U bent hier

Het Sportimonium - Stilstaan bij beweging

Het Sportimonium
Reeks plaasteren beeldjes, in het sportcafé gebruikt om de voetbalrangschikking weer te geven, 1958 -1960 (h:14,5 cm).

 

In een fascinerend gebouw uit de jaren 20 huist dit splinternieuw museum waar het Vlaamse sporterfgoed centraal staat. Naast talloze authentieke sportartikelen illustreren vele kunstwerken de geschiedenis van het Vlaamse sportgebeuren.

 

 

Inleiding

 
De Oude Grieken deden aan atletiek, de Romeinen bezochten thermale baden en in de middeleeuwen werd er gebeugeld of naar de wip geschoten dat het een lieve lust was. Een duik in het verleden leert dat de mens voortdurend zocht naar fysieke activiteiten. Om bepaalde vaardigheden te oefenen, om zich met anderen te meten of gewoon als amusement. En toch is sport een modern fenomeen.
 
 
De eerste sporen van georganiseerde sport leiden naar het begin van de negentiende eeuw. Op het continent verschenen voor het eerst turnverenigingen en bij Engelse upper class zagen sporten als voetbal, cricket en roeien het licht. In de jonge sportclubs kwamen vooral mannen van standing zich verstrooien, hun spieren stalen en mentale of sociale vaardigheden als moed, wilskracht of kameraadschap trainen. Vanaf de jaren 1920 - 1930 kwam sport stilaan in het bereik van de gewone man en vrouw. Toen ontstonden ook de eerste recreatiedomeinen. Hofstade-Plage ging in 1933 open en lokte veel bezoekers. Men kon er zwemmen, waterfietsen, roeien en zeilen. Het cirkelvormige strandgebouw, getekend door architect Maxime Wijnants, is opgetrokken in overwegend tropisch hout. In dit beschermde monument huist het Sportimonium.
 
 
Vandaag is sport veel meer dan een tijdverdrijf voor rijke heren. Sport is ontspanning, sport is opvoeding, sport is avontuur, sport is spektakel, sport is mode. In acht tentoonstellingsluiken illustreert het Sportimonium hoe de sport in de afgelopen eeuw evolueerde tot een maatschappelijk fenomeen dat op vele manieren kan beleefd worden.
 

Inhoud

  • De lange aanloop
  • Sporten en sporters
  • Citius, altius, fortius
  • Collectie in de kleedkamer
  • Praktisch

 

De lange aanloop

 

Het begon met een vermolmde kegel uit Schulen

 
 
 
Het Sportimonium in Vlaanderen sluit aan bij een internationale tendens. De sportmusea van Basel (1945), Warschau (1952), Praag (1953) en Leipzig (1977) hebben een respectabele leeftijd. Het Sportimonium behoort tot een jongere generatie, met als gezellen het Deutsches Olympia- und Sportmuseum (Keulen), het Musée National de Sport (Parijs) en het Nederlands Sportmuseum (Amsterdam), die allen een vergelijkbaar parcours hebben afgelegd. In de aanvangsfase in de jaren 1980 stond de collectievorming centraal en werkten ze geduldig aan het opbouwen van geloofwaardigheid en het vergaren van fondsen. Na een incubatietijd van 15 tot 20 jaar konden ze hun deuren officieel openen, met het Sportimonium in 2004 als laatste in de rij.
 
 
In Lausanne, waar het Internationaal Olympisch Comité zetelt, bevindt zich het prestigieuze Olympisch Museum, dat kunst en informatie rond sport prachtig integreert. Daarnaast zijn er talrijke instellingen die zich toespitsen op een bepaalde sporttak (het Skimuseum te Oslo) of die verbonden zijn aan een bepaalde wedstrijd (Tenniseum in het Roland Garros-Stadion, Parijs) of club (Manchester Untited). Een tweede omvangrijke groep zijn de vooral in Noord-Amerika populaire Sports Halls of Fame. Deze 'tempels' zijn doorgaans monothematisch en zwaaien de lof van de sporthelden.
 
 
Ook in eigen land ontwikkelen enkele musea een werking rond een specifieke sport. De belangrijkste zijn het Nationaal Wielermuseum (Roeselare) dat zich van langsom meer toelegt op de wielersport, het Schermmuseum (in Autoworld te Brussel) en het Centrum Ronde van Vlaanderen (Oudenaarde) dat zich profileert als een belevingscentrum. Aan Waalse zijde is er Musée National des Jeux de Paume (Ath).
 
 
Het Sportimonium is het enige die zich systematisch om het landelijke sporterfgoed in zijn geheel bekommert. Wat het Sportimonium in internationale context bijzonder maakt is de aandacht die het besteedt aan de vaak eeuwenoude maar nog levende sportcultuur. Die speltradities uit eigen streek worden niet alleen uitgebreid gedocumenteerd en getoond, bezoekers kunnen ze ook actief beoefenen in de Volkssporttuin. In de loop van de jaren is de interesse voor volkssporten internationaal gegaan en is het Sportimonium uitgegroeid tot een expertisecentrum. Het museum speelt ook een actieve rol in de ondersteuning van volkssporten. Dat is de reden waarom het nauw samenwerkt met de volkssportverenigingen en hun leden via de koepelfederatie Vlaamse Traditionele Sporten en via onderzoek de vinger aan de pols houdt van het volkssportgebeuren. Het museum trekt de lijn ook internationaal door met een actief engagement in de 'European Traditional Sports and Games Association' en met medewerking aan het wereldwijd programma dat Unesco op poten wil zetten voor de valorisatie en de ondersteuning van volkssporten. Op wetenschappelijk vlak leunt het Sportimonium aan bij de 'International Society of the History of Physlcal Education and Sport' en het 'European Comittee for Sport History'.
 
 
 

VAN ONDERZOEK NAAR ACTIE

 
 
De kiemen van het Sportimonium liggen in het wetenschappelijk onderzoek dat vanaf 1973 aan de K.U.Leuven werd opgezet over de geschiedenis van de (volks)sporten in Vlaanderen.
 
 
Professor De Nayer gaf toen aan Roland Renson de opdracht om aan het Instituut voor Lichamelijke Opleiding de cursus Geschiedenis van de lichamelijke opvoeding te doceren. Renson vond weinig of geen bronnen over ons sportverleden. De interesse van historici was toen nog niet uitgedeind tot het domein van de Alltagskultur. Geïnspireerd door de sociale en culturele antropologie, stuurde Renson de studenten op 'veldwerk' uit om op die manier zo veel mogelijk gegevens te verzamelen over de nog bestaande volkssporten in Vlaanderen. Zo dook ook het allereerste 'object' op, dat aan de basis zou liggen van de huidige collectie van het Sportimonium: een door houtworm aangetaste kegel uit Schulen (provincie Limburg).
 
 
Dankzij het uitgebreide onderzoek ontstond een totaalbeeld van de grote diversiteit en van de lokale verankering van dit ludieke patrimonium in Vlaanderen. De rijkdom en variatie overtrof de stoutste verwachtingen. In West-Vlaanderen werd getrabold en gegaaibold, in Oost-Vlaanderen vooral gekrulbold en gekaatst, in Antwerpen gekegeld, in Brabant beoefende men het struifspel en het struifvogelspel, in Limburg werd er gebeugeld en aan klep- en buksschieten gedaan. Overal werd er naar de staande en naar de liggende wip geschoten. Nadien breidde het onderzoek zich uit naar de aangrenzende streken en naar Europese culturele regio's met eigen volkssporttradities. Om de onderzoeksresultaten in de praktijk te brengen en om het sportieve erfgoed, dat in kaart was gebracht, actief te promoten ontstond in 1980 de 'Vlaamse Volkssportcentrale' (sinds 2006 omgedoopt tot 'Centrum voor Sportcultuur').
 
 
Ook het onderzoek naar de geschiedenis en het erfgoed van het turnen en de gymnastiek (ARTUR-project 1981) en van de moderne sporten (MOSAR-project 1982) ging van start. Deze koersverruiming, die vanuit de K.U.Leuven in samenwerking met het Bloso, de Vlaamse Volkssportcentrale, de U.Gent en de V.U.B tot stand kwam, leidde in 1985 tot de oprichting van de 'vzw Sportmuseum Vlaanderen'. Om een dynamische museumwerking, eigen aan de dynamiek van de sport te ontplooien werd het IDEA-concept ontwikkeld.
 
 
Naast de vier 'klassieke' museumopdrachten van verzamelen, bewaren, bestuderen en ontsluiten, kwam het Sportmuseum op de proppen met vier specifieke accenten: Integratie in het sportmilieu; Decentralisatie van de werking door initiatieven op diverse locaties te ontplooien; Educatie door de historische veranderingen en maatschappelijke betekenissen van de sport te duiden; en Animatie door allerhande sport- en spelvormen 'aan den lijve' te laten ervaren.
Het Sportmuseum Vlaanderen en de Vlaamse Volkssportcentrale zetten vanaf 2000 hun schouders onder het Sportimoniumproject.
 
 
 

KOERS MET HINDERNISSEN

 
 
In de jaren 1980 begon een jarenlange queeste naar een geschikte vestigingsplaats voor het Sportmuseum. De eerste opties bevonden zich in Leuven maar geleidelijk werd het zoekareaal uitgebreid tot de Sint- Benedictushoeve in Herent, het voormalige Automuseum in Kechterhoef-Houthalen en zelfs een vleugel van de abdij van Tongerlo. Maar het werd uiteindelijk het Blosodomein Hofstade in de gemeente Zemst.
 
 
Het Bloso had pas het recreatiedomein van Hofstade-Plage verworven en het houten strandgebouw van 1938 leek een ideale plek om de werking van de Vlaamse Volkssportcentrale en van het Sportmuseum Vlaanderen te integreren in het gezamenlijk Sportimoniumproject. De benaming 'Sportimonium', gevormd door de samentrekking van 'sport' en '(patr)imonium', is gekozen om een dynamische erfgoedwerking rond de diverse aspecten van de bewegingscultuur te evoceren.
 
 
Na het uitwerken van een museumscenario en het mobiliseren van het architectenbureau Atelier De Bondt werd een restauratiedossier ingediend bij Monumenten en Landschappen. Uiteindelijk vond op 7 mei 2004 de officiële opening van het permanente tentoonstellingsgedeelte van het Sportimonium plaats. Begin 2006 werd met de steun van het BOIC de Olympische Passage gerealiseerd en gingen het Cabinet Victor Boin en het Zichtdepot open. Het Sportlabo is voorlopig ingericht met allerhande 'binnenspelen' en een 'gymnastiekles uit de oude doos'. De Conferentiezaal werd in gebruik genomen en in juni 2006 volgde de opening van de Volksporttuin met een gamma traditionele sportvormen.
 
 
Begin 2007 verhuisden de laatste medewerkers uit het vertrouwde prefabgebouw op de Begijnhofparking in Leuven richting Hofstade. Sindsdien zijn ook de Uitleendienst, het Constructieatelier en de Documentatiedienst ondergebracht op het Bloso-domein Hofstade. Alleen het Museumdepot, voorlopig onder dak in een gebouw in het naburige Perk, moet nog verhuizen. Dat zal geen sinecure zijn want het depot omvat onder meer gedemonteerde oude turnzalen met boombalken en wandrekken, allerlei turntoestellen, zeil- en roeiboten.
 
