U bent hier

Mijnerfgoed in Limburg - Putten uit een eeuw steenkool

Stefan Kellens, portretten van mijnwerkers, foto's, ca. 1985, 36 x31 cm, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, afdeling Beeldende Kunst en Musea © KIK-IRPA, Brussel.

 

Inleiding 

HET ZWARTE GOUD DER KEMPEN 

 

 

Beringen, Heusden-Zolder, Houthalen-Helchteren, Genk, As en Maasmechelen. Deze zes gemeenten, met een gezamenlijk economisch en sociaal verleden, vormen de Belgisch-Limburgse Mijnstreek. Vandaag is het een dichtbevolkte, multiculturele (arbeiders)streek, met een patrimonium dat uniek is in Vlaanderen.

 

Voor er steenkool werd ontdekt onder de Kempische zandgrond was het eeuwenlang een uitgestrekt heidegebied waar boeren aan kleinschalige landbouw deden. Rond 1900 woonden er amper 9.800 mensen. Er waren slechts enkele kleine woonkernen, vooral in de vruchtbare en dus rijkere Maasvallei. Het ongerepte en desolate Kempische heide- en moeraslandschap lokte op het einde van de negentiende eeuw talrijke schilders. Vanaf 1901 zou dat allemaal snel veranderen.

 

In augustus 1901 haalde de Leuvense geoloog André Dumont, na vele proefboringen in de omgeving, in As de eerste Limburgse steenkool boven. Het waren vette kolen en daar had de Belgische industrie nood aan. De Waalse mijnen, die op dat moment al een halve eeuw actief waren, leverden nagenoeg geen vette kolen. Invoer was de enige oplossing. Tot de ontdekking van Dumont. Toch waren er in het begin problemen. Naast geruzie over privé- of staatsconcessies bleek het ontginnen van de Limburgse steenkoollagen technisch niet eenvoudig omdat ze diep onder een onstabiele bovenlaag bleken te liggen. Tot overmaat van ramp brak in 1914 de Eerste Wereldoorlog uit. Uiteindelijk werden er in Limburg 7 monsterconsessies toegekend, wat resulteerde in evenveel mijnzetels. Van oost naar west zijn dat Beringen, Zolder, Houthalen, Winterslag, Zwartberg, Waterschei en Eisden.

 

De eerste mijn die opengaat is Winterslag, in 1917. Om van start te kunnen gaan met het bovenhalen van het zwarte goud trekken de mijnuitbaters binnenlandse arbeidskrachten aan en ervaren arbeiders uit Centraal- en Oost-Europa. Maar men heeft nog veel meer personeel nodig. Rond 1930 werken al 6.500 gastarbeiders in de Mijnstreek. Om de arbeiders en hun gezinnen aan het mijnbedrijf te binden, bouwen de mijndirecties – naar het voorbeeld van de Engelse Garden Cities – grote mijndorpen met moderne woningen, pleinen, winkels, logementshuizen, scholen en kerken. De mijndorpen of cités in Limburg zijn groene oases in de onmiddellijke omgeving van de mijn. Door onder andere ontspanningsmogelijkheden te voorzien hoopt men het personeelsverloop in te perken en minder last te hebben met vakbonden enstakingen. In de nieuwe wijken zien tal van socio-culturele verenigingen het licht. Het mijnbedrijf gaat niet alleen de dagtaak van de mannen bepalen, maar ook het leven en wonen van duizenden gezinnen.

 

Met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog komt de Limburgse steenkoolnijverheid in een impasse terecht. De steenkoolproductie loopt gewoon door, maar de opbrengst is voor de Duitse bezetter. Russische krijgsgevangenen werken in de Limburgse mijnen en wonen er in kampen. Na de oorlog wordt de vraag naar arbeiders opnieuw zeer groot. België en Italië sluiten een eerste billateraal akkoord: arbeidskrachten in ruil voor steenkool. Na de mijnramp in Marcinelle (1956), waar tientallen Italianen omkomen, trekt Italië zich terug als leverancier van arbeidskrachten. De rekruteerders wijken uit naar Spanje, Griekenland en Turkije.

 

Na de Tweede Wereldoorlog lanceert minister Achiel Van Acker ‘de kolenslag’, een ijverige poging om de economie van het naoorlogse België te herstellen en te optimaliseren. De mijnwerker wordt ereburger van het land. De naoorlogse bloei culmineert in de feestelijkheden van 1957, een jubileumjaar voor heel wat mijnen. Maar dan haalt de petroleumindustrie de steenkoolindustrie in, onder andere door de heropening van het Suezkanaal. De kolencrisis is een feit. Een eerste gevolg is de fusie van de mijnen van Zolder en Houthalen in 1964. Heel wat verouderde Waalse mijnen zijn ondertussen ook met sluiting bedreigd. Uit angst voor een revolte in Wallonië offert men ook één Limburgse mijn op: die van Zwartberg, nota bene de modernste van het land. Bij de rellen vallen twee doden, Zwartberg haalt de wereldpers.

 

De vijf resterende Limburgse mijnen groeperen zich vanaf 1967 in de NV Kempense Steenkoolmijnen (KS). Thyl Gheyselinck krijgt vanaf 1986 de opdracht om de mijnen zo snel mogelijk financieel dragelijk te maken voor de Belgische overheid. Dat leidt uiteindelijk tot de sluiting van Waterschei en Eisden in 1987, Winterslag in 1988, Beringen in 1989 en Zolder in 1992. De frustratie na de definitieve mijnsluitingen is groot en men wil de mijnsites slopen om iets nieuws op te bouwen. Al snel verandert dat en komen de eerste erfgoedprojecten van de grond. Sindsdien is er veel behouden en beschermd. Hetgeen in Limburg bewaard bleef, behoort ontegensprekelijk tot de top in Europa. Het komt er nu op aan om het belang en de uniciteit van dat erfgoed te expliciteren, zowel binnen Limburg als daarbuiten. Net zoals in andere mijnregio’s grepen ook in Limburg de mijnuitbatingen zo sterk in op de sociale, economische, culturele en ruimtelijke morfologie, dat ze ongetwijfeld kunnen gerekend worden tot één van de belangrijkste vormen van erfgoed uit de twintigste eeuw.

 

Ook in andere landen en op internationaal gebied wordt er heel wat aandacht besteed aan mijnerfgoed, getuige de ontsluitingscampagne ‘La Chaîne des Terrils’ in Noord-Frankrijk, de UNESCO-erkenning voor de Zollverein-mijn in het Duitse Essen, Big Pit als onderdeel van het Blaenavon Industrial Landschape in Wales, het stadje Sewell in Chili en nog vele andere voorbeelden. Met wat in Limburg bewaard bleef, en met de huidige projecten voor ogen, horen de relicten van het Kempische Bekken ongetwijfeld in dit prestigieuze lijstje thuis. Limburg mag met zijn mijnerfgoed niet te bescheiden blijven.

 


Inhoud

  • Inleiding - Het zwarte goud der Kempen
  • Wonen en werken bewaard - Enkele collecties in de Mijnstreek
  • Het zwarte erfgoed - Industriegebouwen en cités in een mijnlandschap 
  • Immaterieel erfgoed - Ontastbaar en onschatbaar 
  • Epiloog 
  • Praktisch

 

Wonen en werken bewaard

Enkele collecties in de Mijnstreek 

 

 

De sporen van de mijnindustrie zijn nog sterk aanwezig in Midden-Limburg: industriële mijngebouwen zijn monument geworden, de tuinwijken hebben voor een deel hun eigenheid behouden en de inwoners van de streek hebben letterlijk nog iets te vertellen over de vroegere mijnindustrie. De impact van de mijnindustrie op de streek was dan ook enorm. Enkele cijfers geven dit treffend weer. Nemen we Beringen als voorbeeld: in 1948 werkten 6.796-personen in de mijn, op een periode van 67 jaar werd in totaal 79.332.000 ton steenkool bovengehaald, voor heel Limburg liep dit op tot meer dan 440 miljoen ton. Vandaag houden een heel aantal instellingen vanuit verschillende invalshoeken zich bezig met de ontsluiting van het mijnerfgoed. Hieronder komen twee musea en hun collectie aan bod. 

