U bent hier

Hoe Théo Van Rysselberghe beroemd werd

Hoe Théo Van Rysselberghe beroemd werd
Kamp voor Marrakech of Paardenmarkt in Marrakech, 1888, Doek, 64 x 86 cm, privé-collectie.

 

Ronald Feltkamp noemt zichzelf een "echte amateur" van schilders. Hij geldt internationaal als de Van Rysselberghe-expert. Feltkamp assisteerde Christie's en Sotheby's bij belangrijke veilingen met werk van de grote neo-impressionist.

 

 

GOED VERDIEND MET PORTRETSCHILDEREN

 

Théo Van Rysselberghe (1862-1926) was geen wonderkind zoals Pablo Picasso of Salvador Dali, die al op hun negende zo goed als volwassen kunstwerken maakten. Dat betekent niet dat hij met zijn talent minder bijzondere prestaties heeft geleverd. Reeds op 21-jarige leeftijd schilderde hij een groot formaat Fantasia waarin hij het oriëntalisme nieuw leven inblies door het impressionistische licht en diens levendigheid te introduceren (KMSK Brussel), een meesterwerk waar de bruisende Arabische feestwerkelijkheid prachtig uitgebeeld is. Hij is geen kunstenaar van de idee, zoals Dali en Picasso, maar van de realiteit; echter welk een realiteit als men aan zijn prachtige landschappen denkt of nog aparter, zijn groepsschilderijen zoals de zonnige Familie in de boomgaard te Thuin (Kröller-Muller, Nederland) en het meesterwerk Een lezing (MSK Gent), waar hij Verhaeren zo realistisch temidden van zijn vrienden opvoert, dat men hem bijna kan horen declameren.


Théo begint zijn carrière door de academies van Gent en Brussel te doorlopen. Hij raakt vlug bevriend met Picard, Verhaeren en Maus, allen advocaten en kunstcritici en uit de gegoede burgerij. Théo heeft een grote hang naar portretschilderen en alle familieleden moeten eraan geloven, zelfs schildert hij de hele familie van zijn broer François met kinderen en al op één groot doek (MSK Gent). Deze speciale drang, binnengeloodst in de kringen van de gegoede burgerij, brengt al snel veel klanten. Rijke advocaten en industriëlen vragen eerst een portret van hun vrouw, dan van hun kinderen en soms van zichzelve. Hij heeft zo meer dan tweehonderd vrouwen in de verf gezet, nog afgezien van de meer dan zestig keer dat hij zijn echtgenote vastlegde. Zijn kinderportretten zijn juwelen zoals het portretje van zijn dochtertje Elisabeth (op de tentoonstelling en ook MSK Luik). Hij verdiende spoedig goed tot zeer goed zijn brood. Een portret kostte ongeveer 2.500 franse Frank, een tiende van een burgerhuis!

 

 

DIE 'AFSCHUWELIJKE' TECHNIEK

 

Omstreeks 1887 werd hij geconfronteerd met het doek van Seurat Un après-midi à la Grande Jatte. Seurat paste daarin zijn nieuwe techniek 'pointillé' voor het eerst rigoureus in een groot werk toe. Deze techniek - het niet mengen van de kleuren, maar deze als complementaire kleuren in kleine puntjes op het doek zetten - produceert een chromatisch-intensiverend effect, dat het geheel doet oplichten; vandaar de term 'chromoluminarisme' die Seurat er zelf aan gaf. De kunstcriticus Fénéon vond dat een onverkoopbare naam en verzon 'néo-impressionisme', ook om het publiek te doen aanhaken bij het impressionisme. Dit mocht niet helpen: Seurat werd alom belachelijk gemaakt en zijn collega-pointillisten waaronder Théo eveneens. Want Théo interesseerde zich wel voor deze moeilijke, strenge schildertechniek. Hij hield van technische hoogstandjes. Zijn magistrale werken tot dan, zoals Maus met tegenlicht (KMSK Brussel) en Maus als Dandy (op tentoonstelling) illustreren dat ten volle. Zijn klanten uit de gegoede burgerij aarzelden natuurlijk zich in deze 'afschuwelijke' techniek te laten afbeelden. Eén onder hen verzocht Théo hem zijn portret te schilderen, maar "niet in pointillé". Théo stuurde hem wandelen! Deze techniek zou juist vanaf de twintiger jaren verreweg het meest gewaardeerd worden en dus het duurste.