 
Al bij al zijn door initiatieven als tentoonstellingen, volkssportroutes, uitleendiensten en diverse publicaties de volkssporten in Vlaanderen over de jaren meer 'salonfähig' geworden. Uit recent onderzoek blijkt echter dat over de afgelopen periode van twintig jaar de volkssportbeoefenaars gemiddeld een stuk ouder zijn geworden, meer uit het stedelijke milieu zijn verdwenen en dat hun sociaalprofessionele niveau is gedaald. Bovendien dreigt het gevarieerde landschap te verschralen door de verdwijning van een reeks lokale spelvormen. Net zoals er nood is aan biodiversiteit, wil het Sportimonium met zijn uitleendienst, zijn collectie traditionele binnenspelen en met zijn unieke Volkssporttuin ijveren voor het behoud van de ludodiversiteit.
 
 
 

"EEN BEELD VAN VLAAMSCHE SPORTWEELDE"

 
 
"De Ronde van Vlaanderen van 'Sportwereld' miek zooveel invloed, en verwekte zooveel belangstelling en begeestering onder de massa, dat men er van lieverlede is van gaan maken, een symboliek beeld van Vlaamsche spierkracht en Vlaamsche sportweelde. ( . . . ) Van lieverlede werd die Ronde een gebeurtenis, of een gevierde en verbeide dag, lijk deze van den Gulden Sporenslag een andere was." Uit: Karel Van Wijnendaele, 1943, Het rijke Vlaamsche wielerleven, Gent, 127-128
 
 
Een belangrijk deel van het sportieve erfgoed bestaat uit de vele boeken, brochures en tijdschriften over sport, spel en lichamelijke opvoeding. Het Sportimonium werpt zich op als behoeder van dit papieren erfgoed en verzamelt alles wat over sportieve bewegingscultuur wordt gepubliceerd in eigen land. Voor de traditionele sporten kijkt het museum over de grenzen en documenteert zich over de talrijke regionale volkssporten in Europa en zelfs wereldwijd. Gaandeweg groeide het Sportimonium uit tot een internationaal erkend expertisecentrum in deze materie.
 
 
Een aparte behandeling is weggelegd voor de Olympische Spelen als belangrijkste mondiaal sportgebeuren. Ook rijkelijk gedocumenteerd is de evolutie van het turnen en de gymnastiek, zowel in schoolse context en het leger als in het verenigingsleven. Het gros van die verzameling valt binnen de periode 1850-1940.
 
 
De bibliotheek telt zowat 1200 verschillende tijdschrifttitels. Dat gaat van het luxueuze La Vie au Grand Air (bezit 1899-1914) , Volksheil (1873-1887, turnen), Belgica (1895-1914), Geïllustreerde Sportwereld (1921-1935) tot een volledige reeks van Velo-jaarboeken (1956-heden). In een aantal gevallen is slechts een enkele jaargang voorhanden of is het bezit beperkt tot een verdwaald nummer van een obscuur sporttijdschrift.
 
 
Vanaf het einde van de negentiende eeuw verschijnen de eerste publicaties over de klassieke moderne sporten. In de loop van de tijd wordt dit een alsmaar groeiend segment met de laatste jaren een vloed aan biografieën van bekende, vaak nog actieve, sportfiguren.
 
 
Een opmerkelijk geheel binnen de collectie is het KBC-Van Landeghem-Sportarchief. Die waardevolle en omvangrijke verzameling van boeken, tijdschriften en knipsels is een zeer vaak geraadpleegde bron. Dit archief bevat een massa gegevens over alle moderne sporten. Wielrennen, voetbal, zwemmen en de Olympische Spelen spannen de kroon. Naast de sporttakken zijn er maatschappelijke invalshoeken met uitgebreide dossiers over doping, de vrouw in de sport of een bundeltje over sport in de kunst, over sponsoring en trofeeën. Over alle denkbare onderwerpen heeft sportjournalist ]os Van Landeghem (1919-2003) documentatie samengebracht.
 
 
Erik De Vroede en Roland Renson
 
 

 

Cabinet Victor Boin    

Van in zijn prille jeugd was Victor Boin (1886 - 1974) een gepassioneerd sportman. Hij beoefende lopen, zwemmen, schermen en boksen. In 1904 werd hij in Davos Europees schaatskampioen en in 1907 was hij de eerste Belgische kampioen jiu-jitsu. Vier keer werd hij geselecteerd voor Olympische Spelen. Zijn eerste olympische zilveren medaille  behaalde hij in 1908 tijdens de Spelen van Londen. Nadien haalde hij opnieuw zilver in schermen en brons in waterpolo in Stockholm in 1912, zilver in degenschermen  in Antwerpen in 1920 en in 1924 maakte hij als reserve deel uit van de ploeg van degenschermers, die zilver wond in Parijs. Als boegbeeld van de Belgische sport was hij de allereerste athleet die in 1920 de olympische eed mocht uitspreken, hetgeen een primeur was van de VIIde Olympiade van Antwerpen.
 
De sportman werd ook sportjournalist en hij had al een perskaart op 17-jarige leeftijd. In 1920 schichtte hij de Belgische Beroepsbond van Sportjournalisten waarvan hij van 1923 tot 1935 voorzitter was.  Ook was hij van 1932 tot 1956  voorzitter van de Internationale Sportpersvereniging (AIPS). Deze Brusselse 'homme du monde' had nog talrijke andere pijlen op zijn boog. Als oorlogspiloot had hij in 1918 koningin Elisabeth over het kanaal gevlogen en hij zou later beschermlid worden van de Internationale Muziekwedstrijd Koningin Elisabeth van België. Van 1955 tot 1965 stond hij aan het roer van het Belgisch Olympisch Comité en na deze opdracht engageerde hij zich voor de Federatie voor Gehandicaptensport waarvan hij voorzitter bleef tot aan zijn dood. Heel zijn leven lang ijverde hij voor een grotere sport- en cultuurparticipatie en tussendoor speelde hij ook nog de rol van mecenas en helper in nood.
 
Om de nagedachtenis van deze sportieve gentleman levendig te houden, heeft zijn kleinzoon Roger Boin ervoor geijverd dat de volledige sportcollectie en sportbibliotheek van zijn grootvader zorgvuldig bewaard bleven. Geïspireerd door de mecenasrol van zijn grootvader, zocht hij een gepast onderkomen voor deze unieke collectie en vond dit in het Sportimonium. Het 'cabinet Victor Boin' werd op 18 februari  2006 plechtig geopend, samen met de Olympische Passage, precies op de honderdste verjaardag van het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité. Het cabinet Victor Boin is een ware 'Wunderkammer'  met alle souvenirs, schilderijen, medailles  en andere sportparafernalia, die ooit door deze omnisportman, journalist, mecenas en humanist werden verzameld. Topstukken zijn o.a. een geschilderd portret van Victor Boin door Armand Massonet, grafisch werk van Jacques Ochs en beeldhouwwerk van Louis Van Cutsem en Pierre de Soete.
 
Roland Renson

 

Sporten en Sporters
 
 

Van olympiade tot sport voor allen

 
 
 
Een imposante affiche, gesigneerd Walter Van der Ven & co, maar vermoedelijk ontworpen en getekend door zijn echtgenote Martha van Kuyck (1881-1978), herinnert eraan dat de Olympische Spelen ooit in ons land plaats vonden. Na Athene (1896), Parijs (1900), St Louis (1904), Londen (1908) en Stockholm (1912), kreeg Antwerpen de eer om het vierjaarlijkse wereldfeest van de sport te organiseren. Dat deze zesde editie algemeen bekend is als de VII-de Olympiade, komt doordat de geplande Spelen van Berlijn in 1916 niet konden doorgaan. Bovendien verwijst de term olympiade eigenlijk naar de tijdspanne (vier jaar) tussen twee opeenvolgende Olympische Spelen in de Oudheid en was toen een officiële tijdseenheid.
 
 
Zoals vermeld op de affiche, die in 17 talen werd gedrukt en wereldwijd werd verspreid, grepen de Spelen plaats in augustus en september. Op het bijvoegsel onderaan ziet men dat er al enkele wedstrijden werden afgewerkt vóór de opening van de Spelen.
 
 
Het olympisch programma zag er in 1920 enigszins anders uit dan vandaag. Voorbeelden van olympische wedstrijden die vandaag vreemd overkomen, zijn gewichtheffen met één arm, gewichtslingeren, touwtrekken en boogschieten naar allerlei vogels op een staande wip. Niet alleen de proeven zelf, maar ook de omstandigheden waarin ze werden uitgevoerd, waren in Antwerpen nog erg primitief. Van een atletiekbaan in verende kunststof of van startblokken had men nog niet gehoord, zodat de atleten op de sintelbaan van het Beerschotstadion zelf hun startkuiltjes moesten graven. Comfortabele valmatten kende men evenmin. Bijgevolg wachtte hoogspringers en polsstokspringers telkens een harde landing in een zandbak.
 
 
Vermits de Spelen uit de Oudheid model stonden voor de moderne Olympische Spelen, werd het sportief programma destijds aangevuld met een artistiek programma. De Coubertin introduceerde in 1912 olympische wedstrijden in architectuur, muziek, literatuur, beeldhouwkunst en schilderkunst. De kunstwedstrijden, die na 1952 werden afgeschaft, moesten het sportieve evenement wat meer cachet geven en pasten perfect in de olympische filosofie omtrent de harmonische vorming van lichaam en geest.
 
 
De kunstwedstrijden van de VII-de Olympiade waren voor de Belgische kunstenaars een groot succes. In elk van de vijf categorieën kaapten ze één of meerdere prijzen weg. Zo won Alfred Ost (1884-1945) in de categorie schilderkunst de bronzen medaille met De Voetballer. Het werk, waarop een rood-wit speler van de 'Great Old Antwerp FC' is afgebeeld, was reeds in 1910 gemaakt maar werd pas op de Spelen van Antwerpen officieel gepresenteerd.
Het verhaal van de Olympiade in Antwerpen is opgesteld in de Olympische Passage, het nieuwste museumluik dat een verlengstuk vormt met de vaste tentoonstelling. Daarin presenteert het Sportimonium acht thema's.
 
 

 

SPORT VOOR ALLEN ?!

 
 
Zwemmen, wielrennen, schaatsen, badminton ... het is maar een greep uit de waaier van sporten die onze vrije tijd vullen. Want of we nu jong zijn of oud, man of vrouw, goed bij kas of niet, sportief bewegen doen we bijna allemaal. Vanzelfsprekend? Bedenk dan dat sport tot ver in de twintigste eeuw een voorrecht was van de hogere klasse.
 
 
Naast sporten die evolueerden uit pure vermakelijkheden, zoals tennis en golf, zijn er ook sporten die oorspronkelijk een utilitair karakter hadden. Schermen
bijvoorbeeld was eeuwenlang een verdedigingsmiddel. Via de ridderacademies, de schermgilden en de schermscholen evolueerde het duel geleidelijk aan tot een wedstrijdsport met degen, sabel of floret. Om de verschillende duelleermethodes uit onder meer Frankrijk en Italië bekend te maken, verschenen er vanaf de zestiende eeuw mooie en rijk geïllustreerde traktaten. Hoewel de Belgische 'Maitres d'armes' zich vooral lieten inspireren door buitenlandse schermmeesters gaven sommigen toch fraaie schermboeken uit zoals het Nouveau Traité de l'Art des Armes ... (1786) van Nicolas Demeuse.
 
