de Dong Son cultuur, die is genoemd naar een Annamitische stad aan de grens van Tonkin, waar tussen 1924 en 1935 belangrijke voorwerpen werden opgedolven, die al in de derde eeuw voor Christus waren vervaardigd. De Ngoc Lu trommel uit een museum in Hanoi is zelfs één van de belangrijkste staatsrelieken. 

 

De Vietnamese kunst beleefde hoogtijdagen tijdens de Ly en Tran dynastie tussen 1000 en 1400 na Christus. De objecten uit de boeddhistische pagodes hebben fraaie vormen. 

 

"Jammer genoeg konden we niet elk aspect en iedere periode uitvoerig belichten," betreurt Miriam Lambrechts. "Over de houtsnijkunst of de Tjamsculpturen zouden we in de toekomst probleemloos aparte tentoonstellingen kunnen organiseren. In de Jubelparkmusea is totnogtoe ook slechts één zaal aan de Vietnamese kunst gewijd. Daar kunnen we maar één tiende van onze eigen collectie exposeren. Om dit euvel te verhelpen worden de stukken geregeld gewisseld. Ik hoop dat de huidige tentoonstelling alleszins de aanzet vormt tot een lange reeks gelijkaardige projecten in binnen- en buitenland. Vanuit Hanoi en Ho Chi Minh stad worden deze initiatieven sinds de recente ontsluiting en leenmogelijkheden van hun kunstvoorwerpen toegejuicht." 

 

Ludo Dosogne

 

Praktisch

'VIETNAM: KUNST EN CULTUREN VAN DE PREHISTORIE TOT HEDEN'

Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis 

Jubelpark

Brussel 

Van 17 septembertot 29 februari 2004

Van dinsdag tot zondagvan 10 tot 17u.

Info 02/741 72 11

 


 

2. Jong Talent: Sven 't Jolle en Global Succes Sharing

 

 

De Oost-Vlaamse Commissie voor Beeldende Kunst stelde de Antwerpse kunstenaar Sven 't Jolle (°1966) voor om in 2003 het beeld te leveren voor de jaarlijkse 'Thuis voor een beeld'-actie.

 

 

Hartelijk welkom

 

'Thuis voor een beeld' is een origineel initiatief van zowel de provincie als van Radio 2 Oost-Vlaanderen waarbij een kunstenaar wordt gekozen die een maquette presenteert van een te realiseren beeld. De maquette en het project worden dan voorgesteld aan de Oost-Vlaamse gemeentebesturen. Elke gemeente kan zich kandidaat stellen om het beeld een thuis te bezorgen door een geschikte locatie in het openbaar domein voor te stellen. Een jury, bestaande uit deskundigen van diverse disciplines, bezoekt alle voorgestelde locaties en kiest er uiteindelijk drie uit die geschikt zijn voor het te realiseren beeld. 

 

De drie gemeenten met de uitverkoren locaties moeten hun keuze dan verantwoorden in een geanimeerde radio-uitzending. Hier moet duidelijk naar voor komen dat de bevolking het beeld ook wil, dat ze het niet als een opgedrongen vreemd voorwerp beschouwt. Dat is vooral wijs vanuit het oogpunt sociale controle en bescherming tegen vandalisme. De radio-uitzending geeft dan meestal de doorslag om het beeld aan de uitverkoren gemeente in langdurige bruikleen te geven. Het initiatief draag ik een warm hart toe: er worden geen concessies gedaan aan de kwaliteit en het kunstwerk kan rekenen op een hartelijk welkom vanwege de lokale bevolking. Het verrijkt het gemeentelijk kunstpatrimonium en brengt mensen, door alle activiteiten er rond, dichter bij mekaar. 

 

Zo kan een gemeente als Evergem prat gaan op een beeld van Wim Delvoye, staat in Sint-Lievens-Houtem een schitterende sculptuur van Philip Van lsacker en vorig jaar werd Dendermonde winnaar van de 'Wenende ent' van Berlinde De Bruyckere door een gedroomde locatie aan te bieden in het schilderachtige Baasrode. Ook kunstenaars als Paul Van Gijsegem, Leo Copers, Johan Tahon en Philippe Tonnard leverden reeds hun artistieke bijdrage. 

 

In 2003 werd de uiteindelijke strijd gestreden tussen de gemeenten Sint-Gillis-Waas, Sint-Martens-Latem en Stekene. Uiteindelijk wist het kunstenaarsdorp Sint-Martens-Latem het begeerde beeld binnen te halen, vooral omwille van de zeer goede motivering die ze gaven waarom ze het beeld net op die site wilden. 

 

 

Deelgenoot 

 

Het beeld van Sven 't Jolle gaf hij de titel 'Global Success Sharing'. Het stelt een landbouwer voor met de hand aan de primitieve ploeg die voortgetrokken wordt door twee lastdieren. Het is een op het eerste zicht idyllisch beeld, je zou je zelfs kunnen laten verleiden het nostalgisch te noemen. Het beeld verwijst slechts zijdelings naar het eigen landbouwverleden maar het roept wel, mede door het exotisch hoofddeksel van de boer, de landbouwtoestanden in de derde wereld op. De titel is - zoals steeds bij 't Jolle - integraal onderdeel van het werk en verleent het beeld zijn volle dimensie. 

 

Global success sharing is een term uit de economie, de zakenwereld waarbij het bedrijf zijn werknemers deelgenoot wil maken van de winsten die gemaakt worden. Sommige van die bedrijven bestaan inmiddels niet meer ... 

 

Het werk past volledig in het oeuvre van deze geëngageerde kunstenaar.  

 

'Teamwork' is de sprekende titel van één van zijn sculpturen. Eigenlijk gaat het hier om een uitvergrote interpretatie van een boot met roeiers zoals we die in miniatuurversie in Egyptische graven aantreffen. Het werk is in gips en pigment uitgevoerd, een materiaal dat de kunstenaar regelmatig gebruikt. Het heeft een ongelooflijke présence en toch heeft het dat onbeholpene, die naïviteit die aan volkskunst doet denken. Ook hier is er een ploeg mensen aan het werk, de ploeg staat ten dienste van de farao, de leider, hij die de macht bezit. Teamwork krijgt hier een wel cynische betekenis. 

 

 

Te veel auto's 

 

'T Jolle heeft het dikwijls over het "toyotisme" als productiesysteem, zoals het bij het autobedrijf Toyota gehuldigd wordt. Het gaat hierbij over 'just in time'-leveringen, stress-management en het ontbreken van een hiërarchie binnen de ploeg. Er is niet de druk van de ploegbaas maar de druk van de collega's, want de ploeg als ploeg is verantwoordelijk. Wat door de één tekort gekomen wordt moet door de anderen worden bijgespijkerd. Destijds werden complexe handelingen opgesplitst in een reeks van opeenvolgende, eenvoudige handelingen en werd het afstompende bandsysteem ontwikkeld. 

 

Het toyotisme legt het enigszins anders aan boord en schakelt de arbeiders in bij het bedenken van het arbeidsproces, met andere woorden de arbeiders worden opnieuw gebruikt om de productie nog verder op te drijven. Op die manier wordt gestreefd naar een superefficiënte productiemethode en wordt de totale productie vergroot. Binnen de bedrijfscontext gezien is dat uiteraard schitterend, maar maatschappelijk leidt het tot anarchie, vindt de kunstenaar. Het gevolg is immers een overcapaciteit, er zijn te veel auto's en dus moeten er dan weer afdankingen volgen en zo verder. Hij stelt een fantastische technologische vooruitgang vast maar ziet die niet weerspiegeld in een maatschappelijke vooruitgang op wereldniveau.  

