U bent hier

Museum voor Natuurwetenschappen - De Janletzaal, een vleugel van licht voor de dinosauriërs

Museum voor Natuurwetenschappen

 

Inleiding

 

 
Het Museum voor Natuurwetenschappen in Brussel is een van de weinige musea in ons land dat nagenoeg iedereen heeft bezocht. Generaties schoolkinderen keken er met grote ogen naar de vele verzamelingen en herinneren zich vooral de Janletzaal met het indrukwekkende leger dinosauriërs.
 
 
Dit themanummer opent met het prille begin van het Musée royal d' Histoire naturelle in 1846, gehuisvest op het Museumplein, en vertelt over belangrijke ontdekkingen van oude fossielen: de mammoet van Lier in 1860, walvisskeletten te Antwerpen tussen 1860 en 1870 en de iguanodons van Bernissart in 1878. Ontelbare andere dieren en planten die onze ondergrond prijsgaf of die avonturiers meebrachten van hun exploratietochten verhuisden naar het museum. Ook de neanderthaler van Spy, gevonden in 1886, kreeg er een plaats.
 
 
Het museum barstte uit de voegen en de toenmalige directeur Edouard Dupont verhuisde het in 1891 naar een leegstaand kloosterpand in het Leopoldpark. Dupont gaf onmiddellijk de opdracht voor een bijkomende vleugel. Architect Charles- Emile Janlet tekende voor een gigantische en toch sierlijke zaal met een uitzonderlijke lichtinval. Hier wandelden de bezoekers miljoenen jaren terug in de tijd, van de holenberen en holenleeuwen, oerossen en mammoeten uit het quartair, naar de primitieve paardjes, sabeltandtijgers en walvissen uit het tertiair. Wat verder stond men in het bovenkrijt met reuzenschildpadden en reuze waterhagedissen, om te eindigen bij de iguanodons van het beneden krijt.
 
 
De Janletzaal is nu volledig gerenoveerd. De imposante skeletten zijn er nog steeds, geflankeerd door vele interactieve opstellingen die een zo precies mogelijk beeld geven van de lang vergane wereld van de dinosauriërs.
 
 
In dit themanummer is er ook een kort bezoek aan de vele andere zalen van het Museum voor Natuurwetenschappen en een blik achter de schermen van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen, waar het museum deel van uit maakt.
 

INHOUD:

  • Het verleden van het museum en van de planeet
  • Bouwen aan een museum van de twintigste eeuw
  • Na de renovatie: de grootste dinogalerij van Europa
  • Praktische informatie

 

Er kan altijd nog eentje bij - Het verleden van het museum en van de planeet

 
 
 
Nationale collecties vloeien vaak voort uit vorstelijke collecties. Vorsten verzamelden boeken, kunstwerken en ook zoologische, mineralogische en geologische objecten. Meestal verwijst men ook voor het Museum voor Natuurwetenschappen in Brussel naar een koninklijke afstamming. Het rariteitenkabinet van Karel-Alexander van Lotharingen, landvoogd in de achttiende eeuw, in naam van zijn schoonzus Maria Theresia en later haar zoon Jozef II, zou aan de oorsprong liggen van de collecties. Maar de lezer moet zich daar niet te veel bij voorstellen. Na de dood van de gouverneur liet de keizer-koster de spullen van zijn oom openbaar verkopen om de schulden van de levenslustige Karel te delgen. De Theresiaanse academie kon wel een groot deel aankopen, maar tijdens de Franse revolutie werd deze instelling het slachtoffer van plunderingen. In elk geval, wat we vandaag nog met zekerheid kunnen toeschrijven aan deze imperiale verzameling, is quasi nihil. 
 
 

EMBRYO VAN HET MUSEUM

 

De exploratiemicrobe was in elk geval niet dood in het hartje van onze hoofdstad. In een aanplakbiljet van tweede kerstdag 1806, lichtte de Brusselse burgemeester de bevolking erover in, dat in 1807, twee maal per week, lessen zouden worden gegeven, eerst in de mineralogie, nadien in de botanica en in de zoölogie. Onder leiding van de lesgever, conservator van de 'cabinets de physique et d'histoire naturelle' van de stad Brussel, zou men er in de zomer ook wekelijks op uittrekken om te herboriseren. Giften van particulieren, en ook de vrijgevigheid van Willem I, zorgden er spoedig voor dat er opnieuw sprake was van een natuurhistorische verzameling. De zoon van Willem I, kroonprins Willem van Oranje, had overigens bij een reis door Rusland in 1823 een verzameling Russische mineralen cadeau gekregen. In 1828 schonk hij deze aan het toenmalige stadsmuseum, en vandaag vormen ze de oudste kern van onze mineralogische collectie, met prachtige stukken beril, malachiet en topaas.
 
 
De stadscollectie werd staatseigendom in 1843 en op 31 maart 1846 volgde de oprichting van het Musée royal d' Histoire naturelle. Het was gevestigd waar ooit Karel van Lotharingen had gewoond en zijn rariteitenkabinet had aangelegd, in de gebouwen aan het huidige Museumplein.
 
 
Ondertussen bleven de bezittingen aangroeien met planten, dieren en mineralen van bij ons en ook met 'souvenirs' die gefortuneerde avonturiers meebrachten van hun exploratietochten. Zoogdieren, met toen reeds walvissen, veel vogels, reptielen, vissen, gewervelde dieren, weekdieren, zoöfieten, planten, mineralen ... Het raakte er behoorlijk vol en de grote infrastructuurwerken die de economische groeipool België in die jaren ondernam, droegen hier toe bij. Zo was een mammoet die in 1860 uit de ondergrond van Lier werd gehaald, automatisch staatseigendom en al even automatisch een nieuw pronkstuk van het museum. Vandaag nog vergapen jaarlijks tienduizenden kinderen zich aan deze verre verwant van de olifant, die hier meer dan 12.000 jaar geleden rondliep.
 
 
Ondertussen viel je overal in het gebouw over de collectiestukken. Een rapport van de museuminspectie aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken doet 150 jaar later glimlachen, maar verraadt de ellende waarin de instelling moest functioneren. Sommige zalen stonden zo vol, aldus het rapport, dat ze voor het publiek moesten worden gesloten, in het bureau van de directeur bevonden zich ook het secretariaat, de bibliotheek, het archief en een deel van de collectie vogels. Het taxidermielokaal diende ook als
vergaderzaal voor de Raad van het museum.
 
 
In 1868 trad een nieuwe directeur aan. Piepjong, amper 27. Edouard Dupont was geoloog, gespecialiseerd in opgravingen in grotten uit de streek van Namen. Zijn levenswerk werd het om het museum te gebruiken als een instrument voor de exploratie van het nationaal grondgebied. De gebeurtenissen zouden hem hierbij een flink handje helpen.
 
 

 

Gedicht van Geert Van Istendael: De iguanodons van Bernissart

 

Waar helpen arbeiders geleerden?
 
Waar delft men zuiver wetenschap?
 
Waar groeit de mensheid,
 
bloeit een schoner landje?
 
Waar leven rijk en en arm in harmonie?
 
In Belgenland, zo klein,
 
maar toch zo dapper,
 
dààr baant de toekomst
 
stralend zich een weg!
 
Dat kleine land bevat veel schone zaken: 
 
zijn steden, bodemschatten, nijverheid...
 
Maar méér is er,
 
want een onzichtbare hand heeft
 
het opgesloten in de vaart der volkeren,
 
ontstak in simpele lieden het zielevuur!
 
Bezie des mijnwerkers verstandige blik!
 
Bezie die vastberaden hand en hoor
 
die koene lach! Merk hoe hij met geleerden
 
bezonnen spreekt over de grote taak:
 
de beesten ongeschonden bovenhalen,
 
zodat het mensdom stoot op het raadsel tijd,
 
dat zich, onpeilbaar, aan verstand onttrekt,
 
verstand, dat tóch doorgronden wil,
 
bevatten,verklaren nastreeft,
 
doch dat slechts de resten in
 
hypothetische geraamten vat.
 
Dank zij het delven van de noeste Belgen
 
Is er vooruitgang, gloort de wetenschap
 
 
Uit Geert van Istendael,, De iguanodons van Bernissart, Amsterdam,
De Arbeiderspers, 1987, p.32
 
 

 

GEEN APRILVIS, MAAR DINO'S

 
 
In de dichtbundel 'De iguanodons van Bernissart' noemt Geert van lstendael de glans van de iguanodons een negentiende-eeuws geschenk. De iguanodons zelf, een soort dinosauriërs, zijn een geschenk uit de nacht der tijden.
 