 
Eén van de eerste moderne sporten die in België werd beoefend, was voetbal. In 1880 beet Antwerp FC de spits af als eerste voetbalclub en in 1895 ging de nationale competitie van start. Maar ook daarvoor voetbalde men in ons land. Onder meer in het College van Melle waar Britse studenten in 1863 de voetbalsport introduceerden. Vooral in katholieke colleges, waar zelfs 'sportpaters' werden aangesteld, was voetbal dé naschoolse sport bij uitstek. Een van de protagonisten van voetbal in het vrij onderwijs was kanunnik Dessain. Overtuigd van de pedagogische waarden van voetbal, spoorde hij Kardinaal Mercier aan om vanaf 1908 een voetbalcompetitie tussen collegeploegen van het Aartsbisdom te patroneren. De winnende school mocht een wisselbeker in ontvangst nemen met de toepasselijke tekst "omnes currunt, sed unus accipit bravium" (allen strijden, maar slechts één wint de prijs). Omdat de authentieke 'Kardinaalsbeker' in 1964 vervangen werd door een nieuwe, werd de oorspronkelijke coupe een stukje sporterfgoed.
 
 
"A horse sweats, a man perspires, but a woman only glows" was de filosofie, waarmee vrouwen oorspronkelijk van het sportveld werden verbannen. Sport voor dames was onesthetisch, onfatsoenlijk en zelfs ongezond. Foto's, ledenlijsten en diploma's tonen aan dat er in de eerste sportclubs weinig of geen plaats was voor vrouwen. Het 'zwakke geslacht' liet men enkel toe tot sporten die niet te veel fysieke inspanning vergden zodat de vrouwelijke gratie bewaard bleef. Tennis, een activiteit die ook van pas kwam om een rendez-vous een sportief cachet te geven, was zo een sport. De 'tennis kits', waarin rackets, ballen, twee palen en een net zaten, maakten het mogelijk om het spel in tuinen of op het strand te spelen. Op affiches en foto's uit de pioniersjaren van de sport, kan men zien dat de kledij sportieve vrouwen behoedde voor grote inspanningen. Lange rokken, blouses met hoge kragen en hoeden zorgden ervoor dat de vrouwen zich ook op het sportveld als echte dames gedroegen.
 
 
Sport, vandaag één van de meest populaire vrijetijdsbestedingen, was aanvankelijk een privilege van de hoge klasse. Het gewone volk had tijd noch geld om aan sport te doen.
 
 
Dit gold ook voor wielrennen, nu dé volkssport bij uitstek. Alleen al de prijs van een fiets maakte van deze sport een echte exclusiviteit. Voor een 'Hoge Bi', een fietstype dat eind 1900 in trek was, moest men een som neertellen die gelijk was aan het jaarloon van een arbeider.
 
 
Sport was niet alleen een kwestie van centen, maar ook een kwestie van (vrije) tijd. Daarom brachten de achturendag (1921) en de 'congé payé' (1936) de sport meer in het bereik van de gewone man. Ook de komst van recreatiedomeinen gaven de sport onrechtstreeks een duw in de rug. In Hofstade-Plage bijvoorbeeld, een recreatieoord dat in 1933 opende en op zomerse dagen duizenden bezoekers trok, kon men zwemmen, waterfietsen, roeien en zeilen. Bovendien beschikte het attractiepark over een rolschaatsbaan en een velodroom. Kort voor de Tweede Wereldoorlog werden zowat alle bestaande gebouwen vervangen door nieuwe sportinfrastructuur. Zo kwam er in 1938 onder meer een groot openluchtzwembad en een strandgebouw dat nu het Sportimonium herbergt.
 
 
Voor de echte democratisering van de sport was het wachten tot de 'golden sixties'. De invoering van de vijfdagenweek (1964), de stijgende levensstandaard, de vrouwenemancipatie, de technologische vooruitgang en de uitvinding van goedkope kunststoffen, zoals plastic, droegen allemaal hun steentje bij tot de definitieve doorbraak van de sport. Bovendien begon de overheid in te zien dat sport nuttig was voor de gezondheid en voor het welzijn van de mens. 'Recreatiesport' was het nieuwe toverwoord om zoveel mogelijk mensen in beweging te zetten en 'Sport voor Allen' werd de slogan die de Raad van Europa in 1966 lanceerde. In Vlaanderen kreeg de sport voor allen-gedachte vorm dankzij de oprichting van het Bloso (1969) dat vanaf de jaren zeventig allerhande sensibilisatiecampagnes en recreatiesporthappenings organiseerde zoals De Gordel en Sportiva.
 
 
Tegenwoordig is sport zo belangrijk dat het ook een impact heeft op andere maatschappelijke fenomenen zoals reclame of mode. De ontwerper Dirk Bikkembergs is slechts één van de vele modeontwerpers die zich door de sport liet inspireren en met zijn sportgerelateerde collecties een enorm succes oogst.
 
 

 

EEN GEZONDE GEEST IN EEN GEZOND LICHAAM

 
 
Lichaamsbeweging ontspant, bevordert de gezondheid en traint sociale en mentale vaardigheden. Daarom is lichamelijke opvoeding sinds 1850 een verplicht schoolvak. In Belgische onderwijsmiddens was men lange tijd niet overtuigd van de opvoedkundige waarden van atletiek, voetbal of andere sporten. Dat is de reden waarom men bij de invoering van LO voor gymnastiek koos. Dat we nu nog altijd over de 'turnles' spreken, komt doordat het leerplan pas in 1968 sport toeliet.
 
 
De term 'gymnastiek' gaat terug naar de lichaamsoefeningen die de Oude Grieken gumnos (naakt) uitvoerden in gymnasia (oefenscholen). Rond 1800 voerden de Filantropijnen, een groep Duitse pedagogen die vond dat kostscholen meer aandacht moesten schenken aan de fysieke ontwikkeling van jongeren, de term opnieuw in. Om het evenwicht tussen de geestelijke en lichamelijke vorming te herstellen, ontwikkelden zij een bewegingssysteem dat ze 'gymnastiek' noemden en dat vooral bestond uit oefeningen die aansloten bij dagelijkse bewegingen zoals springen, balanceren en klimmen. Voor de uitvoering van die oefeningen ontwierpen ze toestellen die geïnspireerd waren op objecten uit het dagelijkse leven zoals klimladders, klimtouwen of evenwichtsbalken. Afhankelijk van de interpretatie en de doelstellingen, evolueerde de gymnastiek van de Filantropijnen tot verschillende gymnastiekmethodes. In België volgde men vooral de Duitse en de Zweedse methode.
 
 
De Duitse methode, rond 1800 ontwikkeld door de nationalist Jahn en 'turnen' genaamd, was vooral gericht op militaire paraatheid. Deze methode oefende in hoofdzaak kracht en behendigheid aan speciaal ontworpen toestellen zoals de turnbrug, maar hechtte daarnaast ook belang aan het trainen van weerbaarheid, orde en tucht. Ondanks het militaristische karakter kende het turnen veel aanhang. Ook in Antwerpen, waar in 1839 de eerste Belgische turnkring werd opgericht en waar invloedrijke turnpioniers als Happel (1833 -1916), bekend voor zijn ontwerp van zijn 'turnpaard' en Cupérus (1842-1928) actief waren. Cupérus, auteur van De Nederlandsche turnvaktaal (1868) en hoofdredacteur van het eerste Vlaamse turntijdschrift Volksheil (1873), speelde een hoofdrol in de popularisering van het turnen binnen de Vlaamse volksklasse.
 
 
Terwijl de Duitse methode in feite het vaderland diende, diende het Zweedse systeem veeleer de mens. De methode, rond 1800 ontwikkeld door de Zweedse schermmeester Ling (1776-1839), was gericht op een mooie houding en een goede gezondheid. Ze bevatte vooral strakke houdingsoefeningen die men zonder of met een beperkt aantal eenvoudige toestellen kon uitvoeren. Aanhanger van deze statische gymnastiekmethode was Kapitein Lefébure, die begin 1900 als directeur het Institut Militaire de Gymnastique et d'Escrime in Brussel leidde, het allereerste opleidingsinstituut voor LO-leraars.
 
 
Na lange discussies over het meest pedagogisch verantwoorde systeem, won de Zweedse gymnastiek het pleit. Oefeningen uit deze medisch-hygiënisch georiënteerde methode konden immers ook door zwakkere leerlingen worden uitgevoerd en konden zelfs als medicijn dienen om de gezondheid te bevorderen. Bovendien kon de onderwijzer zelf de oefeningen geven.
 
 
Het turnen, dat speciaal opgeleide leraars en een afzonderlijke gymzaal vereiste, was volgens velen te complex, te gevaarlijk en vooral te duur. Door deze beslissing bleef de les LO in sommige scholen lange tijd beperkt tot statische houdings- en ademhalingsoefeningen die in de klas of in de refter door de meester of de juf gegeven werden. De meeste scholen beschikten nochtans over een gymleraar en een gymzaal met Zweedse banken, wandrekken, boomzadels en een Zweeds kader.
 
 
Terwijl scholen de voorkeur gaven aan de Zweedse gymnastiekmethode, kende het Duits turnen een grote bloei in clubs. Dat die vaak een patriottisch doel dienden, kan men afleiden uit clubnamen als Sta Paraat of Pro Patria en uit het feit dat in vele clubs ook aan driloefeningen en wapenbeheersing werd gedaan. Geen wonder dat turnen aanvankelijk een mannenzaak was.
 
 
Onder invloed van de verzuiling ontstonden naast de neutrale Belgische Turnbond (1865), ook een katholieke (1892), een socialistische (1904) en een liberale (193 4) turnbond. Jaarlijkse hoogtepunten waren de feesten waarop de turners zich met elkaar maten. Vooral de gouw- en de bondsfeesten, waaraan soms duizenden turners deelnamen waren indrukwekkend. De marsmuziek en de statige optochten waarmee de massaspektakels aanvatten, gaven de feesten een militair cachet. Op het programma stonden zowel vrije als opgelegde oefeningen, gezamenlijk of individueel. Het meest imposant waren de zogenaamde gouw- of bondsreeksen, die de turners maanden vooraf inoefenden en op de dag zelf met honderden samen, feilloos en synchroon werden uitgevoerd.
 
 
 

SPORT SHOW

 
 
De sportwereld is een showtoneel met atleten in de hoofdrol. Zolang sport bestaat, brengt ze mensen in vervoering. Onder het motto 'panem et circenses' spaarden Romeinse keizers kosten noch moeite voor de bouw van arena's waar het volk zich vergaapte aan spectaculaire wagenrennen of gladiatorengevechten.
 
 
In de middeleeuwen zorgden steekspelen van ridders en tornooien van boogschutters voor sportshows. Op schuttersfeesten was het theatrale element soms even belangrijk als de wedstrijd. De belangrijkste gingen van start met luisterrijke optochten van de gildenbroeders in uniform. Bovendien werden soms prijzen uitgeloofd aan de gilde 'met het schoonste inkomen', dit is de gilde die het mooist en spectaculairst voor de dag kwam. Het schuttersuniform van de Brusselse Sint-Jorisgilde, waarmee de gildenleden nog jaarlijks in de Brusselse Ommeganck verschijnen, herinnert aan de tijd dat boogschieten een spektakelsport was.
 