 

 

VLAAMS MIJNMUSEUM 

 

In 1986 - dus nog voor de sluiting in 1989 - werd in Beringen de vzw Geologisch en Mijnmuseum opgericht, die de nadruk legde op de geologische collectie. De Vereniging van Hoofdopzichters en Gediplomeerden (VEHOG) stond in voor de organisatie van de rondleidingen. Na de sluiting zorgden beide verenigingen voor de continuïteit en legden de klemtoon op het redden van het mijnerfgoed. Ze konden een aantal machines van de sloop redden en verwierven het KS-restarchief. Tezelfdertijd breidde het museum uit: andere thema's komen in de presentatie aan bod en men bouwde een ondergrondreconstructie. 

 

Het Vlaams Mijnmuseum, zoals het nu heet, is gevestigd op de voormalige mijnzetel van Beringen. In 1993 besliste de Vlaamse regering om 44 mijngebouwen in Limburg als monument te beschermen. Hierbij werd 1 koolmijn - Beringen - zo volledig mogelijk bewaard om een integraal beeld van een mijnzetel te behouden. Dit totaalbeeld vormt vandaag de kracht van de site Beringen. En hoewel die nog niet herbestemd is en het gebouwenpatrimonium nog steeds eigendom is van Mijnen NV, de rechtsopvolger van de Kempische Steenkoolmijnen NV, maakt dit onroerend patrimonium een essentieel onderdeel uit van de museumwerking. Het museum staat in voor een gedeeltelijke ontsluiting van de site door middel van geleide bezoeken doorheen de gebouwen. Tijdens deze rondgang volgen de bezoekers dezelfde weg als destijds de mijnwerkers voordat ze in de ondergrond afdaalden. Men passeert langs de betaalzaal (waar de lonen werden uitbetaald), de badzaal (de omkleed- en doucheruimte), de lampenzaal (waar de mijnwerkers hun lamp afhaalden), de bezettingszaal (waar het werk verdeeld werd) en de liftkooien. Dit traject geeft meteen een perfecte indruk van het grootschalige industriële karakter van het vroegere mijnbedrijf. Hoewel gevestigd in Beringen is het bewaarde patrimonium representatief voor de andere Limburgse mijnen die een vergelijkbare structuur en organisatie kenden. 

 

De roerende collectie van het museum bestaat zowel uit 'ondergronds' als 'bovengronds' materiaal en heeft hoofdzakelijk betrekking op het werk in en op de mijn. Foto's illustreren het werk in de ondergrond, de bovengrondse installaties en het leven in de tuinwijk. De verzameling telt meer dan 20.000 objecten en foto's, die momenteel geïnventariseerd worden. Een deel is tentoongesteld in het mijnmuseum en laat kennismaken met het ontstaan van steenkool, de ontdekking in Limburg, de uitbouw van de mijnen en de veiligheidsaspecten van mijnarbeid. Hoewel men de steenkoolindustrie onmiddellijk met het werk in de ondergrond associeert, is het in Limburg onmogelijk om effectief af te dalen. Met een nagebouwde ondergrondse pijler, waar bezoekers met hun zintuigen ervaren wat het werk in de ondergrond eigenlijk inhield, speelt het mijnmuseum op deze lacune in. 

 

Het mijnmuseum heeft steeds gesteund - en steunt vandaag nog - op vrijwilligers, hoofdzakelijk ex-mijnwerkers. Zowel voor de collectieontsluiting als voor de publiekswerking leveren zij een belangrijke meerwaarde. Ze hebben immers de technische knowhow en begeleiden de bezoekers in het museum en doorheen de gebouwen, waarbij ze een gepersonaliseerd verhaal vertellen. Bovendien zorgen ze voor een doorgedreven inhoudelijke opleiding voor hun niet-mijnwerkercollega's. 

 

Het Vlaams Mijnmuseum ontvangt jaarlijks ruim 20.000 bezoekers, zowel mensen van buiten de streek als de eigen inwoners, bijvoorbeeld de (klein)kinderen van mijnwerkers. Ook scholen zijn een belangrijke doelgroep. Voor het lagere onderwijs biedt het museum onder meer een speels educatief pakket aan, waarbij de kinderen voor een dag mijnwerker worden. 

 

 

MUSEUM VAN DE MIJNWERKERSWONING 

 

Midden in de oude Eisdense mijnwerkerswijk, 'cité' zeggen ze hier, staat sinds driekwart eeuw een statige tweewoonst. Het is een van de meer dan veertig verschillende woningtypes die men in die aparte tuinwijk aantreft. De gevel van dit huis, de tuinen en de bomenrij stralen duidelijk meer uit dan de andere woningen. Misschien spreekt het de voorbijganger sterker aan omdat hier de oorspronkelijke verschijningsvorm niet alleen bewaard, maar weer tot leven gebracht werd. De tweewoonst benadrukt als een bijzonder accent het verhaal, van wat men ooit de mijncultuur ging noemen. Want deze oudste Eisdense mijnwerkersciré is, zowel uit stedenbouwkundig als uit architectonisch opzicht, de moeite waard. 

 

De woning is opgetrokken uit baksteen, simpel versierd met heldere raam- en deuromlijstingen, en bekroond met een topgevel in namaakvakwerk en de in elkaar grijpende leien daken met wolfseind. De gevel alleen al vertelt een vrij apart sociaal historisch verhaal over het georganiseerd wonen in een mijnwerkersciré van de jaren dertig. Als stille getuigenis daarvan hangt in het museum nog een drietalig woonreglement, een gebruiksaanwijzing van een woonconcept dat voor rust, reinheid en regelmaat moest zorgen. De woning vertelt ook de ontelbare geschiedenissen van mijnwerkers in deze nederzettingen, speciaal gesticht voor allen die aan de koolmijn verbonden waren: de directeur, de opzichters en vooral de ondergrondse mijnwerkers, de 'putmannen'. En er is het verhaal dat verder terug ligt. Van de Britse utopisten als Howard, die het gedachtegoed van de garden city lanceerden, de agglomeraties in het groen, als alternatief voor de verpauperde arbeiderswijken in de steden. Maar ook van de beweging voor gezonde arbeiderswoningen die in het begin van de vorige eeuw in ons land werd opgezet. Tegen deze achtergrond wordt een arbeiderscultuur weer levendig die altijd van een alles dirigerende, dwingende sturende macht van de mijnbazen vorm kreeg. 

 

Na de kennismaking met de buitenkant, komt men binnen in de sfeer van de jaren dertig. "Alsof de putman straks naar huis komt ... " De inrichting, de wandversieringen en de eenvoudige technieken waarmee men de illusie van het betere leven schiep, zijn al even hardnekkige imitaties als de buitenkant van deze stevige muren in Maaslandse veldbrandstenen. Maar door de sfeer, de stemming die dit alles een nieuw leven geeft, komt het begrip 'kitsch' niet bij de bezoeker op. In de goede kamer is men er in geslaagd met technieken als 'eiken met de luizenkam' of 'marmeren met kippenveren' een 'deftig uitzicht' te creëren. De manier van behangen zou men vandaag als een uiting van 'lifestyle' zien, terwijl het hier een verwijzing is naar de tot zuinigheid en spaarzaamheid gedwongen bewoners in de jaren dertig, toen crisis nog lichamelijk voelbaar was. Zo zijn de zelf gehaakte anjers, de pauwenveren in de blinkende obus of het ruikertje in crêpepapier, of de houten imitaties van vers fruit, evenveel verwijzingen naar de praktische oplossingen: ze behielden hun kleur, konden niet rotten of verslensen en vergden geen bijzondere zorgen van de mijnwerkersvrouw. Gesjabloneerde wanden, gesponste traplopers en de als trompe l'oeil op de plankenvloer geschilderde matjes, vormen de gepaste achtergrond voor schijnbaar ongeordende composities van het eenvoudig meubilair. Het zijn duidelijke sporen van kennisoverdracht in oude technieken. 

