U bent hier

OKV plus 2001.2

OKV plus 2001.2
 
Recht op antwoord: van de gewezen schepen aan de conservator-arbeider 
In OKV-plus 2001/1, gepubliceerd begin februari 2001, verscheen op pagina 7 een artikel van Paul De Moor, een artikel dat de weerslag is van een gesprek met Staf Thomas, conservator van het stedelijk museum Het Toreke in Tienen. 
In dit artikel doet Staf Thomas, die daarin het epitheton conser­vator-arbeider kreeg, zijn relaas o.m. over zijn verhouding met Tienen, zijn conservatorschap en over de realisatie van Het Toreke en het aankomende Suikermuseum. Een en ander is niet in goede aarde gevallen bij Jean Defau, t.e.m. 31 december 2000 schepen voor cultuur van de Stad Tienen. OKV-plus wil geen platform bieden aan een lokale politieke arena, maar Jean Defau heeft ook het recht om zijn blazoen te schonen. 
Daarom beperken wij ons tot de gewraakte passages en het weder­woord daarop van gewezen schepen Jean Defau. 
 
Staf Thomas: " ... We groeiden. We verwierven naam en faam. Er was enthousiasme. Inzet. To t een nieuw bestuur en een nieuwe schepen van cultuur het stadhuis betrokken. De gloednieuwe schepen begreep er geen snars van. Tentoonstellingen van actuele kunste­naars werden bevroren. Initiatieven met expansie naar buiten Tienen werden teruggesnoeid . ... " 
Jean Defau: "... Bij mijn aantreden als schepen van cultuur werd ik gecon­fronteerd met begrotingsperikelen. Ten gevolge hiervan diende fors bespaard te worden. Wanneer de heer Thomas stelt dat zijn initia­tieven teruggesnoeid werden, vind ik dat op zijn minst oneerlijk. Op het ogenblik dat er opnieuw budgettaire ruimte was, hebben we ervoor gezorgd dat er duidelijke fundamenten voor de toekomst gelegd werden .. .. " 
 
Staf Thomas: " ... De toekomst dient zich mooi aan ( .. .) Na twee koude mandaten, is er een begripvolle schepen .. .. " 
Jean Defau: " ... wat de zogenaamde koude mandaten betreft, wil ik met enkele feiten duidelijk maken dat we niet hebben stilgezeten. Ik schrijf uitdrukkelijk 'we' omdat dit zeker niet alleen de verdienste is van de heer Thomas, maar van de hele dienst cultuur; van de gemeenteraad en van mezelf. Een ambtenaar is nog geen schepen en om projecten te realiseren, heeft men voorzeker een politicus nodig. (. . .) Ik wens te beklemtonen dat het merendeel van deze dossiers haast steeds unaniem door de gemeenteraad goedgekeurd werd ... " 
De bedoelde projecten zijn: Het Hagelands Historisch Documenta­tiecentrum (1992), de nieuwe bibliotheek (1993), de uitbreiding van Het Toreke (gestart in 1997), start van de archeologische opgra­vingen (1997), het Suikermuseum (eerste steen 21/05/2000). 
 
Jean Defau i.v.m. het Suikermuseum: 
"... De financiering en de borgstelling (i.v. m. de inrichting) werden nog in de loop van de laatste week van mijn ambtsperiode door de gemeenteraad goedgekeurd .. .. " 
Jean Defau was toen voorzitter van de Raad van beheer van het Suikermuseum. 
 
Strijdbijlen zijn er om begraven te worden. 
RUDY VERCRUYSSE, DIRECTEUR 
___________________________
JONG !         Kris Dewitte en jong acteertalent in Vlaanderen . 
Kris Dewitte (º1967) is bezeten door zowel film als fotografie. Hij trekt al jaren naar diverse filmfestivals in Europa om er filmmakers, acteurs en actrices te fotograferen. Dichter bij huis bezoekt hij de sets van Belgische en Nederlandse films om er beklijvende beelden te schieten.
 
"Oorspronkelijk ben ik van opleiding grafisch vormgever. 't Is pas toen ik dat werk al enige tijd deed, dat ik overwoog om fotograaf te worden. Als ik er nu op terugblik, denk ik dat ik al die jaren eigenlijk al een fotograaf in mijn gedachten was. " 
"Van kindsbeen af was ik gefascineerd door de filmwereld. In dat opzicht is de fotografie voor mij een uitstekend middel geweest om op filmsets te komen. Toen ik in mijn eerste jaar Sint-Lucas zat. ben ik zelfs met een vriend naar Cannes getrokken: gewoon op de trein gestapt om het avontuur mee te maken. Sindsdien ben ik er elk jaar terug geweest. In 2000 was ik er voor de dertiende keer. " 
.,Die eerste jaren in Cannes kon je acteurs en regisseurs nog makke­lijk in een café of op straat tegenkomen en hen vragen of ze voor je wilden poseren. Veel langer dan vijf minuten kreeg je dan wel niet van zo'n Jane Birkin, maar ik was al tevreden met die buit. Een paar jaar heb ik dat vrije initiatief in Cannes gecombineerd met reporta­gewerk voor het weekblad Panorama. En ook voor de krant De Morgen heb ik er foto's gemaakt. Alleen werd me al gauw duidelijk dat ik in Cannes veel meer voldoening haalde uit de eigen afspraken. Daarom ben ik daar resoluut helemaal die weg inge­slagen. De werkomstandigheden tijdens het Filmfestival zijn nu moeilijker dan vroeger; maar daartegenover staat dan weer dat ik intussen op meer ervaring kan terugvallen. " 
'"t Zijn overigens niet altijd de grootste namen die je de boeiendste sensaties opleveren. In Cannes heb ik eens een hele tijd kunnen doorbrengen op de kamer van Hilde Van Mieghem, die ik al langer wilde fotograferen. Wel, dat was voor mij van een grote magie. Om je maar te zeggen: voor magie hoef ik niet per se Bruce Willis voor mijn lens te krijgen. " 
 
In de tentoonstelling Jong in De Brakke Grond in Amsterdam (9 februari tot 11 maart 2001). waartoe Franz Marijnen (gewezen intendant van De Bottelarij/KVS) mee de aanzet gaf, toonde Kris Dewitte foto's van jong Belgisch acteertalent. Nu is deze tentoon­stelling achtereenvolgens nog te zien in HetPaleis (Antwerpen, 16 maart tot 29 april), De Bottelarij (Brussel, 11 mei tot 16 juni) en Theater aan Zee (Oostende, juli/augustus). Gelijktijdig verschijnt ook een fotoboek over dit onderwerp bij de uitgeverij Foto Art. 
 
"Theaterdirecteur Franz Marijnen zag mijn foto's die gebundeld zijn in 'Facts of Emotions', bleek daardoor gecharmeerd en liet me weten dat ik een project mocht doen binnen zijn Bottelarij in Brussel. In de keuze van mijn onderwerp liet hij me volledig vrij. Zo is de tentoon­stelling 'Jong' ontstaan. Ik wilde een subjectief overzicht brengen van het nieuwe acteertalent in Vlaanderen. De leeftijdsgrens legde ik daarbij op 30 jaar. Wat me meteen opviel, was dat die jonge acteurs en actrices zo enthousiast reageerden toen ik een beroep deed op hun medewerking. Ze waren duidelijk blij met de aandacht die ze kregen.
"Het grote verschil met de foto's die ik in Cannes maak, is dat ik nu meer tijd had om deze jonge mensen te leren kennen. Al is het nooit mijn bedoeling om een grote kameraadschappelijke sfeer te creëren. Ik vind: er moet altijd een zekere afstand blijven bestaan tussen de fotograaf en degene die hij fotografeert. Maar ik probeer de persoon wel zo goed mogelijk te doorgronden. Misschien klinkt het pretentieus, maar ik denk dat ik na al die jaren vrij vlug kan inschatten hoe iemand is. Ik doe zelf suggesties en kijk of iemand zich in mijn voorstel kan inleven. Wat ik zeker wil vermijden, is dat ik hem/haar forceer, want dat heeft geen enkele zin. Het blijft elke keer weer een kwestie van vertrouwen winnen. Bij mensen die ik ga fotograferen, let ik op hun manier van spreken, kijk naar de manier waarop ze met hun handen bewegen, stel een aantal vragen en zie hoe ze daarop reageren. Soms ben ik heel direct in mijn vragen, andere keren weer niet. Nogmaals: ik verwacht geen grote kameraadschappelijke sfeer, maar er moet natuurlijk wel een goeie verstandhouding zijn. De fotosessie met Sara Debosschere bijvoorbeeld was ideaal: toen ik binnenstapte in de repetitieruimte van 'De Tijd' , zag ik het beeld meteen voor me, ze begreep me met een half woord en ging daar volledig in mee. In het geval van Nathalie Broods daarentegen heb ik maar liefst drie sessies gedaan. Dat lag vooral aan mij: mijn bewondering voor haar zorgde ervoor dat ik tijdens het werken niet vrij van gêne was."
"Vroeger was ik heel verlegen. Ik ben die verlegenheid nog altijd niet helemaal kwijt, maar het is al fel verbeterd. Hoe meer ik er over nadenk, hoe meer ik tot de conclusie kom dat het fotograferen voor mij een mooie gelegenheid is geweest om mijn verlegenheid te doorbreken. Fotografie is ambivalent. Enerzijds heeft het een sociaal aspect: je gaat om met mensen. En anderzijds behoudt het iets eenzaterigs: het werk in de donkere kamer. 'tIs een combinatie die perfect met mijn temperament overeenstemt."
MICHEL PEETERS
 
FOTO'S(alle foto's©Kris Dewitte) :  - IDES MEIRE  
                                                       - SILVIA CLAES 
                                                        - INGE PAULUSSEN & STEFAN PERCEVAL  
------------------------------------------
This  is  NOT a  freak  show.
Beelden die beklijven ... Die  bijblijven.

Eenentwintig internationaal gerenommeerde fotografen kijken  in 'Ontbrekende beelden' op een nieuwe manier naar mensen met een handicap. De foto's op de tentoonstelling staan haaks op de hardnekkige clichévoorstellingen. Individualiteit en waardigheid zijn sleutelwoorden.

De kernidee van  de tentoonstelling was  de  fotografen op verschil­lende  manieren te laten werken. De tentoongestelde foto's zijn overwegend speciaal  voor dit project gemaakt. Naast mode-, beauty-, en  lifestylefotografen benaderen fotojournalisten en kunstenaars elk op een  eigen manier het thema. Sommige foto­grafen maken hun  beelden vanuit  hun eigen  ervaring als persoon met een handicap.

Opvallend zijn de vele verschillende invalshoeken van waaruit dit onderwerp benaderd wordt. Van koele observatie tot warme betrokkenheid. Maar altijd fascinerend en respectvol.

Rasso Bruckert  toont een  reeks  academische foto's in zwart-wit. Op het eerste gezicht niets aparts, ware het niet dat de  modellen een, al dan niet zware,  lichamelijke handicap hebben. Anton Corbijn werkte samen met Station 17, een  collectief van gehandicapte en  niet-gehandicapte muzikanten. Uitgangspunt was de  film 'Reservoir Dogs'.  Die sfeer wilde Corbijn ook in deze foto's. Een sfeer van  dreiging  en clangeest. Met  een  opmerkelijk resultaat.

Heel anders is de  benadering van  Hans Hansen. Zijn 'Hilfsmittel' werken bevreemdend. Hij koos om  de hulpmiddelen in beeld te brengen, de apparaten die nodig  zijn om lichamelijk gehandicapten meer levenscomfort te bieden. We  zien allerlei voorwerpen, waarvan de functie niet meegedeeld wordt. Stille getuigen zijn het, elk met hun eigen  verhaal, maar  ze vertellen het niet. En willen we het eigenlijk wel  horen?

Eén van de  meest aangrijpende foto's  is 'Das Gebet' van  Gottfried Helnwein. Een jongen, geknield  voor zijn bed  met Donald  Duck, zwevend, als in een  visioen, voor hem.  Surrealistisch en  bizar. Kniel en bidt, vouw die handen, zelfs al zijn het prothesen ...

In '3 feet high and  rising' worden we even meegenomen in de leef­wereld van  Semiray, een  dwergvrouwtje. We  zien  haar  te midden haar vrienden, op het strand,  in bikini en op straat. De eerste emotie is er een  van medelijden. Maar waarom, vraagt Daniel Josefsohn zich af? Wie  is eigenlijk de  'freak', hij die gelukkig is of hij die onge­lukkig is in iemand  anders plaats?

De Engelse fotograaf Nick Knight wijzigt  sterk ons kijken naar mensen met een  handicap. Hij fotografeert hen als topmodellen en trekt daarmee de aandacht. Het is de  bedoeling vastgeroeste visies over mensen met een  handicap te veranderen. De tentoonstelling toont een wereld die niet vrij is van tegenstrijdigheden. Ze komt daardoor tegemoet aan de vraag van mensen met een handicap om als 'gewone' mensen gezien en geaccepteerd te worden.

Kan je het eigenlijk merken, het verschil tussen mindervaliden  en anderen? Neen dus, en dat laten Olaf Martens en  Falk Schultze­-Motel ons duidelijk zien. Een groepje leerlingen  bezocht een inrich­ting  voor lichamelijke  gehandicapte jongeren. Ze worden heel speels in beeld gebracht, ondersteboven hangend in de  bomen. Waaruit blijkt dat het vaak de externe kenmerken zijn, zoals het rolwagentje, waardoor deze mensen als 'anders'  ervaren worden.

Verschrikkelijk mooi en ontroerend zijn de foto's van André Rival. Al nam hij ze dan  niet zelf. Hij besloot zijn camera aan  een bevriend model uit te lenen, die een  zevenjarig zoontje heeft met het Syndroom van  Down. Zij nam  tijdens een vakantie hele  mooie en ontspannen foto's waaruit vooral  levensvreugde blijkt. Het zouden vakantiefoto's van  ieder van  ons  kunnen zijn, van elk willekeurig kind. En natuurlijk zijn ze  heel spontaan. Er was  geen buiten­staander bij betrokken, alleen  mensen waar het kind zich goed en geborgen bij voelde.

Marily Stroux heeft één  van  de meest sprekende bijdragen geleverd. We  zien een  lachend,  blind meisje met in haar  handen een  klein bordje, met daarop de woorden:' lch sehe, das ich glücklich bin'.

Nu wij nog.

MICHEL PEETERS

 Praktische informatie: nog tot 1 juli 2001, Museum Dr.Guislain, J.Guislainstraat 43, 9000 Gent.

