U bent hier

Ludovicus Bis en Petrus d'Estré - Het orgel

Ludovicus Bis en Petrus d'Estré  - Het orgel
Versiering van de orgelkast, (Details) St.-Baafskathedraal, Gent

 

Tijdens de beeldenstorm van 1567 werd het orgel van de kathedraal vernield. Twee jaar later maakte het kapittel een contract met meester Karel Blancart voor het vervaardigen van een nieuw instrument met zestien registers, dat tegen een oktober 1570 boven het doksaal aan de noordzijde moest worden opgesteld. De aannemer moest tevens een mooi versierd orgelbuffet leveren. Karel Blancart, wonende te Gent, heeft ook in Aardenberg en Oudenaarde gewerkt. Vermoedelijk werd zijn kunstwerk tijdens het calvinistisch bewind (1578-1584) vernield, toen men doelbewust de orgels in de meeste kerken deed verdwijnen en de kathedraal gesloten bleef tot 1584.

 

Nadat de meest dringende herstellingswerken waren verricht, dacht men er in 1952 opnieuw aan een orgel te laten bouwen. Nu werd een beroep gedaan op Meester Arnold de Smet, een bekend Brussels orgelbouwer en tevens organist van de abdij van St.-Jacob op Koudenberg in de hoofdstad. Meester De Smet, schepper van het kleine en grote instrument in de Brusselse hofkapel, heeft een belangrijke rol gespeeld bij de heropleving van de orgelfactuur in de Zuidelijke Nederlanden tijdens de contrareformatie. Het klinkt dus geenszins ongewoon, dat het Gents kapittel zijn hulp heeft ingeroepen.

 

Doch in 1635 was het instrument van Arnold De Smet in de kathedraal reeds verouderd en werd het afgekeurd. Een delegatie van het kapittel reisde nu naar Eine om ter plaatse het nieuwe orgel van Ludovicus Bis en Petrus d'Estré te onderzoeken. Reeds op acht maart van hetzelfde jaar belastte men beide meesters uit Rijsel met het vervaardigen van een nieuw instrument. Verscheidene projecten werden opgesteld en in een 'mémoire' werden precieze registratie-aanduidingen gegeven. Het orgel werd in 1656 geplaatst. De zeer picturaal uitgewerkte orgelkast is het werk van een Gentse schrijnwerker, vermoedelijk van Boudewijn van Dickele.

 

In 1761-1767 werd het huidig doksaal in de kathedraal voltooid. De onderbouw van het orgel werd nu vermoedelijk achteraan geplaatst. In 1935 werd op de wereldtentoonstelling te Brussel het orgel van Johannes Klais uit Bonn aangekocht en gekoppeld aan het instrument, waarvan zeer weinig bewaard bleef.

 

Hoe kan men de plotselinge voorkeur van het kapittel van de kathedraal verklaren voor twee kunstenaars uit Rijsel, terwijl Vlaanderen en Brabant in de zeventiende eeuw toch belangrijke centra waren voor de orgelbouw? Wellicht heeft de Gentse augustijnenpater Jan van der Elst (1598-1670) daarin een grote rol gespeeld. Als leerling van Jehan Titelouze (1563-1633), organist van de kathedraal van Rouen, heeft Van der Eist misschien belangstelling gehad voor de kunst van die Rijselse meesters. G. Peeters is zelfs de mening toegedaan, dat de Gentse augustijnenpater als organist van zijn klooster en als orgelpedagoog zijn advies heeft laten gelden bij de bouw van het orgel in de St.-Baafskathedraal. De specialisten zijn ook van oordeel, dat zo'n instrument weinig geschikt was voor de Vlaamse orgelmuziek uit de zeventiende eeuw, maar uitstekend voor Franse improvisaties op liturgische teksten met een enigszins rustiger karakter.

 

Erik Duverger

Onderzoeksleider N.F.W.O.  


 

Ludovicus Bis en Petrus d'Estré uit Rijsel behoren tot de belangrijkste Nederlandse orgelbouwers uit de 17de eeuw. Zij hebben bijgedragen tot het ontstaan van een geëvolueerde Vlaamse orgelkunst in Frans-Vlaanderen en in Noord-Frankrijk.

Niet alleen voor de St.-Baafskathedraal te Gent, maar ook voor de kerk te Eine in 1650, te Nazaret in 1662, en te Lochristi in 1663 hebben ze een orgel vervaardigd.

'Het orgel is een beelt van 't leven hier beneden

Veel pijpen staender in verdeelt in haar geleden

Een ieder heeft syn plaats, een ieder syn geschrei'

Jacob Revius, 1586-1658


Literatuur

M. Casteels, Het XVIIde eeuwsch orgel van de St.-Baafskerk te Gent, Gentsche bijdragen tot de kunstgeschiedenis VIII, 1942, pp. 65-77

F. Peeters en M. A. Vente, De orgelkunst in de Nederlanden van de 16de tot de 1Bde eeuw, Antwerpen, 1971, pp. 204 en 225-229.