U bent hier

Het Legermuseum te Brussel - Te land, ter zee en in de lucht

Het Legermuseum te Brussel

 


INHOUD

Koninklijk Museum van het Leger en de Kriigsgeschiedenis

  • Inleiding
  • Ontstaan en evolutie van de technologische collecties
  • Afdeling Lucht- en Ruimtevaart
  • Artillerie en tanks
  • De Marine
  • De Educatieve Dienst 

 

Inleiding

 

 

Binnen enkele jaren viert het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis (KLM) zijn honderdjarig bestaan. Het verhaal begon immers in 1910 met een stand op de Wereldtentoonstelling in Brussel, waar zo'n 900 voorwerpen de bezoekers een idee moesten geven van het Belgische militaire verleden. De verzameling vormde de kern van het "Legermuseum" dat in 1911 werd ondergebracht in de vervallen lokalen van de vroegere Militaire School in het Ter Kamerenbos.

 

Toen Duitsland de Eerste Wereldoorlog deed losbarsten, had dat ook gevolgen voor het museum. Enerzijds kreeg het de nieuwe taak om het patriottisme bij de bevolking aan te wakkeren en duidelijk te maken dat ons land zich achter de Geallieerden in de Grote Oorlog schaarde en anderzijds groeiden de verzamelingen van het museum aan met de oorlogsbuit van de Belgen. Vanaf dan kwam er heel wat meer verscheidenheid in de verzamelingen van het museum en kregen verschillende wapens (voor op het land, op het water en in de lucht) afkomstig uit tal van oorlogvoerende landen een plaatsje.

 

Tijdens het interbellum bracht het museum dankzij de Frans-Belgische akkoorden uitwisselingen tot stand met de landen die banden onderhielden met Frankrijk. Zo is het KLM nu in het bezit van uitrustingen uit de Baltische staten en landen uit het Verre Oosten. Omdat de ruimte in het Ter Kamerenbos stilaan veel te klein was geworden om er het moderne materieel in onder te brengen, verhuisde het museum definitief naar het meer prestigieuze Jubelpark met zijn monumentale triomfbogen.

 

Met de bouw van het Jubelpark was begonnen in 1879, in het kader van de evenementen rond vijftig jaar Belgische onafhankelijkheid. De site werd ontworpen door de architect Gédéon Bordiau. Toch liep de bouw vertraging op omwille van financiële moeilijkheden en de sociale bewegingen die destijds de kop opstaken. Het was dus wachten op het begin van de twintigste eeuw en Charles Girault, die het project overnam, voor er enige noemenswaardige vooruitgang werd geboekt. Pas in 1909-1910 zag het Jubelpark er eindelijk uit zoals Koning Leopold II het altijd had gewild.

 

De eerste jaren in het Jubelpark waren voor ons museum een grote successtory. Het kreeg zijn officiële erkenning, personeel en ook financiële steun. Stilaan breidde het museum zich uit. In 1970 werd de helft van de bebouwde oppervlakte van het Jubelpark in beslag genomen, toen men de zaal voor de springconcours ging gebruiken om er de vliegtuigenverzameling van het KLM in onder te brengen.

 

Niet lang na de Tweede Wereldoorlog werd de infrastructuur van het Museum gemoderniseerd en ontstonden heel wat nieuwe afdelingen. Voor het eerst nam het museum wetenschappers en geschiedkundigen in dienst die het museum meer uitstraling gaven. Dankzij de grote inspanningen die met relatief weinig middelen werden geleverd, besloot de overheid in 1976 eindelijk het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis te erkennen als wetenschappelijke instelling van de Belgische Staat.

 

Het museumpersoneel onderzoekt documenten of stukken uit verzamelingen over de geschiedenis van de Belgische strijdkrachten en zorgt ervoor dat het publiek er kennis mee kan maken. Dat gebeurt vooral via tijdelijke tentoonstellingen, colloquia, congressen, geleide bezoeken, animaties en publicaties.

 

Vandaag bestrijkt het museum een veel grotere oppervlakte dan de meeste andere instellingen die in het hartje van een metropool zijn gelegen. Jaarlijks komen bijna 250.000 bezoekers de circa 100.000 tentoongestelde voorwerpen bekijken. Ze hebben ook toegang tot een documentatiecentrum met zo'n 350.000 documenten, 100.000 foto's, 20.000 affiches en duizenden kaarten.