 

De verweerde zitbank voor de meestal openstaande keukendeur, maakt duidelijk dat alles wat zich binnen afspeelde ook onlosmakelijk verbonden was met wat buiten gebeurde. In het binnengebeuren stond het keukenfornuis centraal, met daarrond de originele huisraad en goed bewaarde wandversieringen en gebruiksvoorwerpen. Ze roepen een aparte sfeer op, die tegelijkertijd dichtbij en veraf is, over het leven zoals het was. Voor de hedendaagse bezoeker is het alsof voor de bewoners en al hun voorgangers de tijd heeft stilgestaan. De cirébewoner vertelt hem dat "moeder de nieuwste ontwikkelingen niet moest volgen omdat ze zich niet of zeer geleidelijk voordeden ... " De eenvoudige maar robuuste huisraad, de stoelen, de tafel en de lange zware bank zonder leuning, spreken nog steeds de taal van de zekerheid der dingen Maar alles, de half open deur, de waslijn, de strijkijzers, het wafelijzer, lijken lijnen die, in vertekend perspectief naar dit denkbeeldige centrale punt verwijzen, waar moeder, die mijnwerkersvrouw, stond. Alle kamers in huis laten die eenvoudige maar eerlijke indrukken na. Anderzijds zorgen de ongeordende voorwerpen op het fornuis, de blauwe kiel aan de haak in de keukendeur, het bestek naast de diepe borden op tafel of het kookgerei aan het pollepelrek, voor een sfeerbeeld van aan slordigheid grenzende zorgeloosheid. 

 

En door deze beelden heen lopen overal in huis de sporen van de verschillende migratiegolven die mensen uit heel Europa naar de mijnen en in de cité loodsten: Poolse opschriften op kruidenpotten, Hongaarse en Duitse spreuken op geborduurde wanddoekjes, maanzaadmolentjes of een 'mixer' uit de top van de kerstboom gesnoeid naast het keukenpenseel uit ganzenveren gevlochten. Het zijn dingetjes die spontaan voor weer een andere vertelling zorgen over het ciréleven zoals de bewoners het hier beleefden. 

 

De kunst of kitsch-vraag zou zich even kunnen opdringen bij de klassieke reproducties van Millets' Angelus of de Arenleesters. Of bij het werk van de Weense kunstenaar Heinrich Zatka, wiens zeshoekig ingelijste rustende dame met haar Hochzeitstraum tot het kinderlijke Avondgebed gemanipuleerd werd. En dus weer een karakteristiek van de tijdgeest van die dagen blootlegt en daarom hier weer grote geschiedenis wordt. Want de grote geschiedenis haalde de bewoners van deze multinationale gemeenschap, die de cité nu eenmaal was, dikwijls in. 

 

De geschiedenis van deze woning is één groot kluwen. En aan elk uiteinde hangt weer een ander verhaal. Daarom is het uitgebreide archief- en documentatiecentrum in de andere woning voor de vzw Stichting Erfgoed Eisden, de initiatiefnemers en beheerders van het museum, even belangrijk. De klassering tot monument van de tweewoonst met zijn tuinen en inboedel, biedt waarborgen voor het behoud van dit unieke kleinood van bijzondere architectuur en van een van een bijzonder sociaal historisch verhaal. 

 

 

HET BREEKBARE GEHEUGEN IN ARCHIEVEN 

 

In 1996, toen het merendeel van de gebouwen en installaties van de toenmalige NV Mijnen ontruimd werd, bleken in diverse sites een twintigtal kilometer archief van verschillende mijnbedrijven en organisaties bewaard te zijn. Bezorgd om het goed beheer ervan veilig te stellen, stelde de NV Mijnen aan de diensten van het Rijksarchief de vraag om de vennootschap te begeleiden bij de selectie van het archief en vervolgens ook om het voor permanente bewaring geselecteerde deel over te nemen. 

 

De KS, die sinds 1967 de Limburgse mijnen groepeerde veranderde in 1994 haar naam in NV Mijnen. Na de vereffening werd NV Mijnen verantwoordelijk voor de sanering en de herbestemming van -de mijnterreinen en voor het opvolgen van de personeelsdossiers van de voormalige werknemers van de KS, overgenomen door de Limburgse Reconversiemaatschappij. In grote lijnen bevat het conglomeraat van archieven dat in de verlaten mijngebouwen achterbeleef de archieven van zeven exploitatievennootschappen en van de overkoepelende vennootschappen KS en NV Mijnen. Daarnaast zijn er de archieven van belangenorganisaties in de steenkoolsector, zoals dat van de patroonsorganisaties Fédération des Associations charbonnières de Belgique en Associatie der Kempense Steenkolenmijnen, of van het verkoopkartel Comptoir beige des Charbons, van de beroepsorganisatie Belgian Mining Engineers, en van de Gemeenschappelijke Verzekeringskas tegen Arbeidsongevallen in de Limburgse Kolenmijnen. De herkomst van de archiefstukken is belangrijk om te weten in welke context deze informatie is verzameld en bewaard. Ook de geschiedenis van de organisaties en deelorganisaties die het archief gevormd hebben, is belangrijk. 

 

Niet al deze stukken waren van even groot inhoudelijk of historisch belang, en niet alles diende bewaard te worden om historici toe te laten de geschiedenis van de Limburgse mijnen, de mijngemeenten en de mijnwerkers te reconstrueren. Toch nam het Rijksarchief te Hasselt een duizendtal meters archief en een tachtigtal meters bibliotheek van de diverse organisaties in de Limburgse mijnsector in bewaring. Van het overblijvende archief ging een groot deel naar het Vlaams Mijnmuseum in Beringen. Het schoonmaken, verpakken en inventariseren van die archieven in de periode 1996-2006 betekende een belangrijke inspanning voor het Rijksarchief. Voor de verpakking waren circa 100.000 zuurvrije mappen nodig en 12.000 archiefdozen. De inventarisering en de verpakking vereisten een tiental manjaren. Het papieren archief is te boek gesteld in enkele archiefinventarissen. 

 

Naast de papieren stukken bevatten de mijnarchieven in het Rijksarchief nog een twintigtal films, een negenhonderdtal video's, 1.737 glazen fotonegatieven en tienduizenden fotoafdrukken en dia's. Omwille van de speciale bewaaromstandigheden, de beperkingen op vlak van raadpleging, en de bijzondere beschrijvingstechniek die deze stukken vereisen, werd de ontsluiting ervan aangevat nadat in 2006 de laatste inventaris van het papieren archief afgewerkt was. Het bewaren, inventariseren en het ter beschikking stellen aan onderzoekers van oude films of videobanden in technisch verouderde formaten, confronteert het Rijksarchief met een nieuwe uitdaging. De Erfgoedcel Mijn-Erfgoed vond partners die over kennis en ervaring beschikken om dit materiaal aan te pakken. 

 

In 2007 namen het Provinciebestuur van Limburg en vzw Heemkunde Limburg het initiatief voor het project Limburg in Klank en Beeld dat de filmrollen digitaliseerde en op DVD zette, zodat de oorspronkelijke projectietoestellen niet langer nodig zijn. De originele films gingen in 2008 naar het Koninklijk Filmmuseum in Brussel, dat over de beste infrastructuur beschikt om dit soort historisch materiaal te conserveren. Sinds midden 2008 loopt, in samenwerking met het Provinciebestuur van Limburg, het project Niet te Wissen. Het is de bedoeling de inhoud van de videofilms in de mijnarchieven te digitaliseren en te beschrijven. Dat gebeurde al met een tweehonderdtal films, die beschikbaar zijn op DVD. 

 

Tot de verbeelding sprekende stukken in de mijnarchieven zijn de glasnegatieven die dateren uit de jaren 1910-1950. Het merendeel geeft een beeld van verschillende mijngebouwen en mijninstallaties. Voor wie ze met een hedendaagse bril bekijkt, is het confronterend te zien hoe zij verrezen in het natuurlijke heidelandschap. Dat geldt ook voor de foto's van pasgebouwde cités: nieuwe huizen, groot en comfortabel voor die tijd, in tuinwijken gegroepeerd, en dan omgeven door een maagdelijk heidelandschap. Andere beelden tonen de ondergrond en het werk dat daar geleverd werd. Alle glasnegatieven zijn geïnventariseerd en gedigitaliseerd. Ze krijgen nu een beschrijving door het Rijksarchief in samenwerking met de Limburgse Reconversiemaatschappij. De ontsluiting van de enorme collectie fotonegatieven op rolletjes, van de fotoafdrukken en van de dia's in de mijnarchieven is het volgende ontsluitingsproject. De ervaring opgedaan bij het digitaliseren, verpakken, beschrijven en presenteren van de glasplaten zal hierbij zijn nut bewijzen.  

