U bent hier

Joachim Beuckelaer - Groenteverkoopster

Joachim Beuckelaer - Groenteverkoopster
Joachim Breuckelaers (ca. 1530/33-1573) Groenteverkoopster, Olieverf op paneel - 111,2 x 81,6 cm - gesigneerd met monogram LB. (tegen elkaar), op de ton - gedateerd links onderaan 1565, Museum Mayer-Van Den Bergh, Antwerpen.
 
Het schilderij is gesigneerd op de ton links met een monogram dat op verschillende andere werken van Joachim Beuckelaer wordt aangetroffen, nl. de letters I en B tegen elkaar geplaatst. Het is tevens gedateerd, 1565, links onderaan. Het jaartal is derwijze geschilderd alsof het met een smalle guts in de plank was gesneden.
 
Voor zover het œuvre van Joachim Beuckelaer bestudeerd werd - en het weze terloops aangestipt dat dit nog niet grondig gebeurde - vallen de vroegste dateringen van zijn werken niet vóór 1561, wat wellicht in verband moet worden gebracht met het feit dat de schilder pas in 1560 als meester in het St.-Lucasgild werd ingeschreven, d.w.z. op de leeftijd van ongeveer dertig jaar.
 
Over het leven van Joachim Beuckelaer is bitter weinig bekend. Ongeveer alles wat we hierover weten lezen we in het beroemde ' Schilder-Boeck' van Karei van Mander, dat in 1604 te Haarlem verscheen en in 1618 in een verbeterde editie werd uitgegeven.
 
Van Mander bericht dat Beuckelaer gestorven is toen hij bezig was met werk voor de Spaanse krijgsoverste Vitello, tegen het einde van Alva's verblijf in de Nederlanden, dat is 1573. Van Mander was op dat ogenblik vijf en twintig jaar. Het is dus goed mogelijk dat hij zijn inlichtingen uit een tamelijk rechtstreekse bron heeft kunnen inwinnen. Hij schrijft dat Beuckelaer amper veertig jaar oud werd. De schilder zou dus geboren zijn omstreeks 1530-1533, dat wil zeggen tijdens de regering van Keizer Karel, een tijd gekenmerkt door de bedrijvigheid van Maarten Luther, bedrijvigheid die uitgroeide tot de West-Europese geestesstroming, de Reformatie genoemd, die in onze streken leidde tot beroerten en beeldenstorm.
 
Steeds volgens van Mander zou Joachim Beuckelaer slechts met moeite zijn kaas en brood verdiend hebben en ging hij werken bij andere schilders tegen een dagloon van één tot anderhalve gulden. Hij zou aldus voor Antonio Moro de kleren in sommige van zijn portretten geschilderd hebben en figuurtjes in de landschappen van Cornelis van Dalem, een gesteld edelman wiens ouders hem het schilderen voor genoegen en tijdverdrijf hadden laten leren. Beuckelaer leverde een schilderij van behoorlijke afmetingen voor vijf à zes pond, maar omstreeks 1600 betaalde men twaalf maal zoveel voor zijn werken.
 
Zijn tante van vaderszijde, Catharina Beuckelaer, huwde in 1542 met de Amsterdamse schilder Pieter Aertsen, bijgenaamd Lange Pier, die eveneens te Antwerpen was gevestigd. Van Mander bericht dat Joachim Beuckelaer door zijn aangetrouwde oom werd aangezet tot nauwkeuriger werken door groente, ooft, vlees, gevogelte en vis rechtstreeks naar de natuur te schilderen. Hij zou die raad hebben gevolgd, waardoor hij zich merkelijk wist te bekwamen, wat hem echter geldelijk weinig baat zou hebben gebracht. Veel succes schijnt hij niet te hebben gehad. Veel onderricht heeft hij blijkbaar niet gegeven. Er wordt slechts één leerling gesignaleerd, een zekere Jacob Comperis, in 1573, d.w.z. kort voor de dood van Beuckelaer.
 