Foto's: -  OLAF SCHOLTE," VOYAGE   SUR   LA  MER" 2000

            - ANTON COORBIJN, " STATION  17" 2000

            -  GOTTFRIED HELNWEIN, " DAS GEBET" 2000

____________________________

 Over  adelaars  en  eierschalen

Marcel  Broodthaers (1924-1 976) wordt beschouwd als de meest invloedrijke Belgische kunstenaar van de tweede helft van de twintigste eeuw. Ook  vanuit het buitenland heeft hij erkenning gekregen. Getuige hiervan zijn de grote tentoonstellingsprojecten die het afgelopen decennium door toonaangevende buitenlandse musea werden georganiseerd (Minneapolis, Los Angeles, Madrid, Parijs, Barcelona, Düsseldorf, Berlijn ... ).

De verwachtingen voor deze expositie zijn hooggespannen, want in feite kan je spreken over een  'home-coming' van deze kunstenaar. Het  begin is alleszins zeer uitnodigend:  bovenaan de  monumentale trap, geflankeerd door palmbomen, toont een  filmprojectie ons een rokende, zelfverzekerde Broodthaers. Het  is alsof de gastheer ons opwacht.

Als kunstenaar kan je hem  niet zomaar catalogeren, daarvoor nam zijn werk teveel verschillende vormen aan: hij maakte objecten met eierschalen, mosselschelpen of steenkool,  maakte foto's en films, maar  was  daarnaast ook  actief als organisator van tentoonstel­lingen, 'happenings' en openbare debatten, schreef gedichten en open brieven,  publiceerde boeken, enz.

Vergeten we niet  dat hij als dichter is begonnen. Zelf begreep hij aanvankelijk niet waarom hij meer succes had als beeldend kunste­naar dan als schrijver/dichter. Getuige van  zijn overstap is het werk 'Pense-Bête' (1964),  dat we in het begin van  de tentoonstelling zien, waar een pak van 50 exemplaren van zijn gelijknamige dichtbundel werd in gepleisterd. De bezoeker wordt het onmogelijk gemaakt om het boek te lezen zonder het plastisch aspect te vernietigen.

Broodthaers hield er een  heel eigen visie op na betreffende musea. Zo richtte hij in zijn huis een eigen museum in: 'Musée  d'Art Moderne, Département des  Aigles' dat aanvankelijk uitsluitend bestond uit een aantal  lege transportkisten  en postkaarten. Hiermee  bekritiseerde  hij de musea; niet alleen hun toestand maar ook hun structuur. Dit fictieve museum wordt de spil van waaruit hij bijeenkomsten gaat organiseren, brieven schrijven, boeken publi­ceren, enz.  De volgende jaren opent hij in verschillende tentoonstel­lingen telkens nieuwe afdelingen, zoals in 1972 in Düsseldorf waar het Musée d'Art Moderne des Aigles - section des figures - ons een 300-tal uiteenlopende beelden van arenden toonde.

Deze installatie werd nu in de tentoonstelling gereconstrueerd. Jammer genoeg wordt het voor de  bezoeker niet duidelijk wat nu juist Broodthaers' visie was omtrent het ideale  museum want buiten een getoonde filmopname (louter Franstalig  en niet ondertiteld) van de  RTBF waarop de  kunstenaar zijn ideeën verduidelijkt,  komen we hier niets meer te weten.

'Un Jardin d'hiver' is met zijn houten stoeltjes, palmiers en gravures van  exotische dieren als een  oase in het museum. Het  lawaai  van een 'echte' papegaai versterkt nog  dit gevoel. Deze  installatie werd voor het eerst getoond in 1974 als onderdeel van  een  groepsten­toonstelling in het PSK. Het was  ook voor deze gelegenheid dat de kunstenaar  met een uit de Zoo van  Antwerpen geleende kameel het museum binnenstapte.

 Broodthaers' passie voor film- en diabeelden, krijgt  ook  de  nodige aandacht (ABC ABC lmages -1974). Voor  hem was dit de  ideale manier om tot een verhalende poëtische structuur te komen waarin teksten, beelden en objecten met elkaar  geassocieerd werden. Dankzij dit medium  kon  hij als het ware zijn dichterschap combi­neren met de beeldende kunsten. Of hoe  de grenzen tussen verschillende artistieke disciplines kunnen vervagen.

Ook al heeft hij om  de  brode de overstap gemaakt van  literatuur naar  beeldende kunst,  toch is de  liefde  voor het woord, de poëzie onmiskenbaar aanwezig in heel  zijn oeuvre. Zowel  in zijn eerste werken uit 1964 als in de  werken die  hij de  laatste jaren  van  zijn leven  heeft gemaakt. 'La Salle Blanche' (1975), een  houten recon­structie van  zijn woonkamer, kunnen zo ook  beschouwd worden als monumentale afsluiter van  deze retrospectieve.

De tentoonstellingsmakers zijn er ongetwijfeld in geslaagd om  aan de  hand van een  ruime selectie objecten, foto's,  installaties, films en documenten, het meest volledige en afwisselende overzicht van  Broodthaers' uitzonderlijke ceuvre te belichten.

Maar toch roept het geheel een dubbel  gevoel op: enerzijds besef je dat er een  uniek aantal  kunstwerken  is bijeengebracht, anderzijds heb je het onbehagelijke gevoel dat je het getoonde niet kan vatten en herval je  in clichés van  "is dit  nu  kunst? ".

Of je loopt er uren rond  in opperste verrukking van alles wat is bijeengebracht of je staat al na een  kwartier verweesd buiten. Broodthaers is een  fenomeen, daar valt  niet aan te twijfelen. Jammer genoeg is er te weinig  aandacht besteed om  de  leken, de twijfelaars onder ons over de streep te trekken.

De enige  toelichting  die je op weg kan helpen is de folder die je aan  de kassa krijgt. Waarschijnlijk is dit een bewuste keuze, maar naar  het grote publiek toe misschien toch niet de juiste.

Maar  ja, uiteindelijk streefde Broodthaers er ook steeds naar  om, bij zijn museum-installaties,  de vooropgezette verwachtingen waarmee de  bezoeker naar  een  kunstwerk keek,  op de proef te stellen en te verstoren. In deze zin is de tentoonstelling volledig geslaagd.

Maar  leg dat maar  eens uit aan  de  bezoeker.

CARL VAN  DE GENACHTE

AFBEELDINGEN: - MARCEL BROODTHAERS: FéMUR  D'HOMME  BELGE, 1964- 1965,COLL. SYLVIO PERLSTEIN, ANTWERPEN SABAM  ©BELGIUM  2001

                          - MARCEL BROODTHAERS: A  SUIVRE,  1967, VERZAMELING  PHILIPPE DE GOBERT, FOTO: PHILlIPPE  DE  GOBERT,© SABAM  BELGIUM  2001

                          - MARCEL BROODTHAERS MET  KAMEEL, PALEIS VOOR  SCHONE KUNSTEN BRUSSEl, 1974,© FOTO: YVES  GEVAERT, ©SABAM  BELGIUM  2001

nog tot 10 jun i 2001, Paleis voor Schone Kunsten, Ravensteinstraat 23, 1000 Brussel

____________________________

Mode  2001   Landed- Geland

Antwerpen wordt meer en  meer een modemetropool bij uitstek. MODE 2001 LANDED-GELAND zal dat gedurende enkele maanden extra in de verf zetten. Vanaf de herfst 2001 neemt de nieuwe Mode natie, in het hartje van de modebuurt, de fakkel over.

MUTlLATE?-VERMINK?

Mode vormt het vertrekpunt voor deze eigenzinnige tentoonstel­ling, en hierbij zoekt ze raakpunten op zowel historisch, etnisch als esthetisch vlak.

Vanuit deze verschillende invalshoeken vormt Mutilate?-Vermink? een  overzicht van  de diverse wijzen waarop de mens  doorheen de geschiedenis en verspreid over de wereld omgaat met extreme, bizarre, waanzinnige  en opmerkelijke vormen van mode, lichaamsversiering en  lichaamsmodulatie. De tentoonstelling toont hoe  de  mens  steeds opnieuw, veelal omwille van sociale, religieuze en  maatschappelijke beweegredenen , zijn natuurlijk  uiterlijk aanpast. Hierbij krijgt  men  deels een  zicht  op  de westerse modege­schiedenis waarbij men aandacht heeft voor bijvoorbeeld de  18de­ eeuwse crinolines maar  ook voor meer recente mode-expressies als bodypainting en andere westerse lichaamsculturen.  Daarnaast zal de tentoonstelling ook  focussen op etnografische en  antropologi­sche  items  als schedelvervormingen, scarficatie, lotusvoeten en  andere vormen van  lichaamsculturen.

 EMOTIONS- EMOTIES

Emoties vormen veelal de voedingsbodem voor de creaties van tal van ontwerpers en kunstenaars. Ook zijn ze het resultaat van opmerkelijke gebeurtenissen,  ervaringen en confrontaties bij ieder van ons. Vanuit  die gedachte werd aan  honderden autoriteiten uit de internationale mode-, kunst-  en  designwereld gevraagd wat hun meest intense emotie is op het vlak van mode of kleding.

Deze  korte persoonlijke verhalen, opgenomen op video,  tonen door hun  hoeveelheid, originaliteit en spontaneïteit aan  dat mode en kledingkeuze bij elk van ons een aparte plaats innemen. Het is onlosmakelijk verbonden met wie we zijn. Deze  videogetuigenissen, waarvan enkele geïnterpreteerd werden door cineasten in aparte filmpjes, krijgen  onderdak op de bovenste verdieping van  de  politietoren aan  de Oudaan. De oorspronkelijke turnzaal zal nu dienst doen als lounge,  waar de  bezoeker wordt overspoeld door diverse mooie, bizarre en sprekende mode­-emoties. Daarnaast krijgt de tentoonstellingsbezoeker de gelegen­heid te genieten van een  panoramisch zicht  over de stad met kleur­vlakken.

2WOMEN-2VROUWEN

Begin twintigste eeuw strijdt Gabrielle 'Coco'  Chanel voor een nieuwe vrouwelijkheid: ze gebruikt stoffen uit de herenmode, verlost de vrouw van  het korset en  promoot bewegingsvrijheid voor de hedendaagse vrouw. Ze laat  zich in met schrijvers en dansers van haar tijd en staat voor modernisme tout court. Met  haar  mode shoc­keert Chanel de  goegemeente, maar  dat sterkt haar  alleen maar  in haar  wil om zichzelf voortdurend opnieuw uit te vinden. La petite robe noire, de damestailleur in jersey, de tas  in doorstikt  leder... Vandaag zijn het Chanel-iconen, maar  in haar tijd waren het één voor één  resultaten van een  gedurfde zoektocht naar  nieuwer, naar hedendaagser.

In de jaren 1980 duikt een Japanse vrouw op  in Parijs. Met  haar merk Comme des Garçons zet Rei Kawakubo haar visie op vrouwe­lijkheid neer. Ze twijfelt aan  bestaande modecodes. Speelt met patronen, haalt ze uiteen, zet ze opnieuw in elkaar. Vrouwen- of mannenmode ... ze verlegt hierin grenzen en knipt letterlijk alle bestaande conventies terzake stuk.

Aan het project 2Women verleent Rei Kawakubo haar  persoonlijke medewerking. Het wordt dan ook reikhalzend  uitkijken  naar  de 'momenten' waarop deze belangrijke  mode-dame opnieuw haar stempel zal drukken op  het ganse modegebeuren, en deze keer speciaal in Antwerpen.

Data en locaties van Kawabuko-happenings worden ten gepaste tijde  meegedeeld.

RADICALS-RADICALEN

Radicals is een  tentoonstelling in open lucht aan de Scheldeoevers (Sloepenweg). 20 metershoge publiciteitsborden met 3-zijdige roterende panelen zijn in een cirkel opgesteld.

Elk bord toont 3 fotografische modestatements van éénzelfde ontwerper. Eén van de drie radicale en visueel sterke beelden is speciaal voor deze tentoonstelling gemaakt.  De beelden geven geen evidente benadering van het thema mode weer, maar  zijn gevisualiseerde modestatements die een visie, persoonlijkheid en artisticiteit verraden.

Deze tentoonstelling krijgt een extra dimensie door zijn inplanting op  't Eilandje,  een nu nog  desolate havenbuurt die volop aan  een inhaalbeweging begonnen is .

 AFBEELDINGEN: -OLIVERA CAPARA, "SHOW",ANTWERPEN,©ETIENNE TORDOIR/FFI

                           - RADICALS, © RONALD STOOP

                           - MAKERE-WOMEN, 1949,© ETNOGRAFISCH MUSEUM

                           - EMOTIONS/VIDEO-STILLS,© AO/FFI

___________________________________

Boten  met  een  blauw  schildje?

Op 24 maart 2001 organiseerde de VCM (Vlaamse Contactcommissie Monumentenzorg) een 8ste ontmoetingsdag over 'Varend erfgoed'.

De dag nadien zette kracht bij met een Scheldetocht van Antwerpen naar Baasrode (en terug).

De VCM is een  contactforum voor meer dan 130 verenigingen die actief zijn in de  erfgoedzorg. Aandachtspunten zijn niet  alleen gebouwen,  maar ook roerend erfgoed,  landschapszorg, ...

Vorige studiedagen waren gewijd aan ruraal  erfgoed (boerderijen), funerair erfgoed (kerkhoven), religieus roerend erfgoed, ... ; dit jaar volgen nog: begijnhoven, milieu  landschap en cultuurgeschiedenis.

Maar op 24 en 25 maart ging het om varend erfgoed: schepen, scheepswerven, scheepshellingen, scheepvaartmusea, ... Scheepvaart, en vooral de binnenscheepvaart, is jarenlang één van de peilers geweest van de Belgische, zo  u wil: Vlaamse  economie. Zorg  voor varend erfgoed, het gaat om (industriële)  archeologie of industrieel erfgoed, het gaat om  sociale geschiedenis, het gaat om nostalgie, het gaat om  enthousiasme en volharding van te weinig mensen, het gaat om veel geld,  het gaat om veel goede wil van  de enen en veel onbegrip van de anderen ... het gaat vooral niet erg goed.

Een verkenningsronde.

Céphéé, Mercator, Breydel....

Veel oude schepen zijn er niet bewaard gebleven omdat schippers een slooppremie kregen uitbetaald die voor het dagelijks brood interessanter was dan dure herstelwerkzaamheden aan hun (te) oud schip. De restauratie van de overgebleven schepen kost handenvol geld, ambachtslui die de oude technieken meester zijn, worden schaars, de infrastructuur voor restauratie en onderhoud wordt zeldzaam, de exploitatiemogelijkheden naar het publiek toe zijn beperkt, dit Vlaamse publiek is niet zo 'bootjes-minded' als de Hollandse noorderburen, de wetgeving op gerestaureerde en varende schepen is onvoldoende duidelijk, het in de vaart houden van een schip is varen met de portemonnee open....