 

Wat de verzamelingen zelf betreft, geeft het museum in de diverse zalen een overzicht van meer dan 10 eeuwen militaire geschiedenis aan de hand van een chronologisch traject of een welbepaald thema. Hier is zeker de zaal van de "Wapens en Harnassen" het vermelden waard. Zoals de naam al aangeeft vindt men er een verzameling wapens en wapenuitrustingen van de Middeleeuwen tot het begin van de negentiende eeuw. In de "historische" zaal wordt dan weer gegraven in de ontstaansgeschiedenis van het Belgische Leger tot 1914. Deze zaal bezit een heel aparte stemming en dompelt de bezoeker onder in de sfeer van de musea van weleer.

 

Uiteraard komt de geschiedenis van de twintigste eeuw in ruime mate aan bod in de ruimte die voor het publiek toegankelijk is. Zo vindt de bezoeker in de zaal, gewijd aan de Eerste Wereldoorlog, één van de grootste collecties ter wereld, met een paar unieke stukken. Bovendien is men erin geslaagd om hier de evolutie van de bewapeningstechnieken uit die tijd te illustreren en tegelijk het geheel voor de steeds talrijkere bezoekers visueel aantrekkelijk te maken.

 

Ook de oorlogen die volgden op de Eerste Wereldoorlog kregen hun plaats in de Bordiau Hal. Deze hal is momenteel gesloten en wordt heringericht om er binnenkort het "Europees Forum van Hedendaagse Conflicten" te organiseren. Dankzij een innovatief en groots opgezet museaal project krijgt de bezoeker zo een overzicht van alle grote conflicten in de twintigste eeuw.

 


 

Ontstaan en evolutie van de technologische collecties

 

 

Sinds enige tijd proberen musea het moderne technologische patrimonium van na de "Industriële Revolutie" in stand te houden. Vooral sedert het einde van de Tweede Wereldoorlog is, eerst in het Verenigd Koninkrijk, daarna in Noord-Amerika en op het Europese continent, een collectief bewustzijn ontstaan over de noodzaak tot bescherming en conservatie van de tastbare getuigenissen van deze ommekeer. In Engeland ontstond zo bijna vijftig jaar geleden het begrip "Industriële Archeologie".

 

Het Legermuseum volgde dat voorbeeld en begon in 1923 aan de uitwerking van zijn "technische zaal", met een blik op de Belgische wapenindustrie uit de negentiende eeuw. Het werd dus ten dele een technieken industriemuseum en schaarde zich daarmee achter de visie van het Musée d'armes van Luik. Dat werd uitgebouwd op basis van verzamelingen van wapenmodellen die het kreeg van de fabrikanten om de "knowhow" van de Luikse wapenindustrie te tonen aan Belgische en buitenlandse bezoekers.

 

 

De instandhouding van de technologische collecties: reconstrueren of restaureren?

 

Heel wat musea die zich bezighouden met de geschiedenis van de techniek hebben ervoor gekozen om authentieke stukken of replica's ook daadwerkelijk te gaan gebruiken voor demonstraties op een rondleiding, bij evenementen zoals opendeurdagen of in het toeristisch seizoen.

 

Een andere mogelijkheid is een nauwe samenwerking met privé-verenigingen die operationeel materieel beheren, bestemd voor gebruik bij evenementen en afvaardigingen op officiële gelegenheden zoals het défilé ter gelegenheid van de nationale feestdag, herdenkingen van het einde van de Tweede Wereldoorlog, maar ook deelname aan internationale bijeenkomsten.

 

De meeste grote openbare en private verzamelingen van luchtvaarttoestellen, automobielen en andere burger- en militaire voertuigen zijn vaak ontstaan vanuit privé-initiatief, in verenigingen zonder winstoogmerk waar liefhebbers bereid zijn om jarenlang te werken aan de restauratie van een vrachtwagen, tank of vliegtuig en ervoor te zorgen dat die ook weer werken. Voor die "fanaten" blijft het zelden bij een gewone restauratie om een voertuig ergens tentoon te stellen en vaak stellen we vast dat een museumstuk niet langer zomaar een tastbare getuigenis is. Voortaan gaat het om "operationele instandhouding" waarbij men vaak een aanzienlijke voorraad wisselstukken moet hebben voor de voertuigen of vliegtuigen die verslijten door intensief gebruik of beschadigd geraken bij ongevallen. Ook deze materie is trendgevoelig, zoals de vele groeperingen die historische en militaire evocaties brengen illustreren en die ondertussen in de wereld wellicht beter vertegenwoordigd zijn dan verenigingen voor oldtimers. Militaire voertuigen die kunnen worden uitgerust zoals ten tijde van de Tweede Wereldoorlog zijn bijvoorbeeld erg in trek bij liefhebbers van militaire rally's. Ze hebben uiteraard een voorliefde voor Amerikaans materieel uit de periode van de landing in Normandië en het Ardennenoffensief.