 

 

Mens erger je niet 

 

De beelden van Sven 't Jolle grijpen heel dikwijls terug naar andere culturen en dat is niet zomaar gratuit. Door zijn veelvuldige reizen merkt hij ook de verschillen tussen de volkeren, maar evenzeer de talloze overeenkomsten en de vele invloeden van ondertussen niet meer zo'n vreemde culturen. Kijken we gewoon maar eens naar onze eetgewoonten bijvoorbeeld.  

 

Zijn beeldengroep 'Mens erger je niet' werd eind de jaren negentig door de Vlaamse Gemeenschap aangekocht en in bruikleen gegeven aan het SMAK te Gent. Het werk heeft ondertussen een zekere bekendheid verworven doordat het veel is gepubliceerd en posters heeft gesierd. Het bestaat uit twee geabstraheerde figuren, de ene hurkend de andere half liggend, rond een bekend bordspel met dezelfde naam als de titel. De beide figuren dragen een uitvergrote fez en worden daardoor meteen 'uitheems' of 'allochtoon'. De titel 'Mens erger je niet' wordt ook hier dus zeer dubbelzinnig gebruikt en maakt zonder meer deel uit van het werk. 

 

In de eerste helft van de jaren negentig maakte hij wel meer van deze soort werken. Ik denk hierbij aan de 'Leeuw van Baybar', een weergave van een leeuwenschild - zeg maar een Vlaamse leeuw - maar met een Arabische inscriptie. Het werk verwijst naar de Turks-Arabische oorsprong van ons nationaal symbool. Baybar was immers een mamelouksultan die de leeuw in het schild voer. 

 

Een meer recent werk realiseerde hij in het provinciaal domein De Gavers in Geraardsbergen. Tegen de muur van een jeugdcentrum bezijden het water plaatste hij een indiaan in een kano, op de muur zelf kwam een kaart met de rivieren van Europa. Twee punten springen eruit op die kaart, ze zijn over het water met elkaar verbonden. 

 

Het ene punt ligt in Geraardsbergen, het andere ergens in Hongarije, het ene is de vroegere, het andere de huidige locatie van de 'gedelocaliseerde' lucifersfabriek Union Match. Zo legt Sven 't Jolle voortdurend de vinger op de wonde en overstijgt hij duidelijk het louter anecdotische. Hij verankert een algemeen gegeven in een concrete gebeurtenis. "Engagement stelt zich vóór het kunstenaarschap," zegt hij, "ik stel mijn bezigheden in functie daarvan. Kunst is een vorm van communicatie en op die manier kan ik dingen onder de aandacht brengen." 

 

Ik kijk uit naar de uiteindelijke realisatie van het beeld in Sint-Martens-Latem. Het wordt geplaatst in de onmiddellijke nabijheid van het Gevaert-Minne-museum op een betonnen plateau dat eens de vloer was van een loods of iets dergelijks. Het terrein was vroeger het domein waar Gevaert een commune oprichtte en met veel respect, idealisme en overtuiging de idee van biologische voeding verdedigde, voedsel dat op een eerlijke wijze werd geteelt en geproduceerd en voor een eerlijke prijs werd gekocht en verkocht. Deze context geeft aan het beeld 'Global Success Sharing' een nog, diepere betekenis. Het is een stille plek waar toch veel mensen komen, misschien gebeurt er dan wel iets in de geesten ...

 

Daan Rau


 

3. Undercover: Ten Duinen - Historie van vergane glorie

 

 

"Uit duinen tussen zee en hinterland, herrijst een verdwenen site van onder het zand."

 

 

Het duurt even maar aan het rond punt in Koksijde zien we ze, de aanduiding naar Ten Duinen met haar site en museum waar we ons zullen overgeven aan de mystiek en het mysterie van een vergeten beschaving. 

 

In de ruime inkom hal eist het grote ronde volume meteen onze aandacht op. Het toont prachtige panoramische foto's en videobeelden van de site. Aan het onthaal krijgen we een brochure met wel erg beknopte uitleg over de archeologische site. De meer uitgebreide is in de maak, zo wordt ons verzekerd. De brochure zelfvind ik geslaagd m et drie witte monniken die als schimmen van uit het licht de duisternis betreden en een beknopte tekst met vragen die de nieuwsgierigheid prikkelt. 

 

Alvorens de site te betreden, moeten we ons ticket met streepjescode scannen. Er kan maar één persoon per keer door de draaideur wat volgens mij een vlotte doorstroming tijdens een drukke dag of met een groep enigszins belemmert. De plattegrond helpt om de weg te vinden in de site die, nog in opbouw, op het eerste zicht onoverzichtelijk lijkt. Zestien genummerde stenen verwijzen naar een paragraaf met korte uitleg over wat hier uit de middeleeuwen resteert. De oostelijke vleugel met het gebouw van de monniken en het klein pand, is nog niet opgegraven. 

 

 

Was ik een middeleeuwer, dan...

 

In het museum worden we uitgenodigd om de gids, waarvoor we niet moeten betalen, te volgen. In de eerste zaal staat een levensgrote viertalige ridder imposant voor een geschilderd landschap. Hij komt tot leven als we op het knopje met de letter 'N' drukken en begint enthousiast te vertellen over wat hij op kruistocht beleefd heeft. Omdat de gids ook wat te vertellen heeft, verontschuldig ik mij en voeg me terug bij de groep. Enig schuldgevoel maakt zich van mij meester als ik hoor hoe hij onverstoord blijft praten zonder dat er iemand naar hem luistert. 

 

Centraal in deze zaal staat een ronde tafel met metalen handafdrukken. Het is wellicht de bedoeling om je hand erop te passen maar naast wat gekraak gebeurt er niets. 

 

Ook niet als we de knopjes 'N-F-D-E' indrukken. Onder een glazen stolp liggen gebruiksvoorwerpen die men tijdens de opgravingen van de abdij heeft gevonden. 

 

Op de grond zien we een lange bruine strook, een voorstelling van de wereld toen. De zachtgroene muren bevatten grote afbeeldingen in gelijkaardige kleur die als achtergrond dienen voor een duidelijk leesbare geschiedkundige uitleg in vier talen en kleinere reproducties van schilderijen. Het doet me denken aan een enorme bladzijde uit een mooi geïllustreerd boek. Hier en daar zien we een nis met materialen. De hele zaal wordt opgeluisterd door middeleeuwse muziek. 

 

 

Bang in het donker 

 

Wat me het eerst opvalt als we de volgende zaal binnenkomen, is de open kast met paterkleren op kapstokken, klaar om aan te doen was het niet dat ze beveiligd zijn met een ijzerdraad. Ach, het zou toch ondraaglijk warm zijn bij deze zomertemperaturen. Jules (7j) vestigt mijn aandacht op een koperkleurig plaatje aan de muur. Dit is het eerste museum waar we plaatjes met braille aantreffen! 

 

Boven een dubbele deur kondigt een knipperlicht het begin van de film aan. Van de gids leren we dat het om een fictiefilm van Stijn Coninx gaat, dat de deuren automatisch open en toe gaan en dat ze, eens gesloten, niet meer open kunnen. Hij zegt nog dat we na de film de zaal langs achter moeten verlaten, oppassen voor het trapje want er is al eens iemand afgevallen! 

 

Tijdens de overigens goede film moet ik vooral Jules geruststellen dat als er iets gebeurt, de deuren heus wel open zullen gaan. Eerlijk gezegd ben ik er ook niet echt gerust in en we zijn toch opgelucht als de film gedaan is. Nu nog het trapje ... 

 

We lopen naar een maquette onder glas. Deze werd gemaakt naar een schilderij dat in opdracht van de abt werd geschilderd met als doel de abdij indien nodig te herstellen. Het touch-screen ervoor belemmert een totaalbeeld van de maquette maar bevat wel een overvloed aan informatie. Ook hier zien we op de zacht gekleurde muren reproducties van schilderijen en vier knopjes voor een uitleg in N-F-D-E. 