En zo komt het dat de 'Céphéé', een houten binnenschip (walenschip) ondanks haar status van 'monument' bij gebrek aan geld en werkkrachten ligt te verkrotten op het Maritiem Park van het Antwerpse Scheepvaartmuseum. En zo komt het dat Antwerpens trots de barkentijn en gewezen schoolschip van de koopvaardij 'Mercator', tevens sinds 1996 een  boot  'met een  blauw  schildje', beschermd dus en  bovendien museaal ingericht, in Oostende jaar­lijks 91.000 bezoekers ontvangt en aan  de inkomstgelden niet  genoeg heeft om  de  exploitatiekosten te dekken. En zo komt het dat de  hoogzeemijnenveger 'Breydel'  in Rupelmonde aan  haar trossen hangt te sterven, zonder precies te weten wie  haar eigenaar is. Met wellicht teveel asbest in haar flanken komt ze zelfs niet in aanmerking voor een  tewerkstellingsproject.

AMANDINE, TROTTER, SINT-PIETER,  CLOTILDE,  ARCHONAUT  VZW, . . .

Dit zijn allemaal tewerkstellingsprojecten die i.s.m. met de VDAB   langdurig werklozen en/of laaggeschoolden opnieuw voor de reguliere (sociale) tewerkstelling klaar maken, door hen te laten werken aan  de  restauratie of reconstructie  van  schepen. En er zijn succesprojecten.

De Maritime Site Oostende vzw wist  de  'Amandine', de laatste ljslandvaarder, van  de  sloop te redden, volledig te restaureren en af te werken als interactief museum; de  'Amandine'  is vanaf nu te bezoeken op  de  Oostendse Visserskaai tegenover het station, op het droge.

De vzw Archonaut in Brugge  werkt niet alleen met langdurig werk­lozen, maar  ook  met allochtonen en gedetineerden en verzorgt een opleiding  in houten restauratietechnieken voor oude schepen, dus geen replica's. Op die manier weet Archonaut in een  zekere (maar nog  onvoldoende) mate tegemoet te komen aan  het nijpende gebrek aan ambachtelijke scheepstimmerlui  in Vlaanderen en Nederland. Tevens wordt er daar serieus nagedacht over de filosofie van scheepsrestauratie, de toepassing van hedendaagse materialen en technieken, over het taal- en communicatieprobleem door de bijna oneindige variatie aan streekgebonden benamingen voor eenzelfde onderdeel.....

Trotter v.z.w. restaureert een stalen klipperaak, de 'Trotter', uit 1916 en tot in de jaren '50 een alledaags zicht op de Schelde en in Zeeland. Dit, samen met leerlingen uit deeltijds technisch onderwijs en moeilijk te integreren werklozen. De hoge techniciteit wordt aangepakt door een groep van vier technische scholen. Het Sociaal Impulsfonds, Havenbedrijf en Provinciebestuur van Antwerpen dragen financieel bij. Het ligt in de bedoeling om de 'Trotter' te exploiteren als varend museumschip, binnenin aangepast aan de moderne noden en authentiek aan de buitenkant, en terzelfdertijd een sociale werkplaats op te richten.

In Blankenberge stelt de vzw  De Scute  het zonder tewerkstellings­project; daar  is volledig op  basis van vrijwilligerswerk en op basis van oude plannen en onder het motto 'De replica van een  monu­ment is ook  een  monument', een  Blankenbergse vissersschuit, de Sint-Pieter, volledig  gereconstrueerd met enkele  hedendaagse toegevingen,  o.a. een  motor en zeilen  in modern mater iaal i.p.v. katoen. Het project is een knap staaltje van privé- initiatief  dat zich wist te integreren in het toeristisch aanbod van de kuststad en zo stadsgelden  en zelfs Europees geld (reconversie visserij) kreeg toegestopt. Publiek kan meevaren op zee !

De 'Clotilde' is een ijzeren zeilaak gebouwd in Boom  in 1906. Na een succes op de Mercatorfeesten (Rupelmonde, 1994) werd beslist het schip te restaureren op een werf in Boom en het klaar te maken als 'evenementenschip ', geschikt als staatsieschip voor representatie en voor vergaderingen, recepties, tentoonstellingen en varend.

ZATEN IN RUPELMONDE EN BAASRODE
Weten de jongens van Archonaut in te spelen op het tekort aan ambachtslui, in Rupelmonde ijvert het gemeentebestuur ervoor om de voormalige scheepswerf (de zaat) CNR (Chantier Naval de Rupelmonde) van 1,03 ha te herbouwen en te gebruiken voor onderhoud en herstel van het maritiem erfgoed van de stalen scheepsbouw. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan het gebrek aan infrastructuur; voor de (schaarse) commerciële werven zijn oude schepen alleen rendabel bij sloop. De ironie wil dat iets verder stroomafwaarts, aan de andere (rechter) Scheldeoever in Hemiksem een scheepssloperij gevestigd is en er actief uitziet. Het gaat in Rupelmonde om een groots project waarbij een dwarshelling wordt voorzien van 45 m, om de schepen voorzichtig uit het water te trekken .Samen met de infrastructuur (rails, karren, loodsen, ... ) vraagt dit nogal wat geld dat moet komen van Europa (euregio-project), Toerisme Vlaanderen, het gemeentebestuur en de  exploitatie.

CNR ging failliet in 1996 nadat de investeringen gedaan voor de polyester tripartite mijnenvegers door het stopzetten van de opdracht (geen vijand  meer) niet konden worden gerecupereerd. De werf werd, op de dwarshelling na, volledig afgebroken.

De te reconstrueren werf paalt aan de historische site van Rupelmonde in de nabijheid  van de Graventoren, waarin een draak van een museum is ondergebracht, maar ook  in de nabijheid van de gerestaureerde en werkende Getijdenmolen die een charmant en duidelijk museum huisvest. Vaut Ie voyage!

Enkele kilometer stroomopwaarts luidt een  andere klok. Vastgelopen in gemeentetwisten en door onenigheid met de eigenaar het Provinciebestuur van  Oost-Vlaanderen weet de vzw Scheepvaartmuseum  Baasrode de  beschermde site  niet  op  een adequate manier te exploiteren.

Het gaat om de later gefusioneerde werven Van Praet en Van Damme  waar tot 1988 (binnen)scheepsbouwactiviteit was. Er zijn twee droogdokken en diverse loodsen die zich bevinden in de toestand zoals de arbeiders  alles bij het stopzetten van  het bedrijf hebben achtergelaten. De machines zijn eigendom van  de v.z.w. en werken nog; ze zien eruit als monsters uit de industriële middel­eeuwen en doen niet alleen vragen rijzen over de werkomstandig­heden, maar  ook over het investeringsbeleid van de werf. De v.z.w. wil deze bijzonder interessante en authentieke zaat conserveren met museale ambities. De initiatiefnemers zijn erg gedreven en kennen  hun  geschieden is, maar wellicht zou  meer zin voor selectie en samenwerking (bijvoorbeeld met Rupelmonde) de  zaak  vooruit helpen. Het  museum met scheepsmodellen, gereedschap, construc­tietekeningen, ... is ondergebracht in de  beschermde meesterwoning uit 1830. Het gonst van de goede bedoelingen, maar als museum is het zeker geen koploper en zou eigenlijk professioneler moeten worden aangepakt. Een turf voor het museumconsulentschap ?

Dit brengt ons  bij de scheepvaartmusea.

SCHEEPVAARTMUSEA  IN  ANTWERPEN

Het Nationaal  Scheepvaartmuseum van Antwerpen in Het  Steen voelt zich in zijn bestaan bedreigd. Althans voor een goed deel. Het museum zal immers in de (nabije?) toekomst worden opge­nomen in het Antwerps stadsmuseum  MAS (Museum aan  de Stroom), maar alleen die delen van de collectie die betrekking hebben op de Antwerpse maritieme geschiedenis.

De mensen van het Scheepvaartmuseum maken zich zorgen over de rest van hun nationale collectie  en  over hun  bibliotheek. De slechte verstandhouding met het stadsbestuur lijkt te escaleren.

De ongerustheid is misschien voor een  stuk terecht, de middelen zijn onvoldoende, een erkenning binnen het museumdecreet, daar valt niet aan te denken. Een grondige selectie  in de collecties, een afstaan van een  deelcollectie aan  een  gespecialiseerd museum , zich toeleggen op een specifiek deel van de collectie waar het MAS naar vraagt, een dynamischer platform dan de  klaaghoek, een  aanbod i.p.v. een vraag, misschien zou  dit allemaal meer deuren openen en de toekomst van  het museum veilig stellen. De potentie is er; het moet mogelijk zijn om  een publiek te sensibiliseren voor het Maritiem Park. Het lichtschip 'Westhinder  III' in het nabijgelegen Bonapartedok, palend aan  het komende MAS is voor iedere bootjes­liefhebber om de vingers bij af te likken (dit niet ter plaatse doen).

In datzelfde Bonapartedok vinden wij het Rijn- en  Binnenvaart­museum,  uitgebaat door een gelijknamige v.z.w. Gratis en voor niets zijn de sleper  'Mon  Désir', de  motorschepen 'Angèle' en  de 'Liomar' te bezoeken. Op de  'Liomar' wonen de vroegere eigenaars die als conciërge fungeren van  dit museum te water. Beheer en onderhoud gebeurt uitsluitend door vrijwilligers, meesta l  oud-varenden.

Ondanks alle perikelen blijft een  bezoek aan  het Steen, het Maritiem  Park en  het Bonapartedok, alles binnen  loopafstand, een verplichte feestdag.

DE  DOELSE  KOGGE

Superprofessioneel bestaat ook. De Doelse kogge, een vrachtschip uit ca. 1325, werd op  basis van archeologische prospectie door de Archeologische Dienst Waasland (ADW) opgegraven op de werf voor het Deurganckdok op linker Scheldeoever nabij Doel. Voor de berging en het behoud van de kogge werden door minister Johan Sauwens speciale kredieten voorzien . Een publieksdag op 22 oktober 2000 lokte meer dan 10.000 bezoekers, een betekenisvol aantal en een indicatie van een publiekssensibiliteit voor archeologie en of maritiem erfgoed. De berging diende te gebeuren binnen de 8 weken, hulp werd ingeroepen van het Nederlands Instituut voor Scheeps- en Onderwaterarcheologie en het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium (Zellik) . Er werd tevens gezocht naar een snelle registratietechniek, dit gebeurde door het 3-D scannen van het scheepswrak. Een berging in zijn geheel was niet mogelijk en het wrak werd volledig ontmanteld . Het scheepshout wordt thans en tijdelijk bewaard in met water gevulde containers.

D e wetenschappers hebben hier hun werk gedaan en doen het nog. Wanneer komen de publiekswerkers?
RUDY VERCRUYSSE

Afbeeldingen: - DROOGDOK  BAASRODE,© STEFAN  DE  WICKERE

                       - DE  BREYDEL, © STEFAN  DE  WICKERE

                        - SCHEEPSHELLING RUPELMONDE, © STEFAN  DE  WICKERE

____________________________

 Dé  Biënnale

'De bijdrage in ons paviljoen behoort stellig tot één van de beste' zei een Engelse tegen me.  Alsof ik was aangevallen, hoorde ik mezelf antwoorden dat de Belgische  vertegenwoordiging op de biënnale '97, met Thierry De Cordier, zelfs nog indrukwekkender was. Een snuifje patriottisme is niet vreemd aan dit tweejaarlijkse kunstevenement, gekend als 'de biënnale'.

Als men er al een locatie  aan toevoegt betreft het altijd een  andere biënnale dan die van Venetië, het is zowat de moeder van alle andere grote kunstevenementen. De oorsprong ligt bij enkele Venetiaanse intellectuelen, kunstenaars en schrijvers die de aandacht wilden vestigen op de eigentijdse kunst, het liefst de Italiaanse dan nog. Net zoals het Venetië in het noorden, leek de dogenstad aan het eind van de  19de eeuw eerder een plaats waar men kwam om te sterven. Een beetje toerisme en buitenlandse valuta  zou Venetië-la-morte geen kwaad doen, wat een bijkomende reden was om zo'n  kunstmanifestatie uit de grond te stampen.

Een jaar voor de  moderne Olympische spelen het licht zagen, werd de eerste editie ervan plechtig geopend in 1895. Beide organisaties hebben met elkaar gemeen dat ze de beste vertegenwoordiger(s) van hun  land willen meten met elkaar. Ondanks de soms vergui­sende kritiek, blijven beide instellingen niet alleen  overleven, ze worden iedere keer  zelfs groter. Vandaag worden per editie  enkele prijzen uitgereikt, een  dikke generatie geleden kregen de  kunste­naars  nog  effectief medailles in Venetië. Geen  mens maakt zich echt druk om  die prijzen, want iedereen weet dat hier deelnemen bijna even belangrijk kan zijn dan winnen. Aanwezig zijn is de  hoofd­zaak.

Begin 20ste eeuw rezen de nationale paviljoens snel op in het Giardini-park, ons land behoorde tot de koplopers. Het  is echter wachten tot de zestiger jaren alvorens de  biënnale een echte baro­meter van het eigentijdse kunstklimaat wordt. Hiervoor waren kunstenaars uit de avant-garde slechts mondjesmaat aanwezig geweest. Sinds 1995 brak men eveneens met de traditie dat een Italiaan directeur was van dit evenement. Landen kiezen  nog steeds hun eigen vertegenwoordiging, maar de directeur lanceert een oriënterend thema en organiseert daarnaast vaak een grote tentoonstelling. Door  het groeiend succes deint dit evenement momenteel uit over de ganse stad. Wegens de  bouwstop, palmen verschillende landen een locatie in, buiten het tentoonstellingspark. In 1984 namen 32 landen deel, nu zijn het er meer dan 50. Landen als Ierland,  Luxemburg, Kroatië, Slovenië, Taiwan en verschillende Oostbloklanden veroorloven zich alle moeite om aanwezig te zijn. Sommige landen zoeken hier zelfs de erkenning  voor hun volk, met romantische programmaverklaringen in de begeleidende catalogi. Het  is dan ook weinig verwonderlijk dat de thema's van de recent jaren  zich richten op  het nomadische of territorialiteit, en dat kunstenaars in '97 werden omschreven als 'trans-nationale nomaden'.

