U bent hier

Museum Kazerne Dossin

Museum Kazerne Dossin
‘De Engel’ van fotograaf Daniel Hernández-Salazar symboliseert de oproep tot erkenning van de genocide in Guatemala in de jaren 1980. © DANIEL HERNANDEZ-SALAZAR

 

IN 1756 LIET KEIZERIN MARIA THERESIA IN MECHELEN EEN KAZERNE BOUWEN: 

 
Een groot complex van vier vleugels rond een binnenkoer. In 1936 kreeg de kazerne de naam van een Luikse generaal uit de Eerste Wereldoorlog: Emile de Dossin de Saint Georges. Tot aan de Tweede Wereldoorlog speelde de Dossinkazerne een louter militaire rol. Dan volgde een zeer sinistere herbestemming: het werd een Sammellager, een verzamelkamp voor Joden en zigeuners. De centrale ligging, precies tussen Antwerpen en Brussel (waar de meeste Joden woonden), de spoorlijn naast de kazerne en de gesloten structuur waren ideaal voor een deportatiecentrum. Tussen juli 1942 en september 1944 werden in de Dossinkazerne meer dan 25.000 Joden en 352 zigeuners verzameld en weggevoerd naar Auschwitz-Birkenau en enkele kleinere kampen. Twee derde van de gedeporteerden werd onmiddellijk na aankomst vergast. Zo’n vijf procent van de gedeporteerden was bij de bevrijding van de kampen in 1945 nog in leven.

 

Na de Tweede Wereldoorlog nam het Belgische leger de Dossinkazerne opnieuw in gebruik, tot 1976. Het gebouw raakte in verval en de stad Mechelen overwoog om het te laten slopen. Na protest werd de gevel geklasseerd en in de jaren 1980 werd de verkommerde kazerne ingericht als appartementencomplex. De verbouwingen waren heel ingrijpend.

 

Onder impuls van een aantal Joodse verenigingen en overlevenden van de deportatie opende in 1996 in de voorste vleugel van de oude Dossinkazerne het Joods Museum van Deportatie en Verzet. Met zo’n 35.000 bezoekers per jaar had het kleine museum al snel zijn maximumcapaciteit bereikt. De Vlaamse regering lanceerde in 2001 het plan voor een nieuwe museumsite. Aan de overzijde van de kazerne kocht de Vlaamse Gemeenschap een terrein aan. Daar kwam een nieuwbouw, naar een ontwerp van bOb Van Reeth, waar in 2012 Kazerne Dossin – Memoriaal, Museum en Documentatiecentrum over Holocaust en Mensenrechten opende.

 

Het museum gaat in op de vervolging van Joden en zigeuners in ons land. Waarom die vervolging? Wat betekende ze voor de slachtoffers en hoe reageerden zij? Was er dan geen verzet? Kazerne Dossin is ook een museum over massageweld. Vanuit de Holocaust gaat Kazerne Dossin op zoek naar de tijdloze mechanismen van groepsdruk en collectief geweld die soms uitlopen op massamoord en genocide. Dat raakt de kern van de moderne mensenrechten, met de nadruk op vrijheid en non-discriminatie. Het museum toont het gedrag van daders en meelopers en maakt de bezoeker alert voor collectieve geweldmechanismen midden onder ons. Kazerne Dossin wijst vooral op de mogelijkheid om ‘neen’ te zeggen. 

 

Kazerne Dossin heeft een museale, memoriële en educatieve opdracht. Het documentatiecentrum en de educatieve dienst werken nauw samen rond historisch onderzoek dat naar vandaag toe wordt vertaald. Jongeren aanspreken en confronteren met menselijk gedrag en met geschiedenis, om van daaruit te bouwen aan een betere wereld: misschien is dat wel de belangrijkste opdracht van Kazerne Dossin.

 

IR. ERIC STROOBANTS,

Voorzitter Kazerne Dossin – Memoriaal, Museum en Documentatiecentrum over Holocaust en Mensenrechten 

 


 

MUSEUM KAZERNE DOSSIN

  • De oude Dossinkazerne, een gelaagd historisch gebouw
  • Een architectuurproject
  • Over België in de Tweede Wereldoorlog
  • Een museum over mensenrechten
  • De museale uitwerking van Kazerne Dossin
  • Praktisch 

 


 

DE OUDE DOSSINKAZERNE, EEN GELAAGD HISTORISCH GEBOUW

 

 

Het is de overheid nooit ontgaan dat Mechelen centraal in de (Zuidelijke) Nederlanden ligt. Al vanaf 1473 bevond zich in Mechelen het Parlement of de Grote Raad, het opperste gerechtshof dat werkzaam bleef tot aan het einde van de achttiende eeuw. In deze stad werd in 1559 de zetel van het aartsbisdom gevestigd. Rond 1756 bouwden de Oostenrijkse Habsburgers in Mechelen ook een grote militaire kazerne. Na de Belgische onafhankelijkheid bleef deze Caserne d’infanterie een belangrijk militair gebouw. 

 

Intussen groeide Mechelen uit tot spoorwegknooppunt. Ook langsheen de kazerne kwam er een spoorlijn. In 1904 werd de Dijle afgeleid door een waterloop langs de kazerne, evenwijdig met de spoorlijn. In het interbellum kreeg het gebouw ook een eigen naam: de ‘Dossinkazerne’, genoemd naar een Belgische generaal uit de Eerste Wereldoorlog. Het gigantische gebouw, vier vleugels rond een grote binnenplaats, had alles om in spartaanse slaapzalen en dito refters ruim tweeduizend dienstplichtige soldaten te herbergen. Daarnaast omvatte het complex een gaarkeuken, gevangeniscellen en enkele meer luxueuze verblijfsruimten, waaronder een bibliotheek en een mess met biljart. 

 

Na de Belgische nederlaag op 28 mei 1940 kon de Duitse bezetter vrij beschikken over de Dossinkazerne. In 1942-1944 werd het gebouw gebruikt als verzamelkamp voor de deportatie van meer dan 25.000 Joden en 352 zigeuners uit België en Noord-Frankrijk. De Dossinkazerne was nu verworden tot een heuse antichambre van de dood, in de context van het grootste oorlogsmisdrijf ooit gepleegd op Belgisch grondgebied.

 

Tot in de jaren 1980 zou er echter geen aandacht uitgaan naar de Jodenvervolging in België, wat zich ook vertaalt in de naoorlogse lotgevallen van het gebouw. Meteen na de bevrijding in september 1944 werden van collaboratie verdachte personen in het complex opgesloten. Nadien kwam de kazerne weer in handen van het ministerie van Landsverdediging. Meer dan 10.000 jonge mannen deden er in de jaren 1950-1960 legerdienst, onder hen bijvoorbeeld André Goezu, een kunstenaar van Joodse afkomst, die als kind tijdens de oorlog in de kazerne opgesloten had gezeten. Goezu moest zelfs de wacht houden aan zijn voormalige gevangenis. In 1975 verliet het ministerie van Landsverdediging de kazerne en droeg haar over aan de Stad Mechelen. Deze wilde het gebouw eerst afbreken, maar in het kielzog van mei ’68 kwamen actiegroepen op voor de redding van het pand. Het ging inderdaad om een authentiek en goed bewaard voorbeeld van achttiende-eeuwse Habsburgse militaire architectuur. Uiteindelijk werd de buitengevel geklasseerd, wat neerkwam op een vrijbrief voor de binnenzijde. Bouwpromotoren mochten de kazerne verbouwen tot een heus appartementencomplex, terwijl in de achtervleugel het stadsarchief werd gehuisvest. En zo zijn we in de jaren 1980 aanbeland. De verbouwingen waren heel ingrijpend. Op het dakgebinte na valt intern niets meer te bespeuren van het oude gebouw. Aan de binnenzijde werden in een modernistische stijl terrasjes en inkomhallen toegevoegd, en de binnenplaats werd verbouwd tot ondergrondse parking. Het gebouw kreeg overigens ook een nieuwe naam: het Hof van Habsburg. 