Het hier besproken schilderij wordt conventioneel betiteld als 'Groenteverkoopster', alhoewel het niet zo heel zeker is dat de schilder zijn onderwerp aldus heeft bedoeld. Hij heeft een jonge volkse vrouw afgebeeld, rechtstaand achter een kraam of twee tafels die in een rechte hoek tegen elkaar geplaatst zijn. Ze houdt de linkerhand op een korf, waarin donker- en helrode kersen liggen. Met de rechterhand houdt ze een witte kool op de rand van een platte korf die gevuld is met pastinaken, peulerwten, wortels, stekelbessen, pompoenen en ajuintjes. Rechts in de platte korf bevindt zich een rood geglazuurde teil, waarop een tinnen schotel rust, gevuld met frambozen op een bed van bladeren, vermoedelijk druivebladeren. Het mag wel even worden aangestipt dat men de aardappel onder de afgebeelde groenten niet hoeft te zoeken. Op dat ogenblik was de aardappel in Europa nauwelijks bekend en het is pas veel later, n.l. in de 18e eeuw, dat hij als voedsel algemene verspreiding vond. Op het tweede plan zien we een ton waarop een aarden kruik. Het achterplan wordt gevuld met een vrij banaal landschap, samengesteld uit een gemetseld brugje, een huisje en wat bomen.
 
Het schilderij is in zover representatief voor het oeuvre van Joachim Beuckelaer dat de nadruk op het stilleven ligt. Hij deed dit wel meer in andere werken die we van hem kennen. Soms worden zijn allegorische of bijbelse onderwerpen als bijkomstige taferelen naar het achterplan verdrongen. Er zijn een zevental werken bewaard met zuiver godsdienstig onderwerp en nog andere dergelijke schilderijen worden door van Mander vermeld, onder meer een 'Palm-Zondag', een paneel dat tijdens de beeldenstorm in de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekerk kort en klein werd geslagen, maar Beuckelaer staat in de kunstgeschiedenis bekend als een schilder van keukenstukken.
 
In het hier besproken schilderij zien we Beuckelaer niet op zijn best. Alhoewel gesteund op het contrasteren van de complementairen rood en groen, is de kleurstelling eerder aan de makke kant. De vale tinten en afgezwakte kleuren komen te veel aan bod en verminderen de kracht van het geheel. Men mag evenwel aannemen dat het normale verouderingsproces voor het schilderij niet heel gunstig is geweest. De verflaag is met de tijd iets doorzichtiger geworden, wat men goed kan merken in de wortels en de kersen, waar de voortekening duidelijk met het blote oog zichtbaar geworden is.
 
Het volstaat de 'Groenteverkoopster' te vergelijken met het negen jaar oudere schilderij 'Boerengezelschap' van Pieter Aertsen, in hetzelfde museum, om vast te stellen dat Beuckelaer, overeenkomstig het bericht van van Mander, inderdaad veel aan zijn oom verschuldigd is. Overigens gingen sommige van zijn werken wel eens door als stukken van Pieter Aertsen.
 
Joachim Beuckelaer schildert met toewijding, maar zonder hoge vlucht. Het ontbreekt hem aan de sprankel genie. Zijn schilderwijze is wat droogjes en zijn naturalisme is - zeker in onderhavig schilderij - wat schraal ; iets te dicht bij de dingen of, anders uitgedrukt, te weinig gesublimeerd. In vergelijking met zijn tijdgenoten als een Pieter Bruegel de Oude en Antonio Moro bij ons, de oudere Titiaan, Michelangelo en Veronese in Italië, wordt zijn betekenis in de evolutie van de Europese schilderkunst eerder gering geschat. Samen met zijn oom mag Joachim Beuckelaer beschouwd worden als een schakel in de evolutie van het zo typisch Nederlands naturalisme dat inzet met de Vlaamse Primitieven, die, bij al hun devotie en mystiek, de realiteit van de ons omringende dingen beginnen af te tasten, wat in de Hollandse 17e eeuw zal uitgroeien tot een welbehagen in de burgerlijke welstand. Op die ontwikkelingscurve ligt het naturalisme van beide keukenschilders Pieter Aertsen en Joachim Beuckelaer chronologisch en stylistisch ongeveer in het midden.
 
 
Dr. R. H. Marijnissen,
Adj.-dir. Afdeling Conservatie, Kon. lnst. v. het Kunstpatrimonium, tijdelijk met opdracht gelast. 
 

Keuze uit te raadplegen Nederlandse boeken:

Van Mander, Schilder-boeck, Haarlem 1604, hl. 238, uitgave Wereldbibliotheek 1950, hl. 106. 108 en 168.
Catalogus van de tentoonstelling De eeuw van Bruegel, Brussel 1963, hl. 50-53.
Catalogus van het Museum Mayer-Van den Bergh, 1960, met literatuuropgave.