België doet z'n eigen complexiteit eer aan door alternerend de Vlaamse of de Franstalige gemeenschap het nationale paviljoen te laten invullen. Vier jaar geleden weigerde David Hammans echter Amerika te vertegenwoordigen, 'I won't be your nigger' moeten zijn woorden  geweest zijn. Dit staat gelijk aan  commerciële zelf­moord, want het gaat de  meeste kunstenaars goed voor de wind na deze tentoonstelling. Toch zijn het vaak gevestigde namen die we aantreffen in de paviljoens, tenzij  het landen betreft die tot hiertoe esthetisch aan de periferie bleven. Voor  aankomend talent is er de 'Aperte', deze tentoonstelling in een voormalige touwslagerij toont vooral  jongere kunstenaars. Dit geldt zowat als de groothandel voor museumdirecteurs en internationale tentoonstellingsmakers. Wie daar een goede beurt maakt, zie je  later  regelmatig  opduiken in andere kunstcircuits. Net zoals de vorige keer, wordt de  biënnale geleid door Harald Szeeman. Deze Zwitserse tentoonstellingsmaker leidde de roemruchte vijfde  Documenta-tentoonstelling in Kassel met onder andere Panamarenko's befaamde zeppelin. Van begin juni is het werk van Luc Tuymans te zien in één van de  mooiste pavil­joens, het Belgische.

LUC TUYMANS'  JEUK EN ONSCHERPTE

Voor de Biënnale van Venetië selecteerde Luc Tuymans (º1958) een dertigtal schilderijen uit zijn oeuvre van de  laatste tien jaar. Door deelname aan verschillende internationale tentoonstellingen is zijn werk ondertussen wereldwijd bekend. Regelmatig worden Tuymans' schilderijen  door grote veilinghuizen te koop aange­boden. Tegenwoordig komt zijn werk dan ook vaak terecht bij de echte grote verzamelaars of belandt het in gerenommeerde musea.

Deze interesse heeft te maken met de nog steeds groeiende belang­stelling voor de Belgische kunstscène, de professionele ondersteu­ning door zijn galerie, Zeno X in Antwerpen en vooral met de picturale en iconografische betekenis van het werk zelf. Soms laat hij zijn kleuren gloeien, maar  overwegend blijft zijn kleurenpalet gedempt zodat de schilderijen het karakter krijgen van een drama­tische  grisaille. Een andere opvallende  karakteristiek is het onscherpe karakter van de beelden. De sc hilderijen vallen te vergelijken met de gewaarwording van jeuk, onder het oppervlak speelt zich iets verborgens af. Als jeuk te lang duurt, verwekt het irritatie, je wil dat het verdwijnt maar het blijft woekeren. Als er zich een barstje voordoet in het vernis van onze maatschappij, wordt het niet gerestaureerd door Tuymans, eerder krast  hij erin en rukt de huid verder open. Wat eerst onschuldig leek, ontpopt zich als een kwaad­aardig onderhuids gezwel.

'Leopard' stelt letterlijk een dierenhuid voor, maar in de aanwezig­heid van figuren als koning Boudewijn of Lumumba verliest de bete­kenis haar onschuld. Met dit koloniaal verleden is België nog steeds niet in het reine gekomen, we slepen het mee  zoals ons onderbe­wustzijn. 'Bwana  Kitoko', de mooie jonge Boudewijn maakte in 1955 veel  indruk op de Congolezen. Op zoek naar  authenticiteit, imiteerde Mobutu hem op verschillende  punten. De Belgische onderscheiding van de Leopoldsorde kreeg een  exotische variant in de 'Ordre du Léopard'. Eén van de machtssymbolen die deze tropi­sche  dictator in het leven riep. Het gehele werk van deze kunstenaar is doordrongen van de mechanismen van de  beeldvorming. We werven kennis via beelden, maar steeds blijven de dingen hangen in onscherpte, het lijkt alsof we niets duidelijk kunnen focussen, er is steeds iets wat ons ontsnapt. Vroeger ging de aandacht meer naar de oorlog en de holocaust, alsof het 'verdriet van  België' vorm  had gekregen. De huiver richt zich eveneens op de tergende fenomenen van de eigen tijd. Zo lijkt 'Peter' op het eerste zicht een gewoon stil­leven,  tot blijkt dat het een shaker betreft van een  massamoorde­naar  die er een  bijkomende afwijking op na houdt. Bloed van slacht­offers bereidde hij met die shaker tot een verdacht culinair mengsel. Eens men dit weet kan men er natuurlijk niet meer op dezelfde wijze  naar kijken. De wereld is verdacht gemaakt, het paradijs is gestorven. Eén van  de  laatste schilderijen die de  kunstenaar reali seerde voor deze tentoonstelling  is een  monumentaal werk met de voorstelling van een  neushoornkop, een  verdacht koloniaal trofee bij uitstek. Het verleden laat de  kunstenaar niet los, zijn werk dwingt ons om  er mee om te gaan, zelfs al is het krabben geblazen tot de huid open  ligt om de jeuk tegen te gaan.

STEF VAN BELLINGEN

AFBEELDINGEN: - GEZICHT OP DE BIËNNALE, ©STEF VAN BELLINGEN.

                          - LUC TUYMANS, LEOPARD 2000, ©ZENOX GALLERY,ANTWERPEN.

_____________________________________

 De wankelende dinosaurussen .

België 's  grootste  musea happen naar adem.

De hele  kafkaiaanse heisa rond het Belgische Filmmuseum illustreerde onlangs op een pijnlijke manier het onvermogen van de federale overheid om met haar culturele instellingen om te gaan.

Vermoedelijk zal diezelfde overheid tijdens het voorzitterschap van de  Europese Unie zichzelf wel  fier op de borst kloppen en krijgen de internationale delegaties heel wat Belgische kunst en cultuur in hun welkomstmand gestopt. Maar wie doordringt tot de catacomben en de coulissen van België's grootste musea stelt vast dat deze dinos­aurussen  wankelen en dat er dringend een sterke voogdijoverheid moet komen met een  eigen visie over de  missies van deze instel­lingen, aangepast aan de culturele noden van vandaag.

De federale musea vallen onder de  bevoegdheid van de Federale Diensten voor Wetenschappelijke, Technische en Culturele aangele­genheden. (DWTC) Die DWTC maken bestuurlijk deel uit van de Diensten van de Eerste Minister, maar staan onder het gezag van de federale minister voor het wetenschapsbeleid. In de  loop der jaren kwamen er met de verschillende staatshervormingen en al naargelang de behoeften van één van de gemeenschappen of gewesten bevoegdheden bij of verdwenen er. Zo controleren de DWTC ook nog de Koninklijke Muntschouwburg, het Nationaal Orkest van België en voorlopig nog, het Paleis voor Schone Kunsten. In dit kluwen schuiven hete appels gemakkelijk van her naar der. Eén van de problemen in het beleid bij de  DWTC tegenover de federale musea is de historische traditie van het Wetenschapsbeleid. Want naast de bekende Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België (KMKS), de Musea voor Kunst en Geschiedenis (KMKG), het  Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN) en het Koninklijke Museum voor Midden-Afrika (KMMA) zitten er ook nog  andere passagiers op de boot zoals het Koninklijk Meteorolo­gisch  Instituut (KMI),  het Belgisch Instituut voor Ruimte-Aëronomie (BIRA), het Studie-en Documentatiecentrum Oorlog  en Heden­daagse Maatschappij (SOMA),  het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK), het Algemeen Rijksarchief en  Rijksarchief in de  Provinciën (ARA), en tenslotte de Koninklijke Sterrenwacht van België en het Planetarium (KSB).

De DWTC vertegenwoordigen de Minister van Wetenschapsbeleid in de beheerscommissies van deze instellingen. Het valt onmiddellijk op in dit rijtje van onuitspreekbare acroniemen dat er vreemde eenden in de bijt zitten met verschillende politieke belangen.

Zo is er een duidelijk verband tussen het ruimte-onderzoek en de verschillende bedrijven en  industrieën die rond  ruimtevaart werken. Het gemeenschappelijk kenmerk is het wetenschappelijk onderzoek en het weze gezegd: onze federale instellingen  hebben wat dat betreft een  ijzersterke internationale  reputatie. Maar inzake publiekswerking is het huilen met de pet op. Vele wetenschappers houden krampachtig de deuren van hun instellingen gesloten onder het motto dan  ze in de eerste plaats  een  wetenschappelijke taak hebben en dat de nieuwsgierigheid van het grote publiek hen alleen maar van hun onderzoek zou afleiden. Terwijl in Vlaanderen de consulenten en steunpunten inzake  publiekswerking over elkaars voeten struikelen zijn de federale musea  reeds blij wanneer de  Brusselse museumraad een aantal thematische museumroutes uitstippelt die de Brusselse musea met elkaar verbinden

HUMAN  RESOURCES

Een ander heikel punt binnen onze grootste musea is het perso­neelsbeleid. Terwijl in Gent  en Antwerpen de stedelijke overheid relatief gemakkelijk  personeel kan aannemen, verplaatsen en collectief opleiden zitten de DWTC schijnbaar binnen een streng harnas van  reglementen en ambtenarijtraditie. Zo is het totaal onbegrijpelijk dat ze,  na  het vertrek met stille trom van  hoofdcon­servator Van Noten van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, er niets beter op vonden diens rol te laten overnemen door Eliane De Wilde, hoofdconservator van de  Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België. Terwijl elk privé-bedrijf een  beroep zou  doen op een  tijdelijke crisismanager, maken de  DWTC één  van hun beste en hardst werkend kracht ook nog  eens gedeeltelijk verantwoordelijk voor de  KMKG. Nochtans zouden  privé-consulting­ bureau's zoals KPMG, Price-Waterhouse-Coopers enz ... maar al te graag voor een  prikje of zelfs gratis hun  good citizenship betonen met het lenen  van een interimmanager. Op voorwaarde natuurlijk dat de vacature zo snel mogelijk open wordt verklaard, wat tot nu toe nog altijd niet het geval  is ...

Het zou toch moeten mogelijk zijn dat de federale musea een aparte behandeling krijgen binnen de structuur van de federale wetenschappelijke instellingen en vooral  de  middelen waar ze recht op  hebben. Maar zolang onze politici Brussel nog altijd als een  symbolische speeltuin zien, dreigen de  Federale Wetenschappelijke en Culturele  instellingen  meer en meer te verwezen. Het zou anders een mooie maar spijtige  les zijn voor de federale overheid indien ze tijdens het voorzitterschap van de  Europese Unie met haar gasten voor gesloten zalen  staat. Tijdens de middag sluiten immers een aantal zalen van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België wegens gebrek aan  personeel. Ze zal het zelf kunnen uitleggen aan haar Europese gasten.

 PETER WOUTERS

Website DWTC: http://www.belspo.be

____________________________________

 De farao's  op  een  schijfje !

Op de tweede CD-ROM in de serie, "Egyptische Schatten in Europa" tonen de "Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis" (Brussel) 1500 objecten uit hun collectie. Wetenschappelijke objectinformatie, hiëroglifische teksten en kleurenfoto's worden interactief getoond. Het basisprogramma, dat afgestemd is op het geïnteresseerde publiek, heeft een uitgebreide modus die toegang geeft tot de volledige database en die gedetailleerde wetenschappelijke informatie biedt voor wetenschappers en amateurs.

Het zoeksysteem geeft de mogelijkheid van gecombineerde zoekacties. Het hyperlink glossarium van ongeveer 400 onder­werpen verklaart Egyptologische woorden en  begrippen, geïllus­treerd met afbeeldingen en lijntekeningen. Wetenschappelijke informatie over goden, koningen, dynastieën, archeologische plaatsen, enz., wordt op een  gebruikersvriendelijke manier gegeven.

De rondleiding presenteert vijftien objecten van de collectie met gesproken commentaar. De gebruikersinterface en informatie van deze CD-ROM is beschik­baar in zeven talen:

Duits,  Engels, Frans, Italiaans, Nederlands, Portugees en Spaans.

Deel III- IV van de serie "Egyptische Schatten in Europa"  zullen volgen in de loop van 2001. De publicatie van  deel  V - VIII is voorzien voor het jaar  2001. De delen  IX - XI zullen verschijnen in 2002. De serie zal worden voortgezet en uitgebreid met andere Egyptische collecties.

Op de Champollion homepage www.EgyptianTreasures.org krijgt U meer informatie over het project, toekomstige CD-ROMs, datum van uitgave en demo's die gedownload kunnen worden.

Toch  een  woordje van  kritiek. Ergens op de cd-rom kan je een  blik werpen op de  museumzalen en al snel wenste je dat je dat niet gedaan had.  Hoe knap en rijk de collectie  zelf  is, hoe oubollig zijn de zalen waarin ze getoond wordt. Eigenlijk had  men  deze 'rond­blik' weg kunnen laten, want meer dan wat vitrines met vooral  veel tegenlicht is er niet te zien. Als men nu eens zou  beginnen  met de thematiek en systematiek van deze cd-rom in de praktijk om te zetten, dan zou  het geheel veel meer aanspreken. Nu voelen alleen de mummies zich hier thuis.

Mijn oordeel:

Een mooie bijdrage in een schitterende reeks waaruit blijkt dat de collectie van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis moeiteloos standhoudt naast 'grotere broers' als Amsterdam en St.Petersburg.

MICHEL PEETERS

Praktische informatie: Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis(KMKG), Jubelpark 10, B-1000 Brussel, Tel. +32 2 741 73 76 • Fax +32 2 733 77 35,

limme@kmkg-mrah.be

www.kmkg-mrah.be

Projectontwerp en coördinatie Prof. Dr. Dirk van der Plas (ed.) Centrum voor Computer-ondersteund Egyptologisch Onderzoek (CCER) Faculteit Godgeleerdheid- Universiteit Utrecht, Nederland

_________________________________

George  Grard

Uit liefde  voor  het  vrouwelijk naakt

George Grard (1901-1984) wordt algemeen erkend als één van onze grote Belgische beeldhouwers. Grard is zijn hele leven trouw gebleven aan één thema: de liefde voor het vrouwelijk naakt.

Reeds in zijn jeugdwerken blijkt dat hij zijn creativiteit concreti­seerde via de studie naar  model. De nauwe samenwerking tussen kunstenaar en model  zou  een  constante blijven. De evolutie binnen zijn werk is allesbehalve spectaculair: binnen een bewust gekozen beperking opent zich een  gevarieerde en verstilde wereld van zittende, liggende en staande figuren.

In de woelige jaren '30, '40,  en '50, toen de strijd tussen figuratief en abstract heftige discussies uitlokte, bleef Grard overtuigd van de weg die hij ingeslagen was. In  1962 schreef hij in een korte inleiding dat hij weinig afwist van de strijd tussen groepen en scholen: Ik bekijk dat allemaal van ver. Het leven zelf interesseert me meer. Het is uit het leven dat ik heb geput. Deze  eenvoudige woorden typeren hem en weerspiegelen zijn consequente houding.

In de jaren '30 ging Grard  naar de  kust; hij werd er verliefd op  het licht en  bleef er werken tot aan zijn dood. In zijn kielzog volgden kunstenaars als Pierre Caille, Paul Delvaux en anderen zodat men later sprak over de "School van Sint-ldesbald ".