 

Het Legermuseum is zich hiervan reeds een tiental jaren bewust en hoewel er sinds drie jaar wordt nagedacht over de conservatie en restauratie van oude vliegtuigen in de afdeling "Lucht- en Ruimtevaart", zijn er op de deontologische vragen nog geen antwoorden gevonden.

 

Een van de grote problemen waarmee de conservatie op lange termijn van dit soort verzameling te kampen heeft, is de tentoonstellings- of bewaarruimte. Het gaat hier immers om zwaar materieel dat veel plaats inneemt en soms vrij kwetsbaar is aangezien het is vervaardigd met vergankelijke materialen zoals het hout of doek van oude zeilboten of de allereerste vliegtuigen.

 

Musea die over grote tentoonstellingsruimtes met klimaatregeling beschikken, vind je maar zelden en vaak moet men zich tevredenstellen met niet-verwarmde hangars of hallen waar de vochtigheidsgraad niet op peil kan worden gehouden.

 

De grote hal waar de verzamelingen van de afdeling "Lucht- en Ruimtevaart" van het Legermuseum zijn ondergebracht, vormt een mooi voorbeeld van een compromis waarbij tal van zeldzame toestellen uit de Eerste Wereldoorlog soms ingrijpende restauraties hebben ondergaan, zoals de volledige verdoeking van vleugels en romp.

 

De restauratie van deze vliegtuigen gebeurt ter plaatse, zodat de bezoekers van het museum de gespecialiseerde vrijwilligers aan het werk kunnen zien. Vaak werken die nauw samen met de technici van de instelling. Ook hier is de term "levend museum" van toepassing, waarbij de bezoeker een blik achter de schermen kan werpen. Het in openlucht bewaren van voertuigen, vliegtuigen, schepen en andere overblijfselen van de burger- en militaire industrie roept dan weer vragen op over de langdurige bescherming en het feit of originele afwerkingen van bepaald materieel al dan niet moeten worden bewaard. Dat is het geval voor "monumenten in situ". Het gaat dan om materieel of voorwerpen bedoeld om te herinneren aan een gebeurtenis. Uiteraard brengt het bewaren in openlucht van oude artilleriestukken bijvoorbeeld, problemen met zich voor alle militaire musea ter wereld,... Ook het Legermuseum blijft daarvan niet gespaard en de cruciale vraag is: hoe kan men authenticiteit en bescherming tegen corrosie bij bewaring en tentoonstelling van oud materieel in openlucht combineren?

 

 

Internationale verzamelingen

 

De eerste eigenlijke technische verzameling die in de periode tussen de twee wereldoorlogen terechtkwam in het Legermuseum, is de prachtige collectie wapenmodellen van onze voormalige "Manufacture d'Armes de l'Etat" (MAE), opgericht in 1838 in Luik. De onderneming werd gecreëerd naar het model van de Franse productiebedrijven om tegemoet te komen aan de behoefte van draagbare wapens voor het Leger en de Burgerwacht. Al gauw legden de artillerieofficieren verbonden aan de MAE een verzameling wapens aan bestemd voor schietoefeningen en technische vergelijking.

 

Deze wapens werden verkregen van destijds geïndustrialiseerde landen of rechtstreeks van de Luikse fabrikanten. Vandaag is de verzameling één van de belangrijkste collecties reglementaire draagbare vuurwapens van de negentiende eeuw. Het is een opmerkelijke verzameling omdat ze een vergelijking mogelijk maakt van de verschillende types individuele wapens die in de periode 1815-1914 werden gebruikt door de strijdkrachten.

 

Ze kan zich meten met de grote officiële collecties van de "Pattern Room" in Enfield - Lock, Engeland of de collectie draagbare wapens van het Artilleriemuseum van Sint-Petersburg in Rusland.

 

Een andere verzameling die opvalt vanwege haar verscheidenheid is de collectie artilleriestukken, inerte en oefenmunitie. Aanvankelijk bestond ze uit materieel dat in de negentiende eeuw was gebruikt of uitgetest door het Belgisch Leger, maar in de jaren na de Eerste Wereldoorlog werd ze stilaan uitgebreid met modellen uit het buitenland. Een aanzienlijk deel van deze vuurmonden, kanonnen, houwitsers en andere mortieren kon in vrij goede conditie worden bewaard in het Jubelpark zelf. Op sommige stukken zijn zelfs nog mooie voorbeelden van verf en camouflagetekeningen uit de loopgravenoorlog te vinden.