 

 

Kind in de abdij  

 

De eerste verdieping bereiken we via een trap achter glas langs de buitenkant van de voorgevel van het museum. Zo komen we in een educatieve ruimte waar we onze gids uit het oog verliezen omdat we de tentoonstelling actief willen beleven en ontdekken. Ona (6j) kan met moeite het grote, zware puzzelstuk los krijgen. Ze krijgt een lachbui als ze op het knopje naast het grijze konijn drukt. 

 

De ruimte wordt gevuld met het geluid dat dit dier voortbrengt. De figuren op de afbeelding hebben elk hun verhaal dat ze graag vertellen als je op de bijhorende knop drukt. De wolf en de ezel maken wel erg veel lawaai, zo zal later nog blijken.  

 

Een ronde tafel is een monnikenspel met centraal een draaiende schijfwaarop de spelregels staan. Het kastje met het nodige materiaal is op slot. 

 

"Vijf keer juist en je wint een prijs!" Jules en Ona zetten zich enthousiast voor het touch-screen. Eerst de streepjescode scannen, het wordt een gewoonte. Ze zijn ontgoocheld want er gebeurt niets.

 

 

Een dag in het leven van een monnik 

 

Ona kijkt geboeid naar de etmaaltafel op basis van het wateruurwerk van Villiers. In de abdij heerste zwijgplicht. Hoe de monniken met elkaar converseerden, zien we op een touch-screen voor een grote spiegel zodat we de gebarentaal van de cisterciënzers kunnen nabootsen. 

 

Vanuit een zekere nieuwsgierigheid druk ik het woord 'vrouw' aan en zie hoe een monnik het zweet van zijn voorhoofd wrijft ... ? De uitbeeldingen van 'bier' en 'eten' vind ik toch passender. 

 

Enkele filmpjes tonen het leven van de monniken, op de muren kunnen we hierover lezen en als we op een knop drukken horen we er een monnik in het streekgebonden dialect over vertellen. Zijn stem wordt overstelpt door het gehuil van de wolf in de vorige zaal. 

 

 

Ora. Het spirituele leven in een abdij 

 

We zetten ons in een kerkstoel en via het scherm voor mij kies ik op welbepaalde tijdstippen vastgestelde gebeden die ik door een op een douchekop gelijkende telefoon beluister. De lichtinval zorgt ervoor dat ik iedere keer moet rechtstaan om het scherm te bekijken. Enkele beelden staan van uit hun nis wezenloos voor zich uit te staren en verder staan er tafels met voorwerpen en boeken.

 

 

Een stem in het kapittel 

 

Hier beginnen, na een druk op een knop welteverstaan, vijf monniken met elkaar te praten. Wie aan het woord is, wordt lettertijk verlicht. Luikjes op de muur tonen verschillende kapittelzalen. Als we ze open klappen, krijgen we meer informatie. 

 

In de volgende zaal zit een monnik met een pluim in de hand voor een wit blad. Ik maak de bedenking dat het attractief zou zijn, moest hier echt iemand aan het werk zijn. 

 

Een tegel vervangt hier de drukknop. Als we erop gaan staan, wordt er boeiend en levendig verteld met op de achtergrond het geluid van stromend water. 

 

In de keuken zet Jules zich naast de monniken aan tafel en heft hij mee het glas. Het geheel oogt wel gezellig. Centraal staat een open haard waarin een wapperend doekje het vuur verbeeldt. Er rond tiggen vier tegels maar als we erop gaan staan, gebeurt er niets. 

 

Onder een vierkante meter plexiglas ligt een stukje strand met schelpen. De bedoeling hiervan ontgaat me des temeer omdat een behoorlijke hoeveelheid condens het zicht belemmert. 

 

Alle tentoongestelde voorwerpen werden ter plaatse gevonden. Verder zien we lege kasten met voedingsstoffen en we leren iets over voedselbewaring en voedselbevoorrading. 

 

 

De spelende mens in de middeleeuwen 

 

Drie zuilen waarvan één met de afbeelding van een minnezanger en één met een naakte vrouw vertellen roddelpraatjes. Je moet er, zoals tijdens echt roddelen, dicht bij staan om hen te verstaan. 

 

Tegen de muur hangen luikjes die verhalen over verboden liefdes tussen pastoors en ordezusters verbergen. Dit alles met op de achtergrond sacrale gezangen. 

 

 

Tussen hemel en aarde

 

Het touw van de klok die hier hangt, blijkt gefixeerd. Toch weerklinkt het luiden ervan. De grafsteen op de glazen bak verraadt de identiteit van het skelet op de harde zandgrond eronder.

 

We lopen over een glazen brug waaronder de verschillende stappen van het archeologisch bodemonderzoek waarheidsgetrouw tentoongesteld zijn. 

 

 

Terugblik 

 

Ter Duinen beoogt een tegemoetkoming aan de volledige bezoeker zowel op cognitief (wetenschap, geschiedenis), affectief (inkomen in de leefwereld van de monnik, sfeer aanvoelen met muziek en film, geboeid luisteren naar verhalen) als psychomotorisch vlak (puzzels, spelletjes, touch-screens). 

 

Men komt tegemoet aan de noden van blinden (braille, muziek, vertellingen) en rolstoelgebruikers (brede doorgangen, lift, aangepaste ingang). 

 

De verschillende zalen zijn mooi aangekleed en voorzien van interactieve tentoonstellingsmethoden. Het onthaal is vriendelijk en informatief. 

 

We komen graag nog eens terug om de verdere ontwikkeling te volgen. 

 

Lea Van de Wijngaert

 

Praktisch

TEN DUINEN 1138

Koninklijke Prinslaan 8

8670 KOKSIJDE

Tel. 058/52 16 85

www.tenduinen.be


 

4. Europalia Italië

 

a) Een heel bijzondere renaissance

 

 

In het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten wijdt Europalia Italië een grote thematentoonstelling aan het hof van de prinselijke familie Este te Ferrara.

 

 

Bufferstaat

 

Iets terzijde van de klassieke items van de Italiaanse vijftiende- en zestiende-eeuwse cultuurgeschiedenis evoceert de Europaliatentoonstelling, op basis van meer dan driehonderd gevarieerde werken als schilderijen, sculpturen, wandtapijten, wapens, miniaturen en traktaten, een renaissancistisch hof van het Quattrocento, dat als smeltkroes van diverse invloeden een elitistische cultuur wist te ontwikkelen. Naast de grote stadstaten Firenze, Milaan, Mantova, Siena en de republiek Venetië speelde Ferrara de rol van bufferstaat. Om zijn macht tegenover Venetië te vergroten schonk het Vaticaan in 1471 aan de markies Borso d'Este de titel van Hertog van Ferrara. Ferrara was toen reeds een bloeiende renaissancestad met talrijke paleizen, delizie genoemd, verspreid over het territorium. 

 

Kort voordien was de middeleeuwse stad door Borso d'Este vergroot en fundamenteel van karakter gewijzigd geworden. Ercole, zijn opvolger, zou dit werk voortzetten en van Ferrara het voorwerp maken van de grootste urbanistische onderneming van Italië van de vijftiende eeuw, met een plattegrond op geometrische basis en lanen van zestien meter breed. 

 

 

Dynamische hofcultuur 

 

Drie prinsen, drie broers, Lionello (1441- 1450), Borso (1450-1471) en Ereale (1471-1505), stimuleerden in Ferrara en zijn heerlijkheid gedurende een zestigtal jaren een hofcultuur die een der merkwaardigste hoofdstukken vormen van het humanisme en van wat doorgaans (maar deze term is hier wellicht niet volledig geschikt) de renaissance wordt genoemd. 

 

De hofcultuurvan de Este is steeds een dynamische cultuur geweest.  