 

Genealogen of stamboomonderzoekers zijn belangrijke klantengroepen in de leeszaal van het Rijksarchief te Hasselt. Ze raadplegen de dossiers van het mijnpersoneel en vinden bijvoorbeeld gegevens over immigranten, zoals de plaats van herkomst en informatie over de ouders. Zo kunnen ze een brug slaan met de archieven in het thuisland. Een andere klantengroep vormen de geschiedenisstudenten die onderzoek verrichten voor hun thesis. Het zal niet verwonderen dat studenten met Turkse of Italiaanse roots vooral in de geschiedenis van de migratie geïnteresseerd zijn. 

 


 

Het Zwarte Erfgoed

Industriegebouwen en cités in een mijnlandschap

 

 

Bij het stilvallen van een groot industriegebied is de eerste reactie van bevolking, werknemers, werkgevers en politici: afbreken en zand erover, laat ons het verleden uitvegen en met iets nieuws beginnen. Dat is zo in alle industrieregio's in Europa. Het hoeft dan niet te verwonderen dat in Limburg bij de eerste sluitingsgolf (1985-87) door Thyl Gheyselinck onder algemene instemming de slogan 'Van Zwart naar Groen' gelanceerd werd. Maar, ook zoals in andere gesloten industrieregio's, verandert de slopingmentaliteit op termijn. Na minder dan één generatie betreurt men ondoordachte afbraak en zet men erfgoedprojecten op, na twee generaties bereikt men zelfs een periode van fetisjisme waar de laatste objecten onder een stolp of op een sokkel gezet, onder grote belangstelling tegen hoge sommen als antiek geveild worden, en men alles doet om de laatste materiële getuigen voor de eeuwigheid veilig te stellen. 

 

Alhoewel men de sluiting van het Kempens Bekken lang op voorhand had kunnen voorzien, bestond er anno 1985 geen enkele visie of beleid voor een poststeenkooltijdperk. Erfgoed behouden betekent pro-actief optreden, vooruitzien voordat het probleem zich stelt. Dat was duidelijk niet het geval, zodat tussen 1985 en 1992 voor- en tegenstanders van behoud op een warrige wijze met mekaar in de clinch gingen, en de sector industrieel erfgoed (vooral via de Vlaamse Vereniging voor Industriële Archeologie) alle hens aan dek moest roepen. De bedreiging van de Limburgse mijnsites haalde de buitenlandse pers, van Portugal tot Mexico. Het regende vragen in het Vlaamse Parlement, er kwamen interpellaties, er waren petities, spandoekenacties en ooit trok een betoging rond het mijnterrein van Eisden. 

 

 

MIJNGEBOUWEN EN TUINWIJKEN 

 

Is het door de vele acties of eerder door het inzicht van enkele politieke verantwoordelijken, dat er in Limburg, in vergelijking met andere mijnbekkens, méér en op een meer doordachte wijze beschermd en behouden werd - alhoewel erfgoedzorgers natuurlijk op nog meer gehoopt hadden? In Beringen is trouwens het volledigste en grootste moderne mijncomplex in Europa behouden, waarbij enkel een aantal gebouwen, de pasarellen en het ketelhuis verdwenen. In totaal bleef één achtste van de Limburgse mijngebouwen bewaard. 

 

Het behoud van het mijnpatrimonium keek vooral naar directiegebouwen en schachtbokken. Deze iconen van een industrieel tijdperk kwamen bijgevolg los van hun context te staan. De schachtbokken vormen daarvan een goed voorbeeld. Ofwel werden ze geïsoleerd van hun ophaal- en ontvangstgebouwen, ofwel bleef maar één schachtbok behouden, waar er voor het begrip van de mijnexploitatie twee noodzakelijk zijn (een ingaande en een uitgaande schacht). Ook de structuur en de traditionele indeling van de verschillende bij de mijnactiviteit betrokken zones is in de meeste mijndorpen nog moeilijk leesbaar. De gebouwen zijn bovendien slechts het kleine topje van een enorme ijsberg in de ondergrond. In uitzonderlijke gevallen, zoals in Blegny bij Luik, is het mogelijk een ondergrondse galerij te ontsluiten. In de meeste gevallen dient men de bezoekers een inzicht te geven in de ondergrondse uitbating via gereconstrueerde galerijen aan de bovengrond of op kleine diepte, zoals in het Vlaams Mijnmuseum in Beringen. 

 

Een geliefd materiaal bij het optrekken van mijngebouwen en het uitbouwen van de ondergrond, was beton. Ongewapende betonblokken werden gebruikt om ondergrondse hoofdgalerijen te beschoeien. Het materiaal uit de eigen betonfabriek deed ook dienst in woningen en bedrijfsgebouwen, getuige de schachtbokken in Eisden, de Christus-Koningkerk in Waterschei en de (nu uitgebrande) directeurswoning in Beringen. De macht van de industrie, het geloof in de steenkool als motor voor de economie en de heersende esthetische principes leidden bij het optrekken van de bedrijfsgebouwen trouwens ook tot een boeiend geheel van vormentalen. Van bijna alle bewaarde mijngebouwen straalt een grandeur af die men niet dadelijk zou associëren met de functionaliteit van een fabriek: art nouveau smeedwerk in de elektriciteitszaal van Winterslag, zuivere art deco in het hoofdgebouw van Waterschei, nieuwe zakelijkheid in de kantoren van Zolder . .. De stijl, de luxe en de detailafwerking van de bedrijfsgebouwen zijn nog steeds een stille getuige van de industriële elite en haar optimisme. 

 

De eerste strijd voor behoud van mijnerfgoed legde de nadruk op de bedreiging van de mijngebouwen en technische installaties. De tuinwijken bleven door hun grootschaligheid wat in de schaduw staan. Zo ging de oorspronkelijke homogeniteit van de wijken deels verloren. De cités getuigen echter evenals de bedrijfsgebouwen van een megalomane urbanistische visie. Architecten concipieerden duizenden woningen aan bochtige, groene lanen. De inplanting en architectuur van de woonhuizen getuigde in veel gevallen van een duidelijke hiërarchie. De directeursvilla's waren kleine kasteeltjes en lagen het dichtst bij de mijn. De arbeiders moesten vaak van veel verder in de cité komen. 

 

 

TORENS, KOEPELS EN MINARETTEN 

 

De burgerlijke en kerkelijke overheden zagen de mijnindustrie als een ernstige bedreiging voor de 'zedelijke gaafheid' van Limburg. Ze lanceerden een grootscheeps offensief om 'Limburg voor Christus te bewaren'. Dat kreeg de vorm van een doorgedreven maatschappelijke en religieuze omkadering van de arbeiders De verschillende overheden en de mijnmaatschappijen sloegen de handen in elkaar en zorgden er voor dat het kerkgebouw een rechtmatige plaats kreeg in de mijncités. Men gaf aan de woonwijken het juridische statuut van parochie en daarna moest de mijn zorgen voor de bouw (en een groot deel van de financiering) van de kerk. De katholieke ondernemersfamilie Coppée gaf in 1925 het voorbeeld te Winterslag. In het centrum van de cité liet ze de barok aandoende Heilig Hartkerk, naar ontwerp van Adrien Blomme, oprichten. En in Eisden was Evence III Coppée de drijvende kracht achter de bouw van de moderngotische Sint-Barbarakerk (1936), ontworpen door August Vanden Nieuwenborg. Andere mijnmaatschappijen volgden. In Waterschei liet directeur-gérant Fontaine de uitgesproken moderne Christus Koningkerk (1936) naar ontwerp van mijnarchitect Gaston Voutquenne optrekken. Ook in Zwartberg en Beringen waren het de directeurs Allard en Brun die de drijvende kracht waren achter de oprichting van prestigieuze exotische kerken van architect Henri Lacoste: de Sint-Albertuskerk in Zwartberg (1941) en de Sint-Theodarduskerk in Beringen (1943). 

 

Bij de bouw van de kerken speelde de religieuze overtuiging van de mijnbestuurders een belangrijke rol. Het was bovendien een opportuniteit om katholieke organisaties in te schakelen in een gemeenschapsvormend project waarmee men de arbeiders wilde verankeren in de nieuwe, ten dienste van de mijn gestichte, maatschappelijke realiteit van de mijncité. Maar het waren ook prestigeprojecten waarmee men de concurrenten kon overklassen. Door de monumentaliteit van de kerken en hun rijke aankleding werden ze omgedoopt tot 'mijnkathedralen'. 