 

In de jaren 1980 begon men in België nieuwe vragen te stellen over de Tweede Wereldoorlog. In Vlaanderen werd de evolutie daartoe ingezet door Maurice De Wilde, met in zijn kielzog een gedreven ploeg van de openbare omroep. In de onnavolgbare stijl van een grootinquisiteur maakte deze journalist, met zijn televisiereeks over de Nieuwe Orde, Vlaanderen er op attent, voor zover nodig, dat de massale collaboratie met de Duitse bezetter in 1940-1944 niet enkel te maken had met zogenaamd ‘Vlaams idealisme’ en met de problematische vooroorlogse Vlaams-Belgische politieke verhoudingen, maar ook met een geloof in het antidemocratische Duitse nationaalsocialisme. Langs Franstalige kant is vooral de publicatie van de vierdelige L’Etoile et le Fusil door de historicus Maxime Steinberg in 1983-1986 van belang. In deze eerste globale studie over de Jodenvervolging in België onder de nazi’s, ging Steinberg ook in op de rol en het aandeel van de Belgische overheden in dat verband. Hij deed dat nog heel algemeen, er was inderdaad nog veel diepteonderzoek nodig, maar Steinberg gaf de juiste toonaard aan: de Jodenvervolging was ook een Belgisch dossier. 

 

Dit alles had uiteraard zijn weerslag op de blik waarmee men naar de Dossinkazerne ging kijken. Onder impuls van wijlen Ridder Natan Ramet openden Joodse overlevenden van de deportatie in 1996 in de voorste vleugel van de oude Dossinkazerne het Joods Museum van Deportatie en Verzet (JMDV). Met gaandeweg 35.000 bezoekers per jaar bereikte dat kleine museum spoedig zijn maximumcapaciteit. De Vlaamse regering besliste in 2001 een nieuwe museumsite te financieren. 

 

De Vlaamse Gemeenschap verwierf een terrein aan de overzijde van de kazerne, met daarop een negentiende-eeuws gebouw dat zou worden afgebroken. In de plaats kwam nu de nieuwbouw die Minister-president Kris Peeters in december 2012 opende in aanwezigheid van Koning Albert II. Met Kazerne Dossin – Memoriaal, Museum en Documentatiecentrum over Holocaust en Mensenrechten, erkende de overheid eindelijk het bijzondere karakter van de Dossinsite als ‘plaats van herinnering’. Kazerne Dossin werd ook een museum van de Vlaamse Gemeenschap. 

 

De permanente historische tentoonstelling kwam nu aan de overzijde van de oude kazerne, in een nieuw, speciaal daartoe ontworpen museumgebouw van de hand van bOb Van Reeth en zijn awg-architectenteam. De oude museumruimte in de Dossinkazerne werd omgebouwd tot een memoriaal met daarnaast ruimte voor het documentatiecentrum, het archief, de bibliotheek en de stafdiensten.

 

Bezoekers vandaag reageren onthutst wanneer ze het oude binnenplein van de kazerne betreden, dat herkenbaar is gebleven maar tegelijk ook zo afwijkt van die ene tragische foto uit de zomer van 1942. Zulk appartementencomplex met zijn aanbouwsels uit begin jaren 1980, het lijkt ‘ongehoord’. Anderzijds is het precies een herbestemming als deze, die maakt dat historische openbare gebouwen blijven bestaan. Ze overleven de ene periode na de andere, wisselen van bestemming en stapelen aldus, doorheen opeenvolgende transformaties en restauraties, historische betekenislagen op. Je zou het dus best wel ‘interessant’ kunnen noemen, deze herbestemming. Vanaf het einde van de jaren 1990 hebben het succes van het JMDV en van het nieuwe museum de naam ‘Hof van Habsburg’ gelukkig wel weggevaagd. Deze tragikomische miskleun van projectontwikkelaars prijkt nog wel – gelukkig niet al te opvallend – in het achttiende-eeuwse herkapte fronton aan de hoofdingang.

 

HERMAN VAN GOETHEM,

Universiteit Antwerpen / Kazerne Dossin

 


 

EEN ARCHITECTUURPROJECT

 

 

Het nieuwe museum Kazerne Dossin is opgetrokken op een perceel tegenover het oude kazernegebouw. Deze site was, net als de voorvleugel van het complex, eigendom van de Vlaamse Gemeenschap. Om op deze plek te kunnen bouwen, werd de bestaande constructie, een voormalig arresthuis dat later werd omgebouwd tot school, afgebroken. Enkel de blauwe hardstenen inkompoort werd als restant in de nieuwe voorgevel ingemetst. Het is een nutteloos, doelloos quasi-archeologisch overblijfsel, een nature morte (Giogio Grassi). Het gaat er niet om het geheugen uit te wissen, maar een rol te laten als restant en ruïne, als voltooide bestemming. 

 

 

BESLOTEN HOF

 

De footprint van het nieuwe gebouw volgt de perceelgrenzen van het terrein. De aangrenzende oude stadsmuur werd met een nieuwe muur verlengd tot aan het kazernegebouw en omsluit, samen met de gevels van kazernegebouw en museum, bijna volledig de ruimte tussen de twee gebouwen. De afscherming en de sobere uitwerking zorgen voor rust en geven karakter. De ruimte wordt hermaakt tot hof, tot hortus conclusus. Dit is geen gewoon stadsplein.

 

De verharding in dolomiet en uitgewassen beton heeft een uniforme kleur en creëert een ruimte van gevel tot gevel, een verbinding tussen kazernegebouw en nieuwbouwmuseum. Vier geknotte lindebomen, accuraat gepositioneerd, diagonaal over de ruimte heen, vormen een harmonisch geheel. De meer dan zeventig jaar oude linden werden verplant vanuit de voormalige en vervallen kloostertuin achter de nieuwbouw en zijn letterlijk doordrongen van geschiedenis. Ze werden in ere hersteld en krijgen een bijzondere plek tussen de gebouwen, waar hun knoestige vorm de verstilde ruimte kracht bij zet. De hof is meer dan een verbinding tussen gebouwen, hij maakt deel uit van de museale ruimte.

 

De nieuwe muur in het verlengde van de oude stadsmuur definieert niet enkel de grenzen van de hof, maar vormt tegelijk en gedeeltelijk ook de onderbouw van het nieuwe museum. Dit museumgebouw wordt gelijkvloers door deze voorhofmuur gevormd. Het is een ommuring met daarin en gedeeltelijk erop, een gebouw.

 

 

HET WELKOM VAN EEN TREINWAGON

 

In binnenstedelijke projecten krijgt de gebouwplint veelal een open karakter om communicatie en interactie met de straat mogelijk te maken. Het gelijkvloers van het nieuwe museum gaat helemaal geen relatie aan met de stad. De inkompartij is niet opvallend, staat niet in het centrum van het plein maar bevindt zich aan de zijkant. De Amerikaanse schilder en beeldhouwer Donald Judd merkte terecht op dat symmetrie de regel is en asymmetrie de uitzondering. Dit project is uitzondering, het probeert niets volgens ‘de regels’ op te lossen. De inkom is ‘opzijgezet’, is niet symmetrisch, ook niet tegenover de poort van de oude kazerne. De inkom heeft geen luifel, is haast als een secundaire inkom met schuifpoort: dit is het welkom van een treinwagon. De schuifpoort uit roestend cortenstaal werd geperforeerd met een geabstraheerde telling van het aantal Joden en zigeuners die in 28 transporten vanuit de Dossinkazerne werden weggevoerd.  