 

Vader Sèthe voelde daar gelukkig wel voor, want hij liet zijn drie dochters in pointillé afbeelden. Eerst Alice staande (Musée de la Prieuré, St. Germain-en-Lay, op tentoonstelling) één van zijn eerste werken in pointillé, dan Maria in profiel (MSK Antwerpen) in warme volle kleuren, waar het pointillé precies dat oplichtende effect produceert; de achtergrond geeft een levendige werveling van kleurentoetsjes - bijna abstract. Als laatste Irma, in zachtroze oplichtende tinten.

 

Hij was ook dol op grote doeken en kreeg de unieke gelegenheid om zijn grootste doek (3.20 x 4.50 m.) voor het Solvayhuis in de Louisalaan (soms bezoek in groepen mogelijk) te maken. Wel liep hij daar tegen de preutsheid van Solvay op, want deze wilde geen naakte baadsters in de achtergrond. Théo heeft "op zijnen chique" gebeten en heeft de vrouwtjes dan maar iets aangetrokken. Aan Henri van de Velde gaf hij toe dat de prijs, de helft van de waarde van een burgerhuis, ook een rol speelde.

 

 

WERELDOORLOG ALS KEERPUNT

 

Omstreeks 1900 heeft Henri van de Velde, die 15 jaar eerder slechts conditioneel, schoorvoetend door Théo was aanbevolen voor toelating tot de XXers, in Duitsland volop voet aan de grond gekregen als architect. Hij introduceert Théo in de Duitse gegoede burgerij en hij wordt al vlug dé schilder van echtgenoten van rijke industriëlen (Henkelchampagne bijvoorbeeld) of kunsthandelaars waaronder Keller. Ook zijn landschappen verkopen er goed. Het blakende uur (Museum Weimar), een reusachtig doek met badende en zonnende naakten in spetterende, zinderende kleuren geschilderd, wordt uiteindelijk door graaf Kessler gekocht.

 

Van 1897 tot 1910 stralen Théo's werken een uitzonderlijke kracht van vorm en uitbundigheid van kleur uit. In De Wandeling (KMSK Brussel) bijvoorbeeld is de stevige, frisse strandbries direct voelbaar, terwijl er tegelijk twee personen duidelijk geportretteerd worden. Deze twee aspecten, gecombineerd op zo'n sublieme wijze, is uniek. Een Signac komt niet tot zulke bijzondere resultaten. Zijn gave om prachtige speelse, zonnige landschappen, meestal gestoffeerd met rustige, ontspannen naakten, waarvan de huid in parelmoerachtige kleur oplicht, te maken, levert hem opdrachten voor decoratie in verschillende villa's bij Parijs en in Wallonië op.

 

Helaas komt de oorlog roet in het eten gooien. Théo verliest van de ene dag op de andere zijn Duitse klanten en ook elders doet de oorlog de belangstelling voor de schilderkunst flink afnemen. Van dan af raakt Théo, die nu 'klassiek' geworden is, meer en meer aan de kantlijn. Het fauvisme had hem nog wel enigszins geraakt (bijvoorbeeld Cap Bénat, MSK Gent), maar het kubisme was niets voor deze rasrealist. Hij keert zich daarom naar een rustige maar krachtige kleurtechniek waar men zijn oorspronkelijke klassieke gaven, gelouterd door de kleurmethode van het neo-impressionisme in voelt.

 

 

GRETIGE AMERIKANEN

 

Was Théo Van Rysselberghe tijdens zijn leven dus internationaal (Nederland, Frankrijk, Duitsland, Groot-Brittannië, Italië), na zijn dood wordt hij minder en minder vermeld. In het begin van de vijftiger jaren hebben de erfgenamen de grootste moeite om de overgebleven atelierwerken te verkopen. Alleen zijn gepointilleerde werken doen het goed, maar dan wel in de Verenigde Staten, zoals overigens voor alle pointillisten. Van Seurat bevindt zich slechts één groot schilderij in Frankrijk, geschonken door een Amerikaan die het een blamage vond dat Frankrijk niets belangrijks had van Seurat, de bron van het neo-impressionisme. Eén uitzondering: in de Kröller-Muller-collectie in het Nederlandse Otterloo bevinden zich, dankzij Mevrouw Kröller's raadgever Bremmer, één grote en vier kleine Seurat's en van Théo 14 belangrijke werken, waarvan drie grote gepointilleerde. Samen met de Ensors en de Van Goghs een omweg waard. Ook Seurat's sleutelwerk Une après-midi à la Grande Jatte bevindt zich in de Verenigde Staten, in het Chicago Art Institute. Een Amerikaan kocht het in de twintiger jaren voor een 24.000 Franse frank. Dit schilderij was vlak na de dood van Seurat door Lucie Cousturier gekocht voor 800 frank. Langzamerhand werd Théo via zijn pointillistische werken meer en meer bekend in het buitenland. Net als voor het impressionisme waren het de Amerikanen die, niet belast met de academische vooroordelen zo typisch voor de klasse die toen in Europa het kunstgebeuren beheerste, deze pointillistische werken gretig kochten. Zeker, de activiteit van de XXers en de Libre Esthétique hadden veel gedaan voor de moderne schilders, maar konden toch niet de benodigde doorbraak bewerkstelligen.