 
In het ooit voorspoedige Henegouwen, ten westen van Bergen, bijna in Frankrijk, ligt het mijnstadje Bernissart. Op 28 februari 1878 waren arbeiders, bij het ontginnen van een steenkoolader, gestoten op kleilagen. Ze waren dit gewend, want in de Henegouwse steenkoolmijnen komt het vaak voor dat de steenkooladers zijn doorsneden door ondergrondse verzakkingen, opgevuld met kleiachtige afzettingen, die men normaal veel hoger in de ondergrond kan verwachten. Zo snel mogelijk erdoorheen, luidde het devies dan.
 
 
Eind maart 1878 vond mijnwerker Jules Créteur in zo een kleilaag een onverwacht voorwerp. Hij en  zijn collega's dachten dat het om een fossiele boomstronk ging. Maar er was iets met de vondst van Jules Créteur, ze scheen goud te bevatten. Wellicht is het daarom dat ze niet op de hoop ging, maar dat de mijnwerkers - eerlijk als goud - ermee naar mijndirecteur G. Fagès trokken. Deze vermoedde dat het om fossiele beenderen ging.
 
 
Op zijn Belgisch nam een van de mijnopzichters een paar vondsten mee op café. De dokter die aan de mijn was verbonden, bevestigde dat het om beenderen ging. De mijndirectie nodigde een bekend mijningenieur, L. F. Cornet uit voor een bezoek. Maar het cafébezoek had plaatsgevonden op 2 april, en ingenieur Cornet vreesde dat het om een aprilvis ging. Daarom wachtte hij tot 8 april voor hij persoonlijk poolshoogte kwam nemen in Bernissart.
 
 
Het werd ook duidelijk dat het blinkende geelachtige materiaal van de beenderen geen goud was, maar pyriet, een mineraal gevormd bij het fossiliseren, dat er voor niet-specialisten uitziet als goud. In het Engels wordt pyriet ook wel 'fool's gold' genoemd, in het Nederlands 'gekkengoud'.
 
 
Mijndirecteur Fagès zou later vertellen dat hij hoogstpersoonlijk, en pas op 5 april, een iguanodonbeen in de klei had zien steken. In elk geval duurde het nog tot 12 april voor de administratie der mijnen een telegram stuurde naar het Natuurhistorisch Museum. En plots kon het niet snel genoeg gaan: "Belangrijke ontdekking beenderen in breuk steenkoolmijn Bernissart vallen uit mekaar door pyriet stuur De pauw morgen aankomst 8 uur 's morgens station Bergen ik zal daar zijn dringend". Was getekend Gustave Arnaut, de hoofdingenieur van de Henegouwse steenkoolmijnen.
 
 
Nu was Louis De Pauw niet aan zijn proefstuk toe. Hij had al meegewerkt aan het opstellen van de mammoet van Lier. Op zaterdag 13 april daalde hij mee af in de mijn en stond hij midden in een uiterst rijk fossielenveld, waarin hij overal planten en hier en daar resten van vissen kon ontwaren. Die namiddag nog groeven mijnwerkers een dijbeen en een scheenbeen uit, maar het contact met de lucht, na tientallen miljoenen jaren onder ondoordringbare kleilagen, deed de beenderen hoorbaar kraken. Het pyriet deed zijn werk.
 
 
De Pauw bood zijn medewerking, zijn kennis en zijn ervaring aan: hij stelde voor de beenderen die bloot kwamen te liggen onmiddellijk te voorzien van een laag plaaster, wat voor een luchtdichte verpakking zou zorgen. Verpakt in plaaster zouden de beenderen ook het transport kunnen doorstaan. Het is een techniek die paleontologen vandaag nog wereldwijd toepassen.
 
 
Tussen 1878 en 1881 werkten De Pauw en twee collega's van het museum, samen met negen mijnwerkers, eerst op een diepte van 322 meter, nadien van 356 meter. Ze haalden een dertigtal iguanodons boven, en ook duizenden vissen, zes zoetwaterschildpadden, een salamander, vier krokodillen, duizenden planten en honderden coprolieten, een uit het Grieks afgeleid woord voor fossiele uitwerpselen.
 
 
Het werk was niet zonder gevaar, de hele ploeg zat eens twee uur afgesloten van de buitenwereld na een mijnschok, moest een andere keer vliegensvlug de benen nemen op de vlucht voor stijgend grondwater of telde gekwetsten, waaronder Louis De Pauw zelf, door een instortende stelling. In 1881 stopten de werken, hoewel men met zekerheid wist dat er nog heel wat schatten in de ondergrond van Bernissart zitten. Tot op vandaag zijn deze werken niet hervat wegens de enorme budgetten die ervoor nodig zijn.
 
 

 

EERSTE MONTAGE

 
 
In de jaren volgend op de vondst monteerde men de skeletten van de iguanodons volgens de toen heersende idee dat het om tweevoeters ging. Het pyriet werd zoveel mogelijk verwijderd en de beenderen werden, zo nodig, ter versteviging in een mengsel van schrijnwerkerslijm gedrenkt. De holten die ontstonden door het weghalen van het pyriet kregen een opvulling met een mengsel van schrijnwerkerslijm en talk (carton-pierre), plaaster en ijzerdraad.
 
 
De donkere kleur van de beenderen is overigens niet het gevolg van deze behandeling, maar van het feit dat de afbraak van weefsels gebeurde in afwezigheid van lucht. Een detail uit het atelier geeft een idee, zowel van de omvang van iguanodons als van de massa van fossielen: in sommige wervels zat meer dan 1 kilogram pyriet. Onder leiding van Louis De Pauw en met een struisvogel- en een kangoeroeskelet als model, werd een eerste exemplaar gemonteerd in de toenmalige werkplaats van het Museum. Dat lokaal kreeg sindsdien een andere bestemming, het is namelijk de Nassaukapel van de Koninklijke Bibliotheek. Plaats voor het tentoonstellen van dit prehistorisch gevaarte was er niet en men bouwde dan maar een vitrine op het Museumplein, waar het publiek zich vanaf 1883 eerst vergaapte aan één, en nadien aan twee iguanodons, net als aan losse iguanodonbeenderen zoals een schedel, of nog aan schildpadden en krokodillen, dat alles uit Bernissart.
 
 
Dat men het monteren van de iguanodons als een gebeurtenis van nationaal belang aanzag, blijkt uit het feit dat het schilderij van A. Bustiau, dat een voorlopige opstelling uit november 1878 weergeeft, een plaats kreeg op de Wereldtentoonstelling in Brussel in 1897.
 
 
De naam iguanodon is overigens geen Belgisch fabrikaat. Hij verwijst naar een opvatting uit de negentiende eeuw, waarbij de tanden van deze reuzenreptielen werden vergeleken met die van leguanen en werd al in 1825 aan fossielen gegeven, terwijl dinosaurus, 'vreselijk grote hagedis', een term uit 1841 is.
 
 

 

EXPLORATIE VAN HET NATIONAAL GRONDGEBIED

 

 
Net zoals in literatuur, beeldende kunsten of muziek, trok ook op het vlak van natuurwetenschappen een vlaag van patriottisme door het land. De exploratie van het nationaal grondgebied leidde tot een voortdurende aangroei van de verzamelingen. Tussen 1860 en 1870 kwamen bij graafwerken voor de bouw van de Antwerpse fortengordel vele fossiele walvisskeletten uit de polderklei. Honderden kubieke meter fossielen, van zeereuzen tussen de twee en de twintig miljoen jaren oud, verhuisden naar het museum. Een grot in Goyet gaf in 1869 fossiele skeletten prijs van holenberen en holenleeuwen, en de ontdekker was niemand minder dan de enthousiaste directeur Dupont zelf. In 1886 vonden onderzoekers resten van Homo sapiens neanderthalensis in een grot in Spy, nabij Namen. Ook in het Henegouwse Spiennes werden resten van neanderthalers opgegraven.
 
 
Toen reeds was duidelijk dat de expansie van de collecties alleen nog maar zou toenemen. De tijdsgeest hielp ook een handje. Er waren niet alleen de eigen wetenschappers, die toen nog dieren doodden om ze in hun bureau te bestuderen. Privépersonen waren vaak heel vakkundige verzamelaars. Het museum had nauwe contacten met baron Michel- Edmond de Selys-Longchamps, die een verzameling met duizenden vlinders, libellen en ook vogels aanlegde. Dupont zou in 1899 zijn latere opvolger, Gustave Gilson, op exploratie sturen in de Noordzee. Het museum had ook contacten met andere verzamelaars zoals Philippe Dautzenberg, die van het verzamelen van schelpen zijn levenswerk
maakte en bij zijn dood in 1935 tienduizenden schelpen en een belangrijke bibliotheek aan het museum naliet.
 