 

Tussen de ommuring van het gebouw en het hoofdvolume zorgt een glazen dak voor natuurlijk licht. Onder dit glazen dak krijgt het binnenkomen vorm: aan de ene zijde worden de bezoekers ontvangen, aan de andere zijde is er de toegang tot de kelderverdieping met haar cafetaria, vestiaire en dienstruimten. Twaalf kolommen dragen het hoofdvolume van het gebouw en brengen met hun materialisatie in gietijzer het gruwelijke gebruik van de verbrandingsovens in herinnering. Onder het hoofdvolume geven twee glazen trappen toegang tot de bovenliggende tentoonstellingsruimtes. 

 

 

ONTMOETING MET DE GESCHIEDENIS 

 

Op de eerste, tweede en derde bouwlaag zijn de ramen toegemetst met meer dan 25.000 bakstenen. Van bij het verlaten van het grote, lichte gelijkvloers tot aan de dakverdieping zijn de gevels blind en is men aangewezen op het tentoongestelde. Het is een ontmoeting met de geschiedenis, met het verhaal van de meer dan 25.000 gedeporteerden. De bezoeker vindt er ook zichzelf terug. De verdiepingen gaan dus geen relatie met de stad aan, alleen op de vierde verdieping kan de bezoeker de omgeving en vooral ook de oude kazerne zien. Deze vierde verdieping is voorbehouden voor tijdelijke tentoonstellingen. Via een dakterras bereikt de bezoeker een balkon dat drie vierde van het gebouw omsluit. Na het doorlopen van de tentoonstelling wordt zo teruggekeken op het kazernegebouw en zijn binnenplaats. De bezoeker kijkt met gestuurde blik, want enkel de achterzijde van de binnenplaats is zichtbaar. De half verdiepte parkeerbak, schaamteloos gecreëerd bij de verkaveling van de kazerne in appartementen, wordt aan het oog onttrokken.

 

De eerste, tweede en derde bouwlaag zijn nagenoeg identiek. Het hoofddeel blijft vrij als tentoonstellingsruimte, de punt van het gebouw krijgt een meer utilitaire invulling, met educatieve ruimten, kantoren en een auditorium voor 80 personen. Tussen het corpus en de punt van het gebouw bevinden zich telkens een circulatiekern en/of een sanitaire ruimte. 

 

De geometrie van de opbouw – het grid – is niet enkelvoudig. De ritmering van de gevel met zijn dichtgemetselde ramen sluit binnenin aan op deze van de gietijzeren kolommen op het gelijkvloers. Deze ritmering is anders dan de zes grote betonnen u-vormige schachten vanaf de eerste verdieping.

 

Het nieuwe gebouw wil in de eerste plaats een casco zijn, dat op een vrije manier kan worden ingevuld door de scenografie. Zes betonnen U-vormige schachten in het corpus dragen de structuur en bieden plaats voor het achterliggende technologische frame. Daardoor blijven de tentoonstellingsruimtes open en vrij invulbaar. Via de verhoogde vloer kunnen leidingen geplaatst en verplaatst worden om zo een vrije en wisselende museale opstelling te voeden.

 

Er is geen centraal atrium, geen gebouwd continuüm, bijna geen natuurlijk licht. De museale ruimten moeten het hebben van gecontroleerd licht. De serene lijnverlichting volgt de geometrie van het gebouw en zorgt voor een uniforme basisverlichting. Synagogen hebben vaak ramen en zijn rijkelijk met daglicht gevuld. Dit museum heeft dichtgemetselde ramen, meer dan 25.000 stenen verhinderen daglicht. Ze zijn de stille getuigen van afwezigheid en eenzaamheid.

 

Duurzaam is een hoofdthema in architecturaal werk. Het gaat om de lange duur en meestal dus om verandering en veranderbaarheid in de tijd. Dit gebouw, dit museum, deze plaats, moet de herinnering voor zeer lange tijd vasthouden. Het gebouw, de plek, wil de architecturale vertolking zijn van het cultureel belang en rol van het museum als institutie.

 

BOB VAN ABBENYEN, AWG

 


 

INTENSE AFWEZIGHEID, ‘WAT JE BEZIG HOUDT’

 

 

Mijn ideaal is een zekere koelheid. Een tempel die de passie in de omgeving bevordert, zonder zich te bemoeien. (Ludwig Wittgenstein)

 

Elk ontwerp begint altijd met de interpretatie van de opgave, van het karakter ervan. Je gaat op zoek naar het ‘waarom’, wat iets anders is dan het eisenprogramma van de opdrachtgever. De bestaansgrond van de architectuur is noodzakelijkheid. Deze innerlijke noodzaak van de opgave, de bruikbaarheid voorbij, is onontkoombaar. Om te kunnen ontwerpen moet je telkens opnieuw ‘de architectuur’ opgeven en in de steek laten om los, ongedwongen en ongeremd, het karakter, het thema van de opgave te achterhalen. “It is not the doing of things that is difficult. What is difficult is getting in the right mood to do them.” (Brancusi)

 

Er is in de architectuur een zoeken naar architectuur, een zoeken dat aan een project voorafgaat, nog voor ook maar een lijn op papier staat. Dit zoeken is een op-weg-zijn naar wat in de opgave verheerlijkt, gesublimeerd kan worden, naar wat de bezieling zal zijn. Zonder deze sublimering is architectuur tevergeefs, onvolledig. Je zoekt als ontwerper een emotionele vereenzelviging met het onderwerp, een vorm van nabijheid en intimiteit, en daardoor wordt een project ook autobiografisch. Het resultaat van deze zoektocht is een aanzet tot het ontwerp. Deze aanzet blijft naar buiten toe onbekend, het zijn ideeën als geheime determinanten, als private betekenissen van de ontwerper. Van het ontwerpproces is immers meestal enkel het resultaat bekend. 

 

Een gebouw karakter verlenen is alle middelen inzetten om geen andere sensaties op te wekken dan die welke wezenlijk zijn voor het thema. Er zijn in het architectuurproject Kazerne Dossin zeker formele analogieën. Zo is de typologie van een synagoge misschien herkenbaar, maar dat verwijst dan niet naar de gruwel maar naar samenhorigheid en geloof in de stadsgemeenschap. Het basisbeginsel van het project Kazerne Dossin is echter het begrijpen van de bestemming van de plek, van de plaats. Het project moet stevig verankerd zijn in de site, als een vanzelfsprekend onderdeel. Een project dat op een ‘natuurlijke’ manier deel wordt van de vorm en de geschiedenis van de plek, van de stad. Het project moet het geheugen van de plek en van de stad opfrissen en daarom een gebaar stellen – ‘gebaar’ in de zin die filosoof Bart Verschaffel aangaf: monument. Het invullen van een fragment in de stadsplattegrond van Mechelen met een plein en een gebouw, is meer dan de bouwplaats en de verkeersrichting aanduiden. Het gaat om de invulling van stedelijke ruimte, om het betekenis geven aan die ruimte.