 

Het hele repertorium van schilderijen, fresco's, traktaten, bijbels, romans en theaterstukken, kortom: het door de Este gestimuleerde artistieke elan, was erop gericht het gezag te legitimeren. En deze argumentatie op basis van het medium van de imaginatie gebeurde in een harmonieuze fusie met een Florentijnse humanistische aanbreng, voornamelijk met de figuur van Guarino, terwijl er door de prinsen van Este, wat het politieke model betreft, geen afstand werd genomen van de riddertraditie. Het is dan ook niet te verwonderen dat de ridderroman in Ferrara tot volle bloei kwam. 

 

Ze vertegenwoordigde het politieke ideaal van de familie Este en legitimeerde, op literair-imaginair vlak, hun dynastieke macht.  

 

Het groots opgezette heldendicht Orlando Furioso (1532) van Ariosto is voor de renaissance wat de Divina Commedia voor de middeleeuwen betekent. Het opzet van het werk heeft in watermerk de verheerlijking van de genealogie van de Este. Poëzie en politiek zijn er complex met elkaar verweven. Een andere exaltatie van de hertog wordt bezongen in Boiardo en het grootse epos Gerusalemme van Torquao Tasso borduurt verder op het stramien van de oude ridderlijkheid.

 

 

 Fresco's van het goede bestuur 

 

Het schitterendste beeld van de hofcultuur van Ferrara bieden de 525 m²  fresco's van het Salone dei Mesi (de grote zaal van de Maanden) in het Palazzo Schifanoia. Onder leiding van een 'Raad' werden de thema's vastgelegd waarmee de vier muren zouden beschilderd worden. De hele schilderschool van Ferrara, met als voornaamste meester Francesco del Cossa, werd hiertoe aangesproken. De fresco's illustreren het 'Goede Bestuur' van Borso. Zijn regering wordt er als de gouden periode uitgebeeld op het onderste register, terwijl de twee bovenliggende registers klassieke godheden en tekens van de dierenriem laten zien. Borso verschijnt er in ridderlijke gedaante: men ziet hem op jachtscènes, op het ogenblik dat hij rechtspraak uitoefent, hij wordt geportretteerd aan het hof omgeven door humanisten en ambassadeurs terwijl hovelingen hem ten dienste staan.  

 

 

Anti-renaissance van Tura 

 

De hofschilder van Borso was Cosmè Tura (ca. 1430-1495). Hij was de onbetwiste leider van de school van Ferrara, die vanaf 1457 volledig ten dienste zal staan van het hof. Tura is een fascinerende, maar moeilijk te situeren figuur. In volle renaissance is hij een der eerste vertegenwoordigers van een 'anti-renaissance'. Zijn stijl is doordrongen van een hevig emotioneel klimaat. De vormen zijn hard, systematisch ontwricht, de kleuren bijtend en vol dissonanten. 

 

Hij is de schilder van de dramatische gevoelswereld en zijn voorkeur gaat dan ook naar iconografische thema's waar het menselijke drama ten top kan gevoerd worden: de Piëta, de Bewening, de Graflegging, de Kruisafname, de heilige Hiëronymus. Op die uitbeeldingen zijn de lichaams- en gezichtsexpressies pathetisch, verkrampt, uiterst gespannen, wreed. Het grafisme van de vormen is bijtend scherp, de plooienval is als in steen gebeiteld, de belichting zit vol dramatische accenten. 

 

 

Vlaamse kunst in Ferrara 

 

Een kunstenaar die ongetwijfeld invloed heeft uitgeoefend op Cosmé Tura is Rogier van der Weyden. De Vlaamse kunstenaar werkte aan het hof van Ferrara in 1446-1447 en in 1450-1451. De interiorisatie van Van der Weyden die toelaat gevoelens uit te drukken moet Tura als jonge kunstenaar getroffen hebben. Tura zal interesse vertonen voor de liturgische thematiek van Van der Weyden, maar diens melodische stijl zal hij vervangen door een bittere, vlijmscherpe, metaalachtige, getourmenteerde en pijnlijk aandoende expressionistische stijl. 

 

Vlaamse kunst was er wel meer in Ferrara. Lionello was een gepassioneerde verzamelaar van Vlaamse tapijten. 

 

De Vlaamse kunst kan als beeldsubstraat nagetrokken worden in Ferrara, maar de aspiraties van de Ferrarese kunstenaars waren van een andere aard. Direct, met klem uitgesproken, hard neergezet, met een verheerlijking van contrasten en een bijna genotsvolle afwijking van het renaissancistische schoonheidsideaal verovert deze schilderkunst haar eigen plaats, naast de prestigieuze schilderscholen van Mantova, Ventië, Firenze en Milaan. 

 

Florent Minne

 

Praktisch

'EEN BIJZONDERE RENAISSANCE. HET HOFVAN DE ESTE TE FERRARA'

Van 3 oktober 2003 tot 11 januari 2004

Paleis voor Schone Kunsten

Ravensteinstraat 23

1000 BRUSSEL

www.bozar.be

www.europalia.be 


 

b) Alle wegen leiden naar Rome

 

 

De wereldberoemde maquette van Rome is gerestaureerd en te zien op de Europalia-tentoonstelling 'Da Pompei a Roma'.

 

 

Vrome pelgrims, denkers en schilders 

 

Ter gelegenheid van deze tweede uitgave van een festival gewijd aan Italië in het kader van Europalia, boden de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis van Brussel de bezoekers van de Pompeji-expo graag een extra parcours aan. Vermits de renovatie van de wereldberoemde maquette van Rome kort voor de opening werd voltooid, leek het inderdaad geschikt om het publiek op weg van Pompeji naar Rome, Da Pompei a Roma, een beeld te schetsen van hoe de ontdekking van de Vesuvius-steden kadert in de ruimere context van de herontdekking van de Romeinse oudheid. 

 

Geruime tijd voor de ontdekking van Herculaneum (1709) en Pompeji (1748), waren de vervallen monumenten van Rome ten prooi gevallen aan de bouwdriftvan de pausen van de 15de en 16de eeuw. Mede door het protest van kunstenaars als Rafaël en Michelangelo werd deze roofbouw aan banden gelegd door de oprichtingvan de pauselijke Commissario delle Antichità (1534). De getuigenissen van het verleden werden voortaan niet alleen vastgelegd door pen en penseel van vorsers en kunstenaars uit de Italiaanse steden, maar ook door erudiete reizigers uit onze gewesten, zoals Pighius en Smetius of kunstenaars als een Hiëronimus Cock, Jan Gossaert of een Maarten van Heemskerk. Het werk van deze Fiamminghi en dat van de humanisten op het thuisfront, heeft een fundamentele rol gespeeld in de herontdekking van het oude Italië. Ze openden een wijdvertakt studiegebied dat uiteindelijk vaste vorm zou geven aan het intellectuele en materiële erfgoed van de Europese democratieën. 

 

De eerste reizigers uit onze gewesten die tijdens de middeleeuwen Rome bezochten, waren vrome pelgrims die er de pauselijke zetel kwamen bewonderen en het graf van Sint-Pieter en de relikwieën vereerden. De ruïnes van het antieke Rome lieten een diepe indruk op hen na, en werden beschouwd als de stille getuigenissen van wat de tand des tijds had aangericht met de grootste stad van de oudheid. Hoewel de vroegste reisgidsen uit de 8ste - 9de eeuw dateren, ontwikkelt zich pas in de 15de eeuw een echte wetenschappelijke belangstelling voor de ruïnes. De neerslag hiervan beperkte zich aanvankelijk tot de geschriften van een kring Italiaanse humanisten die meestal in pauselijke opdracht werkten. 