Als we George Grards levenswerk overschouwen, valt op dat hij tot midden de jaren  '50 werkte met een  volrond vrouwentype: De waternimf of Naiäde.  Het zijn deze beelden die bij velen  reminiscen­ties oproepen aan volrijpe vruchten. Kunsthistorici  hebben in deze beelden de  mediterrane sfeer teruggevonden die ze  kenden door het werk van A. Maillol. Grard zelf voelde meer verwantschap met de sensuele beelden van A. Renoir.

In 1957 werkte Grard  een maand in Kongo: de Afrikaanse Anasthasie inspireerde hem tot zijn Grote Afrikaanse, een rechtop­staande uitgelengde slanke figuur. Dit beeld is een  keerpunt en betekende de overstap naar een nieuw vrouwentype. Deze uitge­lengde gestaltes keren in de jaren '60 en '70 terug binnen een reeks figuren waarin Grard  zelf verwijzingen ziet naar de natuur: voor een staande figuur durf ik nu denken aan een boom, voor een ineengebogen vorm aan een berg en voor een liggende figuur aan het water. Daarom kan een werkje van dertig centimeter de zee als titel dragen.

Grard is geen beeldhouwer in de letterlijke zin van het woord: aanvankelijk modelleerde hij de klei, later werkte hij vooral  in gips. Met  vijlen en raspen herwerkte hij de vorm tot hij de juiste spanning bereikte. Via een tussenstap in was werden de beelden vervolgens in brons gegoten. In de  manier waarop Grard  zijn bronzen bewerkte, zien we een  verschuiving in de jaren '60. In tegenstelling tot donkere patines met een gladde textuur zien we later  een geac­cidenteerd oppervlak met een ruwe geut die meer contrastwerking toont tussen lichte en donkere vlakken

Eind de jaren '70 kreeg de beeldhouwer te kampen met gezond­heidsproblemen. Het werken in gips en op grote formaten viel hem steeds moeilijker en hij begon meer en  meer te tekenen. Uit deze reeks tekeningen waarin we een vrijere en expressievere interpre­tatie van het levend  model  zien toont de Stichting  een selectie.

DE  STICHTING

Toen George Grard in 1984 stierf liet hij een groot aantal bronzen en gipsen beelden na. Het vissershuisje waar hij sedert de jaren '30 woonde en werkte blijft door de familie bewoond en is te klein om alle beelden op een veilige manier te bewaren. Daarom besloot mevrouw Francine Grard-Van Mieghem een ander onderkomen te zoeken. Dit werd de Stichting Grard. De Stichting werd in 1994 opgericht door Francine Grard-Van Mieghem en  Franz Trenchant ter gelegenheid van de tiende verjaardag van het overlijden van George Grard. Het uitgangspunt van de Stichting was het werk van de beeld­houwer zo goed mogelijk tentoontestellen en te conserveren. Er werden herdenkingstentoonstellingen georganiseerd en men zocht een veilig onderkomen voor de grote nalatenschap van gipsen en bronzen beelden, tekeningen en het archief. Het vissershuisje te Sint-ldesbald kon onmogelijk onderdak bieden aan dit alles én het publiek ontvangen.

Te Gijverinkhove werd een  hoeve aangekocht en gerestaureerd. Alle originele gipsen beelden werden bijeengebracht. In juni 1996 opende de Stichting  George Grard  haar  deuren voor de vele vrienden en geïnteresseerden: de gastvrijheid waarvoor het vissers­huisje indertijd bekend stond kon op een  nieuwe manier gestalte krijgen.

De Stichting zorgt er niet enkel voor dat het oeuvre van Grard samenblijft maar de verzameling biedt bovendien een unieke kijk op een creatief proces. Het publiek kan het ontstaan van  projecten zoals de Zittende vrouw voor de  Nationale Bank te Brussel, De  waternimf te Doornik, De  kwartel te Kortrijk of De zee te Oostende en andere  beelden stap voor stap volgen:vanaf de allereerste kleine schetsen in gedroogde klei of gips, via de  herwerkingen op groter formaat tot het definitieve beeld op soms 3 à 4 meter. Doorheen een bezoek aan de verzameling wordt duidelijk dat Grard iemand was die zijn vormen langzaam liet rijpen. Hij bewerkte en herwerkte een beeld tot het zijn strenge oordeel kon doorstaan. De Stichting beschikt over een bronsgieterij: bezoekers die dit wensen kunnen inzicht krijgen in de technische aspecten van het gieten via het verloren-was-procédé.

HOMMAGE

Deze  zomer loopt er in de Stichting  George Grard  een bijzondere tentoonstelling. Het is dit jaar precies 100 jaar  geleden dat George geboren werd. Chantal Grard, zijn dochter en zelf ook  beeldhouw­ster, brengt er een  hommage aan haar vader. Met  het oog hierop werkt zij momenteel aan een nieuwe reeks beelden, die verwijzen naar  de  menselijke anatomie en de vruchtbaarheid. Deze  expo loopt van 23 juni tot en met 16 september, dagelijks van 11 tot 19 uur.

MICHEL PEETERS

Praktische informatie: Stichting George Grard, Ekestraat  1, 8691 Gijverinkhove, Tel 058. 29.82.19 & Fax 058.29.85.96 

De inkom bedraagt 100 BEF, studenten en groepen betalen 80 BEF. Kinderen onder de 12 jaar mogen er gratis in. Tijdens de tweede helft april, mei, juni: op zaterdag, zondag en feestdagen, open van 11u. tot 19u. Van 1 juli tot 15 september 2000, open elke dag van 11 u. tot 19 u. Voor groepen buiten deze periodes op afspraak.

AFBEELDINGEN: - BUITENGEZICHT VAN  DE STICHTING  GEORGE GRARD MET  ORIGINELE  GIPSEN BEELDEN,©  HUGO  MAERTENS

                          - CHANTAL GRARD: ZONDER TITEL,  2001,VOORSTUDIES  GIPS,© STICHTING  GEORGE  GRARD

________________________________

 Publiek en  Museum: work in  progress

Zoals al merkbaar was in het vorige nummer, begon de informatie uit OKV-plus en Publiek en Museum mekaar steeds meer te overlappen. Dit ging ten koste van  de lees­baarheid. Bovendien blijkt  dat steeds meer musea hun educatieve werking uitgebreid aanbieden op een eigen website. Daarom werd besloten het uitgebreide aanbod niet  langer in elke afleve­ring te publiceren, vermits alles zeer uitgebreid terug te vinden is op de museumsite. Omdat het natuurlijk niet de bedoeling is de musea en de educatieve diensten hun forum te ontnemen zal Publiek en Museum blijven openstaan voor alle nieuws uit de sector.

De vrijgekomen ruimte zal vanaf nu ingenomen worden door artikels die het educatieve veld in Vlaanderen bestrijken. Projecten komen uitge­breider aan bod,  alsook  situerende en evaluerende stukken. Meer duiding dus.

Heeft u bedenkingen, opmerkingen, kritiek, ideeën of wilt u gewoonweg uw ei eens kwijt? Geen probleem, laat het  ons weten .

Alle praktische informatie blijft uiteraard beschikbaar en is terug te vinden op de volgende websites: www.museumsite.be; www.okvweb.org

Michel Peeters, eindredactie

_______________________________________________

 We  komen  van ver maar wel  met grote  passen

Waren er al kinderboeken in 1900? Hoe is het dagelijks leven van een kind veranderd doorheen de 20ste eeuw?

Het Literair Museum in Hasselt ging een samenwerking aan met het Museum voor Sierkunst  en Vormgeving in Gent en realiseerde een ontdekkingstocht langsheen kleine kamertjes, met verborgen luikjes, kijk- en voeldozen met speelgoed  en snoep. En natuurlijk met heel veel boeken.

Voor jongeren van 9 tot 14 jaar is er een speurtocht door de tentoonstel­ling, individueel of in groep. Ook zelf je kaft ontwerpen is mogelijk. ledere bezoeker kan zelf zijn kinderboek van de eeuw kenbaar maken door een blanco boekomslag te voorzien van titel en auteur en even­tueel een origineel omslagontwerp.

De omslag kan ter plaatse gemaakt worden, maar mag ook mee naar huis genomen worden en later aan het museum terugbezorgd worden.  Alle ingezonden omslagen komen rond een boek op een boekenrek in de tentoonstelling.

Enkele bekende Vlamingen als Marc de Bel, Bart Moeyaert en Alida Neslo gingen al voor en hun keuze is reeds in de tentoonstelling te zien. Elke omslag doet bovendien mee aan een wedstrijd, met uiteraard kinderboeken als prijs.

Naast deze tijdelijke tentoonstelling lopen er ook een aantal permanente expo's. Er staan een aantal kijkkastjes waardoor je meer te weten komt over jeugdauteurs en illustratoren. Ook de steenkoolmijnen in de literatuur komen aan bod. Het verhaal van de mijnen gekoppeld aan jeugdlitera­tuur met hetzelfde onderwerp.

Wil je te weten komen hoe een boek gemaakt wordt, stap voor stap? Het wordt je haarfijn uit de doeken gedaan. Al deze tentoonstellingen worden uitgebreid met speurtochten en geleide bezoeken.

AFBEELDING: - VITRINE  VAN DE ILLUSTRATORENLEESKAMER,© LITERAIR MUSEUM HASSELT

___________________________

ASK !

 Een project voor post-hogeschoolstudenten dat de deur opent voor een inhoudelijke en pedagogische vernieuwing en verbredingvan het kunstonderwijs in Vlaanderen.

ASK! is geen doorlopende opleiding, maar bestaat elk jaar uit een aantal lesmodules of workshops, waaraan post-hogeschoolstudenten kunnen deelnemen. De resultaten van de workshops worden na afloop artistiek en pedagogisch geëvalueerd en steeds opgenomen in de web-site van ASK!

De klassieke vorm van een één-op-één verhouding tussen leraar en student wordt verlaten. In de plaats wordt een atelier georganiseerd waarin 'curatoren' eigen werk, ideeën of denkbeelden ontwikkelen of toelichten. Zij nodigen naar eigen inzicht gasten uit (kunstenaars, filo­sofen,  architecten, ... ) om hieraan hun eigen inzichten toe te voegen. Zo kunnen mensen uit verschillende disciplines en die normaal niet in het onderwijscircuit werken, toch een rol spelen in de opleiding. Studenten kunnen hun eigen werkwijze en inzichten toetsen aan wat curatoren en gasten voorstellen of doen.

De vraagstelling houdt verband met architectuur, stedelijkheid  en/of kunst. Diverse media en disciplines kunnen apart, of in wisselende combinaties, aan de orde zijn. Een atelier kan ook, naargelang de curator, meer theoretisch of meer praktisch georiënteerd zijn. Deze  inhoudelijke focus wordt in overleg met en op voorstel van de curatoren van een atelier en uiteindelijk de studenten zelf scherp gesteld.

De structuur van ASK! laat toe flexibel in te spelen op ontwikkelingen en kansen die zich aandienen in het culturele veld. Daarbij wil ASK! de academische en praktijkgerichte opleidingen van zowel  universiteiten als hogescholen  koppelen. Een vaste partner is de Universiteit Gent, die een materieel  en intellectueel  basisplatform aanbiedt.

In 2001 werden de volgende workshops voorzien:

1.    Kleur.Geluid. Licht (februari 2001)

2.   Videostage (maart 2001)

3.  Het kerkhof van de tekens. Het verlangen naar openbaarheid (mei 2001)

4.   Workshop o.l.v. Joëlle Tuerlinckx

Bij de evaluatie van de eerste workshop (de tweede liep nog bij het ter perse gaan) werd  het werkmodel van ASK!  als zeer positief ervaren  en bestempeld als een uniek en dynamisch model. Uiteraard werden ook een aantal bedenkingen geformuleerd door verschillende waarnemers, die in de toekomst zeker zullen opgevolgd worden.

Belangrijkste element hierin is dat ASK! duidelijker naar buiten moet komen. Zowel de doelstellingen van het ganse programma op langere termijn, als de inhoud en de doelen van de respectievelijke workshops, als het doelpubliek moeten duidelijk afgelijnd en omschreven zijn. Met deze gegevens voor ogen moet dan een strategie worden uitgewerkt om deze elementen naar buiten toe te communiceren. Op dat ogenblik zal het dan ook makkelijker zijn gemotiveerde en sterke deelnemers te vinden. Er blijkt immers wel een grote vraag te zijn bij post-hogeschool­ studenten, maar men bereikt zeker nog niet de hele groep. Uit lopende contacten blijkt bovendien dat het bestaan van het idee nog onbekend is, waardoor de instellingen die gecontacteerd werden het hele project ook niet echt konden plaatsen.

De volgende workshop gaat einde mei van start

 Het kerkhofvan de tekens. Het verlangen naar openbaarheid

Workshop o.l .v. Stefan Hertmans en Philip Van lsacker 28 mei - 2 juni 2001

Uitgaande van het feit dat aanbestedingen voor Belgische openbare gebouwen inmiddels gehouden zijn een percentage te besteden aan kunstprojecten, willen we reflecteren over zin en onzin van dit openbare huwelijk tussen architectuur en kunst. Wat verlangt de architect, wat verlangt de overheid  van kunstenaars die worden 'ingehuurd'? Kan het kunstwerk deze semiotische omkadering wel ongeschonden overleven? Bestaat er geen gevaar voor neutralisatie van de tekens - zowel  die van de architecturale taal als die van het artistieke discours

Aan wat voor  openbaar kerkhof van de tekens  laboreert men bij derge­lijke kruisbestuivingen?

Anderzijds wordt de kunstenaar, die sedert de avant-garde bewegingen van de vorige eeuw afgesneden raakte van een logica van openbaar nut, blijkbaar steeds weer gedreven door het verlangen naar dergelijke open­baarheid. Het publieke forum lijkt zowel te inspireren als voorspelbare clichés voort te brengen.

In welke zin werken kunstenaars mee door een onbewuste 'doodsdrift''

in de hoop dat ze het einde, de waarheid van de door hen voortgebrachte tekens in een openbaar drama zouden zien oplichten?

Het atelier mikt niet meteen op toepassing en hoeft niet uit te monden in concreet werk of een tentoonstelling. De belangrijkste inzet is het  kritisch  reflecteren over dit medium en de eromheen al dan niet ontstane mentale ruimte. Uiteraard worden concrete projecten die uit de workshop zouden ontstaan, en getuigen van een kritische  vraagstelling over het thema, aangemoedigd.

Programma:

Maandag 28 mei:

Inleiding door Stefan Hertmans en Philip Van lsacker met onder andere de situering en historische contextualisering van het thema,  de concrete aanleiding voor deze reflectie, enkele termen uit de kunstagogiek, die in dit verband kritisch en verhelderend kunnen werken, het voorstellen van concrete projecten en ervaringen.