 

Veelal zijn straten en pleinen gevormd door relatief banale woongebouwen. Dit levert een goed publiek stadsinterieur op, een vertrouwde footprint van de globale identiteit van de stad. De stad heeft echter ook plekken die een bijzondere betekenis hebben. Betekenis die veelal wordt gedragen door een publieke plek en/of gebouw waar we als gemeenschap wat mee hebben of hadden. Denk bijvoorbeeld aan een stadhuis, een kathedraal, een voetbalstadion enzovoort. 

 

De Dossinkazerne had als roeping een betekenisvol gebouw te zijn. Het is een stadsicoon dat in historisch en cultureel opzicht beeldbepalend is, dat als betekenisdrager de identiteit van de stad bewerkt. Er is een sterk verband tussen de geschiedenis en deze plek en dit gebouw. Toch werd dit samenvallen ontkracht, gebanaliseerd door de bewoning. De oude kazerne had museum kunnen zijn indien het de thuisloosheid voelbaar gehouden had. Die roeping ging failliet door het gebouw te verkavelen en te bewonen. Het werd een ‘woonkazerne’. Monumenten en memorialen worden niet bewoond. Een plek waar haast 26.000 mensen weggedraineerd werden, is onbewoonbaar. Wat overblijft of had moeten overblijven, was een opslagplaats van een niet te vergeten verleden. Kazerne Dossin als ‘plaats van herinnering’ (lieu de mémoire)

 

Staande tegenover het hergebruik van de kazerne heeft nieuwbouw als voordeel een mystiek, raadselachtig aspect te kunnen genereren. De nieuwbouw negeert de bestaande bewoning en zoekt inhoudelijke verwantschappen met de geschiedenis van de plek. Het gaat om wat Baudelaire omschreef als correspondance, als de mogelijkheid om emoties teweeg te brengen. De haast 26.000 personen die via de Dossinkazerne werden weggevoerd, vormen dit museum, deze plek, dit stuk stad. Aan de oorsprong van dit project ligt een emotionele referentie die in het ontwerp- en bouwproces een rol is blijven spelen. Het oude Dossingebouw, verbouwd om te doen vergeten, kan de emotionele referentie niet meer ontlopen. Het gaat om ‘intense afwezigheid’, een afwezigheid die we kennen bij schilders als De Chirico en Hammershoi. Of architectuur daar in kan slagen moet je ter plekke zien.

 

BoB VAN REETH, AWG

 


 

OVER BELGIË IN DE TWEEDE WERELDOORLOG

 

 

De Dossinkazerne is de materiële scène geweest van een Belgisch-Duits oorlogsverhaal. Museum Kazerne Dossin legt dus de nadruk op Mecheln–Auschwitz, de deportatie vanuit het Mechelse verzamelkamp. In deze ‘Belgische’ analyse wordt ook Noord-Frankrijk betrokken, omdat de aldaar opgepakte Joden en zigeuners via de Dossinkazerne op transport werden gezet. Noord-Frankrijk ressorteerde immers onder het Duitse bezettingsbestuur in België.

 

Uiteraard wordt de deportatie vanuit Mechelen in de brede context geplaatst. Zo bevat de introfilm een lange termijnanalyse van het antisemitisme, en gaat ook veel aandacht uit naar de geschiedenis van Duitsland, de genese van de uitroeiingscentra in Polen enzovoort. Kazerne Dossin is echter geen ‘algemeen’ museum over de Jodenvervolging onder de nazi’s. Daarvoor ligt België op te korte afstand van het Mémorial de la Shoah in Parijs en het Imperial War Museum in Londen, met hun globale presentatie van de Holocaust in Europa. Kazerne Dossin benadert de Holocaust daarentegen vanuit een regionale, Belgische focus. 

 

Zoals het oude gebouw met zijn opeenvolgende betekenislagen de geschiedenis van België reflecteert, zo is ook de inhoud van het nieuwe museum verbonden met een lange evolutie in historische inzichten. Het onderzoek naar de collaboratie in België in 1940-1944 wordt vooral door Vlaamse historici gedragen. Langs Franstalige kant bestaat veel meer belangstelling voor de geschiedenis van het verzet, dat langs Vlaamse kant dan weer stiefmoederlijk wordt behandeld. Kazerne Dossin brengt al deze inzichten samen, in een analyse toegepast op de Jodenvervolging. Het is een verhaal in beeld, tekst en multimedia over collaboratie en verzet in België, en dit op het scherpst van de snee.

 

 

JODENVERVOLGING EN COLLABORATIE

 

In 2000 publiceerde historicus Lieven Saerens zijn ophefmakende Vreemdelingen in een wereldstad. Een geschiedenis van Antwerpen en zijn joodse bevolking (1880-1944). Het boek bracht grote commotie teweeg, omdat Saerens voor het eerst voluit aantoonde dat in 1942 met medeweten van het Antwerpse stadsbestuur en gerecht, Joodse mannen, vrouwen en kinderen massaal en met veel geweld door de lokale politie waren opgepakt en gedeporteerd. Dit droeg allemaal sterk bij tot de oprichting van een officiële commissie in 2003, op initiatief van de Belgische Senaat. Dit orgaan moest de verantwoordelijkheid van de Belgische overheid in de Jodenvervolging in bezet België in 1940-1944 onderzoeken. Het lijvige eindrapport zette de rol van Antwerpen opnieuw in de verf, maar benadrukte dat ook elders in België de overheden een reëel aandeel hadden in de Jodenvervolging. Zij ondersteunden de uitvoering van de opeenvolgende Jodenverordeningen, tot en met het verrichten van individuele en collectieve aanhoudingen. Overigens nam de Belgische overheid in januari 1942 ook op eigen houtje het initiatief tot de registratie van de zigeuners.

 

Interessant is wel dat het eindrapport van de onderzoekscommissie in het Nederlands de titel Gewillig België meekreeg, wat in het Frans werd omgezet in La Belgique docile. Dat had eigenlijk La Belgique bienveillante moeten zijn. Kan dit taalverschil een echo zijn van het feit dat Franstalig België het moeilijker heeft dan Vlaanderen om het eigen collaboratieverleden onder ogen te zien? Het Senaatsrapport gomt dit semantische verschil in elk geval wel weg. Het rapport laat aan duidelijkheid niets te wensen over. 

 

Of daarmee het laatste gezegd is? Verre van dat. Wat de ambtenarencollaboratie betreft, blijft de vergelijking tussen Antwerpen en de andere steden met Joodse concentratie – Brussel en ook Luik en Charleroi – moeilijk omdat in deze drie steden de politiearchieven ofwel vernietigd ofwel niet consulteerbaar zijn. Na Gewillig België publiceerde Thierry Rozenblum Une cité si ardente (Luik, 2010) waaruit blijkt dat, op die razzia’s na, de Jodenvervolging in Luik wel heel erg op Antwerpen lijkt. Wel staat vast dat Antwerpen met zijn razzia’s de meest extreme casus is. Voor de uitbouw van het nieuwe museum, werd echter heel wat nieuw materiaal bovengehaald, vooral aan de hand van de zo rijke Antwerpse archieven. 

 

 

JODENVERVOLGING EN VERZET

 

In de geschiedenis van het verzet ligt de nadruk sterk op het georganiseerde, gestructureerde verzet, met de sluikpers, inlichtingennetwerken en gewapende organisaties. Globaal genomen kwam het gewapende verzet in België in oktober-november 1942 in een stroomversnelling, na de invoering van de verplichte tewerkstelling in Duitsland. Maar toen waren de grote Jodendeportaties al achter de rug. Van de 25.000 gedeporteerden in 1942-1944 werden er circa 17.000 in augustus-oktober 1942 weggevoerd. 