 
De wetenschappelijke literatuur over al deze onderwerpen kende in de negentiende eeuw een explosieve groei. In de huidige bibliotheek van het Museum voor Natuurwetenschappen, die 600.000 banden telt, zitten tienduizenden volumes uit de negentiende eeuw.
 
 

 

PLAATSGEBREK VOOR DE COLLECTIES

 

 
Met de iguanodons in een vitrine op straat, werd het probleem van plaatsgebrek zo duidelijk, dat het Museum gauw een nieuw gebouw toegewezen kreeg. Men opteerde voor een pand boven aan het Leopoldpark, dat geconcipieerd was om een redemptoristinnenklooster te huisvesten, maar nooit die functie vervulde omdat de kerkelijke autoriteiten de locatie uiteindelijk niet zo geschikt vonden. Het leegstaande klooster vormde een tijdje de administratieve lokalen van de Brusselse zoo, een privé-initiatief dat tussen 1851 en 1877 in het Leopoldpark was gevestigd. Maar door een weinig oordeelkundig beheer en een steeds schrijnender gebrek aan publieksbelangstelling, ging deze dierentuin roemloos ten onder. Vele dieren werden er ook ziek en stierven. Bekend is het verhaal van de olifant, die bij de sluiting met zijn verzorger de weg naar de Antwerpse zoo te voet aflegde. Het Koninklijk Natuurhistorisch Museum kon zijn intrek nemen in het lege gebouw. Het opende er zijn deuren op 22 juli 1891. En meteen, in zijn dankwoord tot Leopold II, zei directeur Dupont dat het nieuwe gebouw te klein was. Dupont was een man die plannen maakte .
 

 


AFBEELDINGEN: 

  • Anno 1806:Gratis lessen voor iedereen in 'natuurlijke historie'
  • Oude prentkaart uit de reeksen uitgegeven door het KBIN
  • Edouard Dupont (foto)
  • De mammoet van Lier zoals vandaag tentoongesteld
  • Beril, topaas en malachiet uit de Russische collectie
  • Iguanodons 'in situ' zoals ze in het Museum werden getoond tot in 2003
  • Pyriet op de duim van een iguanodon
  • Het telegram dat de vondst van Bernissart aankondigt
  • Schematische voorstelling van de mijn van Bernissart
  • Kinderen bewonderen een krokodil uit Bernissart
  • Vandaag nog worden opgegraven beenderen geplaasterd
  • Eerste opstelling van een iguanodongeraamte in de huidige Nassaukapel (1878). Het skelet van een struisvogel en een kangoeroe stonden model. A.Bustiau schilderde dit doek naar een cliché van A.-L. Rutot.
  • Eerste volledige 'wedersamenstelling' van een iguanodon (1882), nog steeds in de Nassaukapel. Schilderij uit 1884 door L. Becker.
  • Zo kon HOMO SAPIENS NEANDERTHALENSIS er hebben uitgezien.
  • Begin 20ste eeuw: walvis opgegraven uit de Antwerpse polderklei
  • Brussel, Museumplein: een iguanodon op straat
  • Groene tulbandschelp, TURBO MARMORATUS LINNAEUS

 

Achter de schermen van het museum: een wetenschappelijke onderzoeksinstituut

 
 
Het Museum voor Natuurwetenschappen is maar het topje van de ijsberg. De honderden collectiestukken uit het Museum zijn een fractie - maar dan wel de mooiste en voor het publiek de boeiendste - van de meer dan 37 miljoen collectie-items. Deze tientallen miljoenen zoölogische en geologische specimens zijn basismateriaal voor wetenschappelijk onderzoek. Het Museum maakt immers deel uit van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN), een internationaal befaamd onderzoekscentrum waar 150 wetenschappers en technici de klok rond actief zijn.
 
 
De museumbezoekers zijn natuurlijk het meest vertrouwd met het paleontologisch onderzoek. Sinds 1880 draait het KBIN hierin mee aan de wereldtop. Ook de antropologen van het instituut spelen een leidinggevende rol in internationale projecten, waarin ze de evolutie tot 'Homo sapiens sapiens' met de meest verfijnde technieken bestuderen. De biologen zijn overal ter wereld actief. Met hun kennis van de taxonomie van het dierenrijk en van de moleculaire technieken, werken ze in alle continenten en op alle zeeën mee aan het bepalen van de meest kwetsbare gebieden. De biologen van het KBIN tekenen mee voor vele adviezen aan overheden, over bescherming van specifieke zones.
 
 
De Belgische Geologische Dienst maakt ook deel uit van het KBIN en is een belangrijk adviesorgaan voor particulieren en overheden, bij voorbeeld bij grote infrastructuurwerken. Onderzoekers specialiseren zich in de ontwikkeling van toekomstgerichte technieken, zoals de opslag van broeikasgassen in de poreuze lagen van voormalige steenkoolmijnen. Het Noordzeedepartement van het KBIN ontwikkelt mathematische modellen om maritieme processen te voorspellen. Het is ook verantwoordelijk voor de constante monitoring van de kwaliteit van het zeemilieu. Het departement coördineert en beheert ook de activiteiten van het oceanografisch onderzoeksschip Belgica. Voor het luchttoezicht op zee, onder andere bedoeld om vervuilers op te sporen, beschikt het KBIN zelfs over een onderzoeksvliegtuig. De biologen van dit departement bestuderen ook de strandingen van zeevogels en zeezoogdieren. Meest recente spectaculaire feit in dit verband was het aanspoelen van een bultrug op het strand van Lombardsijde op 5 maart 2006.
 
 
Sinds een tiental jaren bestaat een van de kerntaken van het KBIN erin, in toepassing van een internationaal verdrag, de biodiversiteit in België op te volgen. Dit leidde tot omvangrijke en diepgaande studies over de Belgische fauna. Het onderzoeksteam biodiversiteit voerde al meerdere sensibilisatiecampagnes in samenwerking met verschillende diensten van het museum. Samen met DGOS (Belgische Ontwikkelingssamenwerking) geeft het Instituut ook de noodzakelijke opleidingen aan biologen uit de derde wereld, die in hun land de studie van de biodiversiteit op systematische manier wensen aan te pakken.
 

 

Bouwen aan een museum voor de twintigste eeuw

Het masterplan van Edouard Dupont

 
 
 
Het was met het oog op een uitbreiding dat Edouard Dupont de verhuizing naar het Leopoldpark had aanvaard. Het gebouw lag immers niet alleen wat buiten het centrum, zoals nu nog, maar het lag bovendien toen nog aan de stadsrand. In het centrum kwamen jaarlijks 150.000 bezoekers naar het museum, in het Leopoldpark viel dat terug tot 80.000. De op te richten vleugel moest het museum nieuw leven inblazen.
 
 
Duponts museum zou werken aan de exploratie van het nationale grondgebied en het gebouw moest dat ook uitstralen. De directeur wou af van negentiende- eeuwse eivolle zalen, wat hij toen - net als wij vandaag - percipieerde als een bende, waarin de bezoeker het begin van een kameel spontaan in verbinding bracht met het einde van een neushoorn. Twee verdiepingen moesten voor het publiek toegankelijk zijn. Ze gingen de inheemse fauna van vroeger en nu bevatten, de gewervelde dieren op de benedenverdieping, de ongewervelde boven.
 

 

TRAPJES OP NAAR HET VERLEDEN

 

 
Wie binnen kwam vanuit het Leopoldpark, zag de gelijkvloerse verdieping oplopen om terug te gaan in de tijd, zoals die zich heeft afgespeeld op het huidige Belgische grondgebied.
 
 
Je kwam binnen in het quartair, waarin de hedendaagse fauna stond. Je vond er een overzicht van de vogels van ons grondgebied, maar ook holenberen en holenleeuwen, een wolf, oerossen en bizons, een wolharige neushoorn en natuurlijk de mammoet van Lier. Tientallen slagtanden van mammoeten stonden trouwens als trofeeën opgesteld op dit platform. Teksten uit het begin van de twintigste eeuw vermelden gretig dat Julius Caesar in onze gewesten nog bizons, oerossen en beren had zien rondlopen. In dit eerste gedeelte stonden aan de ingang ook, zeer gewaagd voor die tijd, menselijke schedels. Homo sapiens was en is een dier, en het museum kwam meer dan een eeuw geleden al openlijk voor dit standpunt uit.
 