Dinsdag 29 en woensdag 30 mei:

Uitwerking van de opdrachten die op maandag aan de deelnemers worden gegeven.

Donderdag 31 mei:

Studiedag, in samenwerking met de Hogeschool Gent, departement academie. De studiedag wordt rond hetzelfde thema georganiseerd, in het Nederlands en Engels.

Vier sprekers reflecteren over openbaarheid en kunstsemiotiek: Thierry De Duve, Frank Van de Veire, Dieter  Roelstraete,Lawrence Weiner (onder voorbehoud).

Vrijdag 1 juni:

Deelnemers en gastsprekers bespreken en evalueren de opdrachten.

Meer info op www.ASKworkshops.be; info@ASKworkshops.be; tel.: 09/264.78.60

________________________________________

Over everzwijnen,  bierbommen  en  Gallische  soep

"En wat vond je nu het tofste dat je gezien hebt?", vroeg ik aan Jules, mijn vijfjarig zoontje, die zichtbaar van zijn drankje genoot in de cafetaria van het Gallo-Romeins Museum waar je tot 16 september geen reuzebanket met everzwijnen, maar wel een spaghetti-Asterix, Obelix bierbommen of een bord Gallische soep kan eten.

"Dat van die doodskoppen vond ik wel goed en dat je moest raden wat er onder het zand verstopt was en dat je dan door dat gaatje moest kijken om te zien of je gelijk had. Eigenlijk vond ik alles wel tof". En hij wil nog wel een keertje teruggaan.

Op de vraag wat hij echt niet leuk vond, antwoordde hij met een ernstig gezicht: "Ze zouden wat meer plaats moeten maken en ik moest soms zo lang wachten voor ik iets kon zien en doen en het was er zo warm!"

Tot zover de directe weergave van een objectieve vijfjarige bezoeker waar een grond van waarheid  in schuilt. Want de onder het zand verscholen voorwerpen in de eerste ruimte staan zo dicht tegen de muur gestald dat het een gedrum is om iets te kunnen zien en de kinderen zijn zo enthousiast dat je ze er niet voorbij kan loodsen.

Op een schuin afgezaagde boomstam moet je twee afbeeldingen kiezen die bij elkaar horen en zo leer je meer over de Galliërs en de Romeinen. Weer een knappe interactie voor de jonge bezoeker, maar je moet er voor aanschuiven.

In het Gallische dorp staat een muzikale boom centraal. Om het instru­ment, dat je door middel van een druktoets kiest, te kunnen beluisteren, moet je wel met je oor tegen de boom staan. Dit is geen probleem ware het niet dat de wortels van de boom zo ver reiken dat kinderen die het bordje "niet op klimmen" respecteren, niet dicht genoeg kunnen komen. Rond de boom staan woningen waarin o.a. juwelen worden tentoonge­steld. Wil  je echter weten welke  naam bij welk juweel  hoort,  moet je tellen want enkel de juwelen zijn genummerd. Wellicht berust dit op een vergetelheid want de namen van de voorwerpen bij Hoefnix zijn wel genummerd.

In de tenten in Het Kamp, waar Caesar je persoonlijk welkom heet, krijgen we weer met dit probleem  te maken.

Je kan er Galliërs en Romeinen ten aanval laten trekken, maar enkel de Galliërs zullen reageren want het mechanisme van de Romeinen werkte op dat moment niet.

Je maakt er kennis met het soldatenleven aan de hand van een interactief programma op de computer, als je er tenminste voor wil aanschuiven. Maar ga je hieraan voorbij  dan vind je dezelfde computer nog eens terug aan de feestdis die, zoals het goede Galliërs past, op het einde van het verhaal voor je gedekt staat met strips van Asterix en catalogen van het Rijksmuseum van Oudheden. Je kan je alsnog tegoed doen aan een banket van informatie onder het toeziend oog van een everzwijn en haar twee jongen.

Rond de tafel zijn ook negen Europese  landen vertegenwoordigd met korte, soms grappige anekdotes, zoals bv. bij Engeland:" De Britten staken elke dag om vier uur hun strijd tegen de Romeinen voor een kopje warm water met een wolkje  melk."

's Zondags om 14u30 neemt  een gids je op een boeiende manier mee in de wereld  van Galliërs en Romeinen. Kinderen worden even zelf Galliër of Romein en kunnen letters winnen waarmee ze op het einde een zo lang mogelijk wachtwoord moeten vormen.

Op een paar praktische schoonheidsfoutjes na is deze tentoonstelling waar kinderen worden ondergedompeld in de wereld  van Asterix en Obelix, zeker de moeite waard om te bezoeken.

LEA VAN DE WijNGAERT

AFBEELDINGEN:  - OBELIX,©PROVINCIAAL MUSEUM TONGEREN

                          - DOE-DURF DENKDOOS,© THOMAS DE BOEVER

                          - DOE-DURF DENKDOOS VAN DYCK, ©THOMAS DE BOEVER.

Praktische informatie; nog tot 16 september 2001, Provinciaal Gallo-Romeins Museum, Kielenstraat 15, 3700 Tongeren; Tel: 012/23.39.14; Fax: 01 2/39.10.50

E-mail: pmathei@limburg.be, Website: www.limburg.be/gallo Open op maandag van 12 tot 17 uur, van dinsdag tot vrijdag van 9 tot 17 uur en op zaterdag en zondag van  10 tot 18 uur; Toegangsprijs: 100 BEF, 50  BEF (reductiehouders)

___________________________

 MuseJA!  en  musea  in  Antwerpen

Het begon allemaal in 1996. In dat jaar kregen  Odette Peterink  en Els Verstraete van schepen  Erik Antonis de opdracht om een educatief project uit te werken voor het basisonderwijs. De doelgroep was de zes­ tot twaalfjarigen. Er werd  teruggegrepen naar de ervaring die ze beiden hadden opgedaan in het Paleis voor Schone Kunsten  in Brussel, het MuHKA en het KMSK. Tegelijkertijd werkten ze ook aan 'Kunst in Kaart', een educatief project voor het Openluchtmuseum Middelheim en het MuHKA.

Zo ontstond MusejA!  Het is een installatie bestaande uit een set van twaalf kastdozen. Deze staan opgesteld in een zaal van het museum.

De laden, klapwanden, deksels en doorkijkjes oefenen op kinderen een aantrekkingskracht uit en werken in op hun nieuwsgierigheid. In vijf tot zes van die dozen zitten opdrachten. Het thema van elke doos werd in nauw overleg met de museumstaf gekozen. Er is ook steevast een doos met een 'spelregelsspel': wat mag wel en wat niet in het museum. Mappen voor begeleiders zijn eveneens voorhanden. De groep, die uit maximum twaalf deelnemers bestaat, kan ook beroep doen op een educatief medewerker. Reservering is echter niet noodzakelijk, ook zonder kan iedere bezoeker op ontdekkingstocht.

Persoonlijk gezien  in het Rubenshuis: een tiental  oudere dames die met tegenzin het MuseJA!-spel moest overdragen aan een groepje kinderen! Nog andere activiteiten volgden. Zo werkten Odette en Els in het kader van het Van Dijck-jaar een aantal kinderateliers uit en waren ze in 1999 ook betrokken bij de opleiding van de Van Dijck-gidsen.

Het ontlokte Joris Capenberghs, verantwoordelijke voor de publiekswer­king van Antwerpen Open tijdens het Van Dijck-jaar, de volgende opmer­king: 'MusejA! tovert de muffe, verstandelijke schatkamers die musea soms zijn om tot  heuse verbeeldingspaleizen.'

Heel belangrijk is het uitgangspunt dat kinderen beschouwd worden als volwaardige museumbezoekers. Dus worden er bij MuseJA! enkele vaste uitgangspunten gehanteerd:

DE  EDUCATIEVE MEDEWERKER IS GEEN STUDERENDE GIDS  MAAR  EEN BEMIDDELAAR TUSSEN HET KIND  EN  HET  OBJECT.

De term 'educatieve medewerker' zegt al heel veel natuurlijk. Terwijl een gids iemand is die de weg wijst en dus per definitie niet bemiddelt. Hij spuwt kennis en de toehoorder noteert. Of verveelt zich ... Want gezien het karakter van de meeste Antwerpse musea zijn de meeste rondlei­dingen veelal geschiedenislessen. En worden ze vaak als saai ervaren, hoezeer de gids ook zijn best doet.

Belangrijk is dus dat verhaal naar vandaag te transponeren, of op zijn minst een link naar het heden te leggen. Daar ligt de rol van de educatieve  medewerker. Hij of zij probeert te bemiddelen tussen het object en het kind. De bedoeling is niet dat het kind een standpunt gaat innemen tegenover het kunstwerk, maar wel dat het ermee in dialoog gaat.

Dat zoiets niet altijd even evident gevonden wordt, getuigt de vraag die Dirk Pültau zich stelde in de Witte Raaf van maart 1998: 'Vanwaar dit commando dat het contact met kunst tot elke prijs moet worden gereali­seerd?'. Wat verder stelde Pültau ook nog:' Hoe komt het dat kwantum­mechanica probleemloos te moeilijk wordt geacht voor kinderen maar dat de inwijding in de kunsten gerekend wordt tot de intellectuele rechten van de mens?'

Mooie, open vragen. Maar onzin volgens Peterink en Verstraete. Volgens hen is alle kunst geschikt voor kinderen. Alle kunst wordt gemaakt voor een publiek en dat zijn kinderen per definitie ook. En hier komt weeral het woord 'bemiddelen' naar voor. Het kind moet geen standpunt innemen, er wordt net getoond dat er meerdere standpunten mogelijk zijn, meerdere aspecten ook. Maar die leer je alleen kennen door de dialoog met het werk aan te gaan.

HET  ATELIER GRIJPT PLAATS  IN  HET  MUSEUM  ZELF, NIET  IN   EEN  APARTE  RUIMTE

Het museumobject is het belangrijkste. Het echte werk, te zien aan de muur of in de zaal. Er wordt dus niets verteld over dingen die niet te zien zijn. Alleen op die manier is een dialoog mogelijk. Zo is een museum altijd een combinatie van een object en een verhaal. Welke van beide het sterkst is hangt van museum tot museum af. De rol van MuseJA! is net deze twee in evenwicht te brengen.

Voor zover dat mogelijk is proberen  Els en Odette ook betrokken te worden bij de opstelling van de museumzalen, want niet elke presentatie leent zich even goed. Mooi  is als de conservator kiest WAT er getoond wordt en er dan in samenspraak gezocht wordt naar een manier WAAROP. Deze manier van werken is echter eerder uitzondering dan regel, vaak ook omdat de vraag naar een educatief project meestal  komt nadat het museumconcept al gerealiseerd  is. Met alle gevolgen  en moei­lijkheden van dien natuurlijk.

Sinds 1999 wordt er ook samengewerkt met de vzw Prospekta (centrum voor kunstcommunicatie en culturele infobalie) voor de reserveringen en informatie omtrent de educatieve pakketten. Het Muhka zorgt dan weer voor de nodige steun bij de opleiding van de educatieve begelei­ders. Het aantal musea waar het MuseJA!-spel opgesteld staat is toege­nomen, evenals het aantal deelnemers.

Het gaat dus goed. Maar het kan nog veel beter. Dus ... Gaat heen en speel ze!

MICHEL PEETERS

Praktische informatie: Els Verstraete & Odette Peterink, Sint Jansplein 48, 2060 Antwerpen, O3/227.23.72    Of

Vzw Prospekta Culturele Infobalie,  Grote Markt 40, 2000 Antwerpen, O3/220.81.11, 03/220.81.18

_______________________________

De Boeddha  in  de  Drakenpoort

ANTWERPEN ,  ETNOGRAFISCH  MUSEUM VAN  23  MAART TOT  27  JUNI  2001

Longmen is een boeddhistisch grottencomplex nabij  de stad Luoyang in de Centraal-Chinese provincie Henan. Longmen betekent letterlijk Drakenpoort. Deze site vormt met zijn  steile rotsoevers langsheen de Yi-rivier inderdaad een natuurlijke poort.

In 493 nC koos keizer Xiaowen van de  Noordelijke Wei-dynastie  de nabijgelegen cultuurstad Luoyang als nieuwe hoofdstad.

Tussen de 5de en de 10de eeuw vond er een ongeziene bouwactivi­teit plaats aan beide rivieroevers. Niet minder  dan  2345 grotten met meer dan 100.000  voorstellingen van  de Boeddha werden uitge­houwen in de rots.

De sculptuur van Longmen biedt een  overzicht van de vroege Chinese beeldhouwkunst, vanaf de  Indische en  Centraal-Aziatische invloeden tot de  puur Chinese stijl. Ook de evolutie van de architec­tuur, de kledij, decoratieve elementen en de  kalligrafie  komen ruim aan  bod  in de duizenden nissen en  beeldhouwwerken.

In december 2000 werd Longmen erkend door Unesco  als wereld­cultureel erfgoed. Het etnografisch museum ontvangt, als eerste, 54 originele kunstwerken afkomstig uit Longmen. Beelden van Boeddha, Bodhisattva's, wachters en hemelse nimfen tonen de  luister van  Longmen.  Een stoepa, stenen fragmenten en het afgietsel van een volledige grot versterken  het totaalbeeld. Bovendien is er ook de tombe van  Anpu te zien, een  koopman uit Uzbekistan, die  in  de  7de eeuw werd begraven. De voorwerpen uit dit graf behoren tot de topstukken van de vermaarde Tang-kera­miek.

OKV korting: 50 bef i. p.v. 100 bef;

Praktische informatie: Etnografisch Museum, Suikerrui 19, 2000 Antwerpen,Tel: 03/220.86.00; Fax: 03/227.08.71

E-mail: etnografisch.museum@antwerpen.be Open van dinsdag tot zondag van 10 tot 17 uur Gesloten op maandag Toegangsprijzen: 100  BEF (individueel),, 50 Bef (reductiehouders)

__________________________________

Carl   Andre

ANTWERPEN,  OPENLUCHTMUSEUM   VOOR  BEELDHOUWKUNST, MIDDELHEIM, VAN   20  MEI   TOT  29  JULI   2001

 Carl Andre (º1935, VS) bouwt beelden op uit houten blokken, stenen en platen metaal. Dit werk wordt gerekend tot de minimal  art. Minimal art is de kunst waarbij de inhoud van het werk en de betekenis van de kunstenaar, ondergeschikt zijn aan de idee.

Sinds het einde van de jaren '60 wordt de term algemeen toegepast op dit soort van driedimensionaal werk. Voor de minimale schilder­kunst gebruikt men termen als hard edge en colorfield painting.

In het oeuvre van Carl Andre kan je drie ontwikkelingsfasen onder­scheiden: sculptuur als vorm, sculptuur als structuur en sculptuur als plaats.