 

Die nadruk op het georganiseerde verzet maakt dat het individuele, niet-gestructureerde verzet van de enkeling weinig aandacht krijgt. Dat is onterecht, zoals uit het dossier van de Jodenvervolging blijkt. Kazerne Dossin hanteert dan ook een ander concept van verzet: het kantelmoment wanneer een individu beslist geen gevolg meer te geven aan de Duitse verordeningen. We gingen dus ook op zoek naar enkelingen, die in hun eentje de moed hadden om ‘nee’ te zeggen. En dat begint al in het najaar van 1940. Beslissen om je toch niet als Jood te registreren; via een schijnconstructie ontkomen aan de liquidatie van je ‘Joodse’ bedrijf; de avondklok voor Joden negeren; geen Jodenster dragen… Dat alles vergde moed, en voor de omgeving was het ook een signaal.

 

Ook bij de Belgische overheid kan je vanuit die focus naar verzet speuren. Globaal genomen valt het bestuur wat de Jodenvervolging betreft op door een gebrek aan moed en een systematisch ontvluchten van verantwoordelijkheid. Daarnaast is echter ook het verhaal van de ‘moedige’ ambtenaren leerrijk. In de hiërarchische context van toen had elke Belgische ambtenaar een ruime marge om zonder gevaar voor eigen leven te kiezen voor administratief verzet. Zo speelde burgemeester Joseph Van de Meulebroeck in Brussel een cruciale rol. Zijn publieke protest tegen de bezetter in juni 1941 zal ook een weerslag hebben op de hulp aan Joden vanaf 1942. Dit illustreert hoe belangrijk het stellen van een voorbeeld of het nemen van verantwoordelijkheid kan zijn. Ook richt het museum de schijnwerpers op de weigering van een aantal Brusselse gemeenten in 1942 om de Jodenster te verdelen of mee te werken aan de Jodenrazzia’s, en op agenten in Antwerpen die in dezelfde periode weigeren deel te nemen aan de mensenjacht. Er waren ook stille helden.

 

Individueel verzet is tevens een goede focus om te kijken naar hulp geboden door de niet-Joodse bevolking. Territoriale verschillen zijn een aandachtspunt in de museale analyse. Welke factoren helpen verklaren waarom de regio Brussel zich vanaf mei-juni 1942 milder opstelde tegenover zijn Joodse inwoners dan Antwerpen? Kaarten en statistieken maken duidelijk dat, globaal genomen, Vlaanderen in de Tweede Wereldoorlog anders tegenover de bezetter stond dan Brussel en Wallonië. Soms – maar niet altijd – konden de vervolgde Joden daar hun voordeel mee doen. Vanuit deze analyse van het verzet en de mogelijkheid om op eigen houtje als enkeling ‘nee’ te zeggen, zelfs onder de nazibezetting, draagt Kazerne Dossin bij aan de collectieve herinnering en verwerking van het Belgische oorlogsverleden. Het museum zet bovendien in op de individuele verantwoordelijkheid in een ontspoorde samenleving. Met deze analyse van het verzet zitten we, kortom, middenin het grote thema van de mensenrechten.

 

HERMAN VAN GOETHEM,

Universiteit Antwerpen / Kazerne Dossin

 


 

EEN MUSEUM OVER MENSENRECHTEN

 

 

Museum Kazerne Dossin verbindt het thema van de Holocaust ook expliciet met mensenrechten(schendingen) vandaag. Het museum positioneert zich zo in dit internationaal debat dat reeds lang woedt. De benadering van Kazerne Dossin is innovatief en wekt grote internationale belangstelling. Het museum kreeg bijvoorbeeld een bijzondere onderscheiding in het kader van de European Museum Award 2014.

 

Kazerne Dossin wil het historische gebeuren van de Holocaust niet alleen in herinnering brengen, maar ook overstijgen door middel van een concreet pedagogisch project dat eveneens ingaat op de actualiteit en waarin Human Rights Education centraal staat. In dit project moeten waarden als verdraagzaamheid en respect, burgerzin en verantwoordelijkheid de toon bepalen. Laten zien wat er is gebeurd, volstaat niet om herhaling te vermijden. Verder kan een te exclusieve focus op het unieke evenement dat de Shoah is geweest ertoe leiden dat we de gebeurtenis isoleren, absoluut ‘buiten onszelf plaatsen’, waardoor we deze gaan zien als iets onbegrijpelijks. En dat terwijl de daders vaak heel gewone mensen waren die verdacht veel op ons lijken.

 

 

MENSENRECHTEN: WAT WEL, WAT NIET?

 

Antisemitisme en onverdraagzaamheid zijn van alle tijden, maar de introductie van mensenrechten in een Holocaustmuseum is niet vanzelfsprekend. Het moet uiteraard gaan om een actualisering. Maar waarom wel of niet aandacht besteden aan Oost-Congo, Darfoer, Guantanamo, Syrië? Wat met de kwestie Palestina-Israël? Waarom wel of niet de focus richten op kindsoldaten, vrouwenbesnijdenis, folteringen, beperking van de vrijheid van meningsuiting, het hoofddoekenverbod, kinderarbeid in India, politieke onvrijheid in China? Het is een verscheurende, maar ook onmogelijke keuze. Een museum dat concreet ingaat op de mensenrechten kan niet zonder afgelijnd concept. Kazerne Dossin is daarbij vertrokken vanuit de historische gebeurtenis die op de Dossinsite zo indringend aanwezig is. Hieruit werden twee thema’s gedistilleerd: enerzijds discriminatie en uitsluiting, anderzijds genocidaal massageweld. De massale en systematische uitroeiing van mannen, vrouwen en kinderen, is het eindpunt van een lange keten van almaar toenemend geweld. 

 

De geweldspiraal begint bij de discriminatie en uitsluiting van individuen. Herkenbaar is bijvoorbeeld pesten op de speelplaats of op het werk. Heel soms stapt een gepest slachtoffer uit het leven. In massageweld is er vaak een interactie tussen daders, omstanders en slachtoffers in een complex proces van toenemende interne dynamiek. Discriminatoir massageweld kan zich ook op groepen richten. 

 

Zo werden in de Verenigde Staten tussen 1880 en 1960 minstens 4.000 zwarten gelyncht. De slachtoffers waren bijna altijd mannen. Ze ondergingen de ‘volkswoede’, terwijl de overheid machteloos toekeek of welwillend een oogje dichtkneep. De intensiteit van het geweld is nog veel groter wanneer ook vrouwen en kinderen worden vermoord. Wanneer het massageweld ook staatsgeweld wordt, zijn we nog een stap verder. Maar daarvoor is een sterk georganiseerde staat nodig die de media controleert en slachtoffers ontmenselijkt, hen tot bacillen, ratten degradeert. Ongedierte verdelg je meedogenloos en zonder onderscheid. Onmisbaar om in zoiets te geloven, is een krachtige ideologie, met gecontroleerde pers en media. Daarnaast moet de overheid een goed georganiseerde moordmachine ontwikkelen die drijft op groepsdruk, op cumulatieve agressie en op een versnippering van de verantwoordelijkheid onder zeer velen. Zo functioneren moderne genocides. Maar zelfs in zo’n systeem ben je niet absoluut verplicht mee te doen.