 

Tegenwoordig gebeuren er voor de technische collecties van het Legermuseum nog steeds internationale transacties van lichte wapens, artillerie, pantservoertuigen en vliegtuigen. De luchtvaartcollecties en, in iets mindere mate, de voertuigenverzamelingen werden grotendeels aangelegd via uitwisselingen met, giften van en onderlinge bewaring voor andere musea in de rest van de wereld. Vaak monden die openheid en samenwerking met andere instellingen uit in congressen, colloquia en wetenschappelijke publicaties.

 


 

Afdeling Lucht- en Ruimtevaart

 

 

De Grote Hal

 

De collecties uit de afdeling Lucht- en Ruimtevaart bevinden zich in de Grote Hal van het museum. Die enorme constructie, opgetrokken in ijzer en glas, werd gebouwd ter gelegenheid van de grote Nationale Tentoonstelling van 1880, als sluitstuk van de evenementen in het kader van de vijftigste verjaardag van de Belgische onafhankelijkheid. In die tijd werd ze de "Galerie des Machines" (Machinegalerij) genoemd, maar de galerie die eerst was voorzien, nam uitbreiding tot ze zich uitstrekte over de hele lengte van het park, zo'n vierhonderd meter.

 

Architect Gédéon Bordiau, die reeds het Hôtel Métropole en de inrichting van de squares Marie-Louise, Ambiorix en Marguerite op zijn palmarès had mogen schrijven, maakte ten volle gebruik van nieuwe technieken en ijzerstructuren. Zo is de achtenveertig meter brede hoofdbeuk van het gebouw opgetrokken zonder pilaren of zuilen, dankzij een indrukwekkend metalen skelet met korfboog. Het dakgebinte, samengehouden met grote klinknagels, is onderling verbonden met vrij eenvoudige latwerken en het tegenwicht voor het centrale geheel wordt gevormd door twee zijgalerijen met verdieping.

 

De Grote Hal is dus een gebouw dat op zichzelf al uiterst interessant is, omdat Bordiau er zeer innoverend te werk is gegaan, in tegenstelling tot de andere gebouwen op de site, waar men meer trouw is gebleven aan de traditionele opbouw van oude, klassieke stijlen en vormen.

 

De Hal werd ook gebruikt, zonder dat grote aanpassingen nodig waren, voor de grote tentoonstellingen van 1888 en 1897. In 1900 werd ze voor het eerst in tweeën gedeeld, door vijf centrale gewelfvakken weg te halen. In 1909 verwijderde de Franse architect Girault nog eens drie gewelfvakken aan weerszijden van de boog, en perfectioneerde daarna de allure van de twee gebouwen die aldus waren gescheiden door ze elk van een nieuwe puntgevel te voorzien en er een klassieke zuilengalerij voor te plaatsen.

 

Vanaf 1911 kwamen, ter gelegenheid van tentoonstellingen over rijwielen en automobielen, de eerste vliegtuigen in de hal terecht. Er gingen ook handelsbeurzen en ruiterwedstrijden door. Na 1930 gebeurde dat steeds minder vaak en de Hal lag er na een tijdje dan ook bij als een soort grote opslagplaats waar tientallen jaren de meest uiteenlopende en bizarre voorwerpen werden opgestapeld. Pas in 1969 kon de directie van het museum de hele Hal gaan gebruiken voor een nieuwe afdeling, die volledig aan het vliegwezen was gewijd.

 

 

Collecties: rijkdom en diversiteit

 

De bezoeker van een groot museum stelt zich zelden vragen bij de achtergrond van het gebouw waarin hij terechtkomt. Zeker is dat de meeste bezoekers die de Grote Hal hebben gezien, huiswaarts keren met een tevreden gevoel. Ze hebben er tal van toestellen kunnen bewonderen, soms unieke of zeer zeldzame stukken, in een kader en een licht dat weinigen onberoerd laat. Ze zijn tevreden omdat ze soms kleine details hebben kunnen ontdekken op technisch of geschiedkundig vlak. Na dertig jaar was het tijd om een stand van zaken op te maken over de verzamelingen van de afdeling Lucht- en Ruimtevaart, hun presentatie en gebruik. We wilden deze collecties indelen volgens hun chronologie. In een eerste deel, op de verdieping, ontdekt de bezoeker de geschiedenis van hetelucht- en andere ballonnen, die "lichter dan lucht" zijn. Dit deel valt erg in de smaak tijdens geleide bezoeken en geeft een vrij volledig overzicht van een geschiedenis die zelfs een langere periode beslaat dan die van de vliegtuigen, omdat deze pas begon in 1903.