Eind jaren vijftig hakt en zaagt hij geometrische vormen en maakt structuren van gelijke elementen in styrofoam, beton, steen of hout. Vanaf de tweede helft van de jaren  '60 verlaat hij de vorm  en legt  alle accenten op de structuur. Hij maakt vloersculpturen: lange  rijen bakstenen of metalen platen die als een zware, logge massa  de ruimte bepalen. Hij creëert hierdoor een  wisselwerking:de sculp­tuur maakt deel uit van de  ruimte en de ruimte is een  deel van de sculptuur.  Er komt een  extra dimensie  bij als je niet alleen naar het werk kijkt, maar er ook overheen loopt. Het kunstwerk wordt dan lijfelijk ervaren.

In een  derde fase (na 1970) is het de sculptuur  als ruimte die belang­rijker wordt. Andre stelt verrassende composities samen: o.a. Stone Field Sculpture (1 977), een geheel van  364 keien uit de ijstijd, of Fireworks (1983) dat bestaat uit 40 verschillende  leeggeknepen verf­tubes samengebracht op  één rechte lijn. De vormen die ontstaan bij het aaneenschuiven van vierkanten werken in een aantal  sculpturen suggestief. Ook  in de titels schuwt Andre het associatieve of illustra­tieve niet. Vanaf de tweede helft  van de jaren '80  maakt hij ook tekstbeelden met de typemachine, waarbij hij letters en woorden evenwichtig over het papier verdeelt.

Voor  het Middelheimmuseum  maakt hij op  Middelheim-laag een monumentale installatie met balen  stro.

Praktische informatie: Openluchtmuseum voor beeldhouwkunst Middelheim, Middelheimlaan 61, 2020 Antwerpen

Tel. 03 827  15 34 - 03 828  13 50; Fax 03 825 28 35 ; middelheimopenluchtmuseum@cs.antwerpen.be

Open van oktober tot eind maart 10- 17 uur, april en september: 10- 19 uur, mei en augustus: 10- 20 uur, juni en juli: 10-21 uur gesloten op maandag toegang gratis.

_________________________________

Koninklijk Zilver voor Volk  en  Vorst  1830-2000.

ANTWERPEN, PROVINCIAAL  MUSEUM  STERCKSHOF • ZILVERMUSEUM  NOG  TOT 22  JULI  2001

De tentoonstelling brengt voor het eerst zilverwerk samen dat tussen 1830 en 2000 voor het Belgische koningshuis werd vervaardigd. Er wordt zilver getoond dat de koninklijke familie voor eigen gebruik aankocht, evenals attenties die zij schonk aan personeelsleden, petekinderen, 100-jarigen of andere jubilarissen.

DE  WETENSCHAPPELIJKE  CONTEXT

Over de juweelkunst van de 19de en de 20ste eeuw werd reeds herhaaldelijk gepubliceerd. Op enkele schaarse artikels na, waren er tot voor kort geen  of nauwelijks wetenschappelijke studies over het Belgische zilver uit deze eeuwen. Toen het Provinciebestuur van Antwerpen in 1992 het Provinciaal  Museum voor Kunstambachten Sterckshof omvormde tot het Provinciaal Museum Sterckshof ­Zilvercentrum, nam  de museumstaf zich voor om deze periode te bestuderen en te exposeren.

In 1996 werd een tentoonstelling gewijd aan burgerlijk en kerkelijk art-decozilver uit de steden Antwerpen, Brussel en Gent. Twee jaar later, in 1998, volgde de expositie over het Belgisch burgerlijk zilver uit de belle époque en de art nouveau. Voor  beide tentoonstel­lingen verscheen er een  meertalige catalogus. Tijdens de voorberei­ding van  deze exposities werden talrijke nieuwe gegevens gevonden over de  band tussen het Koningshuis en de  Belgische edelsmeedkunst, waardoor het idee rijpte om  in 2001  een  tentoon­stelling te wijden aan  'Koninklijk Zilver', waarbij de  klemtoon ligt op de  binnen- en buitenlandse hofleveranciers, op  het gelegen­heidszilver en op de grote en kleine zilveren geschenken, waarmee volk en vorst in de  loop der tijden hun wederzijdse waardering uitdrukten. Het onderzoeksprogramma van het museum voorziet als vervolg (vermoedelijk in 2003 of 2004)  een  expositie over de zogenaamde Hollandse  Periode met edelsmeedwerk uit de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden (1815- 1830).

DE  TENTOONSTELLING

De tentoonstelling 'Koninklijk zilver voor volk en vorst' brengt voor het eerst zilverwerk samen, dat tussen 1830 en 2000 voor het Belgisch koningshuis werd vervaardigd. Hierbij wordt zowel edel­smeedwerk getoond dat door de  Koninklijke Familie werd aange­kocht voor eigen gebruik of om het weg te schenken. Zo kregen personeelsleden voor hun trouwe dienst, 100-jarigen en andere jubilarissen zilveren geschenken. De zevende opeenvolgende zoon of dochter van een gezin - en dus een petekind van het vorstenpaar - ontving een zilveren doopset of dito bestek. Zilveren wisselbekers en andere trofeeën werden aan sport- en toneelverenigingen geschonken. Ook kerken en  kloosters kregen bij bepaalde gelegen­heden 'koninklijk' edelsmeedwerk. Bij staatsbezoeken werden vaak zilveren  geschenken uitgewisseld. Bij koninklijke huwelijken, geboortes en bezoeken werd door het volk, verenigingen en instel­lingen zilver aan de  Koninklijke Familie geschonken. Tenslotte wordt ook  gelegenheidszilver getoond dat herinnert aan  bepaalde gebeurtenissen waarbij leden van  de Koninklijke Familie aanwezig waren, zoals de oprichting van  de Congreskolom te Brussel en de eerstesteenlegging van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Laken.

Door het samenbrengen van al dit zilverwerk krijgt de  bezoeker tevens een historisch en stilistisch  overzicht van de edelsmeedkunst vanaf de Belgische onafhankelijkheid  in  1830 tot nu.

Praktische informatie

Provinciaal museum Sterckshof-Zilvermuseum, Hooftvunderlei 160, B-2100 Antwerpen-Deurne, België; tel. (+32 3) (03) 360 52 50 fax (t32  3) (03) 360 52 53

e-mail: info@sterckshof.provant.be, open van dinsdag tot zondag van 10 tot 17.30 u. Toegangsprijzen: 200 BEF/120 BEF

______________________________

Rubens zilveren lampetstel ANTWERPEN,  RUBENSHUIS NOG  TOT  5   JUNI   2001

Op 11 december 1999 is het sidderen en beven in Monaco: Sotheby's veilt er immers een schitterende zilveren set bestaande uit een kan en een  bekken.

De stad Antwerpen wil de 4150 gram zilver aankopen voor het Rubenshuis, en  heeft daar een goede reden voor.  Eerst en vooral  is het kunstwerk een  prachtig voorbeeld van Vlaams zilverwerk uit de 17de eeuw. Maar vooral van belang is dat de kan en het bekken zijn vervaardigd door één van  de voornaamste Vlaamse edelsmeden uit de baroktijd, Theodoor de  Rasier, een  kunstenaar die overigens in relatie is met Peter Paul Rubens.  Bovendien is het pronkstuk door de barokke vormentaal in vele opzichten door de grote schilder beïn­vloed. De schaal bevat een bekoorlijke afbeelding van Suzanna en de Ouderlingen, omlijst door de  rijkversierde boord met cartouches en een  putti. De kan daarentegen is samengesteld uit tal van mytho­logische motieven die verwant zijn met de maritieme iconografie. Het zilveren ensemble is op een bepaald ogenblik in bezit van Rubens, 'een silvere  lampetschotel metten pot, weegende tsamen 17 marken' lezen we in zijn nalatenschapsinventaris in 1640. Het is tot de dag van de veiling in handen van  rechtstreekse afstamme­lingen van Rubens. De aankoop kan helaas niet doorgaan want wordt op een haar na gemist.

Toch komt het pronkstuk - met steun van de Koning Boudewijn­ stichting - na ruim 360 jaar terug naar het Rubenshuis. Een boei­ende dossiertentoonstelling. met zelden getoond  materiaal uit binnen- en buitenlandse instellingen.

Vermeldenswaard is zeker dat naar aanleiding van deze tentoon­stelling de acteur Karel Vingerhoets een reeks opvoeringen brengt van  de  monoloog 'Het convivium  van  Jacobus Edelheer', geschreven door Bert Popelier. In zijn tafelrede schetst Edelheer, een vooraanstaand functionaris van de stad Antwerpen, het politieke en filosofi­sche  klimaat van het ogenblik. De locatie is afwisselend het Groot Atelier in het Rubenshuis en de stemmige zalen van het Museum Mayer van de Bergh.

Pratkische in formatie

Rubenshuis, Wapper 9-11 , 2000 Antwerpen; Tel. 03/201.15.56;  Fax.03/227.36.92. Open van dinsdagtotzondag van 10 tot 17 uur. Toegangsprijzen: 200 BEF/100 BEF

Voor info in verband met 'Het convivium van Jacobus Edelheer': 03/220.81.11 of www.ticketantwerpen.be

AFBEELDING: - RUBENS  ZILVEREN LAMPETSTEL ©RUBENSHUIS, ANTWERPEN
__________________________________

'Anders  gekleed,  anders  gedragen.

Drie Antwerpse  kerken openen  hun  kleerkast'

ANTWERPEN, ST.-ANDRIESKERK, ST.-CAROLUS BORROMEUSKERK  & ST.-JACOBSKERK: VAN  29 MEI   TOT 30 SEPTEMBER  2001

Het thema mode is ook voor de kerken geen ongekende. Heel wat kerkelijk textiel heeft de mode op de voet gevolgd of is een eigen modieus leven gaan leiden. Wel gaat een bepaalde mode hier veel langer mee.

Omdat dit religieuze textiel in sacristiekasten opgeborgen blijft en omwille van minder gebruik nog nauwelijks het daglicht ziet, is dit modejaar 2001  een gelegenheid om deze kerkelijke mode nog eens uit de  kast te halen.  Drie Antwerpse kerken openen hun kleerkast: St.-Andries-, St.-Carolus Borromeus- en St.-Jacobskerk. Elke kerk zal één  of meerdere thema's belichten.

De St.-Andrieskerk kan uitpakken met 'de  garderobe van  O.-L.­ Vrouw'. Het verrast eenieder te zien over wat een (kleur-)rijke garderobe zo een  processiebeeld van Onze-Lieve-Vrouw beschikt: een  stoffelijk bewijs van  Maria's populariteit. Een apart fenomeen hierbij is de  recyclage van mooie 18de-eeuwse baljurken  tot zo'n madonnamanteL

De St.-Carolus Borromeuskerk met de kantkamer, richt zich op kant, borduurwerk en habijten: 'hyper - en anti-modieus'.

De St.-Jaccbskerk met de rijkste verzameling kerkgewaad: 'kazuifels in alle kleuren en stijlen'. Verspreid over een  twintigtal zijkapellen kun je de evolutie volgen van  de  liturgische gewaden, gaande van het figuratieve 16de-eeuwse Passiegewaad - het oudst bewaarde in Antwerpen, tot gestileerde hedendaagse creaties. En wil(de) je zelf een kazuifel maken: lees dan damesblaadjes uit het begin van de 20ste eeuw.

Praktische informatie

Voor alle informatie: Heilige Geeststraat 23, B-2000 Antwerpen, tel. 03/226.52.53; e-mail: info@topa.be; website: www.topa.be

OPENINGSUREN:

St.-Andrieskerk: open van ma - zo, van 14 tot 17 u, St.-Carolus Borromeuskerk:open van ma - za, van 10 tot 12.30 u en van  14 tot 17 u,; kantkamer enkel wo en do,

St.-Jacobskerk: open ma tot zo, van 14 tot 17 u

Toegangsprijzen:

St.-Andrieskerk: 50 BEF (voor de tentoonstelling, kerk vrij toegankelijk),

St.-Carolus Borromeuskerk:  50 BEF (voor de kantkamer, kerk vrij toegankelijk), St.-Jacobskerk: 70 BEF.

________________________________

Panamarenko - GENT, SMAK, NOG  TOT 21 MEI 2001

In zijn  zoektocht naar het maken van vliegmachines, voertuigen en ruimteschepen, is Panamarenko al sinds de jaren '60 gefascineerd door de natuurwetten, de  bewegingen van insecten en dieren, de  natuurelementen en energiebronnen.

Hij ontwikkelt hierin zijn eigen vormentaal die aanleunt bij de wetenschappen, maar  die duidelijk een  eigen originele  positie inneemt. Panamarenko's uitgangspunt hierbij is dat niets zomaar aangenomen wordt, zodat hij alles zelf opnieuw onderzoekt en berekent. Hijzelf is als een uitvinder-ingenieur die ervan droomt om de mens  op eigen krachten in het luchtruim te laten voortbewegen. Uit de wetenschap  destilleert hij zijn eigen afleidingen,  theorieën en bouwsels. Reeds bestaande vaartuigen zoals de zeppelin, de onderzeeër, het vliegtuig of de auto worden op een meer esthe­tische manier heruitgevonden, waarbij de harmonie tussen materia­liteit en  functionaliteit centraal staat. De werken die hij steeds handmatig  realiseert, bezitten opmerkelijke poëtische kwaliteiten, en bevinden zich tussen kunst en wetenschap.

AFBEELDING: - PANAMARENKO, 1940 AEROMODELLER 1969-71,© DIRK PAUWELS,  SMAK GENT

Praktische informatie

SMAK, Citadelpark, 9000 Gent; Tel: 09/22 1.1 7.03 - Fax: 09/22 1.71 .09; E-mail: museum.smak@gent.be

Open van dinsdag tot zondag van 10 tot 18 uur. Gesloten op maandag Toegangsprijs: 200  BEF Reductieprijzen: 150 BEF (groepen en reductiehouders), 100  BEF (schoolgroepen)

______________________________

 Re-touche,  250  jaar  schilders van  de Gentse  academie - GENT,   SINT-PIETERSABDIJ , VAN   7   SEPTEMBER   TOT  7  OKTOBER  2001

'Re-touche' is een typische term uit de restauratie welke wijst op herstel, hier verwijzen we naar een nieuwe aanraking, in dit geval met de 250-jarige geschiedenis van de Genste Academie. Via historische aanknopingspunten worden oudere en  recentere stukken thematisch verwerkt.

De thema's zijn geïnspireerd op elementen van de plastische taal zodat de aandacht van de bezoeker zoveel mogelijk naar de  intrin­sieke kwaliteiten van de schilderijen wordt getrokken. Er worden eveneens plaasters, tekeningen, foto's en documentair materiaal in de tentoonstelling opgenomen.