 

In de permanente tentoonstelling wordt het aspect mensenrechten dus ook naar vandaag toe vertaald. Op de eerste verdieping – met als thema ‘Massa’, 1918-1940) – hebben we het over migratie vandaag de dag. Op de tweede verdieping – getiteld ‘Angst’, 1940-1942 – tonen we geweld analoog aan dat van ‘Gewillig België’: de Apartheid in Zuid-Afrika, lynchpartijen op zwarten in de Verenigde Staten, onmenselijke behandeling in de Vrijstaat Congo… Op de derde en laatste verdieping – ‘Dood’, 1942-1945 – tonen we ook ander genocidaal geweld, zoals de volkerenmoord in Rwanda, Armenië of Cambodja. 

 

Het mensenrechtenthema wordt in Kazerne Dossin verder ook uitgewerkt in tijdelijke tentoonstellingen op de vierde verdieping. Deze zijn nu eens artistiek, dan weer historisch, of beide tegelijk. De genocides in Srebrenica (Claudia Heinermann), Rwanda (Alexis Cordesse), Guatemala (Daniel HernándezSalazar), of ook de expo Gezichtsverlies door kunstschilder Jan Vanriet, het zijn enkele voorbeelden.

 

 

BEKLIJVEND INZICHT

 

Kazerne Dossin heeft het thema van de mensenrechten dus ingevuld vanuit een analyse van menselijk gedrag. Dit is een museum over groepsdruk, over massageweld. Het doel is een verklaring te bieden voor het fenomeen massamoord, waarbij mannen niet enkel mannen doden – wat aanvaard wordt in de context van een reguliere oorlog… – maar ook op systematische wijze vrouwen en kinderen.

 

Het museum wil ingaan op zowel de slachtoffers, de daders als de omstanders – meelopers en grijze muizen, soms ook stille helden – om het resultaat van deze analyse vervolgens te integreren in een mensenrechtenconcept dat aansluit bij de fundamenten van de moderne democratische rechtsstaat. Dit museum kan zichzelf geslaagd noemen als het de bezoeker een beklijvend inzicht geeft in het fenomeen van discriminatie en uitsluiting, in de kracht van de massa, in de handelingsmarge van de enkeling bij elke vorm van groepsagressie. De boodschap van Kazerne Dossin is dat tegenover een agerende massa, tegenover groepsdruk, het individu steeds op zoek moet gaan naar een marge om afstand te nemen, om gelijkgezinde dwarsliggers te zoeken, om ‘nee’ te zeggen. 

 

De mission statement van Kazerne Dossin luidt dan ook als volgt: “Kazerne Dossin vertrekt vanuit het historische verhaal van Jodenvervolging en de Holocaust in relatie tot de Belgische casus, om te reflecteren over hedendaagse fenomenen van racisme en uitsluiting van bevolkingsgroepen en over discriminatie omwille van afkomst, geloof, overtuiging, huidskleur, geslacht, geaardheid. Daarnaast wil Kazerne Dossin ook een analyse maken van groepsgeweld in de samenleving, als mogelijke opstap naar genocides. Aldus opgevat, draagt dit museum fundamenteel bij tot een educatief maatschappelijk project waarin burgerzin, democratische weerbaarheid en verdediging van individuele basisvrijheden centraal staan.”

 

 

WIE EN WAAROM?

 

Het mensenrechtenthema wordt vanuit de introfilm gradueel uitgewerkt overheen de drie verdiepingen van de permanente tentoonstelling. We hadden het in dat verband reeds over de analyse die Kazerne Dossin brengt over het verzet, over de mogelijkheid om ‘nee’ te zeggen en over de voorbeeldfunctie die daarvan uitgaat. Naast de redders zijn er ook daders en hun medestanders.

 

De introfilm moet de blik van de bezoeker richten en hem bij zijn bezoek attent maken op de foto’s waarbij daders of ook omstanders, vrouwen en kinderen, lachend poseren, wanneer bijvoorbeeld iemand publiek vernederd en gekraakt wordt. Zulke foto’s nemen een belangrijke plaats in dit museum in. ‘Wie zijn die mensen’ en ‘ waarom dit’? Deze cruciale analyse ontwikkelen we stap voor stap en chronologisch: een spiraal van steeds grotere polarisering en alsmaar toenemend geweld, tegen de achtergrond van een ideologie die lijnrecht indruist tegen de moderne mensenrechten. Dit mondt op de derde verdieping uit in het schokkende, recent ontdekte Höckeralbum. Daarin zie je een vriendelijke en charmante dokter Mengele, lachende kampcommandanten Höss en Baer, uitgelaten vrolijke SS-Helferinnen. Het gaat niet om gekken, evenmin noodzakelijkerwijze om perverten, sadisten of wat dan ook. Deze lieden, zowel elite als voetvolk, zijn gewone mensen, met een eigen referentiekader waarin de tegenstander ontmenselijkt wordt en het kwaad niet meer tot kwaad verheven is. Voor de daders en de vele medeplichtigen is het doden van een Jood, of bijvoorbeeld ook een gehandicapte Ariër, geen kwaad maar een noodzaak, ja zelfs een moreel goed. Deze daders hebben eenvoudigweg andere morele normen. In die context worden zij inderdaad in zeker opzicht inwisselbaar, terwijl ook het onderscheid tussen hoofddaders, medeplichtigen en welwillende toeschouwers wat vervaagt. Deze benadering geeft tegelijk aan hoezeer ideologie en mensenrechten wel degelijk het fundament zijn van onze samenleving. Dit is ons referentiekader. Kazerne Dossin brengt dus tevens een verhaal over weerbaarheid, democratie en burgerzin, vanuit de soms wankele zoektocht naar een wereld die de mens als mens respecteert. 

 

 

KAZERNE DOSSIN, HET MEMORIAAL

 

Aan de overzijde van het nieuwe museum, in het oude kazernegebouw, werd in de vleugel rechts van de toegangspoort een memoriaal ingericht. De oude site is een plaats van herdenking voor de vele nabestaanden van de slachtoffers van de deportatie. Voor hen heeft deze plaats een diepe, intense betekenis. Ze is drager van een haast tastbare herinnering aan dramatische uren en dagen die het familielid doormaakte (memoria, herinnering). De site neemt bovendien de plaats in van het ontbrekende graf waarrond familie en vrienden bijeenkomen om te rouwen. 

Daarnaast zijn er ook de bezoekers die geraakt werden door wat ze in het nieuwe museum zagen en die zich bewust zijn van de dramatiek die van de oude site uitgaat. Zij worden bewogen door een oprecht gevoel van medelijden. Ook zij buigen in stilte voor de nagedachtenis van de velen die vanuit Dossin naar Auschwitz-Birkenau werden afgevoerd.

Een memoriaal heeft een religieuze betekenis, in de oorspronkelijke zin van het woord. In een bepaald, heel beperkt, opzicht wordt verbonden wat verbroken werd (religere). Dit gebeurt in een emotionele context die het rationele individu overstijgt.

In de eerste plaats wil het memoriaal verbinden. In zijn ingetogen aanwezigheid verbindt de bezoeker zich met die andere, onze medemens, die vervolgd werd en ten onder is gegaan in de meest ondenkbare omstandigheden. In deze emotionele beleving wordt de anonimisering van het slachtoffer doorbroken. Hij of zij wordt uit de vergetelheid gehaald en krijgt opnieuw een naam, een gelaat.

Het memoriaal wil ook de misdadigers overstijgen. Dat doen we door de slachtoffers te herinneren (d.i. ‘weer naar binnen brengen’; cf. het Franse rappeler, ‘iemand naar zich toe roepen’). Op deze wijze gaat de bezoeker in tegen het ultieme doel van de daders, de restlose Vernichtung. Het anonimiserende en individualiteit-vernietigende massa-aspect van de Endlösung wordt onderuit gehaald. 