 
Drie trapjes op en de bezoeker trad binnen in het tertiair. Het was de periode met primitieve paardjes en australopitheken, met sabeltandtijgers en op het einde, de eerste hominiden. Maar in 1905 was het museum voor deze periode vooral gericht op de walvissen uit het Antwerpse.
 
 
Weer drie trapjes hoger, nog steeds in dezelfde gigantische zaal, stond fauna uit het secundair, en meer bepaald het bovenkrijt te kijk. Het was de laatste periode van de dino's, maar uit het bovenkrijt werden er in België geen gevonden. Wel kon de bezoeker er kennis maken met (reuzen)schildpadden, en met mosasauriërs en hainosauriërs in liggende positie, zoals ze werden teruggevonden in hun sedimentlaag. Het gaat hier om reuze waterhagedissen, die respectievelijk in het Maasbekken en in Henegouwen zijn teruggevonden. Ze leefden 65 à 70 miljoen jaar geleden, in de ondiepe zeeën die toen onze gewesten doorsneden.
 
 
Het vierde niveau tenslotte toonde nog steeds fauna uit het secundair, het benedenkrijt met name. En hier stonden de rijke vondsten uit Bernissart, met de iguanodons als indrukwekkende blikvanger. Je zag ze al van bij de ingang van de zaal. Tien stonden er gemonteerd op twee poten, de andere werden liggend tentoongesteld, zoals ze lagen toen Jules Créteur hen stoorde in hun fossielenslaapje. Ook andere vondsten van Bernissart, zoals de kleine krokodil, stonden hier te kijk. Ten tijde van de iguanodons (tussen 135 en 110 miljoen jaar geleden) lagen onze gewesten op een heel andere breedteligging en kenden ze een tropisch klimaat. De iguanodons bewogen zich voort tussen gigantische varens en bomen, en ook hiervan waren de fossiele resten te zien.
 
 
Edouard Dupont had graag een vijfde niveau willen bouwen, om de vondsten uit het benedenkrijt, meer bepaald Bernissart, meer plaats te gunnen. Maar daarvoor kon hij hier aan de rand van het park, niet de nodige onteigeningen doorvoeren. Dus bleef het bij vier niveaus, en kwam er in de zaal een mezzanine, waarop de vissen uit alle tijdvakken gegroepeerd stonden, van de fossiele vissoorten tot de vissen van vandaag.
 
 

 

VOORUITSTREVENDE ARCHITECTUUR TEN DIENSTE VAN MUSEOLOGIE

 
 
De lezer zal zich afvragen waarom hij eerst leest wat in het gebouw te zien was, vooraleer hij meer uitleg krijgt over ontwerp en constructie. Wel, dit is een eerbetoon aan Edouard Dupont.
 
 
Er was gekozen voor een samenwerking met architect Charles- Emile Janlet (1839 -1919). Deze leerling van Hendrik Beyaert had er al een hele carrière opzitten. Hij had meegewerkt aan de gebouwen die na de overwelving van de Zenne de nieuwe Brusselse boulevards moesten omzomen. Van hem zijn ook de beroemde fonteinen op het Brouckèreplein, die nu nog te zien zijn op de Baksteenkaai en de Brandhoutkaai. Overheidsgebouwen, met name scholen, en privé-woningen waren ook van zijn hand. En hij tekende voor het metalen gebinte van het voormalige station in Mechelen, dat in de Tweede Wereldoorlog werd platgebombardeerd.
 
 
Dupont was twee jaar jonger dan deze autoriteit en toch gaf hij hem een merkwaardige opdracht: "Vergeet dat je architect bent. Vergeet de klassieke regels van je kunst. Geen symmetrie, die voor jou samenvalt met stijl, geen nutteloze versieringen. Ik wil een uitzonderlijke constructie, gebaseerd op wetenschappelijke ideeën eerder dan op architecturale". Janlet werd verondersteld een functionele stolp te plaatsen op het schema dat de museumdirecteur in zijn hoofd had. En hij deed het met verve.
 
 
Uiteraard had Dupont zich laten leiden door de natuurlijke glooiing van het terrein en Janlet wendde die graag aan. De nieuwe vleugel kwam aan een kant van het reeds bestaande kloostergebouw, loodrecht op de as van dit laatste. Het ging eruit zien als een gigantische trap met vier treden, waarbij door zijn enorme lengte, de hoogteverschillen tussen de treden van op afstand nauwelijks opvallen.
 
 
De zaal werd volledig brandvrij opgetrokken in ijzer, baksteen en cement. Zuilen, mezzanines en de trappen ernaartoe zijn vervaardigd in elegant en sierlijk ijzersmeedwerk, geheel conform de heersende gebruiken. Maar het dominante element in de constructie van de muren is glas. De vlakken tussen de ramen zijn erg smal. Bedoeling was de lichtinval aan alle zijden mogelijk te maken om zoveel mogelijk gebruik te maken van daglicht. De zaal is 84,26 meter lang, 30 meter breed en 7,2 meter hoog. Mochten de onteigeningen zijn verlopen volgens het voorziene schema, dan zou de zaal liefst 109 meter lang zijn geweest. Slechts één rij van 13 zuilen was nodig, op de lengteas van de zaal. Daardoor beschikte men over een vrije breedte van 15 meter, voor die tijd een uitzonderlijk hoogstandje. Enkel op de helft van het gebouw die uitkeek op Leopoldpark en reeds bestaande kloostervleugel, werd nog een bovenbouw opgetrokken. De andere helft bleef beperkt tot de gelijkvloerse verdieping en kreeg ook nog eens een glazen zoldering mee. Jammer genoeg zou die nog vóór de Tweede Wereldoorlog overdekt worden door een dak in metaal, omdat bij reinigingswerken een arbeider door het plafond was gevallen en men geen verdere risico's wou nemen.
 
 
In het gebouw werd elektriciteit voorzien voor verlichting wanneer nodig. Voor de verwarming kwam er een installatie voor hete lucht en overal dubbele ramen, binnen- en buitenramen, omdat men vreesde dat zonder dit isolerend effect, de bezoekers het in de winter te koud zouden hebben.
 
 
Wie foto's bekijkt van de zaal met de ongewervelde dieren ziet een tot stilstand gekomen Zeppelin, een luchtschip uit ijzer en glas. Trapsgewijs kwam de bezoeker dichter en dichter bij de zoldering. Aan de kant van de ramen die uitgaven op het glazen dak van de zaal voor de gewervelde dieren (van dat stuk waar geen bovenbouw op staat), stond hij 7 meter onder de zoldering; aan de kant van het Leopoldpark nog slechts 2 meter. Over de hele lengte van de zaal liepen gaanderijen door en boden ze in lessenaarkasten een overzicht van de ongewervelde dieren van ons grondgebied, insecten, spinnen, weekdieren, wormen, over een totaal van zowat 400 lopende meter. Ook in deze gigantische open ruimte stroomde, door een massale aanwezigheid van dakramen aan de kant van het park, en overvloedige dubbele beglazing aan de andere kant, voor die tijd zeer veel daglicht binnen.
 
 
Het nieuwe gebouw moest vlot aansluiten op de oude kloostervleugel. Daarom is, onzichtbaar vanuit het park, een trappenhuis neergezet in de hoek waar de twee vleugels elkaar raakten. Zo kon je op alle niveaus vlot van het ene naar het andere gebouw overstappen. In het kloostergebouw werd de uitheemse fauna tentoongesteld. De mezzanine van de gelijkvloerse verdieping in het nieuwe gebouw, bevond zich op hetzelfde niveau als de gelijkvloerse verdieping in het oude gebouw en je kon gewoon doorwandelen. Maar om het oude gedeelte te betrekken in de sfeer van statigheid en grootsheid, om de bezoeker niet noodzakelijk via het aangebouwde trappenhuis te laten gaan, bedacht Janlet een monumentale trap, die van op het niveau met de iguanodons, in 21 treden, naar een zaal leidde met een indrukwekkende stoet olifanten, neushoorns, zebra's ... Van de reuzen uit het benedenkrijt, de trappen op naar de reuzen uit het quartair. Eén olifant stond vooraan, net boven de trap. Hij had een stuk van zijn leven doorgebracht in de zoo van het Leopoldpark, dat hij nu door het raam kon zien liggen.
 