 

Met de toestroom van arbeiders uit Oost-Europa, tijdens het interbellum en vooral na de Tweede Wereldoorlog, groeide het aantal orthodoxe christenen. En de komst van arbeiders uit Turkije en Marokko vanaf de jaren 1950 zorgde ervoor dat een aantal islamitische gemeenschappen gestalte kreeg. Voor deze later aangekomen geloofsgemeenschappen hebben de mijnmaatschappijen geen cultusgebouwen opgericht omdat Christus Koningkerk in Waterschei hun maatschappelijke rol uitgespeeld was door de steenkoolcrisis en de stichting van KS. Toch is een aantal gemeenschappen er,-al dan niet met hulp van het thuisland, in geslaagd een cultusgebouw op te richten. Een opmerkelijk gebouw is de de Oekraiensorthodoxe kerk van de Aartsengel Michael in Genk (1986) die opvalt door de vijf koepels. De architectuur van de Fatih moskee in Beringen-Mijn (1994) is ge·mspireerd op de Ottomaanse architectuur. Het interieur is bekleed met tegels uit Turkije. En ook de Yunus Emre moskee in Genk-Sledderlo (2002) is met haar koepel en minaret duidelijk een islamitisch gebedshuis. Net als de katholieke kerken brengen deze cultusgebouwen mensen samen en hebben zo een maatschappelijke betekenis. Ze fungeren ook als een uithangbord van de gemeenschap. Vooral in de architecturale opvattingen is er een treffende overeenkomst tussen de kerken en moskeeën. Architectuur en inrichting verwijzen in beide gevallen naar het verleden, waarbij de architect ernaar streeft in dialoog te treden met de moderne vormen en technieken om een boeiend eigentijds gebouw te ontwerpen. 

 

Een eeuw steenkool in Limburg sierde de provincie met een gevarieerde religieuze skyline die nog steeds in beweging is en waarin de torens, koepels en minaretten van de verschillende godsdiensten een prominente plaats bekleden. 

 

 

HET MIJNVERLEDEN HERBESTEMD 

 

De beste garantie voor het behoud van het monumentale nalatenschap, beschermd of onbeschermd, is een herbestemming. Voor sommige mijngebouwen gebeurde dat snel, maar voor het merendeel duurde het jaren. De mijnsites en -gebouwen kregen, of krijgen in de toekomst, veelal een culturele of recreatieve invulling. Het voormalige mijnterrein van Eisden biedt onderdak aan de muziekacademie, horeca en aan een cinemacomplex en Maasmechelen Village is een outlet shopping dorp. Winterslag (Genk) heet sinds 2005 C-Mine, een culturele site met onder andere een cinema, een toeristisch bezoekerscentrum, de Mediaen Designacademie en een gloednieuw cultuurcentrum dat momenteel in opbouw is.

 

Het Vlaams Mijnmuseum is gevestigd op de site van Beringen, waar nu een volledig masterplan uitgewerkt wordt met een koppeling van cultuur, toerisme, wonen en economie. Het hoofdgebouw op de site van Houthalen herbergt de vrijetijdsdiensten van de gemeente en in Zolder vonden verschillende bedrijven, waaronder het Centrum voor Duurzaam Bouwen, onderdak in de voormalige mijngebouwen. Het mijnterrein van Zwartberg doet nu dienst als industriezone en voor het terrein van Waterschei wordt momenteel een herbestemming tot hoogwaardig bedrijventerrein uitgewerkt. Een volledige herbestemming van het mijnpatrimonium is, gezien de omvang van de gebouwen en omliggende terreinen, meestal geen evident verhaal. Via complexe subsidiëringsconstructies en publiek-private samenwerkingsverbanden is het evenwel mogelijk om een herbestemming op de rails te krijgen, waarvan C-Mine in Winterslag en de mijnsite van Beringen (herbestemming in voorbereiding) goede voorbeelden zijn. 

 

In het monumentale verhaal van het mijnverleden zijn de tuinwijken een vaak vergeten hoofdstuk. Veelal waren de ciréhuizen - oorspronkelijk gebouwd door de mijnzetels zelf - al in privéhanden bij de sluiting van de mijnen, met als gevolg dat het typische karakter en uniformiteit van de wijken in de loop der jaren verloren gegaan is. Tijdens de hoogdagen van de mijn zag de mijnzetel er strikt op toe dat elke ciréwoning onderhouden werd en dat het originele karakter van het huis en daarmee de wijk gehandhaafd bleef. Doordat geen enkele tuinwijk vandaag beschermd is, betekent dit dat er bij verbouwingswerken aan dak, ramen of muren, maar ook haag en voortuin, geen voorschriften zijn die de uniformiteit en karakter van de tuinwijken kunnen garanderen. Door een tuinwijkrenovatiesubsidie, die extra inspanningen beloont, kunnen besturen de eigenaars stimuleren om de eenheid in de wijk terug in ere te herstellen. Stad Genk ging hier alvast mee van start. 

 

 

MIJNLANDSCHAP

 

Het West-Europese cultuurlandschap is het resultaat van uiteenlopende vormen van menselijk handelen in zijn natuurlijke omgeving. In die zin is het landschap een vaak miskende cultuurdrager. Meer dan elders in Vlaanderen, vinden we in de Mijnstreek nog een gelaagdheid in het landschap terug die een uniek beeld geeft van de landschapsomwikkeling over een tijdspanne van duizenden jaren. Elke episode legde een landschapslaag over een vorige, maar nooit gebeurde dat zo drastisch, dat de vorige laag niet meer doorschemert. Vooreerst zijn er de talrijke heiderelicten. Ze geven een staalkaart van een landgebruik dat eeuwenlang nagenoeg ongewijzigd bleef. Het oorspronkelijk eikenberkenbos werd gekapt en de spontane begroeiing gebrand en gemaaid, met uitgestrekte heidevelden als resultaat. Het werden graasweiden voor schapen en koeien en de leverancier van strooisel voor de stallen. Overbegrazing leidde tot zandverstuivingen. Waar het zand opstoof ontstonden duinen, waar het uitstoof vennen. Van dit oorspronkelijke heidelandschap, in 1846 geraamd op 1.225 km2, blijft momenteel minder dan 5 % over. De komst van kunstmest bleek nefast te zijn voor het behoud van de heide. 

 

Daar kwam in de Mijnstreek nog het enorme ruimteslag van mijnsites met bijhorende tuinwijken en spoor- en weginfrastructuur bij. Bovendien was de behoefte aan stuthout voor de steenkoolwinning enorm, en de voedselarme zandgrond was geschikt voor naaldhout, met duizenden hectares naaldhoutplantages als gevolg. In de honderd jaar dat de steenkoolontginning in de Mijnstreek actief was, veranderde het landschap meer dan in de duizend jaar die er aan vooraf gmgen. 

 

Tot slot bracht de ontginning van brand- en delfstoffen totaal nieuwe landscha pstypes naar de regio. Al te vaak worden ze, in vergelijking met de zogenaamde 'historische' landschappen neerbuigend bekeken. Toch resulteren deze enorme zand- en grindgroeves en de mijnsteenbergen (of 'terrils' of 'mijnsteenstorten') in nieuwe biotopen. Zeker deze 'bergen' met een vreemdsoortig begroeiing, zijn onmiskenbare groene handelsmerken voor de Mijnstreek geworden. Het landschap is als de biografie van de mensen die er wonen, aan ons om er voor te zorgen dat er geen hoofdstuk in ontbreekt.  

 


 

IMMATERIEEL ERFGOED

Ontastbaar en onschatbaar

'We zien ons', letterlijke vertaling van het Italiaanse 'ei vediamo', tot ziens, de groeten. (Ward Ramaekers, Het algemeen cités) 

 

 

Bij de nationale volkstelling van 31 december 1970 blijken er in Genk maar liefst 9.508 Italianen, 835 Duitsers, 949 Spanjaarden, 1.001 Polen, 1.746 Turken en 1.576 Marokkanen te wonen. Dat waren enkel de meest voorkomende nationaliteiten. De Slovenen, Tsjecho-Slovaken, Oekraïners, Grieken ... zijn daar niet bijgeteld. Nog steeds is ongeveer een derde van de Genkse bevolking van vreemde origine. Enkele verschillen in de grootte van bepaalde bevolkingsgroepen terzijde gelaten, is de situatie in de hele Mijnstreek gelijkaardig. Om de vergelijking te maken: in de provinciehoofdstad Hasselt wonen op hetzelfde moment 81 Duitsers, 214 Spanjaarden, 13 Polen, 49 Marokkanen en 1 Turk. Een fractie van Genk, dat drie steenkoolmijnen telde. 