 
In de hedendaagse sportscène spelen populaire sporthelden als Kim Gevaert of Tom Boonen de hoofdrol. Maar bij de opkomst van de sport rond 1900 ging de aandacht van het volk vooral naar worstelaars, boksers en wielrenners. Dat deze sportlui toen de volksziel veroverden, kwam niet alleen door het hoge spektakelgehalte van hun sport, maar vooral door het feit dat de meeste 'lutteurs' en 'coureurs' simpele volksjongens waren die heel hun leven in het teken stelden van een succesvolle sportcarrière. Eén van die volkshelden was de worstelaar Laurent Gerstmans, bijgenaamd 'de Antwerpse Apollo'. Gerstmans, die opgroeide in de Antwerpse Seefhoek en zijn job aan de haven geruild had voor een geslaagde worstelcarrière, trok met zijn optredens altijd volle zalen.
Na de Eerste Wereldoorlog raakte het volk steeds meer in de ban van de wielersport. De fiets was niet langer speelgoed voor rijke snobs, maar een broodwinning voor kloeke volksjongens. De successen van de eerste 'Flandriens' in grote koersen maakten het volk warm voor de wielersport. Maar ook de bouw van overdekte velodrooms zoals het Antwerpse Sportpaleis (1933) en de optredens van populaire 'pistiers' zoals zevenvoudig wereldkampioen Jef 'Poeske' Scherens (1909-1986) wakkerden de liefde voor de wielersport aan. Op de pistes trokken destijds de stayerkoersen heel wat volk. Bij deze razendsnelle koersen met gangmakers zetten dik ingepakte motorrijders op stayers of zware motoren de renners uit de wind. In 1928 was het wereldrecord stayeren 122 kilometer per uur. Deze wedstrijden waren niet zonder gevaar. In 1909 kwam de befaamde Antwerpse pistier Chareltje' Verbist om het leven bij een stayerkoers in de Brusselse velodroom 't Karreveld. Daarom verkoos men vaak gangmakers op tandems of op derny's. Ook in de motorcross is spektakel verzekerd met stoere binken op indrukwekkende machines, spannende duels, adembenemende sprongen, huiveringwekkende snelheden. Onder impuls van Jacques Ickx, vader van de beroemde autopiloot Jacky Ickx, werd in 1934 de eerste Belgische motorcross verreden. De race ging door op het terrein van de Zoete Waters in Oud-Heverlee en was een organisatie van de Motor Unie Leuven, die sinds 1927 te Leuven een Grande Course de Vitesse hield. Na de eerste wereldkampioenschappen in 1957 evolueerde de motorcross tot een ware volkssport die massa's toeschouwers lokt. Dat heeft te maken met het hoge spektakelgehalte en met de buitengewone internationale successen van het kleine legertje talentvolle Belgische crossers, waaronder vooral de meervoudige wereldkampioenen Stefan Everts (º1972) en Joël Smets (º1969).
 
 
Chris Schwartz
 
 

 


 Sport en Kunst, het spel van de verbeelding 

Sport was altijd een  thema binnen de kunst, gaande van de Grieken tot de realisaties vandaag van belangrijke kunstenaars op de grootste sportieve evenementen  zoals de Wereldbeker voetbal of de Olympische Spelen. Kunst betekent in de ruime zin van het begrip een 'vorm' geven aan gewaarwordingen, emoties of de schoonheid in een visuele taal die zich op een positieve manier afzet tegen het routineuze afbeelden van wat ons omringt.

De kunst verhoudt zich op een creatieve manier tot onze omgeving en de manier waarop we ons leven leiden en organiseren. Sporters zijn kunstenaars, bekijk bijvoorbeeld de gracieuze (schijn-)bewegingen van de beste basketbalspelers die de vergelijking kunnen doorstaan met de choreografie van hedendaagse dansers. Talrijk zijn de kunstenaars die sport integreren in hun kunst omdat alle kunst nu eenmaal ontstaat vanuit het leven zelve. Ere-directeur Jan Hoet bokste letterlijk  tegen een bevriend Amerikaans kunstenaar het Smak in Gent open en een kunstenaar zoals Honoré d'O, die in 2007 de Vlaamse Prijs voor de Beeldende Kunst in de wacht sleepte, wist tijdens de tentoonstelling Zomer in de Kruidtuin  (1997) in Leuven een kunstwerk te maken in de vorm van een volks krulbolspel. Honoré d'O maakte kunstwerken vanuit één grote beweging en drijfweer, balancerend tussen het leven en het uitdrukken van datgene wat hij in het leven meemaakt in kunst die de stempel 'hedendaags' draagt. Zijn werk is nooit echt als af te beschouwen en laat in heel veel gevallen het kunstwerk over aan de rijke verbeeldingskracht van de toeschouwer/gebruiker, die in gedachten het kunstwerk naar eigen inzichten kan vervolledigen.

Het krulbolspel werd in de Kruidtuin van Leuven onder een boom gerealiseerd en was omringd door tweedehands stoelen en tafels. De krulbolbaan werd een plaats voor ontmoeting, een plaats waar de vrijheid van de kunde en het spel heerste - als een equivalent voor de vrijheid van de kunstenaar. Zonder volk was de krulbolbaan een dood object - net zoals het kunstwerk dode materie blijft bij het ontbeken van toeschouwers en bijhorende kritische commentaren. Honoré d'O verplaatste, net zoals Marcel Duchamp ooit een urinoir  in een museum zette, een krulbolbaan in de groene context van een tentoonstelling met dien verstande dat in tegenstelling tot de urinoir van Duchamp het gebruiksaspect van de baan de essentie van het kunstwerk was en bleef. Het introduceren van Honoré d'O's krulbolbaan  in het Sportimonium in Hofstade  is een kriebelende injectie  van de verbeelding die aan de macht blijft bij diegenen die het spel willen gebruiken en spelen. De speler wordt heel even kunst.

Een ander recent voorbeeld van een geslaagde co-habitation tussen kunst en sport is het mozaïeken tapijt op het Willibrordusplein in Antwerpen van de kunstenaar Bren Heymans. Het tapijt doet oosters aan en tussen de kleurrijke arabesken zijn netjes de witte lijnen getrokken  van de 'streetsport' bij uitstek: het basketbal. Het marmeren tapijt is decoratief maar doet ook denken aan brandende thema's zoals identiteit, migratie en de multiculturele samenleving. Via het vermengen van socio-politieke intenties  met sport wordt, in de vorm van een publiek speelplein, de aanleiding gecreëerd tot een letterlijk en figuurlijk samen-spel. Deze 'betreedbare' kunstintegratie is een sociaal teken waar het meest oosterse motief in de vorm van een tapijt zich vermengt met de meest westerse sport. Bren Heymans verstaat de kunst om de kunst publiek te houden zonder dat het publiek zich eraan hoeft te storen. Sport is hier het bindmiddel voor een werk waarin maatschappeljke reflecties zich letterlijk spiegelen in het marmer van een ongewoon mooi basketbalplein.

Luk Lambrecht


Happels turnpaard gestald in het Sportimonium 

Jacob Happel werd op 15 november 1833 te Mainz geboren in een arbeidersgezin. In 1857 zocht de Antwerpenaar Joseph Isenbaert een bekwame turnleraar  en hij nodigde Happel uit om les te geven binnen de Société de Gymnastique et d'Armes d'Anvers, de eerste Belgische turnvereniging die hij in 1839 had opgericht. Daar waar Happel in eerste instantie in het bevolkingsregister nog stond geregistreerd als Isenbaerts "knecht", bracht hij al snel de Antwerpse turnbeweging  tot volle bloei. In 1865 nam hij de leiding van Isenbaerts gymnasium over en begon hij ook met de publicatie van het eerste Belgische turntijdschrift 'Le gymnaste belge' dat het officiële orgaan werd van de net opgerichte Fédération belge de Gymnastique. Door het succes van Happel waren ook zijn inkomsten niet min. Een groot deel van de opbrengsten besteedde hij aan 'onderzoek en ontwikkeling'. Happel wierf bekwame vaklui aan om de nieuwe of vernieuwende toestellen die hij conceptualiseerde te vervaardigen.

Happel beschouwde het oefenen aan toestellen als onontbeerlijk voor de harmonische ontwikkeling van het gehele lichaam, vooral om de eenzijdigheid van de dagdagelijkse houdingen en bewegingen tegen te gaan. Hij groepeerde de toestellen in verschillende klassen: toutertoestellen, wiptoestellen, evenwichtstoestellen, trek- en duwtoestellen, loop- en springtoestellen (waaronder bok en paard), stijg- en klimtoestellen, en ten slotte steun- en hangtoestellen. Hoewel Happels toestellen een grote verspreiding kenden, vedwenen ze stuk voor stuk uit de turnzalen. Zo is het turnpaard dat de Koninklijke Sint-Martinus Turngilde uit Halle schonk aan het Sportimonium waarschijnlijk het laatste op Belgische bodem. Happels turnbok kennen we alleen nog van afbeeldingen.

Ook Happels methode raakte geleiddelijk aan in onbruik. Die methode kreeg de naam 'zeszijdig' opgeplakt. Alle oefeningen en sporten, ook bijvoorbeeld zwemmen en fietsen, moesten voorwaarts en achterwaarts, zijwaarst  links en zijwaarts rechts, draaiend naar links en draaiend naar rechts worden uitgevoerd. Happel trok dat zeszijdig aspect tot in het extreme door waardoor hij veel kritiek te verwerken kreeg. 

Zijn laatste jaren leefde Jacob Happel  - inmiddels Belg geworden - teruggetrokken in Antwerpen. Deze afzondering, samen met de Duitse bezetting, zijn er de oorzaak van dat er weinig geweten is over zijn levenseinde. Hij stierf op 4 februari 1916.

 

Pascal Delheye


 

Citius, altius, fortius

 

Wereldsterren, fitness en volkssporten

 

 

 

'Deelnemen is belangrijker dan winnen', zo luidt het credo van de sportpromotoren. Maar voor atleten is winnen wet en gelden altijd de gevleugelde woorden 'citius, altius, fortius'. Wie sport zegt, denkt dan ook winnen, bekers, medailles en trofeeën. Al van bij de eerste sportcompetities in de Oudheid droomden atleten ervan om de beste te zijn en om in de gunst te staan van de overwinningsgodin Nike. Op de meest prestigieuze 'agones' waren nochtans geen kostbare trofeeën te winnen. Op de spelen te Olympia of Delphi streed men enkel om de eer, een zegelint en een lauwerenkrans. Toch wilde iedere atleet zegevieren, want wie een krans won, kwam niet alleen onder de hoede van de goden, maar werd zelf als een god vereerd. Kunstenaars vereeuwigden de kampioenen in standbeelden en lofdichten en in eigen streek genoten ze privileges, zoals vrijstelling van belastingen en gratis voedsel. Naast de zogenaamde 'kransspelen', werden er in de Oudheid ook sportwedstrijden gehouden, waar waardevolle materiële prijzen te winnen vielen. Zo kregen de kampioenen op de Panatheneïsche Spelen in Athene mooi versierde aarden amforen of kruiken, gevuld met dure olie voor de lichaamsverzorging en die de voorlopers zijn van de moderne prijsbekers.