 
Het nieuwe gebouw telde niet alleen twee publieke zalen. Tussen de twee verdiepingen kwamen, aan de kant van het park, elf bureaus naast mekaar te liggen. Ze bevinden zich in de ruimte die Janlet uitspaarde doordat de bovenzaal trapsgewijs omhoogging. Ook drie bibliotheekruimtes kregen een plaats op dit niveau. Het hele complex was ook onderkelderd met technische lokalen voor het opzetten van de specimens en bewaarplaatsen.
 
 
Oorspronkelijk was het de bedoeling dat aan het andere uiteinde van het kloostergebouw een analoge vleugel zou komen, voor het tentoonstellen van fauna en producten uit Congo Vrijstaat. Okapi's, antilopen, vogels, reptielen, vissen en zogenaamde 'lagere levensvormen', die toen in het Koloniënpaleis op de koninklijke domeinen van Tervuren waren ondergebracht, moesten dit gebouw komen bevolken. Maar door de oprichting van het koloniaal museum, dat Albert I in 1910 zou openen, belandden de plannen voor een tweede Janletvleugel definitief in de hypotheses van de geschiedenis. Leuk detail: ook het koninklijk domein van Tervuren werd ooit graag bewoond door Karel van Lotharingen, die een oud vorstelijk jachtslot verfraaide tot zomerresidentie en ook hier greep Jozef II na zijn dood radicaal in door het paleis te laten slopen.

 

 

 

MYTHEVORMING EN VOLKSVERBEELDING

 
 
Het indrukwekkende leger iguanodons, oog in oog met de olifant bovenaan de trap naar de kloostervleugel, beschikte over vele troeven om deel te gaan uitmaken van het collectieve geheugen van ettelijke generaties (jonge) Belgen. Ook de buitenkant van het gebouw zat mee. De bezoekers moesten door het Leopoldpark opklimmen naar de ingang. Aan de parkzijde waren, boven de ramen, de wapenschilden aangebracht van de toen negen Belgische provincies, met in het midden de Belgische Leeuw en de wapenspreuk 'L'union fait la force'. Doordat alle provincies vertegenwoordigd zijn voelden vele bezoekers zich natuurlijk betrokken bij een gebouw van nationaal belang.
 
 
Ook pedagogische keuzes droegen bij tot het succes: het museum bracht voortaan de namen van de specimens niet alleen aan in het Latijn, maar ook in het Nederlands en het Frans. Ook de iguanodons- monsters - en hun mogelijke doodsoorzaken deden de verbeelding op hol slaan. De hypotheses die de wetenschappers toen formuleerden over hun doodsoorzaak hielp hierbij een handje. Zo ging men toen uit van een collectieve dood van een hele kudde, op de vlucht voor een natuurramp of voor een aanval door een groep vleesetende dinosauriërs. Van de meeste nam men aan dat ze een natuurlijke dood waren gestorven, maar er waren er ook met verbrijzelde schedel en vermorzelde ruggenwervels. Volgens biologen uit die tijd konden dergelijke zware kwetsuren enkel het gevolg zijn van een gevecht tussen mannetjes om een wijfje. Fantasierijke hypothese, vooral omdat wetenschappers tot op vandaag bij vele dino's, zeker bij iguanodons, nog geen onderscheid kunnen maken tussen de seksen. De iguanodons kwamen ook niet allemaal gelijk om, maar door de tijd heen dreven vele kadavers af naar eenzelfde laaggelegen punt, dat miljoenen jaren later diep onder de grond in Bernissart kwam te zitten. De indrukwekkende verhalen van toen, zeker gecombineerd met het feit dat de opschriften niet meer in het Latijn waren en de leerlingen dus wat konden opsteken, verklaren waarschijnlijk de gewijde stilte die volgens krantenartikels uit de eerste jaren na de opening, heerste bij bezoek van klasgroepen. Heel merkwaardig, de leerlingen zetten spontaan hun hoofddeksel af bij het betreden van de JanletzaaL De leraar duidde telkens een leerling aan om het etiket bij het specimen te lezen, en gaf nadien commentaar. De leerlingen namen ijverig nota's, want weer op school zouden ze natuurlijk een opstel moeten schrijven.
 
 
Om de kloof tussen wetenschap en groot publiek te overbruggen, en omdat de directie ervan overtuigd was dat de hoofdlijnen van de natuurwetenschappen tot ieders culturele bagage moesten behoren, werd in 1929 de educatieve dienst opgericht. Deze verzorgde niet alleen rondleidingen in het museum, waarbij de gidsen onder meer probeerden het natuurlijk milieu van de getoonde specimens te evoceren. De dienst kreeg ook de gelegenheid radiocauserieën te houden op het NIR (Nationaal Instituut voor Radio Omroep), verre voorloper van VRT/RTBf. Voor 1938 bij voorbeeld, luidden enkele onderwerpen: ' Winterkleed', ' Het gewei van het hert', 'Ratten', 'Vindplaatsen van fossiele Werveldieren in België', ' Het tsjirpen der sprinkhanen', ' Zwaluwen', ' De Golven', ' De Eend als Watervogel' en 'Vogels- en Insektenvleugels'.
 
 

 

VERSTOPPEN IN EEN GLAZEN KOOI

 

 
De iguanodons waren uit miljoenen jaren slaap gehaald en door de ingenieuze oplossing van Louis De Pauw, hadden ze het contact met de buitenlucht overleefd. Maar het 'fools' gold' bleef zijn werk doen en in de jaren 1930 moesten de skeletten nogmaals een behandeling ondergaan waarbij nog maar eens zoveel mogelijk pyriet werd verwijderd en de beenderen een bad kregen met een mengsel van alcohol en schellak. Dit is een natuurlijke lak die de lakschildluis afscheidt. De bruinachtige kleur die de skeletten vandaag hebben, is aan deze behandeling te wijten. Om het contact met de buitenlucht tot een minimum te beperken, bouwde men in 1936 een glazen kooi rond de iguanodons. In die tijd schreef directeur Victor Van Straelen dat het de grootste vitrines waren die toen in een museum bestonden. Brussel stond andermaal aan de musealogische spits. Deze vitrines zouden blijven staan tot in februari 2005 en verdwenen voor de huidige renovatie. Jammer genoeg boden ze niet alleen voordelen: door de lichtweerkaatsingen ging het indrukwekkende beeld van de groep prehistorische reuzen verloren. Bij de huidige renovatie bogen specialisten zich lange tijd over problemen van belichting van specimens in een vitrine, zonder hinderende weerkaatsing en temperatuursstijging.
 
 

 

UITBREIDEN VOOR COLLECTIES EN WETENSCHAP: EEN LANGE LIJDENSWEG

 

 
In de jaren dertig deed het nijpende plaatsgebrek de overheid zeer ruime uitbreidingsplannen goedkeuren. Het wetenschappelijk onderzoek kreeg immers steeds meer uitbreiding en de collecties groeiden spectaculair aan. Nieuwe labo's en veel bewaarplaatsen waren nodig. Al in 1934 keurde het parlement de eerste kredieten voor een enorme uitbreiding goed.
 
 
Architect Lucien De Vestel ontwierp het gebouw dat vandaag een bekend stadsgezicht is geworden. Een hoge toren voor de verzamelingen, en vlak erachter een even hoog gebouw dat de top van het Leopoldpark ging omarmen. Nog voor het begin van de Tweede Wereldoorlog was de ruwbouw af. Tijdens de oorlogsjaren werden er Duitse troepen ingekwartierd maar na de bevrijding was het positieve elan snel terug. Voor de werken kon het museum zelfs even rekenen op fondsen uit het Marshallplan. Het toenemende belang van onderzoek, wat automatisch met zich meebracht dat de aandacht voor het museale verslapte, kende een symbolisch sterk moment toen in 1948 de oude naam Koninklijk Natuurhistorisch Museum plaatsmaakte voor Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen.
 
 
En de werf, zij ploeterde voort. De werken vorderden nog nauwelijks, of vielen helemaal stil bij gebrek aan kredieten. Het naoorlogse België had een aantal van die grote bouwprojecten, het Rijksadministratief Centrum of de Nationale Bank, waarvan sommige aansleepten tot stadskankers, zoals de Koninklijke Bibliotheek of het Museum voor Natuurwetenschappen. De situatie in die jaren was surrealistisch. Een monumentale traphal werd afgewerkt in 'rouge de Flandre', een luxueus gesteente dat er uitziet als marmer, maar wetenschappelijk onderzoek gebeurde in vochtige voorlopige barakken. De voorgevel kreeg een prestigieuze bekleding van keramiek met monogram van Leopold III, maar in de inkomhal moest de bezoeker langs houten stellingen zijn weg zoeken over bloot beton en nog wat verder waren er gangen die leidden naar zwarte gaten waar niemand durfde te komen. Maar vooral, het regende op de iguanodons.
 