 

 

KLEIN-EUROPA 

 

De steenkoolnijverheid en de aanwervingspolitiek van de mijnbedrijven is bepalend geweest voor de multiculturele samenleving in de Mijnstreek. De mijnbouw fungeerde eveneens als een katalysator voor integratie. Lange tijd had de 'Limburgse integratie' een voorbeeldfunctie. Mannen, ongeacht hun nationaliteit, werkten er samen in de mijn en kenden omwille van de risico's vaak een grote kameraadschap. Hun gezinnen woonden samen in de cités en maakten gebruik van dezelfde voorzieningen. Toch situeerde die integratie zich vooral binnen de context van de mijnen. Met de sluitingen begaven de allochtonen zich pas echt op het terrein van de autochtoon. Hun collega's hadden ze niet meer, buren vervreemden opnieuw van elkaar.  

 

Toch zijn er vele erfgoedthema's die de bewoners van de Mijnstreek, ongeacht hun afkomst of levensomgeving, gemeenschappelijk hebben. Het gaat dan vaak over immaterieel erfgoed of uitingsvormen van de voorbije of aanwezige (sub)culturen, die als waardevol beschouwd worden. Het Klein-Europa dat de Mijnstreek reeds een kleine eeuw is, heeft op heel wat van die uitingsvormen een bepalende invloed gehad. De (straat)taal die jongeren spreken, de viering van Sint-Barbara, de kleurrijke eetcultuur in de Mijnstreek, maar ook de verhalen en herinneringen aan migratie en arbeid: het zijn er allemaal voorbeelden van. Door het blootleggen van gemeenschappelijkheden, over de geijkte grenzen zoals 'afkomst' heen, kunnen erfgoedthema's de dialoog in de Mijnstreek opnieuw doen toenemen. Immaterieel erfgoed is zo een middel om mekaar beter te begrijpen.  

 

De verhalen van de bewoners zijn daarnaast ook een belangrijke informatiebron van de (migratie)geschiedenis. Heel wat organisaties en vrijwilligers gaan vandaag actief aan de slag met mondelinge geschiedenis: het interviewen van getuigen om het verleden te reconstrueren. Deze methode kan aspecten uit de sociale geschiedenis waarover weinig tot geen geschreven bronnen bestaan, toch grondig documenteren. Het project Grieken in Limburg laat drie generaties uitgeweken Grieken aan het woord. Ze vertellen hoe zij zelf, hun ouders of grootouders de migratie naar de Mijnstreek hebben beleefd en wat dit vandaag nog voor hen betekent. Hun verhalen en familiefoto's uit de oude doos worden in 2010, met de steun van de Erfgoedcel MijnErfgoed, te boek en tentoongesteld in de Mijnstreek. 

 

 

SINT-BARBARA: EEN LEVENDE TRADITIE 

 

In grote delen van het land is vier december een doordeweekse dag, waarop men de dagen tot Sinterklaas aftelt. Maar in de Limburgse Mijnstreek was het ooit, en wordt het stilaan opnieuw, een bijzondere dag. Vier december is namelijk de naamdag van Sint-Barbara, de patrones van de mijnwerkers. 

 

Maar wie is deze heilige? Het verhaal van Sint-Barbara is doordrongen van mythes en legenden. Volgens de overlevering is ze geboren in Nicodemië (Turkije) als dochter van een heidens priester. Omwille van haar bekering tot het christelijke geloof sloot haar vader haar op in een toren. Noch de opsluiting, noch verschillende folteringen deden Barbara van haar geloof afwijken. Na een mislukte ontsnappingspoging uit de toren werd Barbara uiteindelijk door haar eigen vader onthoofd, die ter plekke door de hand Gods werd neergebliksemd.

 

De Heilige Barbara werd aanroepen voor bescherming tegen bliksem, en is de patroonheilige van de gevaarlijke beroepen - waaronder de mijnwerkers. Belangrijker dan deze hagiografische weetjes is het feit dat Sint-Barbara zelfs jaren na de mijnsluiting nog steeds een belangrijke rol speelt in het leven van vele ex-mijnwerkers. De heilige wordt dan ook vaak geaffecteerd 'Berbke' genoemd. Zo werd vier december, een plaatselijke verlofdag, de dag waarop Sinterklaas, geholpen door Sint-Barbara, de cadeautjes twee dagen  vroeger bracht dan elders in het land. Op vier december werden ook verdienstelijke mijnwerkers bekroond met een Laureaat van Arbeid. Dit alles moest groots gevierd worden. Brouwers deden op die dag gouden zaken. 

 

De sluiting van de mijnen maakte abrupt een einde aan de tradities rond vier december en tot voor een aantal jaren leken de gebruiken rond Sint-Barbara een stille dood tegemoet te gaan. Maar door de inzet van vele ex-mijnwerkers komt Sint-Barbara stilaan terug tot leven en vinden er sinds jaren op verschillende plaatsen in de Mijnstreek opnieuw Barbara-vieringen plaats. De functie ervan blijft dezelfde: een sociaal gebeuren waarbij een binding met het mijngebeuren aan de grondslag ligt. Belangrijk is de herinnering aan wat ooit was, een vervlogen verleden, dat op die dag, samen met zij die het ook van nabij beleefd hebben, herdacht wordt. Het mijnverleden wordt op die manier ook weer een beetje toekomst. 

 

 

KEBAB MET MAYONAISE 

 

De Mijnstreek heeft op culinair vlak heel wat te bieden. Bovendien groeide de laatste jaren de overtuiging dat eetcultuur een belangrijk onderdeel is van het erfgoed van de streek. De ontwikkelingen die zich de voorbije decennia aftekenden in de eetgewoontes in de Mijnstreek zijn immers een heel duidelijke- en lekkere - weerspiegeling van de (migratie)geschiedenis van de streek. Wandel je vandaag door de winkelstraten van de cités, dan vind je een Turkse bakker, een Grieks restaurant, een Italiaanse kruidenier en een Vlaamse slagerij naast elkaar. Vaak doen de uitbaters bij elkaar hun inkopen en vinden ook alsmaar meer mensen die niet in de cités wonen hun weg naar deze traditionele handelszaken en hun zuiderse recepten.

 

De verschillende culturen die samenleven in de Mijnstreek vormen vandaag een kleurrijke mengeling en dat zie je in wat er op het bord ligt. Zo onderzocht de Erfgoedcel Mijn-Erfgoed in 2007 onder de titel Kebab met mayonaise de evolutie die het gerecht döner kebab de voorbije jaren meemaakte en stelde vast dat döner kebab zich in de Mijnstreek heeft aangepast aan de plaatselijke smaken en gewoontes. Eet je een kebab in Turkije of ééntje in de Mijnstreek, dan heb je twee totaal verschillende broodjes of gerechten achter de kiezen. Kebab in de Mijnstreek eet je met een krokant broodje, gevuld met zuiver rundsvlees, veel rauwkost, met typische frituursausjes en zelfs frietjes. Kebab met mayonaise, souvlaki met frietjes, pizza of pasta met ·-· in de Mijnstreek proef je de verschillende culturen samen op je bord. 

 


 

Epiloog 

De Mijnstreek 'tot spreken brengen' 

 

 

EEN MASTERPLAN VOOR DE MIJNREGIO 

 

In opdracht van de provincie Limburg werd m 2008 een masterplan ontwikkeld voor de Mijnstreek, met als doel het formuleren van een richtinggevend kader waarin de omgang met het erfgoed van de regio gestalte kan krijgen. De verschillende voormalige mijngemeenten kwamen eerder al tot de oprichting van een Projectvereniging Mijnstreek, wat resulteerde in de oprichting van Erfgoedcel Mijn-Erfgoed. Binnen de provincie is de Cel Mijnerfgoed actief. 