 
Bij de eerste sportwedstrijden uit de Nieuwe Tijd, lieten de organisatoren zich inspireren door de trofeeën uit de Oudheid. In plaats van amforen, liet men bekers vervaardigen. Aanvankelijk waren het unieke exemplaren uit massief zilver, ontworpen en gesmeed door bekende edelsmeden of juweliers. Ze waren een uitstraling van het prestige van de eerste elitaire amateursportclubs, waar professionalisme en geldgewin uit den boze waren. Tegenwoordig zijn bekers meestal slechts symbolen waarachter waardevolle prijzen schuilen. In de loop van de negentiende eeuw deden ook medailles en diploma's hun intrede in de sportwereld. Het gebruik om verdienstelijke sportlui met deze eretekens te belonen, was overgenomen uit het leger en het onderwijs, waar de overhandiging van getuigschriften, medailles, plaketten, speldjes en andere eretekens al een langere traditie had. Hoewel sportmedailles en sportdiploma's relatief jong zijn, leggen de ontwerpers toch graag een link met de Klassieke Oudheid. Op vele diploma's en medailles prijkt nog steeds het beeld van de Griekse overwinningsgodin Nike of zien we sportscènes uit de Oudheid.
 
 
 

IN VORM

 
 
'Rust roest' zegt men en fitnesstrends als jogging of spinning beloven ons een gezond, fit en welgevormd lijf. De zorg om een goede fysieke conditie is inderdaad een belangrijke drijfveer om aan sport te doen. Maar ook lang voor de hedendaagse fitnesshype deed men aan culture physique en aan body-building. De oudste 'fitnesscentra' zijn de Griekse gymnasia, waar aan atletiek, boksen en conditietraining werd gedaan. Al in de vierde eeuw v.C. schreef de hekeldichter Aristophanes: "Je zal glanzend en vol bloei je oefenen in het gymnasion ( . . . ), dan krijg je voorgoed een glanzende borst, de huid gezond, de schouders fors, de bips mooi en rond ( . . . )". De stenen of loden haltères (gewichten) waarmee de atleten toen hun spieren trainden, werden vele eeuwen later (ca. 1900) in de écoles de culture physique heringevoerd. In deze gymzalen nam de esthetische vorming van het lichaam een bijzondere plaats in. Om het ideale lijf te modelleren, grepen de culturisten terug naar beelden uit de Griekse Oudheid en ontwikkelden ze een methode met halters en allerhande rek-, trek-, hang- en spantoestellen. In de écoles de culture physique waren twee trainingssystemen van kracht.
 
 
Sommigen propageerden de Engelse Sandow methode, die focuste op een groot spiervolume en wordt aanzien als de voorloper van body-building. Anderen propageerden de Franse Desbonnet- methode, die het motto 'santé = beauté' huldigde en eerder gericht was op een harmonische vorming van het lichaam. Net zoals in de huidige fitnessbeweging, ging de methode Desbonnet ervan uit dat een gespierd en afgetraind lijf de weerspiegeling is van een gezond en fit lichaam.
 
 
Tegelijk met de écoles de culture physique waar de esthetische vorming van het lichaam primeerde, ontstonden rond 1900 gymzalen waar het bevorderen van de gezondheid op de eerste plaats kwam. Hier deed men aan heilgymnastiek, een methode die vooral statische houdingsoefeningen voorschreef om bepaalde spieren of spiergroepen te trainen, terwijl de andere lichaamsdelen rustten. De medische gymnastiek of heilgymnastiek was niet alleen nuttig om gezonde spieren te versterken, maar ook om gekwetste of verzwakte spieren te genezen. Kinésitherapie avant la lettre, zeg maar.
 
 
Als gevolg van de mechanisatietrend, ontwierp men ook toestellen die het genezingsproces konden verbeteren of versnellen. Met deze toestellen kon men bepaalde spiergroepen afzonderlijk trainen en de weerstand of de belasting aanpassen. Aanvankelijk paste men de mechanotherapie enkel toe op patiënten met spier- en gewrichtsletsels of orthopedische afwijkingen. Maar al snel gebruikten ook gezonde personen de toestellen om spiergroepen te versterken en zijn ze de voorlopers zijn van de moderne, computergestuurde fitnesstoestellen.
 
 
In de tweede helft van de twintigste eeuw werd bewegen in functie van gezondheid steeds belangrijker. De vaststelling dat de conditie van de moderne mens steeds verminderde en dat bewegingsarmoede mee aan de basis lag van hart- en vaatziekten, osteoporose of stress deed in de jaren zeventig de alarmbel luiden. In de overtuiging dat rust roest en dat sport gezond maakt, nam ook de overheid initiatieven om zoveel mogelijk mensen in beweging te zetten. Eén hiervan was de realisatie van het fit-o-meter parcours, een openluchtomloop waarbij de oefeningen worden uitgelegd aan de hand van borden langs het circuit.
 
 
 

STILSTAAN BIJ BEWEGEN

 
 
De tijd dat zwemmers wollen badpakken droegen ligt ver achter ons. Vandaag maken atleten gebruik van high tech materiaal, krijgen ze begeleiding van professionele coaches, trainers, sportartsen of kinesisten en houden ze zich strikt aan sportdiëten. Als ze niet naar doping grijpen. Want ook al is aangeboren talent in de sport de grootste succesfactor, in de race naar goud zijn wetenschap en technologie onmisbare bondgenoten geworden. Hoewel een goede ontwikkeling van kracht, snelheid en uithouding in de sport een conditio sine qua non is, is de aanwezigheid van deze eigenschappen nog geen garantie voor een goede prestatie. Niemand twijfelt er bijvoorbeeld nog aan dat ook de juiste materiaalkeuze een rol speelt bij sportprestaties.
Het ontwerpen en vervaardigen van doeltreffend sportmateriaal kreeg in de tweede helft van de twintigste eeuw een flinke duw in de rug dankzij de komst van kunststoffen en de ontwikkeling van wetenschappen als de biomechanica.
 
 
Wat de kunststoffen betreft, zorgden vooral de 'composieten' waaronder glas- en koolstofvezels, voor een grote (r)evolutie. Deze vezels zijn lichter, sterker en slijtvaster dan bamboe, metaal of andere natuurlijke materialen- en hebben bovendien het voordeel dat ze buigzamer en makkelijker vervormbaar zijn. Bij sommige sporten, zoals polsstokspringen, heeft het gebruik van buigzame materialen zoals glasvezel een rechtstreekse impact op de prestaties. De moderne kunststoffen hebben ook tot gevolg dat men bij het ontwerpen van bijvoorbeeld helmen, fietsen of tennisrackets makkelijker kan afwijken van de traditionele vormen en bijgevolg efficiënter  sportmateriaal kan produceren.
 
 
Ook de zoektocht naar prestatieverhogende sportkledij raakte de laatste decennia in een stroomversnelling. De evolutie van het zwempak is hiervan een mooi voorbeeld. Veel zwemmers gebruiken tegenwoordig het haaienpak of fastskin dat, strak over het lichaam getrokken, de hydrodynamische eigenschappen van een haaienhuid nabootst. Het geheim zit in minuscule groefjes die ervoor zorgen dat het langsstromende water langer in een laminaire stroming tegen het lichaam blijft plakken, waardoor de zwemmer minder turbulentie en dus minder weerstand ondervindt.
 
 
 

SPORT ZONDER GRENZEN

 
 
Op ski's onbekende gebieden verkennen, met een ballon door het luchtruim zweven of surfend flirten met wind en water. Steeds vaker overschrijden we de grenzen van afgebakende sportterreinen om uitdagingen te zoeken in de natuur. Het is een nieuwe trend met een lange voorgeschiedenis. Natuursporten zijn hip en hot, maar niet van gisteren. Vaak gaan ze terug tot een ver verleden toen ze ontwikkeld werden als transportmiddel. Zo ontstond eeuwen geleden het zeilen. Gedreven door wetenschappelijke nieuwsgierigheid zocht men voortdurend naar nieuwe middelen om in de natuur zijn mannetje te staan. Rond 1600 ontwierp de Bruggeling Simon Stevin een zeilwagen die een snelheid kon halen van 35 km. per uur en waarmee men 28 personen over het strand kon vervoeren. Het bleef bij een prototype, waardoor de zeilwagen 300 jaar later moest heruitgevonden worden. Dit gebeurde door de gebroeders Dumont, die rond 1900 de eerste sportieve versies van de char à voile lanceerden aan onze Belgische kust. Uit reclameaffiches en postkaarten uit die tijd blijkt dat badsteden als De Panne het strandzeilen zagen als een toeristische troef.
 
 
Rond 1800 werd er ook volop geëxperimenteerd met tuigen om het luchtruim te veroveren. In 1783 slaagden de Franse broers Montgolfier er in om een eerste bemande  ballonvlucht te maken zodat de menselijke droom om te vliegen in vervulling ging. Al vlug bleek dat het nieuwe luchtschip te onderhevig was aan de grillen van de natuur en bijgevolg ongeschikt als transportmiddel. De luchtballon brak wel door als attractie. In de negentiende eeuw huurden organisatoren van kermissen of andere lokale feesten dikwijls luchtschippers in om volk te lokken. In de twintigste eeuw werd de luchtballon een sportieve uitdaging. De aëroclubs die begin 1900 op verschillende plaatsen in ons land verschenen, organiseerden onder meer afstandswedstrijden, ballonrally's en snelheidswedstrijden. Eén van de meest prestigieuze wedstrijden was destijds de Gordon-Bennettrace. Deze - nog bestaande - internationale afstandswedstrijd, vond voor het eerst plaats in 1906 en werd maar liefst zes keer ( in 1920, 1922, 1923, 1924, 1936 en 1937) gewonnen door de Belgische luchtschipper Ernest Demuyter.
 
 
In het begin van de twintigste eeuw raakte sportieve vakanties naar de zee of naar de bergen in trek. Rijkelui die het zich konden veroorloven, trokken naar de Belgische kust, naar de Ardennen, de Alpen. Vermits sport in die tijd bij de hogere burgerij een nieuwe trend was, kon het modesnufje in befaamde vakantieoorden niet ontbreken en raakten een aantal sporten zoals skiën in trek als vakantiesport. Publiciteitsaffiches uit het begin van de twintigste eeuw tonen aan dat toeristische steden graag uitpakten met hun sportmogelijkheden. Zo maakte het befaamde kuuroord Spa in 1932 reclame voor zijn sports d'hiver. De verstrengeling van sport en toerisme werd nog versterkt door de komst van reisorganisaties met als pionier Club Mediterannée (1950) die zich toelegden op sportieve vakantieformules waarbij genieten van zon, zand en zee hand in hand gingen met het sportieve genot.
 
 
De drang naar nieuwe uitdagingen en kicks leidden bovendien voortdurend tot allerhande nieuwe en soms knotsgekke varianten van bestaande outdoorsporten. Body-boarden, rafting, skysurfen, basejumpen of bungeespringen zijn maar enkele voorbeelden uit het rijtje van nieuwe avonturensporten.
 
 
 

ONBEKEND, MAAR NIET ONBEMIND

 
 
Naast voetbal, tennis, basket en andere internationaal erkende sporten zijn er nog heel wat vaak eeuwenoude traditionele volkssporten die onbekend bleven omdat ze uitsluitend in een bepaalde regio voorkomen en in de schaduw staan van hun moderne sportbroers. Vinkenzetten en struifvogel kan men nu bestempelen als typisch Vlaamse volkssporten. Zo is javelot een Picardisch spel (geworden) en kennen alleen Friezen het fierljeppen. Maar ondanks het feit dat deze stiefbroertjes of Assepoesters van de internationaal erkende sporten vaak een verdoken leven leiden en bijgevolg weinig bekend zijn, zijn ze in hun eigen streek erg geliefd.
 