 
Bij het aanleggen van het nieuwe gebouw ging men er van uit dat de kloostervleugel op termijn zou verdwijnen, en ook de Janletvleugel moest ingrijpende wijzigingen ondergaan, waarbij men bijvoorbeeld dacht aan halveringen van de hoogte van de zalen. Het geheel zou nog veel groter worden en een hele hap van het Leopoldpark opslokken. Maquettes uit die tijd getuigen van de ambities. En in afwachting van deze zeer ingrijpende werken, liet men het oude gebouw verkommeren. De museale en educatieve rol van het museum boerde ook stelselmatig achteruit, er kwamen nog 30.000 bezoekers per jaar, en die lieten ook blijken dat ze het niet echt naar hun zin hadden, getuige een artikel uit Het Laatste Nieuws van 1971: "We herinneren ons nog zeer goed met welke tegenzin de hele klas het gebouw binnen stapte en hoe de laatste vanwege de leraar een klinkende oorvijg moest incasseren omdat hij die tegenzin wat al te duidelijk tentoon had gespreid." We staan hier mijlenver van de eerbied waarmee brave leerlingen in een imposant architecturaal pareltje, eerbiedwaardig het hoofd ontblootten.
 
 
Heel wat schandaalartikelen waren nodig, voor eind jaren zeventig, begin jaren tachtig, het gebouw eindelijk werd voltooid, zij het dan in een veel goedkopere afwerking dan men had kunnen verwachten. De plannen waren ook teruggeschroefd, de kloostervleugel werd niet afgebroken maar gerenoveerd. Sindsdien huisvest hij een aantal nieuwe zalen, zoals de walvissenzaal, de polentunnel, de insectenzaal en de schelpenzaal. In de buik van het De Vestelgebouw, in de doorgang naar de twee andere gebouwen, werd een mineralenzaal aangelegd. Symbolisch einde van de werkzaamheden was de plechtige inhuldiging van een walvisskelet, dat in oktober 1982 werd opgehangen in de inkomhal.
 
 
Ondertussen was de bovenverdieping van de Janletvleugel gesloten omdat, door slijtage aan de glazen zoldering, het bezoeken van deze galerij een hachelijke onderneming was geworden. Bij al deze werken sneuvelde ook de trap die destijds van de iguanodon naar de olifant had geleid: hij werd vervangen door een dubbele trap van reusachtige in elkaar verstrengelde DNA-spiralen. Al vroeg wilden de verantwoordelijken voor de huidige renovatie de oorspronkelijke overgang van Janletgebouw naar kloostervleugel herstellen. Ook deze trap en zijn inplanting maken deel uit van de architecturale visie van Janlet.
 
 

 

SCHITTEREN DOOR TIJDELIJKE TENTOONSTELLINGEN

 

 
Van 1988 tot 2003 stond Daniel Cahen aan het hoofd van het museum. Hij gaf een enorme impuls aan de dynamiek die zich toen al aan het ontplooien was. In 1985 waren bij voorbeeld twee iguanodons uitgeleend aan een tentoonstelling in Japan. Dit plaatste het museum niet alleen op de internationale kaart, maar deed mee de idee ingang vinden dat ook natuurwetenschappelijke schatten kunnen schitteren op de internationale cultuurscène. Tot de wetenschapscultuur droegen ook de blockbusterexpo's over dinosauriërs bij, rond 1990, waarbij het museum in tijd Steven Spielberg net voorafging. Het museum trok ook de niet zo makkelijke kaart van tentoonstellingen met een engagement. In 1993-1994 bracht 'Vijf miljard mensen' de boodschap van gelijkheid tussen alle mensen naar voren; al in 1998 had 'Leven of overleven' het over de impact van de mens op de natuur. Ook thema's als genetica of de werking van de hersenen kwamen aan bod. 'Fatal attraction. Dieren op vrijersvoeten', in 2003 -2004, was een resolute keuze om ook adolescenten te boeien. Ondertussen rijpte een project voor een totale renovatie van de Janletvleugel, dat ook gezien wordt als start voor een renovatie van het volledige museum. In de (verre) toekomst zal het museum uit drie grote zones bestaan: het verhaal van het leven, de biodiversiteit en de mens. De Janletvleugel focust op het eerste.
 

AFBEELDINGEN:

  • De Janletvleugel in het begin van de 20ste eeuw, met een suppoost per geologisch tijdvak
  • In 1905 keken de iguanodons in alle richtingen
  • De bouwwerf in 1900. Het skelet van de zaal waarin de skeletten zouden komen te staan, moest na afwerking zichtbaar blijven
  • De Janletvleugel vandaag: details
  • De Janletvleugel vandaag, vanuit het Leopoldpark
  • Het klooster dat er nooit zou zijn, omringd door latere gebouwen
  • Van paleantologen en botten:de basis van boeiende wetenschap
  • Het werk in een atelier voor paleontologie
  • Wapenschilden van België en Brabant
  • Afgietsel van het skelet van een dodo, vogelsoort van het eiland Mauritius, uitgestorven op het einde van de 17de eeuw
  • Vóór 'Jurasic Park' van Spielberg greep de dinofascinatie in Brussel om zich heen
  • Een klas op de mezzanine van de zaal van de gewervervelden
  • Vandaag is het Museum een favoriete bestemming voor jong en minder jong
  • Ambitieuze plannen van architect De Vestel, zonder de kloostervleugel
  • Monogram van Leopold III op de voorgevel van het De Vestelgebouw
  • Galerij van de dinosauriërs: een trap van de gelijvloerse verdieping naar de mezzanine
  • Skelet van een bultrug uit Groenland ( gekocht in 1860) in de inkomhal van het Museum
  • Fossiel op reis: in 1988 werd een van onze iguanodons tentoongesteld in Osaka

 

DE OVERWELDIGENDE INDRUK

 
 
Michel Thiery, die in 1923 in Gent het schoolmuseum oprichtte, publiceerde in 1928 in het Nederlands en in het Frans, een boekje over het museum. We laten u even proeven van de stijl, de tijdsgeest en de gedrevenheid van de auteur.
 
 
"Vóór den oorlog ging ik ieder jaar met mijn leerlingen het Museum bezoeken, telkens na een ernstige voorbereiding. Ik bracht er ook menigen Zondag op mijn eentje door, uren lang toekijkend, teekenend en schilderend. Zoodoende had ik de gelegenheid de wandelaars gade te slaan, en hunne indrukken op te vangen, en kwam tot de overtuiging, dat 99% van de menschen, die daar komen, de noodige wetenschappelijke kennis missen, om àl het mooie en wonderbare, dat er is tentoongesteld, voldoende te genieten."
 
 
"Is men binnengetreden, is men bekomen van den overweldigenden indruk, dien de enorme zaal met haar ongewone tentoonstelling op gemoedsmenschen maakt, dan bemerkt men, dat de spiegelgladde, geboende parketvloer naar achteren toe trapsgewijs verhoogd is. In werkelijkheid zijn er vier groote ruimten, telkens drie treden hooger gelegen dan de vorige, en aan die schikking is het te danken, dat men onmiddellijk een heerlijk overzicht heeft op de verzamelingen."
 
 
"En het Bernissart-landschap zelf? Een moerassige streek, vol meren, en met een tropischen plantengroei getooid, - midden in, verspreide groepen van lguanodons, vijf meter hoog, korte voorpooten, sterk ontwikkelde achterpooten, en die naar alle waarschijnlijkheid zich op de wijze onzer hedendaagsche Kangoeroes voortbewogen. Niettegenstaande hun schrikwekkend voorkomen, en den in-eenscherpen-dolk eindigenden duim van de voorste ledematen, waren zij planteneters, zooals uit een onderzoek van hun tandenstelsel is af te leiden."
 
Uit: Michel Thiery, EEN BEZOEK AAN HET MUSEUM vooR NATUURLIJKE HISTORIE, Antwerpen, De Sikkel, 1928.
 

 

WAT HEEFT DIT ALLEMAAL GEKOST?