 

De rol die de pausen speelden in dit proces was op zijn minst dubbelzinnig: ze leefden temidden van de resten van het oude Rome, waarop ze een nieuwe stad grondvestten. Zo steunden ze immers (en niet zelden met eigen middelen), topografische, historische of epigrafische studies van de antieke monumenten. Anderzijds waren zij het die de ruïnes ruimden of gebruikten als fundering voor moderne gebouwen of, nog vaker, als steengroeven voor goedkoop bouwmateriaal. 

 

Het is pas in het tweede derde van het cinquecento dat de erudiete werken zich losmaken van de middeleeuwse traditie (vertegenwoordigd door o.m. de Mirabilia Urbi - "De wonderen van de Stad" uit de 12de eeuw) om zich voortaan te baseren op wetenschappelijk onderzoek van de monumenten. In zijn Descriptio Urbis Romae (1432-34), werkt Leo Battista Alberti een nieuw complex topografisch rasterplan uit, waarop de monumenten gesitueerd konden worden. Zijn innoverende benadering krijgt spoedig navolging in het werk Roma Instaurata (1444-46) van Flavio Bondio. De nauwgezette beschrijvingen gebaseerd op persoonlijk onderzoek van deze geleerde, worden hier geconfronteerd met die van klassieke auteurs en de overlevering van antieke bronnen zoals de Regionarii, catalogi van het Late Keizerrijk waarin de monumenten van Rome per regio opgesomd werden. Bovendien legt hij een levendige belangstelling voor de geografie van Italië aan de dag die zijn neerslag vindt in zijn Italia illustrata (1453), waaruit vele auteurs van reisgidsen naar believen zouden putten.  

 

Van zodra het humanisme zijn doorbraak kende in onze gewesten, werden Rome en Italië vaste reisbestemmingen van geletterden, met Erasmus op kop (1506-1509). 

 

Deze grote denker beschouwde zijn afreis naar Italië zelfs als de bekroning van zijn studies, een mijlpaal die hij slechts op veertigjarige leeftijd kon overschrijden. ln de 16de eeuw groeit een dergelijke peregrinatio gaandeweg uit tot een onmisbaar onderdeel van de opleiding van kunstenaars en wetenschappers, en is de stroom reizigers nauwelijks nog te stuiten ... 

 

 

Rome herontdekt

 

In het parcours van de tentoonstelling worden de opeenvolgende etappes geschetst van de herontdekking van de Romeinse oudheid tot na de periode van de Grand Tour.

 

Munten, gesneden stenen, marmerstalen, oudheden en hun kopieën in gips of metaal, wijzen op de diversiteit van de belangstellingspoten van de pioniers. Tal van werken uit de Renaissance en de Moderne Tijden tonen hoe de herbronning die ze bewerkstelligden onder meer de stroming van het neoclassicisme in de hand werkte. 

 

Orgelpunt van deze reis door de tijd die met de oude monumenten van Rome aanvat, is het wereldberoemde en nu gerenoveerde schaalmodel van het antieke Rome. 

 

De didactische functie die dit model vervulde voor generaties schoolkinderen en studenten zal in de toekomst verder uitgebouwd worden met behulp van multimediatechnieken, waarvan hier alvast een voorproefje wordt gegeven. Het lijkt er dus op dat Roma wel degelijk eterna is.

 

 

Unieke maquette 

 

Het schaalmodel van Paul Bigot (zie verder) stelt de stad Rome voor, op het hoogtepunt van haar monumentale pracht, ongeveer twintig jaar voor de invasie van Alaric (410). Deze luidt de ondergang van de stad in en de geleidelijke aftakelingvan haar gebouwen 

 

Het plan in reliëf op een schaal van 1/400 werd in gips uitgevoerd op een houten gebinte. Drie andere versies waren bestemd voor de universiteiten van Caen, de Parijse Sorbonne en het Pennsylvania Museum (Philadelphia). De maquette van de Sorbonne had helaas al heel wat schade geleden tijdens de Tweede Wereldoorlog en zou de studentenopstand van mei 1968 niet overleven. Het schaalmodel van Philadelphia bestaat ook niet meer en het exemplaar van Caen werd slechts recent gerestaureerd, om met behulp van nieuwe technologieën een voorbeeld voor de toekomst te worden. 

 

Het Brussels exemplaar was de enige ingekleurde versie en is niet enkel opmerkelijk goed bewaard, maar verdient ook nog van uit andere oogpunten onze aandacht. De maquette meet 1 x 4 meter en bestaat uit 98 verschillende elementen die naadloos op elkaar aansluiten. Ze bestrijkt ongeveer 3/5 van de totale oppervlakte van de antieke stad; de wijken die het verst van het centrum lagen bleken inderdaad slechts moeilijk op realistische wijze gereconstrueerd te kunnen worden. Dit verklaart waarom slechts enkele sporen van de Aureliaanse stadsmuur zichtbaar zijn. De toeschouwer wordt een blik op de Eeuwige Stad gegund van op een hoogte van 300 meter. 

 

Via 98 lichtprojectoren en een digitaal bestuurde beeld- en geluidsband worden de tachtig belangrijkste monumenten en architecturale verwezenlijkingen belicht en becommentarieerd en ook nog eens uitvergroot op een tweevoudig videoscherm. Via een aantal beschikbare computers kan ook de individuele bezoeker inloggen op de stad en meer bijzondere informatie over een bepaalde stadswijk of gebouw opvragen. De keizerlijke fora, de badhuizen, de stadions, de tempels, de woonwijken, de theaters en zo veel meer worden virtueel binnen oog- en handbereik gebracht. 

 

Paul Bigot had zich grotendeels gebaseerd op de wetenschappelijke publicatie (door R.Lanciani) van een marmeren plan van Rome uit de Severiaanse periode (begin 3de eeuw), waarvan honderden fragmenten opgegraven werden langs de achtermuur van het Forum van de Vrede, achter het republikeinse Forum. Tot in de eindfase van het project paste Bigot zijn model aan de bevindingen aan, die de lopende opgravingen toestonden. Desondanks legt het schaalmodel een tijdsbeeld vast, dat door de evolutie van onze kennis van de topografie van Rome sedert 1937 achterhaald is. Een van de grote omwentelingen greep plaats in de zestiger jaren, toen vastgesteld kon worden dat men in de zone van het Marsveld het theater van Balbus verkeerdelijk had geïdentificeerd met de plek waar eertijds het Circus Flaminius was aangelegd. 

 

Recente opgravingen ter gelegenheid van het jubileumjaar 2000 wezen bovendien uit dat de tempel van het Forum van Trajanus, het grootste plein uit de keizertijd, zich niet achter de zuil van Trajanus had bevonden (naast de huidige Piazza Venezia), maar tegenover de Basilica Ulpia, net naast het Forum van Augustus. Om het historisch aspect van de maquette als een tijdsbeeld te respecteren, zullen dergelijke aanpassingen in de nabije toekomst op virtuele wijze aangebracht worden. 

 

 

Het werkstuk van Paul Bigot 

 

Paul Bigot studeerde architectuur aan de Ecole Nationale Supérieure des BeauxArts van Parijs. Als laureaat van de Grand Prix de Rome (1900) nam hij zich voor een reconstructiemodel van het Circus Maximus in te zenden. Om de volumes beter in te schatten, bereidde Bigot dit project voor met behulp van een schaalmodel in klei. Door zijn passie voor dit werk, rijpte het plan om ooit een dergelijk schaalmodel te maken van het antieke Rome in haar gehele omvang. Een eerste voorontwerp werd voorgesteld op de Wereldtentoonstelling van Rome in 1911. Bigot paste dit schaalmodel vanaf 1937 aan, zoals blijkt uit een vergelijking van het Brusselse exemplaar met het origineel te Caen. Enkele jaren nadien stierf hij, op 8 juni 1942, in volle oorlogstijd. 