 
Anderzijds zijn er ook een aantal volkssporten die evolueerden tot echte cultuureigen spektakels. De rodeo's uit de Far West, de zuiderse corrida's, de Palio in Sienna of de Schotse Highland Games zijn voorbeelden van volkssportevenementen, die zowel voor de plaatselijke bevolking als voor toeristen verrassende attracties zijn.
 
 
Ondanks het feit dat volkssporten regionaal gebonden zijn, treffen we in totaal uiteenlopende streken soms volkssporten aan die erg op elkaar gelijken. Een treffend voorbeeld van deze 'eenheid in verscheidenheid' is het kaatsen. Het Belgische kaatsen of balle pelote, het Italiaanse pallone en tamburello, de vele Baskische pelota-vormen, het Zweedse pärk, het pelota di viento uit Ecuador of het jeu de longue paume uit Picardië zijn net als het moderne tennis restanten van het eeuwenoude kaatsspel.
 
Chris Schwartz
 

Ludodiversiteit, erfgoedconventies en UNESCO

UNESCO lanceerde in 1972 een werelderfgoedprogramma. Net als in Vlaanderen duidde het begrip erfgoed bijna drie decennia lang vooral op kathedralen, kastelen en grote woonhuizen. Op wereldkaarten van werelderfgoed (monumenten) valt in één oogopslag het overwicht op van Europa.

 

Een aanvullings- of tegenbeweging kreeg  de voorbije vijf jaar monumentum. UNESCO lanceerde een programma dat zogenaamde "meesterwerken van immaterieel cultureel erfgoed van de mensheid" (volkscultuur dus) begon te erkennen. Veel belangrijker was dat er ook een Convention for the Safe-guarding on the Intangible Cultural Heritage (17 oktober 2003) kwam die in werking trad in het voorjaar 2006. De Vlaamse Gemeenschap/België was mee pionier en zetelt daardoor in het Intergouvernementeel  Comité dat een uitgebreid programma op punt stelt voor wereldwijde lancering in 2008. De conventie moet vele functies vervullen maar uiteindelijk komt het neer op meer aandacht, zorg en sensibilisatie voor traditionele of volkscultuur, zoals orale tradities, podiumkunsten, sociale gewoonten, rituelen en feestelijke gebeurtenissen, kennis en praktijken  betreffende de natuur en het universum, traditionele ambachtelijke vaardigheden. Traditioneel  spel wordt hier niet bij name genoemd maar verdient dat wel. Getuige hiervan de door Sportimonium, VlaS en VCV voorbereide Vlaamse inzending in 2005 (Popinjay Shooting as a Paradigm of Safeguarding Ludodiversity in Context)  voor erkenning als meesterwerk van immaterieel erfgoed. Het niet gehonoreerde dossier, dat volgens mij nochtans zeer goed vatte wat de conventie van 2003 zou kunnen worden, is een praktijkvoorbeeld van Safeguarding - verstandig documenteren, voorzichtig koesteren en stimuleren van ludodiversiteit - dat ook internationaal vertaald kan worden. Het is nu meer dan ooit relevant.

 

Zowel in Vlaanderen (waar tegen 2008 het nieuwe erfgoeddecreet niet alleen het decreet volkscultuur  uit 1998 maar ook de UNESCO-conventies uit 2003 integreert en ontwikkelt) als wereldwijd worden nu nieuwe springplanken geïnstalleerd. Het concept van (het koesteren van) immaterieel cultureel erfgoed daagt ons uit tot een veelbelovend spel.

 

Marc Jacobs


Een sportexoticum: ULAMABAL uit MEXICO

Een rubberen balspel was ooit verspreid over heel meso-Amerika. Het bestond reeds ten tijde van de Olmeken en werd nadien door de Maya en de Azteken beoefend. Het heette thlachtli bij de Azteken, poktapok bij de Maya. Dit balspel werd tussen twee ploegen betwist, die met zijwaartse heupstoten een volle rubberen bal van ongeveer vijf kilogram heen en weer speelden. Columbus bracht ooit in zijn bagage  twee Indiaanse balspelers mee, die het spel demonstreerden aan het hof van Keizer Karel. Christoph Weiditz, een reisgenoot van Hernan Cortez, maakte er in 1529 een tekening van. Men achtte het spel sindsdien uitgestorven, of liever uitgeroeid, omdat de conquistadores het verboden  omwille van zijn heidens ritueel karakter. Des te spectakulairder was de vondst van de Leidense antropoloog Ted Leyenaar, die in 1974 het spel nog springlevend aantrof in de streek van Sinaloa in Mexico, waar men het ulama noemt. Vandaag speelt men nog steeds het ulama de cadera op een speelveld of taste  van zestig meter lang en slechts vier meter breed. De spelers beschermen hun heupen met een leren schortje, dat zij strak aanbinden. Pas enkele jaren geleden ontdekten scheikundigen het geheim om de enorme veerkrachtige rubber te fabriceren, namelijk door precies te doen wat de Indianen al eeuwenlang deden: het sap van de rubberboom mengen met het sap van de liaan, die de rubberboom omstrengelt. Het probleem van de ulamabeoefenaars is echter dat natuurlijke rubber schaars is geworden in Mexico en dat het proces om zo een bal te maken zeer omslachtig is. Het duurt ongeveer dertig uur. Latexlaag na latexlaag moet telkens warm op de oorspronkelijke kern worden aangebracht tot de juiste afmeting en gewicht is bereikt. 

 

Het leek ons dus nogal utopisch om - net zoals het Museum voor Volkskunde in Leiden - zo een exotische balsoort te kunnen verwerven voor onze collectie. Maar soms komt de oplossing uit een verre hoek, in dit geval uit Japan. Toen wij in april 1993 in Japan een internationaal symposium bijwoonden over traditionele sporten, leerden wij er een Mexicaanse collega kennen, dr. Ulises Casab Rueda. Deze was zo enthousiast over het volkssportonderzoek in Vlaanderen en ons project om de 'ludodiversiteit' in het algemeen te stimuleren, dat hij ons beloofde een ulamabal op te sturen. Zo gebeurde, een paar maanden na onze ontmoeting arriveerde in Leuven een Mexicaans pakket met een authentieke ulamabal en de lederen heupbescherming. Behalve in Leiden kan men dus nu ook in Hofstade terecht om dit balfenomeen te aanschouwen, ermee actief spelen kan begrijpelijkerwijze helaas niet. 

 

Samen met de ulamabal en de beschermgordel toont het Sportimonium een Maya balspeler. Het terracottabeeldje is een kopie van een Maya-balspeler met een zware heupbeschermgordel en polsbeschermers. Het origineel dateert uit de klassieke periode  700 - 900 na Chr. en stamt van het eiland Jaina in Campeche. Het is een schenking van de Amerikaanse antropologg Robert Malina aan het Sportimonium.

 

Roland Renson


 

Collectie in de kleedkamer

 

Het strandgebouw aan het meer van Hofstade

 

 
 
De putten van Hofstade zijn in het begin van de twintigste eeuw uitgegraven omdat men de grond nodig had voor de bermen van de spoorlijn Leuven-Mechelen. De vijvers waren een tijdlang spaarbekkens voor drinkwater en de ringgrachten zijn gerealiseerd ter bescherming. Als recreatiedomein is het gebied eerst in concessie gegeven aan privé-uitbaters die vermaak organiseerden in Oud-België stijl. Met de komst van de betaalde vakantie voor iedereen in 1936 en de toegenomen vrije tijd was er nood aan nieuwe recreatie-infrastructuur. In 1937 liet het pas opgerichte Ministerie van Volksgezondheid het domein herinrichten.
 
 
Voor het ontwerp van het vernieuwde Hofstade tekende Victor Bourgeois, de architect die medeoprichter was van het Internationaal Congres voor Moderne Architectuur (CIAM) dat zijn eerste samenkomst kende in La Sarras in 1928. Onder impuls van Le Corbusier zochten ze daar naar oplossingen om de geweldige chaos van de negentiende-eeuwse stad vruchtbaar te lijf te gaan. Het doel was functionele steden te ontwerpen, onder meer door het opsplitsen en het scheiden van de functies wonen, werken, ontspanning en verkeer. Veel van wat na de Tweede Wereldoorlog is gebouwd, is ontworpen volgens de CIAM-regels en we weten nu dat een aantal van die projecten onbewoonbaar zijn. Het staat wel vast dat CIAM het op dat moment bij het rechte eind had. In elk geval is de realisatie van Hofstade-strand in zijn moderne vormgeving alleen te begrijpen binnen dat kader.
 
 
 

EEN ELEGANT STRANDGEBOUW

 
 
Maxime Wijnants (1907-1998), de architect is van het strandgebouw, was lid van CIAM en was de enige Belgische deelnemer aan het laatste congres in Otterloo in 1959. Hij was de zoon van een meubelmaker uit Mechelen, en misschien is daarin een verklaring te vinden voor de uitzonderlijke beheersing van de details in het volledig in hout opgetrokken strandgebouw. Er is ook een grote inbreng geweest van de aannemer. Samen zijn ze erin geslaagd een bijzondere eenheid en evenwicht in vormen en materialen te bereiken.
 
 
De cirkelvormige gebogen vorm sluit aan bij de punt van de grote vijver van het domein, de plaats van het 750 meter lange kunstmatig aangelegd strand. Deze vorm zorgde voor een geslaagde integratie in de omgeving en stond tevens borg voor een goed overzicht van de bewaking.
 
 
Het geheel is opgetrokken in overwegend tropisch hout: Kambala en lichte Limba. Breed uitgewerkte glaspartijen geven het geheel een luchtig en speels karakter. Wijnants versterkte de transparantie, een modewoord in de architectuur van onze tijd, door op regelmatige afstanden onderdoorgangen, aansluitend op de wandelwegen, aan te brengen. De overkragende platte bedaking, geschraagd door grenenhouten kolommen, vormt een volledige omlopende overdekte galerij die de lichtheid van de constructie onderstreept. Het met een houten beplanking afgedekte dak is uitgewerkt als een ruime promenade bereikbaar via brede houten trappen. De metalen borstweringen maakt de gelijkenis met een wandeldijk aan zee compleet. Het hoofdvolume met opvallende symmetrie qua functieverdeling bood onderdak aan twee winkels, twee café-restaurants, sanitaire voorzieningen, een Rode Kruispost, lokalen voor monitoren en bergplaatsen. De kleedruimten bestaan uit drie parallellopende, brede gangen met zenitale verlichting waarlangs honderd uitkleedcabines en honderd aankleedcabines liggen. Door het gebruik van de 'wisselcabines' voor uit- en aankleden, waarbij de kleding via een luik in een bewaakte vestiaire met typerende kapstok en linnen schoenenzak belandt, boden de tweehonderd cabines een vrijwel ongelimiteerde opvangcapaciteit.
 
 
Het complex bleef voor de huidige aanpassingen vrij intact. De belangrijkste ingreep was in 1968 de verbouwing van de keukenvleugels. Omwille van de brandveiligheid werd toen de houten constructie vervangen door een gebouw in baksteen en beton.
 