 

Vervolgens komt men in het museum terecht bij een uitzonderlijke collectie vliegtuigen uit de oorlog van 1914-1918, te beginnen bij de Farman MF XI en verder via de hele oostelijke galerij. Dit geheel, samengesteld uit authentieke toestellen, is zonder twijfel één van de belangrijkste ter wereld. De bezoeker kan er blijven stilstaan bij de kleine Hanriot-Dupont tweedekker, een elegante en makkelijk bestuurbare jager die werd gebruikt door onze piloten vanaf de zomer van 1917, bij de Spad die door de Franse topfiguren Guynemer en Fonck werd gebruikt, de beroemde Engelse Camel, die talloze Duitse toestellen neerhaalde of het mooie watervliegtuig Schreck, waarmee onze Vorsten Albert I en Elisabeth in juli 1918 naar Engeland vlogen.

 

De Bristol Fighter vertegenwoordigt het vliegwezen van de jaren twintig, een door Engelse specialisten prachtig gerestaureerd exemplaar en het zweefvliegtuig Sabca "Vivette", dat in 1925 een wereldduurrecord voor de langste vlucht vestigde. In de jaren dertig krijgen we dan de Morane-Saulnier opleidingstoestellen, parasoleendekkers die werden gebruikt in de Militaire Luchtvaart en sportvliegtuigen van Belgische makelij.

 

Vervolgens zijn er vrij veel toestellen die hun diensten hebben bewezen in de Tweede Wereldoorlog. Zo is in het museum een zeldzame Hurricane te zien, een Fairey Battle bommenwerper, de twee enige moderne toestellen in de Belgische luchtvaart in mei 1940, een Spitfire, de beroemdste Engelse jager, een zeer mooie Mosquito nachtjager, een erg krachtig vliegtuig dat ook werd gebruikt voor andere, uiteenlopende opdrachten. De Bristol Blenheim en de A-26 zijn allebei tweemotorige bommenwerpers. Nog andere, kleinere toestellen staan opgesteld rondom twee stands die respectievelijk gewijd zijn aan de Royal Air Force (met diverse Belgische bemanningen) en aan de Luftwaffe. Bij deze toestellen vinden we onder meer de Tiger Moth en de Miles Magister, die werden gebruikt voor de basisopleiding, de Bücker Bestmann en de Messerschmitt 108, kleine Duitse verbindingstoestellen. De rest van de collecties is onderverdeeld volgens thema.

 

Enkele mooie transportvliegtuigen, zoals de imposante C-119, die tot 1972 het werkpaard van onze militairen was, de Oxford, de Pembroke en niet te vergeten de zeer mooie Caravelle, het eerste grote Europese succesverhaal van straalvliegtuigen voor de burgerluchtvaart. In het midden van de Hal staan twee beroemdheden tegenover elkaar: de Junkers 52, uiterst herkenbaar met zijn vaste onderstel en bekleding van golfplaten, en de legendarische DC-3, de Dakota van de Engelsen, het beroemdste aller transportvliegtuigen.

 

In de oostelijke gang, op het gelijkvloers, volgt men het spoor van de geschiedenis van het vliegende materieel van de luchtmacht. Van 1946 tot nu. Een reeks toestellen staan naast elkaar opgesteld: van de Spitfïre XIV tot de moderne F-16, het huidige gevechtstoestel van onze strijdkrachten en van heel wat van onze bondgenoten.

 

In het midden staan toestellen die dienst hebben gedaan bij de luchtmacht in andere landen. De Vampire is een kleine jager waarmee voor het eerst werd proefgevlogen in 1943, de Ouragan was de eerste Franse straaljager, de Sabre herinnert aan de oorlog in Korea. De Zweedse Draken, met de zogenaamde "dubbele delta"-vleugel en de Amerikaanse Phantom zijn ook twee toestellen die twee keer zo snel als het geluid kunnen vliegen.

 

Wat onze bezoekers zeker ook zal verrassen, is onze collectie vliegtuigen van Russische makelij of die werden gebruikt door de strijdkrachten van het voormalige Warschaupact en die je niet vaak tegenkomt in West-Europa. De opmerkelijke MiG-15 jager verraste alle westerse experts tijdens de oorlog in Korea.