 

ConrraPunt, cultureel constructiebureau, voerde het masterplan uit, in samenwerking met vertegenwoordigers van provincie, erfgoedcel en projectvereniging. 

 

 

DE 'GEBRUIKER' CENTRAAL 

 

In het eerste deel van de uitwerking van het plan lag de focus vooral op het zoeken naar een antwoord op vragen als: Wie zijn de bewoners van de regio? Hoe ervaren zij hun omgeving? Wat is hun beeld over het mijnverleden? De beste manier om daar achter te komen, is door het hen zelf te vragen. Bijgevolg werd een selectie gemaakt van twintig bewoners die én een sterke betrokkenheid hebben met de regio én de nodige afstand kunnen nemen. Bij de selectie werd gezocht naar een brede spreiding, naar mensen vanuit verschillende gemeenten, werkzaam in verschillende domeinen: van welzijnswerk tot voormalig mijnwerker, van toerisme en bed and breakfast tot jongerenwerk. Er werd zowel gesproken over eigen als over professionele ervaringen. De gesprekken leverden een bijzonder gefragmenteerd beeld op van de regio. Wie de gespreksverslagen integraal doorleest, krijgt niet het idee dat de bewoners een eenduidig beeld van hun regio hebben. 

 

Twee aspecten vormden een uitzondering op dat beeld en werden door vrijwel alle gesprekspartners genoemd. Allereerst het gegeven dat de regio eigenlijk niet als een regio ervaren wordt. Men heeft veel eerder het idee in een bepaalde wijk of gemeente te wonen dan in de Mijnstreek. De aanduiding Mijnstreek lijkt daarmee eerder een bestuurlijke aanduiding te zijn, die niet aansluit bij de beleving van de bewoners van de regio. 

 

Een tweede opvallend beeld is dat de regio het best te vergelijken is met een 'archipel van eilanden'. Men functioneert in de regio binnen een redelijk duidelijk te omschrijven groep. Die groepen beleven zichzelf als groep op basis van een veelheid aan gronden en redenen. De groepen leven in redelijke rust vooral náást elkaar en er zijn nauwelijks ontmoetingen en uitwisselingen. 

 

De conclusies werden beschreven in een eerste document dat als onderlegger voor het masterplan diende: Bithook Mijnstreek, hoe de Mijnstreek wordt beleefd door haar bewoners. Daarin werd aangegeven dat het masterplan moet beschrijven op welke wijze men de ontmoetingen tussen de verschillende groepen in de regio wil faciliteren. Om op basis van die ontmoetingen een beleving van gezamenlijkheid te laten ontstaan, oftewel het gevoel in een regio te leven. En hoe erfgoed daar een rol in kan spelen. 

 

 

ATLAS VAN DE MIJNSTREEK 

 

Een tweede activiteit bestond uit het samenstellen van een Atlas van de Mijnstreek. Niet om een uitputtende inventarisatie te maken, maar vooral om een beeld te krijgen van de spreiding en de veelsoortigheid van het erfgoed. Om in tweede instantie te kijken naar de mogelijkheden om dit erfgoed, vanuit een actuele werking, in te zetten in de vormgeving van ontmoetingen tussen de verschillende groepen in de regio. Potentiële ontmoetingsplekken waren in feite het onderwerp van het opstellen van de Atlas van de Mijnstreek. 

 

In de conclusies van dit document werd benoemd dat ontmoeting vooral kans krijgt op plaatsen waar veel verschillende mensen om veel verschillende redenen bijeen komen, 'betekenisclusters'. Andere conclusies waren dat in de uitwerking van het masterplan bestaande netwerken (onderwijs, opbouwwerk, verenigingen) geschoold moeten worden in omgang met het erfgoed van de regio en dat ontmoetingen niet vooropgezet, maar 'en passant' moeten worden vormgegeven.  

 

 

HET MASTERPLAN, ERFGOED ALS MIDDEL 

 

Vastgesteld wordt dat het erfgoed van de regio een belangrijk middel kan zijn om op een spraakmakende manier mogelijkheden te creëren voor ontmoeting, uitwisseling en betekenisgeving van en door bewoners van de Mijnstreek. Een dergelijke actuele erfgoedwerking kan pas worden vormgegeven als die ook daadwerkelijk gebaseerd is op authentiek erfgoed. Als erfgoed niet wordt behouden en beheerd, is men op den duur uitverteld. 

 

Deze erfgoedwerking komt echter niet vanzelf tot stand. Daarvoor stelt het masterplan een samenhangend pakket activiteiten voor dat de komende jaren moet worden uitgewerkt:

- Infrastructuur: het inrichten van een actueel mijnmuseum, archief, activiteiten- en fotodatabank. Een solide basis als vertrekpunt voor continuïteit en structuur. 

- Metaforen: om herkenbaarheid en betrokkenheid van de bewoners van de regio te realiseren, worden alle activiteiten die in het kader van het masterplan worden uitgevoerd, ondergebracht en gecommuniceerd in de context van een aantal metaforen. Metaforen die zo breed zijn dat zij een grote verscheidenheid aan activiteiten toelaten en ook herkenbaar zijn of worden voor de bewoners van de regio. 

- Pleisterplaatsen en satellieten: verspreid door de regio worden een aantal betekenisvolle centrale plekken benoemd van waaruit thema's en metaforen in de vorm van activiteiten kunnen worden uitgevoerd. Aan die pleisterplaatsen worden satellieten verbonden van kleinschaliger initiatieven in de regio. Het gaat hier niet om nieuwe investeringen, maar om het herbenoemen van bestaande initiatieven, locaties en activiteiten. In die pleisterplaatsen worden de gezamenlijke metaforen aan een locatie verbonden. 

- Regisseur: omdat het masterplan voor het grootste deel is gebaseerd op het verbinden van wat er al is in de regio, is een regisseur die dit proces leidt en vormgeeft van het grootste belang. 

- Ontmoetingen: centraal in de voorstellen staan drie acties. Allereerst het inzetten van bestaande netwerken in de regio als onderwijs, opbouwwerk, verenigingsleven. Daarnaast het uitvoeren van activiteiten op plaatsen waar veel mensen om veel verschillende redenen komen: betekenisclusters. En tenslotte het voortdurend initiëren van zogenaamde 'kleine ontmoetingen' 

 

Alle onderdelen in dit pakket zijn in het masterplan uitgewerkt in concrete acties die in de komende tien jaar genomen moeten worden om tot het gewenste resultaat te komen. 

 

 

VOORTGANG 

 

De samenwerking tussen provincie en projectvereniging wordt nu voortgezet in de verdere uitwerking van de invoering van het masterplan. Een sterk voorbeeld van samenwerking op bestuurlijk vlak dat de potentie heeft om zich op termijn te vertalen in een actuele erfgoedwerking die bewoners van de Mijnstreek in staat zal stellen om betekenis te geven aan de regio waar zij leven, wonen en werken. De Mijnstreek wordt tot spreken gebracht. 

 


 

Praktisch 

Bezoek het MIJN-erfgoed 

 

 


 

 

VLAAMS MIJNMUSEUM

Open: Van maandag tot zondag voor groepen op afspraak. Voor individuele bezoekers: van maandag t.e.m. zondag kan men aansluiten bij een rondleiding om 11 u, 13u en 15u.

Gesloten op feestdagen.

Tarieven afhankelijk van het soort arrangement.

Reservaties via Toerisme Beringen, 011 42 15 52 of

www.toerismeberingen.be

 

 Praktisch:

Vlaams Mijnmuseum

Koolmijnlaan 201 

3582 Beringen

Tel. 011 45 30 25  www.steenkool.be

 

 

MUSEUM VAN DE MIJNWERKERSWONING 

Open : Van apri tot en met september op zaterdag en zondag van 14 u tot 18u, van oktober tot en met maart enkel op zondag van 14u tot 18u.

Ook op afspraak toegankelijk.

Reservaties via VVV Maasmechelen, 089 76 98 88. 