 
 

OP MAAT VAN DE MENS

 
 
Bij de recente restauratie en verbouwing was het zaak de nieuwe functies op een organische wijze in te passen. De volumes, de materialen, het licht, de structuur, de kleuren en ook de logische opbouw moeten aansluiten bij het bestaande, op een wijze dat een nieuwe harmonie ontstaat.
 
 
In het begin van de jaren zestig studeerde ik stedenbouw aan het NHIBS in Antwerpen en Wijnants was toen verantwoordelijk voor die afdeling, samen met Renaat Braem. Ik ben in die periode dikwijls met Wijnants in Hofstade geweest. Tijdens het werken aan het project Sportimonium heb ik altijd het gevoel gehad dat hij de ingrepen zou goedkeuren. Omdat mijn houding ten opzichte van architectuur te maken heeft met mijn overtuiging dat we nu nog steeds werken in dezelfde stijlperiode als die waarin dit oorspronkelijk gebouw is ontworpen, dat de op te lossen problemen die zijn van alle tijden en dat architectuur tegelijk het verleden, het heden en de toekomst in zich draagt.
 
 
Bij het ontwerpen van de permanente collectie in ruimtes met kleedkamers heeft het voorbeeld van Split wel eens in mijn hoofd gespeeld. Split, in een Romeins paleis, gebouwd in 300 na Chr., als een rechthoekig centrum, dat een stad is geworden waar de interne elementen, deuren, tempels, appartementen, thermen, portieken zich vervormd hebben tot stedelijke elementen: woningen, straten, pleinen, een kerk . . . Wandelen in Split laat een geweldige indruk na omdat de geschiedenis, als continuïteit van het leven, er zichtbaar is. Het is een monument als een palimpsest, een schrijftablet uit de Oudheid waarop men een tekst kon wegschrapen en opnieuw beschrijven.
 
 
De realisatie van de vaste collectie in het Schip van het strandhuis toont aan hoe geschikt deze ruimte is voor zijn nieuwe bestemming. De ingrepen konden veel beperkter zijn dan eerst gedacht. Omdat de kleedkamers de grootte hebben van een ruimte waar een mens zich net in kan bewegen, heeft het geheel een mooie schaal. Die past perfect bij de maat van de objecten in de verzameling die meestal ook een verband hebben met het menselijk lichaam. Voor het tonen van de verzameling, voor het vertellen van de verhalen, is de opdeling van de ruimte ideaal, zeker omdat Wijnants met veel zorg de maten en de verhoudingen heeft gekozen. De structuur van toen bepaalt nog steeds in hoge mate de sfeer. De materialen van het bestaande blijven hout en tegels in de de oorspronkelijke kleuren en fraaiheid. De nieuwe elementen zijn, zoals dat hoort volgens de Conventie van Venetië, als dusdanig afleesbaar.
 
 
Het strandgebouw heeft nog twee andere delen. Er is de noordvleugel, waar ruimten voor tijdelijke tentoonstellingen, logistieke ruimten, een vergaderzaal, een zichtdepot en de Olympische Straat zijn gerealiseerd. De Volksportentuin sluit daarbij aan. Het andere deel is de zuidvleugel, gerestaureerd en aangepast in opdracht van Bloso, waarin een sportcafé is voorzien, evenals kleedkamers, sanitair en ruimten voor alles wat nodig is voor strandactiviteiten.
Aldo van Eyck schreef: "Het komt me voor dat verleden, heden en toekomst als continuum actief dienen te zijn in ons gemoed. Gebeurt dit niet, dan hebben de zaken die we maken geen tijdsdiepte, geen associatief perspectief."
 
 
Werner E. De Bondt
 
 

 

Een sportief dagje uit.... 

 

Naar het Sportimonium met het gezin, de klas of de sportclub

Het Sportimonium laat kinderen en jongeren al spelenderwijs de tentoonstelling ontdekken. Met de oriëntatieroute gaan kinderen al kijkend, luisterend en tekenend op pad in het museum. Jongeren doen mee aan de Sporti-podium wedstrijd en maken zo kans op goud, zilver of brons. Deze museumspelen zijn gratis, kunnen on-line geraadpleegd worden en staan ter beschikking van groepen én individuele bezoekers. Na het museumbezoek kan jong en oud zich helemaal uitleven in de volkssporttuin. Groepen (vanaf 15 personen) worden steeds begeleid door een deskundige volkssportcoach. In groep kunnen kinderen en jongeren ook een 100-jaar oude turnles herbeleven. Informeer vooraf en reserveer tijdig je bezoek. Op vraag worden er themarondleidingen en/of andere programma's op maat uitgewerkt.

 

Maak er een daguitstap van

Ga wandelen, joggen of nordic-walken in de rustgevende bossen van het domein. Neem een frisse duik in het water of ga lekker zonnebaden op het strand. Surfen, kajakken of mountainbiken in groep kan onder begeleiding van een Bloso-monitor. Voor een hapje of drankje 's middags kan je terecht in bet Bootshuis. Informeer vooraf en reserveer tijdig. 

 

Naar het Sportimonium met het bedrijf

Voor wie op zoek is naar een unieke locatie voor een personeelsfeest, persconferentie , nocturne of voordracht is het Sportimonium de uitgelezen plek. Gelegen aan het strand, met zicht op het water en gehuisvest in een prachtig monument, biedt het Sportimonium een uniek kader voor een bijzondere gelegenheid. De bereikbaarheid en ligging vlak bij de E19, en ruime parkeermogelijkheden vormen extra troeven.

 

Documentatiecentrum

De boeken en tijdschriften vinden onderdak in het Documentatiecentrum waar ze in eerste instantie zorgvuldig worden bewaard. Uiteraard wordt de boekencollectie ook ontsloten (raadpleegbaar via de website/Libis) en ter beschikking gesteld van de bezoekers.

 

Uitleendienst

Wie een schoolfeest, sport- en speldag, een volkssport- of kinderinstuif, een familiefeestje...organiseert, kan terecht in de Uitleendienst voor het ontlenen van volkssportmateriaal.

 


 

Praktisch:

SPORTIMONIUM

Bloso-domein Hofstade, Trianondreef 19, 1981 Hofstade-Zemst

Ingang van het domein op de Tervuursesteenweg

website: www.sportimonium.be

 

INFO EN RESERVATIES MUSEUM

t 015/ 618222, f 015/618221

publiekswerking@sportimonium.be

 

BIBLIOTHEEK

t 015/618225, bibliotheek@sportimonium.be

 

UITLEENDIENST

t 015/618238, f 015/618239, uitleendienst@sportimonium.be

 

VERDER LEZEN EN SURFEN

 

INSTITUTIONELE PARTNERS

Bloso, Centrum voor Sportcultuur K.U. Leuven, provincie Vlaams- Brabant,

Toerisme Vlaanderen, UGent, V.U.B., gemeente Zemst

 

AUTEURS

Werner De Bondt

Zelfstandig architect met eigen kantoor sinds 1966, dat uitgroeide tot Atelier De Bondt nv met 15 medewerkers. Voornaamste referentieprojecten zijn: Muziektheater Ancienne Belgique te Brussel, cc 't Blikveld te Bonheiden, 2de laureaat architectuurwedstrijd nieuw gerechtsgebouw te Antwerpen. Talrijke eengezinswoningen, scenografische ontwerpen, tentoonstellingen, en winkels in binnen- en buitenland. Gewoon lid van de Klasse van de Kunsten, van de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten.

 

Erik De Vroede

Licentiaat lichamelijke opvoeding en conservator van Sportmuseum Vlaanderen, publiceerde uitvoerig over de geschiedenis van sport en spel. Hij is wetenschappelijk medewerker aan de K.U. Leuven (Faculteit Bewegings- en Revalidatiewetenschappen). Hij was van 1988 tot 2004 voorzitter van de vzw Vlaamse Traditionele Sporten en is ondervoorzittervan de European Traditionals Sports and Games Association (2001) sinds de oprichting.

 

Pascal Delheye

Studeerde lichamelijke opvoeding, sportmanagement en geschiedenis aan de K.U. Leuven en de Université Claude Bernard in Lyon. Hij werd Aspirant van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen en promoveerde in 2005 tot doctor in de bewegingswetenschappen. Momenteel is hij als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de Afdeling Historische Kinesiologie en Sportgeschiedenis van de K.U.Leuven. In zijn vrije tijd publiceerde hij onder meer de bloemlezing 'Ook wij waren winnaars: 150 sportgedichten uit Nederland en Vlaanderen' (samen met Willie Verhegghe) en is hij hoofdredacteur van

Sportimonium.

 

Marc jacobs

Doctor in geschiedenis (VUBrussel) en etnoloog. Momenteel is hij directeur van het Vlaams Centrum voor Volkscultuur (dat vanaf 2008 samensmelt met Culturele Biografie Vlaanderen in een nieuw erfgoedsteunpunt) en hoofddocent geschiedenis en erfgoedstudies aan de KUBrussel. Van 2006 tot 2008 vertegenwoordigt hij België/Vlaanderen in het eerste Intergouvernementeel Comité van de UNESCO-Conventie voor de Bescherming van Immaterieel Erfgoed van 2003.

 

Luk Lambrecht

Leeft en werkt in Brussel. Hij is curator van bkSM (beeldende kunst Strombeek/Mechelen) en schrijft onder meer voor Knack en Flash Art.

 

Roland Renson

Studeerde lichamelijke opvoeding, kinesitherapie en sociale en culturele antropologie aan de K.U. Leuven en doctoreerde in 1973. Hij is gewoon hoogleraar aan de Faculteit Bewegings- en Revalidatiewetenschappen, waar hij o.a. sportgeschiedenis doceert. In 1973 startte hij het onderzoeksproject der Vlaamse Volkssportdossiers, dat resulteerde in de oprichting van de vzw Vlaamse Volkssportcentrale in 1980 (vanaf 2006 Centrum voor Sportcultuur) . De

onderzoeksprojecten rond het Archief voor het Turnwezen ( 1981 ) en het Archief van de Moderne Sport (1983) leidden tot de oprichting van de vzw Sportmuseum Vlaanderen in 1985. Hij is voorzitter van beide verenigingen die het Sportimonium schragen en erevoorzitter van de International Society for the History of Physical Education and Sport (ISHPES).

 

Chris Schwartz

Studeerde Lichamelijke Opvoeding aan de KU Leuven. Al tijdens haar studies raakte ze betrokken bij het sporthistorisch onderzoek dat aan de basis ligt van het Sportimoniumproject. Tijdens haar beroepsloopbaan in het Sportmuseum Vlaanderen en later in het Sportimonium is ze onder meer verantwoordelijk voor de tentoonstellingsscenario's en de redactie van de begeleidende teksten en publicaties.

 

Els Verstraete

Werkte als freelancer diverse educatieve projecten uit in de culturele sector (o.a. Muhka, C.C. De Warande, Van Dyckjaar '99) en startte MuseJA!, i.s.m. Odette Peterink, een project voor kinderen in de stedelijke musea in Antwerpen. Is sinds 2001 verantwoordelijke publiekswerking in het Sportimonium. Studies: licentiaat in de Integrale Productontwikkeling, postgraduaat Culturele Studies en pedagogisch bekwaamheidsdiploma.