 

De MiG-21 was het meest gebruikte gevechtsvliegtuig van het naoorlogse tijdperk en bewijst nog steeds zijn diensten bij tal van niet-westerse legers. De indrukwekkende MiG-23, met zijn verstelbare vleugels, vervolledigt het plaatje. Een laatste, kleiner deel is gewijd aan oefentoestellen, met de T-6, ook bekend als de Harvard, waarin tienduizenden militaire piloten hun opleiding kregen, de Fouga Magister, de mooie T-33, met het karakteristieke ontwerp uit de jaren vijftig.

 

Het museum bezit tevens een aantal SV-4 tweedekkers, een vliegtuig dat in België werd ontworpen en ongetwijfeld het mooiste resultaat van onze luchtvaartindustrie is.

 

Sommige toestellen zijn momenteel nog weinig of niet te zien in de Grote Hal. Een uiterst zeldzame Nieuport 23, een Duitse Fieseler Storch eendekker, een prachtige Dragon Rapide tweemotorige tweedekker zullen weldra onze restauratieateliers verlaten en hun plaatsje tussen de andere tentoongestelde vliegtuigen krijgen. De westelijke galerij herbergt een reeks toestellen die werden gebruikt in de Kleine Luchtvaart: de Auster, de beroemde Piper Cub, de Dornier 27, de tweemotorige Islander, de Alouette helikopter laten ons niet vergeten dat ook de landmacht beschikt over piloten en vliegtuigen.

 

De verzamelingen van deze afdeling beperken zich echter niet tot de Grote Hal, ook al staan daar al ruim tachtig toestellen bij elkaar. Er zitten immers nog heel wat zweefvliegtuigen, kleine toestellen en straaljagers in onze reserves, die worden bewaard op militaire basissen of in technische scholen. Op een dag worden ook zij misschien helemaal tot in de puntjes gerestaureerd.

 

Het museum bezit eveneens een zeer belangrijke collectie vliegtuigmotoren, waarvan slechts een deel kan worden tentoongesteld. Aan de hand van die collectie kan het volledige historische verloop van vliegtuigaandrijving worden voorgesteld, van de eerste oude 'kisten' uit de jaren 1910 tot de krachtige hedendaagse machines uit de militaire en burgerluchtvaart.

 

Op dit ogenblik zijn we bezig met de vernieuwing van wat een "Sabena"-ruimte moet worden en die, rondom een deel van de romp van een Boeing 707, een blijvende herinnering zal zijn aan de belangrijke rol die onze nationale luchtvaartmaatschappij in de geschiedenis van het Belgische vliegwezen heeft gespeeld.

 

De geschiedenis van de vliegtuigen, de bemanningen en de commerciële lijnen zal er met de nodige animatie en details worden uiteengezet.

 

Nog andere stands zijn dan weer gewijd aan minder bekende of bijkomende aspecten van alles wat met vliegen te maken heeft, zoals overlevingskits, amateur-vliegtuigbouw, weerkunde, geschiedenis van bedrijven voor vliegtuigbouwkunde, zoals dat van de ingenieur Renard.

 

Onze restauratieateliers, waar tijdens de week en op zaterdag talrijke vrijwilligers met een passie voor vliegtuigen aan het werk zijn, kunnen op aanvraag of tijdens speciaal daartoe georganiseerde avonden worden bezocht. Alle fasen van een restauratie, alle gebruikte technieken ontvouwen zich voor de ogen van de leek.

 

 

Een groot documentatiecentrum

 

De afdeling Lucht- en Ruimtevaart biedt ook onderdak aan een groot gespecialiseerd documentatiecentrum, als aanvulling voor de diensten die reeds door de andere documentatiediensten van het museum worden aangeboden. In een enorm archief met boeken, onderzoeken, encyclopedieën en technische documenten kunnen niet alleen de nodige opzoekingen worden gedaan voor onderhouds- of restauratiewerken aan de collectiestukken, maar beschikt het publiek ook over onmisbaar bronnenmateriaal om meer inzicht te krijgen in de geschiedenis van het vliegwezen en ze te onderzoeken. Ook tienduizenden foto's, uit alle mogelijke tijdvakken en van alle aspecten van luchtvaart, kunnen door liefhebbers en vorsers worden bekeken.