 
De constructie van het gebouw was erg goedkoop. In 1896 vermeldde de krant Le National dat de kosten werden geraamd op een half miljoen Belgische frank, omgerekend 2.800.000 Euro van vandaag. Een vlugge blik op de latere artikelen in de Belgische pers onthult zeer zedig geen bedragen, maar in een Duits museumtijdschrift uit 1903 verscheen een bedrag van 860.000 Mark als prijs voor het gebouw, omgerekend een kleine 6 miljoen Euro van vandaag. De inrichting, het heette toen 'de kasten enz.' kostte een kleine 20 procent van dat bedrag, 160.000 Mark, een kleine 1,1 miljoen Euro. Ter vergelijking: het toenmalige jaarbudget zou ongeveer 127.000 Mark hebben bedragen, ongeveer 866.000 Euro. De kijkkasten op de benedenverdieping waren als bouwdozen opgevat: allemaal twee meter hoog, en de variabele wanden bestonden uit steeds hetzelfde type glazen platen van  1 meter breed.
 

 

De grootste dinogalerij van Europa - Na de renovatie

 
 
 
De getrouwe bezoekers van de galerij vóór de renovatie, vragen wel eens waar de robots naartoe zijn, de dinopoppen op ware grootte, die in de jaren 1990 honderdduizenden gefascineerde kinderen zagen defileren. Wel, ze zijn er niet meer. Het museum opteerde voor authenticiteit. Geen nabootsingen op ware grootte van hoe het misschien was, want die hebben een dubbel nadeel: ze laten het uitschijnen alsof we over alles zeker zijn, terwijl die zo tastbare poppen eigenlijk ook hypotheses zijn, en zo zadelen ze generaties bezoekers op met foute beelden. Onze museologie werkt met skeletten: authentieke (voor onze eigen Iguanodon bernissartensis) en afgietsels (voor de andere geraamtes). Simulaties van het dinoleven zijn er nog wel, in de multimediatoepassingen, binnen de grenzen van het virtuele. Hieronder volgt een korte wandeling langs de bijzonderste skeletten, maar de vele interactieve opstellingen en andere objecten zorgen bij de bezoeker voor een zo precies mogelijk beeld van de lang vergane wereld van de dinosauriërs. Of is het dino-avontuur niet voorbij?
 
 

 

VIERVOETERS OP TWEE POTEN

 

 
In de vernieuwde galerij trekken de iguanodons van Bernissart onmiddellijk de aandacht. De indrukwekkende kudde planteneters staat opnieuw in de zaal die voor hen werd ontworpen, maar in een geheel nieuwe vitrine, die gebruik maakt van de meest geavanceerde belichtingstechnieken. Om deze authentieke skeletten te behoeden voor de warmte van de verlichting, worden de spots buiten de vitrines geplaatst. Spiegels binnenin weerkaatsen de lichtbundels.
 
 
Als je goed kijkt, zie je in de kudde een kleiner exemplaar. Een jong dier? Of de enige vertegenwoordiger van de andere sexe? Hoogstwaarschijnlijk niet. Wetenschappers denken dat het om een andere soort gaat, die de naam Iguanodon atherfieldensis meekreeg. Maar honderd procent zekerheid dat het om een andere soort gaat, komt er wellicht nooit meer.
 
 
Vooraan de kudde loopt een eigenzinnige iguanodon, hij steekt zijn nek uit, staat op vier poten en bevindt zich grotendeels buiten de beschermende vitrine. Het gaat hier niet om een authentiek geraamte, maar om een afgietsel. Bijna alle wetenschappers zijn het er vandaag over eens dat iguanodons op vier poten stapten. De skeletten die meer dan honderd jaar geleden verankerd werden in een tweevoetige positie, zullen echter altijd zo blijven staan. Als de museologen er nu viervoeters van willen maken, moeten ze de botten breken. De tweevoetige houding was bovendien hun eet-en dreighouding. Een wetenschapsmuseum is ook een eerbetoon aan wetenschappers van lang geleden, aan het experimenteren, aan het formuleren en nadien bevestigen of ontkrachten van hypotheses.
 
 
Net als vóór de renovatie, toont de nieuwe opstelling ook authentieke skeletten 'in situ', dus niet gemonteerd, maar in de houding zoals ze tot in 1878 in de ondergrond van Bernissart lagen. Ze liggen onder een glazen vloer, onder de poten van een aantal van hun gemonteerde soortgenoten.
 

 

 

RECORDHOUDERS

 

 
Van Ultrasaurus toont de zaal enkel een rechtervoorpoot. Op zich al groot genoeg, hij is bijna even hoog als de kolommen van de zaal, en een flink stuk breder. De zwaarst bekende dinosauriërs moeten ongeveer honderd ton hebben gewogen.
 
 
Een andere recordhouder, voor de lengte dan, is Diplodocus, letterlijk vertaald 'dubbele balk'. Ons exemplaar toont een eindeloze ruggengraat en een onooglijk klein kopje. Een volwassen exemplaar haalde makkelijk 30 meter, waarvan de staart meer dan de helft bedroeg, al stond hij maar op 4 poten. Hoe kon de ruggengraat die lengte overspannen en die massa torsen? Een interactieve opstelling helpt het te ontdekken, het principe van de ophanging van de dinopoten aan de ruggengraat, met behulp van spieren en pezen, is een verre voorloper van de Golden Gate in San Francisco, maar ook van de bruggen die op Romeinse heerbanen de rivieren overspanden. De heel lange staart van Diplodocus had een soepel uiteinde van enkele meters. Het uiteinde haalde onwaarschijnlijke snelheden en kon knallen als een zweep. Om belagers te verwonden was hij te breekbaar, maar zijn zweepslag klonk wellicht luid genoeg om hen af te schrikken. Misschien werd hij in de kudde ook gebruikt als herkennings- of alarmsignaal.
 
 
Onder de schier eindeloze staart van Diplodocus is er ruim plaats voor Struthiomimus, letterlijk, 'struisvogelnabootser'. Met zijn lange gespierde poten haalde hij waarschijnlijk snelheden van 60 km/uur.
 
 
Stegosaurus - wetenschappelijke naam voor 'dakhagedis' - droeg op zijn rug een aantal rugplaten mee. Het ging hier om een afkoelsysteem, dat het te warme bloed in contact bracht met de buitenlucht en zo de afkoeling vlotter deed verlopen. Deze platen waren ook geschikt voor psychologische oorlogsvoering: ze konden vuurrood worden door het bloed en daardoor vijanden afschrikken. Of gebruikte hij ze bij het lokken van wijfjes? De vier beenstekels op zijn staart waren in elk geval wel een geducht wapen in een gevecht.
 
 
De naam Maiasaura is afgeleid van het Oudgriekse 'maia', moeder, voedster. Deze dinosaurussoort is zo genoemd omdat de volwassen dieren vermoedelijk voor hun jongen zorgden, al is dat niet helemaal zeker. Hij behoorde tot de familie van hadrosauriërs, ook eendenbekdinosauriërs genoemd, omdat ze een lange afgeplatte snuit hadden. Maiasaura is ook een van de dinosoorten die het snelst groeiden. Dit leiden wetenschappers af uit de groeiringen in hun botten. 30 cm bij de geboorte, vier meter lang na 1 of 2 jaar, en negen meter na 6 tot 8 jaar. Natuurlijke selectie als basis voor evolutie, want snel groeiende soorten hadden meer overlevingskansen tussen roofdieren.
 
 

 

MOORDMACHINES MET JICHT

 

 
Cryolophosaurus, letterlijk'bevroren kamhagedis', was een vleeseter. Omwille van zijn kam kreeg hij het koosnaampje 'elvisaurus'. Hij werd ontdekt in Antarctica, niet ver van de zuidpool. Met hun vlijmscherpe tanden verscheurden de vleesetende dinosauriërs hun prooien. Ze waren niet bang voor grotere plantenetende dinosauriërs.
 
 
Tyrannosaurus rex, beter bekend als T. rex, letterlijk 'tiranhagedis koning', was het landroofdier met de grootste kop en de langste tanden ooit. Lange tijd aanzag men hem als een bijzonder wreedaardige dinosauriër, maar recent wetenschappelijk onderzoek doet hierover vragen rijzen. Misschien was T. rex eerder een aaseter dan een jager. Wetenschappers vinden aanwijzingen dat hij aan jicht leed, zoals ook mensen aan jicht lijden, een gevolg o.a. van het eten van te veel rood vlees. Was T. rex getrouwd ? Bestond er een 'Tyrannosaura regina'? Waarschijnlijk wel, want in een T. rex bot uit Montana, ontdekten onderzoekers een beenstructuur die vandaag nog voorkomt bij vogelwijfjes tussen de eisprong en de leg. Deze 'tyrannosaura' was dus drachtig.
 