AFBEELDINGEN: 

(De afbeeldingen vindt men in het PDF-document)

Illustraties: Collectie Sportimonium, tenzij anders vermeld

  • Reeks plaasteren beeldjes, in het sportcafé gebruikt om de voetbalrangschikking weer te geven, 1958 - 1960 (h:14,5 cm)
  • Tekening uit portfolio 'Olympiade' van Armand Massonet, 1920 (34,5 x 24,8 cm)
  • Professor Roland Renson van de KULeuven geflankeerd door andere pioniers van het sporthistorisch onderzoek in Vlaanderen: Herman Smulders  en Bart Vanreusel met de vermolmde Kegel uit Schulen (1979)
  • Foto, kaatswedstrijd Courcelles - Meerbeke, Grote Markt Brussel 14 juli 1996
  • Krulbolders aan de slag anno 1940 (Collectie AMSAB-Instituut voor Sociale Geschiedenis)
  • Affiche Hofstade-Plage circa 1950
  • Cabinet Victor Boin (met kaderartikel van Roland Renson)
  • Affiche, XXIIste Bondsfeest Socialistische Turnbond van België - Brussel 1958, (110 x 73,5 cm)
  • Het merkwaardig boek van Theodoor Antonides (1733,Olympia, dat is olymp-speelen der Grieken nagebootst, van den Romeinen, uit oude Griekse en Romeinse schryvers opgehaalt, Groningen:Warnerus Febens) is niet erg bekend maar wel zeer interessant.
  • Schaatsen op de Olympische Spelen te Antwerpen, 1920, Foto Charles Du Houx - collectie Carlo Baeyns
  • Affiche, VIIe Olympiade Anvers (Belgique), août - septembre 1920/ Jeux Olympiques: hockey sur glace et patinage du 23 au 30 avril 1920, Walter Van der Ven & Co Anvers (112 x 60 cm)

 

  • Olympiade Antwerpen, 1920:
  1. Vertrek van Charles Paddock (USA) in de 4 x 100 m
  2. De Amerikaan Frank Foss vestigde een nieuw wereldrecord polsstokspringen (4,09 m)
  3. Start van de finale van het wereldkampioenschap  wielrennen(1000 m sprint) voor amateurs in Wilrijk
  4. Kahanamoku (USA) Olympisch kampioen 100 m vrije slag
  5. De finalisten van de 100 m vrije slag
  6. Henry George (B), winnaar van de 50 km wielrennen, wordt gefeliciteerd  door Generaal  Cabra
  7. Pinckston (USA), winnaar schoonspringen 5 meter-plank
  8. Het touwtrekken wordt gewonnen door de Britse ploeg
  9. De Belgische 1500 meter-zwemmer P. De Backer

Foto's Charles Du Houx (Collectie Carlo Baeyens)

 

  • Alfred Ost, De Voetballer, 1920, lithografie (123 x 87 cm), winnaar bronzen medaille in de kunstwedstrijden van de VIIde Olympiade te Antwerpen
  • Basketbalplein in Oosters mozaieken tapijt, verwijzend naar de multiculturele buurt van Borgerhout, ontwerp kunstenaar Bren Heymans, met kaderartikel "Sport en Kunst, het spel van de verbeelding" door Luk Lambrecht
  • Reeks gravures, gebruikt al didactische platen  in het schermboek Nouveau traité de l'art des armes  van Nicolas Demeuse, 1786, Liège (21,5 x 28,5)
  • Voetbalploeg van het Leuvense St-Pieterscollege, winnaar van de kardinaalsbeker in 1909. Afbeelding uit Piot M, 1989, Als deze muren konden spreken, 100 jaar St-Pieterscollege
  • Verzilverde Kardinaalsbeker (h: 56,5 cm)
  • Fiets in metaal, type 'Grand Bi', circa 1885 (150 x 170 cm)
  • Affiche, Chemin de Fer de l'Etat et du Nord-Belge - La Panne-Bains, 1912 (86 x 61,5 cm)
  • Illustraties uit: Happel J., 1903, De zeszijdige en evenredige houding en beweging van den gezonden mensch der beide geslachten en op elken ouderdom in het turnen, het zwemmen, het schaatsen, het schermen, de wandeling, de spelen, het wielrijden, het roeien, het paardrijden.
  • Halterset voor gewichtsheffers van de Sint-Martinus Turnkring uit Halle, ca. 1900
  • Turnpaard met bogen, omstreeks 1900 ontworpen door de Belgische turnprotagonist Jacob Happel (111,5 x 169 cm), met kaderartikel "Happels turnpaard in het Sportimonium' door Pascal Delheye.
  • Zweedse gymnastiek in het meisjespensionaat Les Peupliers  te Vilvoorde. Afbeelding uit: Lefébure C, 1908, L'Education Physique en Suède
  • Affiche, Grande fête scolaire d'éducation physique 1935, Armand Massonet (111,5 x 86 cm)
  • Pistefiets van Jef "Poeske" Scherens uit de jaren 1940 en gangmakingstandem s.a. geflankeerd door een affiche van de opening van het Antwerps sportpaleis in 1933
  • Affiche, De Dag - Herinneringen aan het verlopen seizoen....1936 (35 x 46 cm)
  • Worstelpak in wol van de vereniging 'Willen is Kunnen' uit Roeselare, 1940, geflankeerd door een affiche van een Europees worsteltornooi in 1918 te Brussel met onder meer Laurent Gerstmans en Charles Rigoulot
  • Maurice Engelen (Praga Khan) en Stefan Everts naast Everts' motorcrosspak in de permanente tentoonstelling
  • ​Kader met lauwerkrans en medailles, circa 1920
  • Charles Paddock (USA) wint op de Olympische Spelen te Antwerpen de 100 m in 10,8", Foto's Charles Du Houx (collectie Carlo Baeyens)
  • Prijzen voor de winnaar: beker (Raymond Goethals), lauwerkrans (Marc Herremans), bloemtuil (anoniem), Foto Photonews
  • In de loop van de negentiende eeuw deden de medailles hun intrede in de sportwereld (anonieme foto)
  • Bondsdiploma, in 1923 toegekend aan de turnkring "Kracht en Geduld" uit Lebbeke (57 x 73 cm)
  • Culturisten anno 1900. Afbeelding uit E. Desbonnet, Les rois de la lutte, 1909
  • Cover van het tijdschrift La Culture Physique, 1935, 39 (nr. 538)
  • Van de workout grammofoonplaat (1981) van de aerobicambassadrice Jane Fonda werden miljoenen exemplaren verkocht, Foto ilse Prinsen
  • Trainingsmateriaal, Sandow's Spring-grip dumb-bell, circa 1905-1910 (16,5 x 7,5 cm), Foto Jonas De Vroede
  • Rolschaats met houten wielen, circa 1947, Foto Jonas De Vroede
  • Moderne rollerblade, 2005
  • Campagnefoto met avonturier Dixie Dansercoer en een collectiestuk uit het Sportimonium, Foto Bart Deseyn
  • Massief houten ski's en skistokken, periode 1925 - 1935
  • Affiche, 46e Coupe Gordon-Bennet 2002 Chatellerault (80 x 57 cm)
  • Ballonvaarders bij hun vertrek te Lier, uit Onze Kampioenen, 1911 (nr. 4)
  • Bracciale, gebruikt als slaginstrument en als armbeschermer bij het Italiaanse kaatsspel pallone, 1991, (17 x 21 cm)
  • Affiche, Vogelpikspel ingericht door de maatschappij "De Getrouwe Pikkers" 1936 (62 x 42,5 cm)
  • Ulamabal (19 cm) in rubber en lederen heupgordel, 1993, Mexico samen met een terracottabeeldje van een Maya-balspeler met zware heupbeschermgordel en polsbeschermers. Het origineel dateert uit de klassieke periode 700 - 900  na Chr. en stamt van het eiland Jaina in Campeche.
  • Volkssporten zijn een mooi voorbeeld van immaterieel erfgoed. De actie en interactie die inherent zijn aan dit soort erfgoed, kan je niet in het museumdepot opbergen of in een tentoonstelling vatten. Daarom is het van belang de essentie mee te geven aan de museumbezoekers: het spelen zelf. In de moderne volkssporttuin van het Sportimonium kan de bezoeker aan den lijve kennis maken met de ziel van de volkssporten. Foto Els Verstraete
  • Postkaart Hofstade (Mechelen) - De baden, ca. 1935
  • Dagjestoeristen op en langs het strandgebouw te Hofstade circa 1950, Foto collectie familie Van Ruyskensvelde
  • Restaurant in één van de zijvleugels van het strandgebouw te Hofstade circa 1950, Foto collectie familie Van Ruyskensvelde
  • diverse fotos strandgebouw Sportimonium, Foto Toon Grobert ©Atelier de Bondt
  • Permanente tentoonstelling met onderaan het kijkdepot

 

Antonides Theodoor, Aristophanes, ARTUR-project, Atelier De Bondt, balle pelote, Beerschot, beugelen, Bikkemberg Dirk, Bloso, Boin Victor, Braem Renaat, buksschieten, Centrum voor Sportcultuur, CIAM, Club Méditerannée, Collectie Carlo Baeyens, Convention for the Safe-guarding on the Intangible Cultural Heritage, cricket, Cupérus, d'O Honoré, De Bondt Werner E., De Nayer, De Nederlandse Turnvaktaal, De Voetballer, De Vroede Erik, Delheye Pascal, Demeuse Nicolas, Demuyter Ernest, Desbonnet-methode, Deutsches Olympia- und Sportmuseum Keulen, Duchamp Marcel, Dumont Gebr., European Comittee for Sport History, European Traditional Sports and Games Association, fierljeppen, filantropijnen, gaaibollen, Gerstmans Laurent, Gordon-Bennettrace, gymnastiek, Happel Jacob, Heymans Bren, Hoet Jan, Hofstade, IDEA-project, International Society of the History of Physical Education and Sport, Isenbaert Joseph, Jacobs Marc, Jahn, Jef'Poeske'Scherens, kaatsen, kanunnik Dessain, kardinaal Mercier, KBC-Van Landeghem-Sportarchief, kegelen, klepschieten, krulbollen, Kuyck Martha van, Lambrecht Luk, Le Corbusier, Léfébure, Leyenaar Ted, Ling, ludodiversiteit, Malina Robert, Massonet Armand, Montgolfier, MOSAR-project, Musée National de Sport Parijs, Nederlands Sportmuseum Amsterdam, Nouveau Traité de l'Art des Armes, Ochs Jacques, Olympisch Museum Lausanne, Olympische Spelen, Ost Alfred, pallone, panatheneïsche spelen, pelota di Viento, Renson Roland, Sandow-methode, Schwarz Chris, Skimuseum Oslo, Smulders Herman, Soete Pierre de, Sportimonium, sportpater, Stevin Simon, struifspel, struifvogelspel, Teniseum Roland-Garros, thlachtli, trabollen, turnen, Ulama, Ulises Casab Rueda, UNESCO, Van Cutsem Louis, Van Landeghem Jos, Van Wijnendaele Karel, Vanreusel Bart, Verbist 'Chareltje', VIIde Olympiade, Vlaams Volkssportcentrale, Volkssporttuin, vzw Sportmuseum Vlaanderen, Walter Van der Ven & Co, Weiditz Christoph, Wijnants Maxime, Willibrordusplein Borgerhout, wipschieten, erfgoed, OKV2007.3, Bourgeois Victor, OKV2007.3.1