 

Tot daar een vrij volledig overzicht van onze collecties. Elk jaar, elke maand zelfs, doet de mogelijkheid zich voor om ze nog uit te breiden. Verzamelaars stellen uitwisselingen voor, bij bevriende naties kunnen buiten dienst gestelde vliegtuigen worden verkregen, eigenaars van sportvliegtuigen zetten een punt achter hun activiteit en willen hun toestel aan het museum overlaten. Toch zijn we vandaag de dag van mening dat een ongebreidelde aanwas van deze collecties niet langer aan de orde is, maar dat we veeleer systematisch onderzoek moeten gaan voeren naar de beste manier om ze op te waarderen.

 


 

ARTELERIE EN TANKS

 

 

De afdeling landmaterieel van het Koninklijk Legermuseum (KLM) is verantwoordelijk voor het beheer van het technologische patrimonium (met uitzondering van de draagbare wapens), dat gebruikt werd sinds de revolutie van 1830. Dit vaak indrukwekkende materieel wordt per historisch tijdperk voorgesteld en wordt, wegens plaatsgebrek in de gebouwen van het Jubelpark, grotendeels bewaard in externe reserves (in het Fort van Kapellen en andere militaire installaties). De afdeling landmaterieel beheert ongeveer 1000 "grote gehelen" zoals artilleriestukken, gevechtstanks, allerhande voertuigen of genie- en transmissiematerieel.

 

 

De zaal 1830

 

In de zaal 1830 vinden we een verzameling kanonnen, bombarden en mortieren die bij de onafhankelijkheid in België werden achtergelaten; sommige stukken werden gerecupereerd en aangepast voor de eigen behoeften. Dit is bijvoorbeeld het geval voor een oude Hollandse bronzen houwitser op een Belgische affuit. Het is een houwitser met een kaliber van 15 cm, naar een type uit 1788. Zijn korte loop is buitengewoon karakteristiek.

 

Er kan eveneens worden opgemerkt dat de houwitser in een kromme baan vuurt. Een kanon heeft een langere loop en heeft een gestrekte vuurbaan. Het onderstel (de affuit) is van Antwerpse oorsprong en werd gebouwd in 1854 volgens een ontwerp van 1853. Dit type van affuit werd, mits kleine aanpassingen, voor verschillende houwitsers en kanonnen gebruikt.

 

We hebben hier te maken met een gladde loop; de getrokken lopen verschenen pas in 1861. Met een gladde loop bedoelen we dat de binnenkant van de loop glad is. Hiermee werden bolvormige granaten afgevuurd.

 

Een getrokken loop heeft aan de binnenkant een aantal draaiende lengtegroeven. Deze geven aan de "moderne" munitie, met spitse granaat, een draaiende beweging waardoor de kogelbaan aanzienlijk werd verlengd en gestabiliseerd. Het laden van deze houwitser geschiedde langs de loopmond; vandaar de benaming "voorlader".

 

Bij de introductie van de stukken met getrokken loop worden de projectielen langs de achterkant van de loop geladen; vandaar "achterlader".

 

 

De Historische zaal

 

Aan de ingang van de Historische zaal (1830-1914), vinden we één van de eerste Belgische artilleriestukken: een kanon uit 1852. Dit bronzen kanon uit 1852 met een kaliber van 15 cm werd gegoten door de Fonderie Royale de Canons (F.R.C.) te Luik. In die tijd werden er te Luik zowel bronzen als gietijzeren kanonnen gegoten.

 

Het onderstel (de affuit) is van Antwerpse oorsprong en is van hetzelfde type als de korte houwitser hierboven.

 

 

De zaal 1914-1918

 

In de zaal 1914-1918 groepeerden we de collectiestukken per periode. Het eerste gedeelte gaat over het begin van het conflict, toen men nog dacht dat het een korte "bewegingsoorlog" zou worden. Het draaide echter anders uit en in het tweede deel van de tentoonstelling zien we de wapens die gebruikt werden bij de vastgelopen loopgravenoorlog. In een derde deel vinden we de technologieën die geïntroduceerd werden om de impasse te doorbreken.

 

De eerste periode (1914-1915) wordt geïllustreerd met een Belgisch kanon 75 mm T.R.A.Model 1905 en een Duitse mortier 21 cm.