 

Karl Marcelis

 

Praktisch

DA POMPEI A ROMA

Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis

Jubelpark 10

1000 BRUSSEL

9/4/2003·8/2/2004

www.kmkg-mrah.be

www.europalia.be


 

c) Fuuuutuuuurrrrissssmmmme???? De kunst van we vliegen er in !!!!!!!!

 

 

Eigenlijk begon het futurisme als een uit de hand gelopen kwajongensstreek. Is het daarom een geluk of een ongeluk dat er zo ernstig op gereageerd werd? kom er elf over oordelen op de tentoonstelling in het Museum van Elsene.

 

 

De kunstgeschiedenis bestaat in grote mate in het eindeloos herbevestigen van hetgeen wij al wisten of meenden te weten. Een confrontatie met de echte werken en met de bronnen kan daarom voor grote en kleine verrassingen zorgen. 

 

 

Manifest en/of pastiche 

 

Neem nu het Manifeste du Futurisme van Filippo Tommaso Marinetti dat de lezers van de deftige Parijse krant Le Figaro op 20 februari 1909 in hun maag gesplitst krijgen. De boodschap zit in elf punten vervat. Het opruiend, gewelddadig, gepassioneerd, antifeministisch discours ervan is genoegzaam bekend. Vooral het verheerlijken van de snelheid en van de oorlog en de oproep om musea en bibliotheken af te breken zijn blijven hangen. Daarom is het verrassend bij het lezen van het document zoals het in de krant verscheen te moeten vaststellen dat het eigenlijke manifest slechts de middenmoot van een verhaal in de ikvorm is. Daarin hangt de auteur het relaas op van een dolle nachtelijke rit met auto's die meer weg hebben van wilde dieren. Aan de tocht komt bruusk een einde als de auto die dan eens met een brullende roofdier, dan weer met een haai vergeleken wordt, slipt en de ikfiguur in een gracht terechtkomt. Hij moet niet meer zo nuchter geweest zijn, want de modderpoel waarin hij beland is, vuurt zijn lyrisme aan: "Ach! Moederlijke gracht, half gevuld met modderwater! Fabrieksgracht! Met volle teugen heb ik genoten van je versterkende modder, die mij vervulde met de gedachte aan de heilige zwarte tepel van mijn Soedanese voedster!" 

 

De enige getuigen van dit fait-divers zijn 'een groep lijnvissers en jichtige naturalisten'. Het is voor dit publiek dat de ikfiguur, onder het modder en gekneusd, het manifest uitspreekt. Het verhaal zelf is als een pastiche bedoeld, vol zwaar overtrokken symbolistische beeldspraak die aan Gabriele d'Annunzio herinnert. Heel die omkadering is echter uit het geheugen gewist en Marinetti oogstte hetgeen hij gehoopt had: een mooi 'succès de scandate'. 

 

 

De machine is mooi 

 

Marinetti en zijn volgelingen krijgen de smaak te pakken, ze schrijven en publiceren het ene manifest na het andere, over alles en nog wat. Met hen waait een frisse opstandige wind door het kunstgebeuren van het begin van de twintigste eeuw. Ze gaan de wereld veroveren, de sterren, alles wordt opnieuw uitgevonden, tot de taal toe: futuristische teksten zijn simultaan, omdat de woorden vrijgemaakt zijn ('parole in libertà'). Als Balla of Marinetti brieven schrijven, dan slingeren de woorden inclusief klanknabootsingen over heel het blad; een lust voor het oog, een kwelling voor de postbode. De machine is overal aanwezig: zij drijft alles aan, geeft ons de kans om te vliegen, bezorgt het geluidenmateriaal voor de nieuwe muziek, de nieuwe architectuur zal machinaal zijn, geuren worden kunst, enz.

 

Er zit natuurlijk iets naïefs in die verheerlijking. Men kan erom glimlachen zoals men glimlacht om sciencefiction die enkele decennia oud is. Maar de oogst is zo rijk dat niet alles als oud nieuws te beschouwen is. Daarom het belang van een geheel zoals het in het Museum van Elsene wordt tentoongesteld: honderdvijftig werken geven een mooi overzicht dat spijtig genoeg niet het volledige verhaal vertelt. 

 

 

Een storend engagement

 

De samenstellers zijn zich hiervan bewust en proberen de oogkleppen die zij ons opzetten zo goed het kan te verantwoorden. 

 

Het gros van de werken die zij tonen stammen uit de 'grote' periode van het futurisme tussen 1909 en 1919. De beweging bleef nochtans actief tot op het einde van de Tweede Wereldoorlog, meer bepaald tot aan de dood van Marinetti. Al jaren lang bewoog deze zich in het zog van de fascistische partij. De aanhangers van Mussolini hadden bij het begin van de Eerste Wereldoorlog voor de deelname van Italië eraan geijverd; de futuristen waren uiteraard ook hevige 'interventionisten' en patriotten. Daarover hadden ze manifesten geschreven en waren in dezelfde betogingen opgepakt geweest. Marinetti had maar wat graag gezien dat zijn futurisme de staatskunst van het herboren Imperia zou geworden zijn. De officiële fotograaf van Mussolini was trouwens een futurist. Een vervelende erfenis, waarvan heel wat sporen overblijven. 

 

De internationale kunstgeschiedenis speelt het daarom veilig en laat het futurisme ophouden bij het begin van de Eerste Wereldoorlog. Dat zint de Italianen niet en daarin hebben zij gelijk, want er werden nog tal van interessante futuristische werken van het zuiverste water na 1914 geproduceerd. En zoals het blijkt zijn de Italianen enorm trots op het futuristisch erfgoed. Maar de datum 1919 lijkt ook niet goed te zitten, want op de tentoonstelling worden ook werken uit de jaren twintig getoond. Hoe dichter bij het einde van de jaren twintig, hoe sterker het fascistisch engagement, natuurlijk. En toch is dat de grote periode van de 'aeropittura', letterlijk de 'luchtvaartschilderkunst' die in de officiële kunstgeschiedenis zelfs niet vermeld wordt. De futuristen hebben een aantal werken met-duizelingwekkende perspectieven en schitterend koloriet rond dit thema geproduceerd. Pech natuurlijk dat de oorlog in Abessinië dan volop aan de gang is en dat in bepaalde werken de kokardes met de 'fasces' maar al te duidelijk zichtbaar zijn.  

 

In een boek uit die jaren met de titel II Voto in Italia heb ik schitterend werk gevonden van o.m. Prampolini, zuiver futuristisch, haast abstract en politiek niet verbrand. Het had dus gekund. Maar de samenstellers, die de realiteit van de goede banden tussen fascisten en futuristen niet loochenen, stellen dat er toen vooral minderwaardig werk werd geleverd. Goed dan maar. 

 

 

Een rijke oogst

 

Voor het overige is de oogst toch nog indrukwekkend, door de aanwezigheid van een aantal topwerken die blijven verrassen. De handen van de violist van Balla, de beelden van Boccioni (Ontwikkeling van een fles in de ruimte), de frisheid van Severini (wel één van de stichters van de beweging, maar ook één van de eerste om zijn eigen weg te gaan), Russolo als schilder, lang vóór hij zijn grollende en zuchtende muziekinstrumenten bouwde, de prachtige architectuurontwerpen van Sant'Elia en vooral een aantal bij ons minder bekende kunstenaars die de veelzijdigheid van het futuristisch idioom illustreren. Kleur en zwierigheid alom. 

 

Ook het vermelden waard: de aanwezigheid van Bocconi's Eenmalige vormen van de continuïteit in de ruimte dat een kordaat voortschrijdende figuur voorstelt. Het beeld is één van de ikonen van het futurisme en het staat afgebeeld op de muntstukjes van 20 Eurocent. 