De grote thema's zijn (Zelf-)portret, Tonaliteit  en decoratie, Lijn, Mimesis, Kolorisme en matière en Purgatorium.

Op woensdag 12  september 2001  om  18.30 u. geeft Stef van  Bellingen voor OKV abonnees een  rondleiding  in  de tentoonstelling.

Praktische in formatie

Kunsthal De Sint-Pietersabdij, Sint-Pietersplein 9, 9000 Gent. Toegangsprijs: 200 BEF/100 BEF, gratis voor studenten tot 26 jaar

_________________________________

 Pieter  Bruegel de Oude, Meestertekenaar en Humanist. - ROTTERDAM, MUSEUM  BOIJMANS VAN  BEUNINGEN VAN  24  MEI  TOT  EN  MET  5  AUGUSTUS  2001

In samenwerking met het Metropolitan Museum in New Vork organiseert Museum Boijmans Van Beuningen in 2001  een grote overzichtstentoonstelling van tekeningen en grafiek van Pieter Bruegel de Oude.

Behalve schilder was Pieter Bruegel de Oude (ca.1 525- Brussel 1569) ook  een meesterlijk tekenaar. Van de achtenzestig tekeningen die van hem  bewaard gebleven zijn, zullen  ruim vijftig in Museum Boijmans Van Beuningen getoond worden. Daarnaast wordt aandacht besteed aan zijn grafisch werk aan  de  hand  van  een  veer­tigtal prenten. De tekeningen en prenten komen uit de collecties van musea in Europa en Amerika  alsmede uit diverse particuliere verzamelingen. Gezien de zeldzaamheid en kwetsbaarheid  van  dit werk op papier is een  tentoonstelling van een  dergelijke omvang een uitzonderlijke gebeurtenis.

Aan de tekeningen van Pieter Bruegel de Oude is voor de laatste keer in 1975 in Berlijn een  groot overzicht gewijd. Sindsdien is door wetenschappelijk onderzoek de  kennis  over zijn oeuvre aan  teke­ningen en grafiek aanzienlijk verbeterd. Dat betekent onder meer dat een  groot aantal  tekeningen niet langer aan hem wordt toege­schreven. De tentoonstelling in Rotterdam en New York geeft voor het eerst een  beeld van het opgeschoonde oeuvre. Een aantal  van deze bladen wordt echter wel getoond onder meer om te laten zien hoe het beeld van Bruegel de Oude als tekenaar/ontwerper steeds helderder is geworden.

'Pieter Bruegel de Oude, Meestertekenaar en Humanist' zal na Rotterdam alleen nog te zien zijn in het Metropolitan Museum  in New York. Bij de tentoonstelling verschijnt een  Engelstalige weten­schappelijke catalogus alsmede een Nederlandse uitgave die op een breder publiek gericht is.

AFBEELDING: - PIETER  BREUGEL DE  OUDE, 1525 - 1569, DE  SCHILDER  EN DE KUNSTKENNER, ©  K.M. ALBERTINA, WENEN

_____________________________

Jheronimus  Bosch

ROTTERDAM, MUSEUM BOIJMANS VAN  BEUNINGEN,  VAN   1   SEPTEMBER  TOT  EN   MET   11    NOVEMBER   2001

Over zijn leven valt al net zo weinig met zekerheid te vertellen als over de betekenis van zijn schilderijen. Toch  geldt Bosch (ca. 1450-1516) als een van de meest tot de verbeelding sprekende kunstenaars van zijn tijd.

 Dat heeft hij te danken aan  zijn raadselachtige voorstellingen vol duivels, monsters en andere fantastische creaturen. Over de  moge­lijke interpretaties daarvan zijn inmiddels  boekenkasten vol geschreven en nog steeds wordt hierover druk gespeculeerd onder kenners.

Ter gelegenheid van  Rotterdam Culturele Hoofdstad 2001  heeft Museum  Boijmans Van Beuningen de  bijna onmogelijke taak op zich genomen een  tentoonstelling over het leven en werk van Jheronimus(of Jeroen) Bosch te organiseren. Uitgangspunt daarbij is de  eigen  collectie. Het doel  van  de tentoonstelling is niet alleen om  enkele hoogtepunten  uit het oeuvre van  de wereldvermaarde kunstenaar bijeen te brengen, maar vooral ook om te laten zien  hoe zijn gedachtenwereld aansloot bij die van zijn tijdgenoten, onder wie de beroemdste Rotterdammer uit de geschiedenis, Erasmus.

De collectie van Museum Boijmans Van Beuningen bevat naast vier originele panelen van Bosch (uit een  totaal van ca . 25 als authentiek beschouwde schilderijen!) ook enkele tekeningen en een vijftal navolgingen van Bosch. Daarnaast bezit het museum de grootste collectie materiële volkscultuur uit de  late middeleeuwen in Nederland zoals huishoudelijke gebruiksvoorwerpen, maar  ook kerkelijk vaatwerk en pelgrimsinsignes. Met  de eigen collectie als uitgangspunt wordt een  beeld geschetst van de wereld van Jeroen Bosch. Historische en sociale achtergronden treden prominent  op de voorgrond, waarbij Bosch niet als een eigenzinnige en wereld­vreemde eenling, maar veeleer als een  kind van zijn tijd gestalte zal krijgen.

Daarnaast is het museum druk bezig om ook de nodige bruiklenen van werken van  Bosch aan de tentoonstelling toe te voegen. Uiteraard zullen daar de bekende, zeer kwetsbare drieluiken zoals De tuin der  lusten, het hoogtepunt van de collectie van Museo  del Prado in Madrid, niet bij kunnen zijn, maar  wel  beroemde kleinere werken uit diverse Europese en Amerikaanse instellingen. Ook Bosch' tekeningenoeuvre is zo goed als volledig te zien  op de expo­sitie.

De presentatie wordt verder aangevuld met belangrijke  schilderijen en tekeningen uit de omgeving van Bosch. De wetenschappelijke leiding van  de tentoonstelling is in handen van  Prof. dr. Jos Koldeweij (Nijmegen), erkend specialist op het gebied van de  kunst  en kunstnijverheid van de Late  Middeleeuwen en Renaissance in de Nederlanden. Koldeweij was nauw betrokken bij de organisatie van de tentoonstelling 'In Buscoducis', over kunst en cultuur  in de geboorte- en- woonplaats van Jeroen Bosch  in de  periode 1450-1629 ('s-Hertogenbosch 1990).

Tijdens 'Jheronimus Bosch', van 1 september t/m  11 november 2001, hanteert Museum Boijmans Van Beuningen verruimde openings­tijden zodat iedereen de tentoonstelling kan  bezoeken. Vanwege het bijzondere karakter van  de  expositie en vanwege de hoge kosten die ermee zijn gemoeid, wordt een  extra toeslag berekend op de normale entreeprijs. Een gewoon toegangskaartje zal f 20,­ kosten (groepsprijs f 15,- pp.).

AFBEELDING: - JHERONIMUS  BOSCH, 1450-1516, DE  KEISNIJDING,  © MUSEO DEL  PRADO. MADRID

_______________________________________

 Exit CongoMuseum - TERVUREN,  KONINKLIJK  MUSEUM  VOOR  MIDDEN- AFRIKA, NOG   TOT   24  JUNI   2001

 Deze tentoonstelling vormt een eerste aanzet tot de geplande renovatie van de tentoonstellingszalen. Uitgangspunt is 125 topstukken uit de permanente collectie die eerder al deel uitmaakten van de tentoonstelling 'Verborgen schatten', in 1995.

Na een rondreis langsheen 9 Europese en  Noord-Amerikaanse musea worden deze voorwerpen nu onderworpen aan  een kritische reflectie, waarbij de bezoeker aangezet wordt na te denken over de bewaring en  presentatie van deze stukken doorheen de tijd. Wat is hun  herkomst en hoe kwamen ze in de collectie terecht? Wie kocht ze aan? Waaraan  hebben ze hun 'bevoorrechte' status te danken?

Gelijktijdig hiermee geven acht hedendaagse kunstenaars gestalte aan hun visie over het museum. Hun werken gaan in confrontatie met het museum als instelling, als oord van  'herinnering'. Kunnen we culturen eigenlijk nog wel in glazen kasten stoppen in deze tijden van toenemende mondialisering?  Edith Dekyndt, Meschac Gaba,  Philippe Aguirre, Johan Muyle, David Hammons, Toma Mutebe Luntumbe, Luc Tuymans en Barthélémy Toguo bogen zich verder over dit vraagstuk.

De bedoeling is dat de toeschouwer, zowel de  bezoeker van thema­tentoonstellingen als de  liefhebber van  hedendaagse kunst, tijdens het parcours voortdurend verrast wordt en op het verkeerde been wordt gezet. Het resultaat is dat met deze manifestatie heel  het instituut 'Afrika-museum' in vraag wordt gesteld.

 

AFBEELDING: - EXIT  CONGO, FOTO:  KONINKLIJK MUSEUM VOOR  MIDDEN-AFRIKA

Praktische informatie:

Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, Leuvensesteenweg 13, 3080 Tervuren Tel: 02769.52.11, Open van 10 tot 17 uur, op zaterdag, zondag en feestdagen van 10 tot 18 uur

Gesloten op maandag. Toegangsprijzen: 200 BEF (individueel), 130 BEF (groepen, 65+) en 80 BEF (kinderen, studenten)

________________________________

Recentie

Paul Bauters, Van zadelsteen tot Zetelkruier, 2000 jaar molens in Vlaanderen

In 1998 verscheen het eerste deel van wat het magnum opus van bezield molenaar­-malinoloog Paul Bauters moet worden. Drie jaar later is het de beurt aan het tweede deel.

Hierin staat de beschrijving van de bouw en de werking van de molens met natuurlijke aandrijfkracht in de tweede helft van de 19de eeuw centraal. Ondanks de technische verbeteringen die, dank zij de nieuwe technologische kennis, ook het molenaarsberoep ten goede kwam, betekende deze technologische optimalisering ook het begin van het einde van het molentijdperk. Verhoogde windgevoeligheid kon immers niet op tegen de nieuwe aandrijftechnieken die een permanente werking konden garanderen. De grote technische variëteit die de molens eind 19de eeuw kenden wordt in dit technisch deel tussen de teerling en de windvaan (voor staakmolens) en tussen de grondvesten en de kap (voor bovenkruiers) bijzonder uitgebreid toegelicht. Hierbij wordt ook niet voorbijgegaan aan de watermolens, waarbij een aantal speciale types, die in het economisch overzicht van Boek1 onderbelicht bleven, nu wel worden aangehaald, zoals de papiermolens (pp. 69-74, maar dan wel het Ancien-Régime type zoals te zien is te Arnhem en niet de 19de­ eeuwse gemechaniseerde varianten zoals rond Brussel) en andere gespecialiseerde types. Dat de auteur windmolenmulder is, wordt ten overvloede duidelijk in de uitzonderlijk grondige en uitvoerige technische uitleg over dit soort molens.

Bijzondere aandacht wordt ook besteed aan de maalstenen en de verdere uitrusting van de maalstoel. Gespecialiseerde windmolens als olieslag-, pel- en pompmolens krijgen nog een afzonderlijke behandeling. De aandacht voor het molenmakersalaam slaat voornamelijk op de gebruikte hijssystemen.

Net zoals in deel 1  zijn er een aantal storende lay-out onnauwkeurigheden en wordt de hoogstaande technische kwaliteit van de tekeningen van G.J. Pouw verstoord door een niet zo gelukkige kleurenkeuze van blauw (bv. p. 62), bruin of groen (bv. pp. 312-313), die de noodzakelijke rust bij lezing van een belangwekkend referentiewerk niet ten goede komt.

HARRY VAN ROYEN

'Van zadelsteen tot zetelkruier. 2000 jaar molens in Vlaanderen. Boek 2: Bouw en werking van de molens met natuurlijke drijfkracht rond 1850 en in de natijd',

Provincie Oost-Vlaanderen, Gent, 2000. Gedrukt  bij Drukkerij Emka, Kruishoutem.,367 pagina's, een 365 illustraties.  Vollinnen band met wikkel, 24 x 30 cm., 2.000 BEF (50  EUR)

Bestellen: Provinciaal Molenmuseum, Puyenberg 5, 9185 Wachtebeke,

tel 09/342.42.40, fax 09/342.42.56, E-mail: molenmuseum@oost-vlaanderen.be

______________________________

 

 

 

Amandine, Andre Carl, Angèle, Antonis Erik, Antwerpen, Archeologische Dienst Waasland, Baasrode, Bauters Paul, Boeddha, Breydel, Bruckert Rasso, Caille Pierre, Carolus-Borromeuskerk Antwerpen, Céphée, Chanel Coco, Chantier Naval de Rupelmonde, Clotilde, De Bel Marc, De brakke Grond Amsterdam, de Duve Thierry, De Keisnijding, De kwartel, de Rasier Theodoor, De schilder en de kunstkenner, De Waternimf, De zee, Delvaux Paul, Département des Aigles, Dewitte Kris, Doelse kogge, Egypte, Emotions/Video-stills, Erasmus Desiderius, farao, Fémur d'homme belge, Fireworks, Gijverinkhove, Grard George, Grard-Van Mieghem Francine, Hammans David, Hansen Hans, Helmwein Gottfried, Hertmans Stefan, Josefsohn Daniel, Kawakubo Rei, Knight Nick, Koldeweij Jos, La Salle blanche, Leopard, Liomar, Longmen, Maillol Aristide, Marijnen Franz, Maritime site Oostende vzw, Martens Olaf, Mercator, minimal art, Moeyaert Bart, Mon Désir, Musée d'Art Moderne, Museum Boijmans Van Beuningen Rotterdam, Neslo Alida, Oostende, Panamarenko, Peeters Michel, Pense-Bête, Peterink Odette, Popelier Bert, Radicals, Renoir Auguste, Rival André, Roelstraete Dieter, Rubens Peter Paul, Rupelmonde, Sauwens Johan, scheepswerf Van Damme, scheepswerf Van Praet, Schultze-Motel Falk, St.-Andrieskerk Antwerpen, St.-Jacobskerk Antwerpen, Stichting Grard, Stone Field sculpture, Stroux Marily, Suzanne en de Ouderlingen, Szeeman Harald, Trotter vzw, Tuymans Luc, Un Jardin d'Hiver, Van Bellingen Stef, Van de Genachte Carl, Van de Veire Frank, Van Isacker Philip, van Royen Harry, Vande Wijngaert Lea, Vercruysse Rudy, Verstraete Els, Vingerhoets Karel, vzw Archonaut, Wei-dynastie, Weiner Laurence, Westhinder, Windmolen, Wouters Peter, Xiaowen, Zeno X, Zittende vrouw, OKV2001, Bosch Jheronimus, Broodthaers Marcel, Bruegel Pieter I, OKV2001.2+