 

 

MOOIE COLLECTIES IN EIGEN LAND

 

Sinds de zeventiger jaren van de vorige eeuw steeg de waardering voor Théo, getrokken door de hausse voor pointillistische werken. Hij valt nu niet meer in de kleine prijsjes, behalve enkele niet-gepointilleerde kleinere portretten of studies en dan nog alleen op veilingen, want in de handel kost zelfs een tekening al duizenden euro's. Enige tijd geleden heeft een topwerk, gepointilleerd, charmant onderwerp, prachtig van kleur en atmosfeer - L'escaut en amont d'Anvers, le soir-in New York bijna 3.000.000 euro opgebracht. Recentelijk ging een tweede werk, Port de Cette, ingebracht door het Metropoliran Museum ongeveer hetzelfde bedrag. Daarmee lijkt Théo ook weer redelijk op niveau, vergeleken met bijvoorbeeld Signac, Pissarro en Cross. Hij is nu over de hele wereld vertegenwoordigd, in musea, maar vooral in particuliere collecties. De verschillende Belgische musea bezitten een prachtige collectie van Théo's werk: Brussel (KMSK en Elsene), Gent, Antwerpen, Luik, Doornik, Oostende, Deinze. Jammer genoeg hebben de Belgische musea niet de beschikking over voldoende middelen, zoals bijvoorbeeld het Orsay, om de grote Belgische schilders internationaal intensief over het voetlicht te brengen. België heeft zoveel meer buitengewone schilders van moderne kunst (1880-1940) dan Ensor, Magritte, Delvaux en Van Rysselberghe. Echter, Théo heeft waarschijnlijk één obstakel meer gehad dan de andere drie: hij heeft zichzelf buiten België geplaatst. Hij was een Franstalige Vlaming, en is bovendien naar Frankrijk verhuisd. Noch de Vlaamse noch de Waalse gemeenschap heeft het werkelijk voor hem opgenomen; om niet te praten van Frankrijk, waar hij tot voor kort nog onder de 'kleine meesters' werd gerangschikt. Hij is door het internationale kunstminnend publiek op het huidige niveau gebracht. Hij is niet de enige Belgische schilder, die zo moeizaam opklimt. Frits van den Berghe en Gust van de Woestijne - grootse meesters - zijn nog steeds niet op het niveau dat zij verdienen. Eén troost: ook Vermeer is twee eeuwen later pas als onbekende schilder van onder het stof gehaald, niet door een Nederlander, maar door een Fransman.

 

 

HET BLAKENDE UUR

 

De huidige tentoonstelling over van Rysselberghe zal zeker weer bijdragen tot een bredere belangstelling voor deze zo aparte schilder. Wij kunnen daar in het bijzonder het werk Het blakende uur aanbevelen, een schilderij dat een sleutelrol speelt in het werk van Van Rysselberghe. Hij past daar op een ontspannen manier de neo-impressionistische pointillé-techniek toe, waardoor het 'blakende' zonlicht het schilderij doorgloeit. Hij vond het heerlijk om het over de huid van baadsters spelende zonlicht te schilderen, baadsters, die goed de vreedzame atmosfeer weergaven; want van Rysselberghe heeft een vreedzame en zonnige inslag. En hij kon zich uitleven op een groot oppervlak, "grandes machines". Echt een schilderij dat 'doorwarmt'.

 

Ronald Feltkamp

 


INFO:

Retrospectieve Théo Van Rysselberghe

Nog tot 21 mei 2006

Paleis voor Schone Kunsten

Ingang: Koningsstraat 10

Open: van dinsdag tot zondag van 10 tot 18 uur, donderdag tot 21 uur

Info: 02 507 82 00

http://www.bozar.be/


Illustraties:

(te bekijken in het pdf-formaat)

Kamp voor Marrakech of Paardenmarkt in Marrakech
1888, Doek, 64 x 86 cm
Pivé-collectie

Het blakende uur
1897, Doek, 238 x 329
Staatliche Kunstsammlungen, Weimar

Portret van Octave Maus als dandy
1885, Doek, 55 x 38 cm
Privé-collectie

De Rotspunt van Saint-Pierre in Saint-Tropez
1896, Doek, 76.5 x 97
Nationaal Museum voor Kunst en Geschiedenis, Luxemburg