 

 

De futuristen en de anderen 

 

De futuristen hadden geen last van overdreven nederigheid. Dat valt na te lezen in de catalogus. Zij zetten zich hooghartig tegen de andere kunstbewegingen af. Hun stelling was eenvoudig: zij waren beter dan alle anderen en meer extreem dan het futurisme kon eenvoudig niet. Het Italiaans symbolisme moet het ontgelden, een eenvoudig generatieconflict zou je dat kunnen noemen, Marinetti debuteerde trouwens als symbolist. De schilders hebben ook symbolistische of impressionistische roots waaruit zij zich moeten loswerken. 

 

Met de kubisten is het een ander paar mouwen. Die worden gesteund door dichtercriticus Guillaume Apollinaire. Toch aarzelen zij niet lang om hun bewondering voor de Fransen en voor Picasso te overwinnen en ook met Apollinaire in de clinch te gaan. 

 

Hun conclusie: het kubisme is een passieve ontleding van de realiteit terwijl het futurisme alles weergeeft, diverse simultaan uitgebeelde standpunten, in elkaar verweven vlakken, beweging, geluid, geuren, e tutti quanti. Wat hun houding t.o.v. de abstractie betreft, dat heeft Michel Seuphor destijds aan den lijve mogen ondervinden toen hij aan Marinetti het voorzitterschap aanbood van een internationaal congres voor moderne kunst dat hij in 1927 te Antwerpen wilde organiseren. Marinetti heeft bot geweigerd, omdat het congres niet de naam futuristisch droeg. Buiten het futurisme bestond immers geen moderne kunst! 

 

De bewonderende samenstellers van deze tentoonstelling volgen die redenering tot op zekere hoogte. In de catalogus stellen ze dat het futurisme de meest vooruitstrevende beweging van het eerste derde van de twintigste eeuw was en dat het allereerste abstract schilderij van een futurist was. We hebben echt niet het hart om hen hierin tegen te spreken. 

 

Rik Sauwen

 

Praktisch

IL FUTURISMO (1909-1919)

Museum van Elsene

Van Volsemstraat 71

1050 Brussel 

16/10/2003 tot 04/01/2004 

www.europalia.be 


 

Musea Apart - Het Renaat Braemhuis: "Liever een gastvrije woning dan een steriel museum"

 

 

Op de Koffie bij Jo Braeken in het Renaat Braemhuis.

 

 

Regen en wind 

 

Elke woensdag en zaterdagnamiddag verwelkomt Jo Braeken architectuurliefhebbers en andere nieuwsgierigen in het Renaat Braem Huis. Omdat hij het opmerkelijke pand, dat in 1958 aan het Boekenbergpark in Deurne werd opgetrokken, ook echt bewoont, komen het interieur en de tuin weer tot leven. Na de noodzakelijke restauratiewerken werden niet enkel de zetels, de tafels en de stoelen, die de vermaarde Antwerpse bouwmeester zorgvuldig had uitgekozen, op hun oorspronkelijke plaats teruggezet. Ook de vazen, de beeldjes en zelfs de matten bevinden zich op de voor hen bestemde plek. 

 

"Dit is het eerste naoorlogs beschermd monument," onthult onze gastheer. "De kinderloze architect schonk het na zijn dood aan de Vlaamse Gemeenschap. De regen en de wind hadden tijdens zijn verblijf in een verzorgingsinstelling echter veel schade aangericht. Het gebouw had trouwens al vier decennia zijn diensten bewezen zodat het langzaam in verval raakte. Herstellingswerken waren bijgevolg onvermijdelijk." 

 

 

Een bescheiden man 

 

Voor het opgeknapte huis werden uiteenlopende voorstellen geformuleerd. "We konden er bijvoorbeeld een kantoor van Monumenten en Landschappen in onderbrengen," zegt Jo Braeken. "Maar dat zou de binneninrichting teveel verstoord hebben. Plannen voor een volwaardig en permanent museum zijn gestrand op de dure werkingskosten. Wie garandeert bovendien dat er op lange termijn voldoende geïnteresseerden over de vloer zouden komen? De uitgestalde voorwerpen zouden dan een fetisjistisch karakter krijgen. En dat was zeker niet de bedoeling. Braem was een bescheiden man met sociale aspiraties. Het meest respectvol leek ons een intimistische woning. Vanuit die optiek was het immers in het tijdperk van het vooruitgangsdenken, zoals de 'fifties' werden genoemd, met liefde ontworpen."

 

Tijdens de bezoekuren filosoferen de gasten met de huidige bewoner-conservator over de wooncultuur: "Wie in een aangenaam huis vertoeft verhoogt zijn leefkwaliteit Al in het begin van zijn loopbaan hoopte Braem het comfort van de minderbegoeden te verbeteren door functionele woningen te bedenken. Vanaf de jaren vijftig ging zijn aandacht ook uit naar de sfeer en de geborgenheid. Betere woningen zouden bijdragen tot een betere wereld. Zijn missioneringdrang strekte zich uit tot alle bevolkingslagen." 

 

 

Huppelen met Bartok 

 

Terwijl hij koffie serveert, beschrijft Jo Braeken de opvallendste eigenschappen van het modelhuis: "De beschikbare ruimte wordt optimaal benut. De open structuur is niet alleen gunstig voor het daglicht. Braem schiep ook perspectivistische dieptes en geometrische volumes. Er is een perfect evenwicht tussen de verticale en de horizontale lijnen. Bovendien zijn er overal onverwachte hoekjes, trappen en deuren. Bezoekers kunnen de onderdelen van het huis slechts geleidelijk ontdekken. Tijdens hun avontuurlijk traject zullen zij geconfronteerd worden met de principes van de gulden snede." 

 

De architect vergeleek zijn woning indertijd met een ritmisch muziekstuk. Zelf luisterde hij naar Bela Bartok, Dimitri Sjostakovitch en Duke Ellington. Volgens ingewijden huppelde hij geregeld op hun plaatopnamen vrolijk rond. 

 

"Emoties waren voor hem minstens zo belangrijk als de vorm," herinnert Jo Braeken zich. "Daarin verschilde hij van extreme formalisten als Mies van der Rohe. De grote ramen en het terras van de woonkamer zorgen ervoor dat de bewoner maximaal geniet van het aangrenzende parklandschap en de blauwe of bewolkte lucht. De architectuur vloeit samen met de natuur. Het is hier ook nooit bloedheet of berenkoud. Dat werd op voorhand nauwgezet uitgedokterd. Luifels of kamerschermen blijken geheel overbodig. Zij zouden trouwens misstaan tussen de zuivere vormen. Na zonsondergang is het de met een ruwe wand geïsoleerde straatkant, die de bewoner naar zich toe zuigt. Daar kan hij bij de open haard moeiteloos mediteren of tot rust komen."  

 

 

Conservator-bewoner 

 

Renaat Braem trachtte steeds het praktische met het esthetische te combineren. Dat is duidelijk te merken in het werkatelier en de opslagruimtes, die zakelijker zijn ingericht dan de living. De beelden, die hij op latere leeftijd vervaardigde, kregen ook een vaste stek. Zij verwijzen naar de levenscyclus of de verhouding tussen de mens en de kosmos. Ook verzamelde hij etnische gebruiksvoorwerpen, die netjes geordend aan de achterwand van zijn werkkamer werden opgehangen. Zijn vrouw vergaarde op haar beurt de meest diverse stenen, die in een tussenruimte werden uitgestald. 

 

"Dagelijks ervaar ik de bijzondere kwaliteiten van dit huis, dat op mensenmaat werd ontworpen," bevestigt jo Braeken. "Omdat ik er mij helemaal in onderdompel kan ik er enthousiast over uitweiden. Wanneer ik de ruimtes gebruik, zoals ze zijn voorbestemd, is het hier aangenaam wonen. Als bovendien de vrienden en de kennissen van Renaat Braem mij toevertrouwen dat ze het hele interieur van vroeger herkennen, is mijn opzet als conservator- bewoner geslaagd." 