 

Praktisch:

Museum van de Mijnwerkerswoning

Marie-Joséstraat 3, 3630 Eisden (Maasmechelen)

Tel. 089 76 45 75 (Stichting Erfgoed Eisden)

www.erfgoedeisden.be 

 

 

MIJNDEPOT WATERSCHEl 

In het voormalige hoofdgebouw van de mijn van Waterschei, in Genk, bevindt zich een grote collectie mijnmaterialen, samengebracht door de exmijnwerkers van vzw MijnVerleden. De collectie staat opgesteld in het voormalige depot. Er is veel aandacht voor de techniek en het gebruikte gereedschap, dat door de decennia heen evolueerde. Grote foto's tonen de geschiedenis van Waterschei van de opbouw tot de sluiting. 

 

Open: ledere zondag van juni, juli en augustus, telkens om 13u en 18u (laatste rondleiding start om 17u). Op afspraak kan een bezoek elke dag van de week. 

 

Praktisch: 

Mijndepot Waterschei 

Andre Dumontlaan 

3600 Genk 

www.mijndepot.be

 

 

MUSEUM ONS MIJNVERLEDEN 

In het oude directiegebouw van de koolmijn van Houthalen bevindt zich een grote verzameling voorwerpen van in en rond de mijn, oorspronkelijk verzameld met een didactisch doel: de mijnbouwschooL Het ontstaan van steenkool wordt ge'lllustreerd met prachtige kristallen, gesteenten, school prenten, fossielen ... Daarna volgt het verhaal van de ontdekking van de steenkool in de Limburgse Kempen, het starten van de boringen, de schachtdelving, eindeloze tunnels, galerijen en kolenpijlers. De conservator vertelt op een adembenemende wijze over de risico's van de mijnbouw, de gevaren in de ondergrond, de kameraadschap ... maar ook over stoflong en mijnworm. Ook de vitrines met literatuur; foto's, penningen en curiosa lonen de moeite. Een indrukwekkende verzameling die tot leven wordt gebracht alsof je het zelf beleeft: een aanrader voor jong en oud. 

 

Open: Elke woensdag in de Belgische (en Nederlandse) schoolvakanties om 10u en 14u zijn er rondleidingen. Ook op afspraak toegankelijk. 

 

Praktisch:

Museum Ons Mijnverleden

Centrum Zuid  (corr. Pastorijstraat 50)

3530 Houthalen-Helchteren

Tel. 011 89 01 00 (Vrijetijdwinkel Houthalen) of Tel. 011 52 28 02 (conservator)

 

 

KOLENSPOOR EN NATIONAAL PARK 

De vzw Kolenspoor heeft zijn thuisbasis op de geklasseerde stationssite van As, dat ook een toegangspoort is tot het Nationaal Park Hoge Kempen. Een gereconstrueerde houten boortoren staat als een baken op de site, en staat symbool voor de ontdekking van de Limburgse steenkool. hier in As. Van op de 25 meter hoge toren heb je een prachtig uitzicht op de Limburgse bossen en de skyline van Genk. Het Kolenspoor verzorgt treinritten op het traject Waterschei-As-Eisden en beschikt over heel wat historische rijtuigen waaronder ook een restaurantwagen, een slaapwagon en een fietsenshuttle.  

 

Praktisch:

Er is een vaste dienstregeling, maar ook ritten op reservatie zijn mogelijk.

Kolenspoor/Stationssite As

Stationsstraat z/n

3665 As

www.kolenspoor.be

www.nationaalpark.be

 

 

SLEUTELFIGUREN 

Sleutelfiguren ontsluiten met hun Met een kleine groep mensen persoon l ijk verhaal de geschiedenis krijg je op een M ijnstreektour een van de M ijnstreek en geven je een exclusieve kijk op het erfgoed van andere blik op As, Beringen, Genk, de koolmijnen: mooie tuinwijken, Heusden-Zolder, Houthalen- machtige industriegebouwen, Helchteren, Maasmechelen, de zuiderse winkels vol geuren en multiculturele samenleving en de smaken, vergane glorie en een koolmijnen. Ze zijn anderhalf uur hedendaagse smeltkroes van lang gastheer of -vrouw in hun culturen. Vanuit een comfortabele eigen huis, tuin, straat, wijk, club- of minibus en begeleid door een gebedshuis. Je bent de gast van een enthousiaste chauffeur-gids proef vertel lend monument en ontdekt je van de rijke geschiedenis van niet alleen een stuk van de wereld de koolmijnen en het levendige aan de hand van hun levensverhaal, karakter van de cités. maar beleeft ook een ontmoeting om nooit te vergeten. 

 

Praktisch: 

Alle sleutelfiguren en hun verhaal vind je terug op de website www.sleutelfiguren.be

Reserveren kan via reservaties@hetvervolg.org of 089 85 58 86. De kostprijs bedraagt 6 eur per persoon (inclusief drankje). Beperkt aantal deelnemers (ca. 5) per ontmoeting. 

 

 

MIJNSTREEKTOURS 

Met een kleine groep mensen krijg je op een Mijnstreektour een exclusieve kijk op het erfgoed van de koolmmijnen: mooie tuinwijken, machtige industriegebouwen, zuiderse winkels vol geuren en smaken, vergane glorie en een hedendaagse smeltkroes van culturen. Vanuit een comfortbale minibus en begeleid door een enthousiaste chauffeur-gids proef je van de rijke geschiedenis van de koolmijnen en het levendige karakter van de cités.

 

Praktisch: 

Een korte tour duurt drie uur, een lange tour duurt zes uur. Tours op maat mogelijk. De verschillende routes en tariven vind je op: www.mijnstreek.be 

Reserveren kan via reservaties@hetvervolg.org

of 089 86 58 86. Een korte tour kost 25 euro per persoon, een lange tour 40 euro.

 

 

RIJKSARCHIEF HASSELT 

Het Rijksarchief te Hasselt is de wettelijke bewaarplaats voor de archieven van overheidsorganisaties in Limburg. Daarnaast kunnen in het Rijksarchief ook archieven van particuliere oorsprong geraadpleegd worden. Enkele bijzondere verzamel ingen, waaronder de verzameling ' Kaarten en plannen', of de plakkaten en ordonnanties, vormen een mooie aanvulling op de eigenlijke archiefbestanden. In België zijn alle archieven van meer dan 100 jaar oud, die door een overheidsorgaan aan het  Rijksarchief worden overgedragen, in principe openbaar. Voor de raadpleging van archieven van meer recente datum kan onder voorwaarden toelating tot inzage en reproductie gegeven worden. 

 

Praktisch:

Rijksarchief Hasselt

Bampstaan 4

3500 Hasselt

De leeszalen zijn open van dinsdag tot vrijdag van 08.30 tot 16.30 uur, en op zaterdag van 09.00 tot 12.30 en van 13.00 tot 16.00 uur.

Op feestdagen zijn de leeszalen gesloten. 

 


 

MIJNERFGOED

 

MEER WETEN? 

Surf dan zeker naar de website van de Erfgoedcel Mijn-Erfgoed: www.mijnerfgoed.be 

De erfgoedcel Mijn-Erfgoed kwam in 2007 tot stand als resultaat van een samenwerking tussen de zes Limburgse mijngemeentes. Haar opdracht bestaat er in om een duurzaam erfgoedbeleid uit te bouwen samen met (o.a. bovenvernoemde) partners, professioneel of vrijwillig, ten einde samen het cultureel erfgoed in de Mijnstreek (beter) in kaart te brengen, te bewaren en te ontsluiten. 

 


 

AUTEURS 

Filip Delarbre, conservator Vlaams Mijnmuseum

Patrik Jaspers, KADOC Documentatie- en Onderzoekscentrum voor Religie, Cultuur en Samenleving

Jan Kohlbacher, voorzitter Stichting Erfgoed Eisden, conservator Museum van de Mijnwerkerswoning

Rombout Nijssen, rijksarchivaris 'Hasselt'

Adriaan Linters, voorzitter Vlaamse Vereniging voor Industriële Archeologie

Kristof Reulens, erfgoedcoördinator Stad Genk

Johan Van Den Bosch, projectleider Nationaal Park Hoge Kempen

Pieter Mols, cultureel constructiebureau ContraPunt

Katrien Schaerlaekens, Erfgoedcel Mijn-Erfgoed

Karolien Akkermans, Erfgoedcel Mijn-Erfgoed 

 


 

ILLUSTRATIES

Tenzij anders vermeld bij de illustraties: fotografie Eddy Daniëls / Erfgoedcel Mijn-Erfgoed