 

 

HET DAGBOEK VAN MOSHE

 

Dit zoekende individu staat soms te midden van een enorme sociale complexiteit. De bezoeker krijgt zulks mooi te zien in het geval van Moshe Flinker, die in september 1942 vanuit Den Haag naar Brussel vlucht, samen met zijn ouders, zijn broer en vijf zussen. Hij is zestien jaar oud en een vrome, orthodox Joodse jongen. Moshe vertrouwt zijn diepste overtuigingen aan zijn dagboek toe. Het einde van de oorlog kan niet meer veraf zijn, schrijft hij, want het Joodse lijden is zo groot dat de Messias weldra komen zal. Vertaald naar de moderne wereld betekent dat, aldus nog Moshe, dat weldra de staat Israël zal worden gesticht. Met de gedreven naïviteit van een briljante knaap droomt hij ervan een Joods staatsman te worden, een leider van zijn volk. Hij wil Israël mee oprichten, in overleg met de Palestijnse bevolking en zonder bloedvergieten. Palestijnen en Joden zijn immers broeders in Abraham en kinderen van Israël, zo schrijft Moshe in zijn dagboek. En daarom leert hij in Brussel alvast Arabisch. In een boekhandel schaft hij zich een Duits-Arabische grammatica en een woordenlijst aan… 

 

In de jaren 1920 was het tot spanningen gekomen tussen Joden en Arabieren in het Britse mandaatgebied Palestina, met als gruwelijk hoogtepunt een pogrom in Hebron in 1929. In dat kleine stadje, waar Joden en Arabieren gezamenlijk het graf van Abraham vereren, vermoordden Arabieren 61 Joden en verjoegen alle anderen. Moshe schrijft: “De dingen die voor de oorlog zijn gebeurd, zoals die vreselijke onlusten (…) mogen niet weer gebeuren. (…) Maar ik denk dat als de leiders van Israël tenminste Arabisch hadden geleerd en dus met de leiders van de Arabieren hadden kunnen spreken, dat alles niet zou zijn gebeurd.”

 

Voor Moshe zal het echter bij dromen blijven. De oorlog duurt voort, de Verlossing blijft uit. Zijn dagboek wordt een langgerekt gebed van wanhoop, een klaaglied om Jahweh, en in november 1943 stopt hij met schrijven. Een halfjaar later worden Moshe en een deel van zijn familie opgepakt en naar Auschwitz-Birkenau afgevoerd. Zijn twee gedeporteerde zussen zullen de oorlog overleven, een ervan woont nu nog in Israël. 

 

De jonge Moshe Flinker koesterde in 1942 een bijbels visioen dat tegelijk van gezond verstand getuigde. Met elkaar overleggen, naar elkaar luisteren, in onbevangen openheid samen naar oplossingen zoeken. Zelfs in een aartsmoeilijke kwestie zoals Hebron. Daarom willen wij als museum de boodschap van Moshe Flinker brengen.

 

HERMAN VAN GOETHEM,

Universiteit Antwerpen / Kazerne Dossin

 


 

DE MUSEALE UITWERKING VAN KAZERNE DOSSIN

 

 

Bij de uitbouw van het nieuwe museum was de vraag welke plaats de ‘beleving’ in het museum kon hebben, een centraal aandachtspunt voor het kleine team rond curator Herman Van Goethem (Universiteit Antwerpen) en museologe Petra Gunst (Tekst&Beeld). Het antwoord op die vraag kreeg slechts langzaam vorm, als onderdeel van een complex denk- en maakproces waarin de wisselwerking tussen vormgeving en inhoud centraal stond. 

 

Inleeftrajecten bleken niet evident omdat de museumbezoeker, anders dan de slachtoffers tijdens de oorlog, het finale doel van de Jodenvervolging kent. Wat een eventuele scenografie betreft, is in een Holocaustmuseum al evenmin veel mogelijk. Kun je een Jodendeportatie of een gaskamer ensceneren? Scenografie kwam er in dit museum uiteindelijk slechts op één plaats: op de derde verdieping, waar een lange gang de weg naar Auschwitz-Birkenau suggereert.

 

Maar er is meer. De emotionele geladenheid van de gebeurtenissen is op zich zo groot, dat het ons niet nodig, ja zelfs niet wenselijk leek om die emotionaliteit nog met scenografische kunstgrepen te versterken. Het materiaal spreekt voor zich. In nauwe samenwerking met het Gentse grafische bedrijf Karakters streefden we daarom naar een rustige, minimalistische uitwerking, die overigens ook goed aansluit bij de architectuur van het gebouw. Kortom, het materiaal ‘gewoon tonen’, sober en esthetiserend, dat is wat we hebben nagestreefd.

 

 

OVER BELEVING IN KAZERNE DOSSIN

 

Ruim negentig procent van de Joden in België kwam uit een milieu van immigranten en vluchtelingen, veelal arme mensen die weinig sporen nalieten. Als ze de Holocaust al overleefden – wat België betreft was de kans een op twee – dan hadden ze meestal tussen 1942 en 1944 ondergedoken geleefd. Bijna alle persoonlijke bezittingen hadden ze moeten achterlaten. Weinig begoed als deze mensen waren, ging het vaak om banale, zelfs schamele objecten die niet werden bewaard met het oog op een eventuele terugkeer, maar werden weggegooid of verkocht. Uiteindelijk bleven vooral familiefoto’s en archiefdocumenten bewaard. Kan je daarmee een museum maken? Gelukkig laten de scan- en printtechnieken vandaag de dag toe dit materiaal op heel indringende wijze te benutten. Zo kan je van foto’s prachtige grote formaten maken die de bezoeker intens met de afgebeelde scène confronteren. Weinig materiaal betekende voor ons ook het zorgvuldig kiezen van de afbeeldingen en een weergave op grote schaal. Dat sloot aan bij het streven naar een strakke, esthetiserende omgang met het museummateriaal. De foto’s appelleren door hun directheid, ze raken de bezoeker. 

 

Heel intens is bijvoorbeeld de gigantische portrettenwand die elke bezoeker naar de keel grijpt. Ward Adriaens, directeur van het JMDV, startte in 2005 het project Geef ze een gezicht, waarbij op systematische wijze portretfoto’s worden gescand van de meer dan 25.000 Joden en 352 zigeuners die in 1942-1944 vanuit Mechelen werden gedeporteerd. Op dit ogenblik, anno 2014, zijn er meer dan 19.000 foto’s. De voornaamste bron waren de dossiers van de vreemdelingenpolitie in het Algemeen Rijksarchief. 

 

De foto’s werden in Kazerne Dossin aangebracht op een enorme wand, die zich over vijf verdiepingen uitstrekt. De immense muur slaat de bezoekers met verstomming. Het eerste wat opvalt is de massa. Al die vrouwen, mannen en kinderen, elkeen met zijn eigen ik, kijken je recht in de ogen. Ze beantwoorden niet aan de antisemitische karikaturale voorstellingen en zien er uit zoals iedereen. 