 

Ludo Dosogne

 


Praktisch

RENAAT BRAEM HUIS

Menegemlei 23

2100 Deurne (Antwerpen)

Bezoeken enkel onder begeleiding van een gids op woensdag en zaterdagvan 14.00 tot 15.30 uur

Telefonisch afspreken met Jo Braeken: 02/553.82.27 of 03/314.58.49 


 

Kunsttoer - Citytrip Oudenaarde en Ename

 


Wie uitgebreid wil kennismaken met de archeologische site van Ename en de ontelbare andere culturele en historische bezienswaardigheden van Oudenaarde en omgeving, kunnen wij de "Citytrip Oudenaarde" van Toerisme Oost-Vlaanderen aanbevelen. U overnacht in één van de charmante Oudenaardse hotels. In het prachtige, laatgotische stadhuis kunt u een unieke zilvercollectie bewonderen. Wereldberoemd is de verzameling Oudenaardse wandtapijten, de befaamde "verdures". In het huis De Lalaing werkt een vermaard team van specialisten aan de restauratie van de wandtapijten. Oudenaarde is ook de schuimende bierstad van Oost-Vlaanderen. Anderhalve eeuw geleden waren er nog een dozijn brouwerijen actief. Daarvan zijn er nu nog vier over: Clarysse, Cnudde, Liefmans en Roman. Zij zetten de eeuwenoude traditie van de "Oudenaardse Bruinen" in alle (h)eerlijkheid voort. 

 

Het Centrum Ronde van Vlaanderen is meer dan een museum van de nieuwste generatie. Het opende begin dit jaar zijn deuren en dompelt de bezoekers onder in de sfeer van "Vlaanderens Mooiste" wielerklassieker. De rondgang door het museum is opgevat als een persoonlijke belevingvan een dag Ronde van Vlaanderen. Elke bezoeker kruipt zelf in de huid van een wielerkampioen. 

 

Deze citytrip kunt u boeken bij:

Toerisme Oost-Vlaanderen

Dienst Incoming

Woodrow Wilsonplein 3

9000 Gent

Tel. 09-267 71 13

Fax 09-267 71 98

e-mail: tov.incoming@oost-vlaanderen.be

www.tov.be


 

Het Ename 974-project

Waar de toekomst het verleden ontmoet

 

 

In Ename vertellen het bos, het museum, de kerk en het archeologisch park samen één verhaal: een verhaal van duizend jaar leven op een plek die bij haar intrede in de geschiedenis eventjes hoge internationale ogen gooide. Ename verdedigde van 974 tot 1050 de belangen van de Ottoonse keizers. Daarna kwamen de benedictijnen monniken, die hier meer dan zeven eeuwen hun leven van metten, nonen en vespers leidden. Tot de Franse Revolutie de monniken verjoeg en de abdij met de grond gelijk werd gemaakt. De hamers van de negentiende-eeuwse slopers effenden door hun afbraakwerk het terrein voor de archeologen van vandaag. 

 

Het stille groene dorp Ename aan de oevers van de Schelde heeft onverwacht veel te vertellen. Een herkenbaar, menselijk verhaal dat toch verrast, een lokale geschiedenis met universele ambities. Wie wil meereizen door de tijd, ontdekt hier een verleden dat dankzij de modernste technologieën de hand reikt aan de toekomst. In Ename, een ogenschijnlijk stil, groen dorp aan de mooie zoom van de Vlaamse Ardennen. 

 

 

Provinciaal Museum t'Ename - Uit het leven gegrepen

 

In het Provinciaal Museum 't Ename stapt u binnen in duizend jaar geschiedenis. Het verhaal, een mengeling van emoties en informatie, is herkenbaar én vreemd. Het museum laat je deelnemen aan het dagelijks leven van heren en knechten, abten en lekenbroeders, gravinnen en archeologen. Zij zitten samen aan de gastvrije 'Feestdis van duizend Jaar' en vertellen de bezoeker honderduit over hun leven. Live en op verzoek van de toeschouwer.  

 

Maar er is nog meer. Het museum herbergt een schat aan recente archeologische vondsten en virtuele realiteit, authentieke objecten en schitterende levensechte poppen, tot leven gebracht door beroepsacteurs en filmbeelden. Bezoekers kunnen zelf experimentele archeologie beoefenen. "Verboden niet aan te raken", luidt het in Ename. Dit alles met het grootste respect voor wat de wetenschap vertelt. 

 

Het museum opende in september 1998 de deuren. Het bevindt zich op de historische dries van Ename, in een trotse negentiendeeeuwse herenwoning met een tuin die als beeldentuin is heringericht. 

 

 

Sint-Laurentiuskerk - Byzantium in Ename 

 

De Sint-Laurentiuskerk is het enige gebouw uit het 10de-eeuwse verleden van Ename dat overeind bleef. Slechts weinig vroeg-Romaanse kerken zijn in onze streken zo gaaf bewaard. Maar hier is er meer aan de hand: dit is een keizerlijke kerk, die het prestige en de macht van haar bouwheer aan de rijksgrens bevestigt. In 1992 werd een merkwaardige vroeg 11de-eeuwse muurschildering blootgelegd, gemaakt in pure Byzantijnse stijl. 

 

De Sint-Laurentiuskerk staat naast het museum en dorpsplein. Ze domineert het beeld van Ename. 

 

 

Het Provinciaal Archeologisch Park - Monnikenwerk 

 

Op de rechteroever van de Schelde laat de Duitse keizer in Ename rond 974 een verdedigingspost bouwen. Aan de overzijde van de rivier lonken de Franse koning en zijn vazal, de graaf van Vlaanderen, immers naar dit gebied. In het spoor van de soldaten ontwikkelt zich een handelsnederzetting. Die evolutie wordt brutaal afgebroken als de graaf van Vlaanderen Ename in 1050 in handen krijgt en er op de ruïnes een benedictijnenabdij vestigt, om de rust te herstellen. De abdij zal meer dan 750 jaar het leven in Ename bepalen, tot de Franse revolutionairen haar afschaffen en de abdij een steengroeve wordt. 

 

Nu voeren de archeologen op dit uitgestrekte terrein hun monnikenwerk uit. De grondvesten van de abdij en het oude havenstadje zijn blootgelegd. Dankzij het multimediale tijdvenster komt het labyrint van oude stenen tot leven. Bezoekers wandelen virtueel en met deskundige uitleg door de oude gebouwen. 

 

 

Het Bos t'Ename - Enames groene geheugen 

 

Op de valleiwand van de Schelde strekt zich ten zuiden van de dorpskern het bosgebied uit. Dat is langs het huidige wegtraject, van oudsher verbonden met het dorp en de abdij: bronnen zorgden voor drinkwater en bomen voor brandhout, akkers en weiden boden voedsel aan mens en dier. Wat het Bos t'Ename zo uniek maakt, is de combinatie van zijn ecologische rijkdom met de talrijke zichtbare sporen van een eeuwenlange menselijke bedrijvigheid. 

 

Van uit het museum leidt de gekasseide Kattenberg naar het Bos t'Ename. Het bewegwijzerde Mariette Tielemanspad, dat genoemd is naar een belangrijke schenkster, ontsluit aan de hand van aantrekkelijke paneelteksten de natuurwetenschappelijke waarde en de historische achtergrond van het gebied. 


PRAKTISCH

PAM - Provinciaal Archeologisch Museum Ename

 

Lijnwaadmarkt 20

9700 Ename

+32 (0)55 30 90 40

+32 (0)55 30 99 01

museum@ename974.org

www.pam-ov.be

 

Provinciaal Erfgoedcentrum

Lotharingenstraat 1

9700 Ename

+32 (0)55 30 90 40

+32 (0)55 30 99 01

museum@ename974.org

www.oost-vlaanderen.be