 
Leek T. rex op een grote reuzenkip? Er is een klein specimen Tyrannosaurus, waarschijnlijk een jong dier, gevonden met pluimen, terwijl het nog niet duidelijk is of hij die pluimen kwijtraakte tijdens de evolutie of gewoon tijdens zijn groei. Pluimen, of bij andere soorten een donslaag, hielden waarschijnlijk de lichaamstemperatuur op peil. De grootste dino's zouden dan ook geen pluimen hebben gehad, of ze niet hebben behouden tijdens hun groei, omdat grote organismen minder makkelijk afkoelen. In elk geval werden de pluimen aangemaakt door de huid, net als de schubben, de haren, de nagels, zoals dat ook bij vogels gebeurt.
 
 
Naast het skelet van T. rex staat dat van 0lorotitan, letterlijk 'reuzen-zwaan'. Hij heeft een lange nek en een holle beenkam. Deze kon dienst doen als geluidsversterkend orgaan. Olorotitan heeft een bijzondere band met ons Museum. Het eerste complete skelet van een Olorotitan werd in 2001 opgegraven door een team waarin Russische wetenschappers samenwerkten met paleontologen van ons museum, onder leiding van Pascal Godefroit.
 
 
In dit gedeelte van de zaal staat ook een meteoriet tentoongesteld. Dit is een verwijzing naar een heel andere en veel grotere meteoriet, die 65 miljoen jaar geleden insloeg in Mexico en hoogstwaarschijnlijk zorgde voor een massale uitsterving van zowat alle dinosauriërs. Zowat allemaal, want de wetenschappers zijn het er vandaag over eens dat één tak van de zeer talrijke soorten dinosauriërs, evolueerden tot de vogels. De evolutie van een bepaalde dinotak naar de huidige vogels was trouwens al lang bezig toen de meteoriet de mastodontachtige dino's vrij brutaal uitroeide. Er leefden toen al primitieve duikeenden, aalscholvers , eenden, hoenderen en misschien papegaaien. Maar opgelet : gelijkenissen tussen sommige dino's en vogels van vandaag willen helemaal niet zeggen dat de ene verre voorouders zijn van de andere. Zo stammen eenden niet af van eendenbekdinosauriërs, want die zijn zeker uitgestorven.
 
 
De staart van T. rex gaat over in een installatie van de hedendaagse Franse videast Christian Barani. Er worden beelden van vogels op geprojecteerd. Het werk leidt de blik van de bezoeker, door de monumentale ramen van Emile Janlet, naar de vogels in het Leopoldpark. De bezoeker die even teruggaat naar de ingang van de zaal merkt een continuïteit, van bij de genaturaliseerde vogels die her en der zijn bevestigd, tot aan dit kunstwerk uit de 21ste eeuw, een barokke ode aan de dino's en hun verre nakomelingen.
 
 

 

NIEUWE ZALEN IN DE KOMENDE JAREN

 
 
De architecturale overgang van het gebouw van Emile Janlet naar de oude kloostervleugel, werd tijdens de renovatie hersteld. Bovenaan de heropgebouwde monumentale trap, prijkt zoals gezegd de olifant van weleer. Vanaf de lente van 2008 komt hier de zaal '250 jaar natuurwetenschappen'. Ze brengt hulde aan wetenschappers die hebben bijgedragen tot de onderzoeksinstelling en het Museum voor Natuurwetenschappen. Veertien stukken, bakens uit de geschiedenis van verzamelingen en onderzoek, worden voorgesteld. Maar dit gebeurt op een interactieve multimediale manier die de bezoeker zal toelaten het object te beleven in de oorspronkelijke context. Het museum van het leven brengt hier de geschiedenis tot leven.
 
 
Na meer dan veertig jaar zal in 2009 ook de bovenverdieping van de Janletvleugel opnieuw toegankelijk zijn voor het publiek. Ze zal een sleutelgalerij huisvesten, die de evolutie toelicht. Er zal worden getoond hoe de verschillende vormen van dierlijk leven evolueren in de loop der tijden. De ingrediënten van evolutie zullen duidelijk naar voren komen: tijd, toeval, omgeving en het overleven van soorten. Het spectaculaire verhaal van Bernissart en de dino's is maar een fractie van een veel aangrijpender geheel: het verhaal van het leven.
 
 
2010 wordt het internationale jaar van de biodiversiteit. Ook hiervoor heeft het museum natuurlijk plannen.
 

 

AFBEELDINGEN:

  • Het opnieuw opstellen van de iguanodons was een monnikenwerk
  • Iguanodons in een fonkelnieuwe toonkast na de renovatie
  • De maquette van de vernieuwde galerij van de dinosauriërs
  • DIPLODOCUS
  • TYRANNOSAURUS REX
  • MAIASAURA
  • De bovenverdieping van de Janletvleugel


 

Praktisch

 


 

MUSEUM VOOR NATUURWETENSCHAPPEN

Vautierstraat 29
1000 Brussel
Info dag en nacht: 02 627 42 38
 
OPEN
Van dinsdag tot en met vrijdag:
van 9.30 tot 1 6.4S uur
Zaterdag, zondag en tijdens schoolvakanties
(behalve juli en augustus) : van 10 tot 18 uur
 
GESLOTEN:
Gesloten op maandagen, op 25 december, 1 januari en 1 mei
De kassa's zijn open tot een half uur voor sluitingstijd.
Op 24 en 31 december is het museum open tot 15 uur
 
Toegankelijk voor rolstoelgebruikers
 

Bereikbaarheid

Het parkeerterrein is klein . . . Gebruik bij voorkeur het openbaar vervoer.
Metro: Lijn 1 halte Maalbeek - Lijn 2 halte Troon
Trein: station Brussel-Luxemburg
Bus: 34 en 80 halte Museum 38 en 95 (halte Parnassus)
Je kan een B-dagtrip kopen in elk station: nr 131 (trein en toegang)
 

Dino Café 

Laat ons gloednieuw Dino Café je verleiden. Zin in een drankje, een hapje of wat stevigers? Kies maar uit: lekkere verse producten, broodjes, slaatjes, kindermenu, desserts . .
 

Winkel

Zoek je een cadeautje (ook voor jezelf ) ?
Dan vind je hier boeken, films, spelletjes, kaarten, T-shirts en nog veel moois rond dinosauriërs en andere schatten van onze planeet!
 

 

AUTEUR

Wim De Vos studeerde Romaanse filologie aan de KULeuven en specialiseerde in de Communicatiewetenschappen aan de Università dello Stato di Bologna. In 1993 promoveerde hij tot doctor in de taal- en letterkunde, met een thesis over de Franse komische literatuur in de 17de eeuw.
 
Van 1995 tot 2003 was hij verantwoordelijk voor de tentoonstellingen, publicaties, perscontacten en publieksevenementen van de Koninklijke Bibliotheek. Sinds 2004 is hij hoofd van de communicatiedienst van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen. Hij initieerde er de systematische popularisering van wetenschap, voornamelijk via webartikels over wetenschappelijk onderzoek en expedities.
 
Met dank aan Hugo Vandendries voor de talloze toelichtingen.
 

 

ILLUSTRATIES

© Museum voor Natuurwetenschappen
 

 

MUSEUMPRIJZEN 2006 : EEN DUBBELSLAG

In 2006 werden voor het eerst de Museumprijzen van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen uitgereikt. Het Museum voor Natuurwetenschappen werd de eerste laureaat voor het Brussels Gewest. De pers onderstreepte het merkwaardige feit dat we de Museum prijs kregen, één jaar voor de renovatiewerken tot de opening van een nieuwe dinogalerij zouden leiden. De prijs was dan ook een bekroning voor de geïntegreerde publiekswerking. Het museum is zeer sterk op jongeren gericht, maar biedt ook activiteiten voor hun begeleiders. Kwetsbare groepen worden niet vergeten en het aanbod aan rondleidingen en ateliers wordt voortdurend vernieuwd. In 2005 en 2006 konden een twaalftal vrijwilligers zelfs mee op paleotrip : in het uiterste oosten van Rusland gingen ze met Belgische en Russische paleontologen op 'dinojacht'! Met de I 0.000 euro die aan de prijs waren verbonden, werd een lokaal voor publieksateliers volledig heringericht.
 
Dat het publiek onze inspanningen en gediversifieerde aanpak apprecieert, bleek ook uit het feit dat we voor 2006 eveneens de publieksprijs OKV voor het Brussels Gewest mochten ontvangen.