 

Belangrijk was ook de keuze om op de tweede verdieping kamers te bouwen waarin via schermen en audio op levendige wijze 25 kortverhalen worden gebracht (waaronder dat van Moshe Flinker). Het gaat om welbepaalde gebeurtenissen en ervaringen in het beangstigende dagdagelijkse bestaan van mannen, vrouwen, kinderen die in 1940-1942 een soort van Apartheid ondergaan. Op het scherm ziet de bezoeker foto’s en archiefdocumenten in een doorlopende loop terwijl een audioguide verhaalt wat gaande is. Eén enkel voorbeeld kan al de intensiteit ervan aangeven. Een vrouw stelt op 11 september 1942 vast dat haar bejaarde echtgenoot niet thuiskomt. Ze gaat dus ongerust aangifte doen bij de politie. ‘Misschien is hij wel aangehouden in een razzia’, laat ze optekenen. Haar man is inderdaad die ochtend opgepakt en naar de Dossinkazerne gebracht. Maar dat wordt ook haar lot. Ze wordt dezelfde dag aangehouden en zal haar man dus terugzien in de kazerne. Omdat ze op een verschillend moment zijn binnengekomen hebben man en vrouw echter geen opeenvolgend transportnummer en zullen ze elk in een andere wagon op een transport naar Auschwitz-Birkenau vertrekken. Bij aankomst worden beiden meteen vergast.

 

Naast foto’s en archiefdocumenten, en kortverhalen zijn ook de talrijke naoorlogse interviews een belangrijke troef in de uitwerking van dit Holocaustmuseum. Kazerne Dossin bezit er meer dan 1300, maar een inhoudsbeschrijving is er nog niet. Thans zet het museum een meerjarenplan op voor de digitalisering en trefwoordontsluiting van al dit materiaal. In 2009-2012 ontbrak de tijd om al die interviews te bekijken en te beluisteren. Daarom namen we vijf indringende levensverhalen opnieuw op. Deze vormen de ruggengraat van het museumtraject. Op diverse plaatsen kan de bezoeker de fragmenten beluisteren.

 

Daarnaast maakt Kazerne Dossin uiteraard gebruik van multimediale applicaties, zoals beeldschermen waarbij je door een familiealbum kan bladeren, of ook Surface Tables die je toelaten het Jodenregister te raadplegen, het kamp van Auschwitz-Birkenau te ontleden, enzovoort.

 

 

SPOREN, NAMEN, GEZICHTEN

 

Naast het eigenlijke museum bevindt zich in het historische gebouw ook het memoriaal. Vanuit het concept (zie hoger) is het noemen van de namen, en het tonen van de foto’s in deze herdenkingsruimte een belangrijk ‘verbindend’ ritueel. Daarnaast staan er ook historische objecten tentoongesteld, als zichtbare brug tussen toen en nu. 

 

Het gelijkvloers, ‘sporen’, toont een aantal authentieke voorwerpen, sober, teder, die de laatste sporen zijn van een abrupt onderbroken bestaan : tekeningen, brieven, een marionet, een stuk kinderspeelgoed… Ook is er een kunstwerk van Philippe Aguirre y Otegui, ‘15 augustus 1942. Lange Kievitstraat, Antwerpen’. Het werk evoceert de eerste Jodenrazzia in Antwerpen tijdens de bezetting.

 

De kelderverdieping omvat enerzijds een zaal ‘namen’. In deze donkere ruimte hangen 28 luidsprekers, evenveel als er transporten vanuit Dossin zijn vertrokken. Uit elke luidspreker klinken de namen van de gedeporteerden, in drie talen (Nederlands, Frans, Engels), met hun leeftijd. Deze namen werden ingelezen door Nederlandstalige, Franstalige en Engelstalige leerlingen van 17 scholen uit Vlaanderen, Wallonië en Brussel, in het kader van het project Namen noemen. De kelderverdieping omvat anderzijds ook een kleine ruimte ‘gezichten’. De 19.000 teruggevonden foto’s van gedeporteerden defileren op 28 schermen, met voor de ontbrekende foto’s telkens een aangepaste silhouettekening.

 

Kazerne Dossin is, kortom, een museum en memoriaal dat soberheid nastreeft in de vormgeving. Maar dat betekent helemaal niet dat de museale beleving niet centraal zou staan. De analyse van massageweld in Kazerne Dossin kan enkel slagen indien ze tegelijk empathisch is. Dit niet-rationele, emotionele belevingsaspect maakt overigens ook dat museum Kazerne Dossin kan aanslaan bij jongeren die minder vertrouwd zijn met geschiedenis. Dat zulke jongeren in schoolverband naar dit museum komen, hangt samen met het concept en de analyse waarin, willens nillens, beleving heel centraal staat. Kazerne Dossin – Memoriaal, Museum en Documentatiecentrum over Holocaust en Mensenrechten is in elk opzicht een ingrijpend museum met een belangrijke educatieve missie.

 

HERMAN VAN GOETHEM,

Universiteit Antwerpen / Kazerne Dossin

 


 

PRAKTISCH

 


 

KAZERNE DOSSIN

Goswin de Stassartstraat 153

2800 Mechelen

Tel. 015 29 06 60

www.kazernedossin.eu

 

Openingsuren maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag van 9.00 tot 17.00 uur, zaterdag en zondag van 9.30 tot 17.00 uur

Gesloten woensdag, 25 december, 1 januari, Rosh Hashana (Joods Nieuwjaar) en Jom Kippoer

 


 

AUTEURS

 

Herman Van Goethem (1958) is jurist en historicus. Als gewoon hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen doceert hij er onder meer de politieke geschiedenis van België. Van 2000 tot 2009 was hij voorzitter van het Departement Geschiedenis. Tussen 2008 en 2012 bouwde hij als curator Kazerne Dossin – Memoriaal, Museum en Documentatiecentrum over Holocaust en Mensenrechten uit, sinds 2013 is hij er conservator. 

Herman Van Goethem publiceerde onder meer over de Belgische communautaire problematiek sinds 1830, over Leopold III (samen met Jan Velaers), over minister August De Schryver. Zijn huidige onderzoek, dat ook in Kazerne Dossin vorm kreeg, gaat over bestuur en collaboratie in België in 1940-1944. 

Herman Van Goethem ontving tal van wetenschappelijke prijzen en onderscheidingen, waaronder in 2013 de Loopbaanprijs voor Wetenschapscommunicatie. Hij is onder meer Lid van de Koninklijke Vlaamse Academie van België en Lid van de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis.

 

b0b Van Reeth (1943) staat bekend als de belangrijkste vernieuwer en charismatische bezieler van de architectuur in Vlaanderen in de jaren ’60 en ’70. In 1972 stichtte hij de ArchitectenWerkGroep, die in 2001 werd heropgericht onder de naam awg architecten. Van 1998 tot 2005 was b0b Van Reeth de eerste Vlaamse Bouwmeester, met als taak het selecteren, stimuleren en activeren van de architectuurprojecten van de Vlaamse overheid. b0b van Reeth was jarenlang als hoogleraar verbonden aan het Henry Van de Velde-Instituut te Antwerpen en de Faculteit Bouwkunde van de Technisch Universiteit van Delft. Hij zetelt frequent in binnenlandse en buitenlandse jury’s. Vanaf de jaren ’80 ontving b0b Van Reeth talrijke onderscheidingen: zo werd hij de eerste houder Leerstoel Charles Vermeersch aan de Universiteit Gent en laureaat van de Vlaamse Cultuurprijs Architectuur; b0b Van Reeth werd benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau en Grootofficier in de Leopoldsorde. 

 

Bob Van Abbenyen (1986) studeerde in 2009 af als ingenieur-architect aan de Universiteit Gent. Reeds gedurende zijn stage bij awg architecten te Antwerpen droeg hij bij aan de verdere uitwerking van het gewonnen wedstrijdontwerp voor het project Kazerne Dossin, om vervolgens als projectarchitect de realisatie voor awg architecten op te volgen. Dit alles onder leiding van b0b Van Reeth en in een projectteam met Jonas Van de Walle en Vicente Serra.