 

Het Belgische kanon, op basis van een Krupp kanon, wordt aangepast met een aantal Belgische verbeteringen waaronder een hydraulisch rem- en voorbrengsysteem. Deze verhogen de stabiliteit en de vuurcadans van het kanon. Het stuk wordt vervaardigd door de Fonderie Royale de Canons in Luik en is de opvolger van het model 75 mm T.R. "tir rapide" of snelvuurkanon. Dit is nu een T.R.A. "tir rapide allégé" (verlicht snelvuurkanon). In de loop van de Eerste Wereldoorlog stelt men vast dat de beweeglijkheid van de artillerie niet meer volstaat en worden er allerlei ingrepen uitgevoerd om het gewicht van de kanonnen te beperken. De bemanning zat niet meer op de stukken maar kreeg ook paarden. De rijdende artillerie was geboren.

 

De Duitse mortier 21 cm Model 1899 van het KLM is een uniek stuk. Het KLM is het enige museum ter wereld dat het volledige stuk, met alle accessoires, bezit. Deze mortier werd vervaardigd bij het Duitse Krupp te Essen. Het was een wapen van een oudere generatie, zonder terugslagrem en het was ontworpen voor de Duitse belegeringsartillerie. De hoge kogelbaan maakte dit stuk bijzonder geschikt voor het beschieten van verschanste vijandelijke posities, forten en batterijen. De forten van de Maas en rond Antwerpen, die de belangrijkste Belgische defensielijnen uitmaakten, weerstonden nochtans aan de impact van de doorborende granaten van 21 cm.

 

Deze mortier bestond uit vier afzonderlijke elementen en kon worden getrokken door paarden. Op de loop van het kanon vindt men het monogram van Wilhelm II en het opschrift ULTIMA RATIO REGIS; één van de wielen draagt de naam van de fabrikant en het jaartal 1917.

 

Tijdens de tweede periode (1915-1917), de periode van de loopgraven, werden talrijke lichte en zware wapens ontwikkeld die de oorlog moesten "deblokkeren".

 

Het KLM bezit heel wat collectiestukken in dit gamma uit bijna alle deelnemende landen. We zullen hier over twee voorbeelden spreken: de zware Duitse mortieren en een zeer eigenaardig wapen, ontwikkeld door een Belgische officier.

 

In 1910 werd het eerste model van zware mortier "Schwerer Minenwerfer L/3 25 cm", gebouwd door de firma Rheinmetall, door de Duitse belegeringsgenie in gebruik genomen.

 

Op 13 augustus 1914 zette men deze zware mortieren voor het eerst in tegen het fort van Fléron te Luik. Het wapen was ontwikkeld vanuit de ervaringen van de Japans-Russische oorlog (1904/1905) waar beide partijen tegenover elkaar stonden, gescheiden door zware hindernissen en forten. Deze mortier was door zijn hoge kogelbaan uitermate geschikt in een loopgravenoorlog voor het vernietigen van versterkingen zoals bunkers, Friese ruiters en prikkeldraad.

 

Laten we deze zware mortier (Schwerer Minenwerfer) van het eerste type a/A (alter Art), kaliber 25 cm nader bekijken. Twee soorten munitie konden worden afgevuurd: een korte granaat van 63 kg met 28 kg springstof en een lange granaat van 95 kg met 46 kg springstof. De korte granaat kon over een afstand van 240 tot 840 m afgevuurd worden, de lange granaat haalde tussen 150 en 470 meter. Van het korte model werden naderhand ook gasgranaten gemaakt. Later in de oorlog werd een nieuw type n/ A (Neue Art) met langere loop ontwikkeld, waarvan het KLM eveneens een exemplaar bezit.

 

Ons tweede voorbeeld voor deze periode is een wel zeer eigenaardig, doch uitstekend, wapen. De Belgische majoor ir. Van Deuren ontwierp deze mortier in 1915. Opdracht: het beschieten van de nabijgelegen vijandelijke loopgraven en stellingen. De Ateliers de Construction de Matériel d'Artillerie in Le Havre, waar het Belgisch personeel van de Luikse fabrieken werd tewerkgesteld onder controle van het Belgische Leger, vervaardigden het stuk. Afvuren van de bom gebeurt door elektrische ontsteking. Het Belgische leger gebruikte deze mortier tot mei 1940.

 

De derde periode (1917-1918) illustreert de verschillende nieuwe technologische toepassingen, die naar de laatste offensieve operaties moesten leiden. Onder deze technieken vinden we de gassen, de vlammenwerpers maar vooral de vliegtuigen en hun tegenpartij, de luchtdoelartillerie en natuurlijk de tanks.

 

Bij de luchtdoelartillerie moeten we zeker het Franse 75 mm kanon en het beroemde Engelse "Pom-Pom" vermelden.

 

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog beschikte de luchtdoelartillerie slechts over primitieve opsporing- en richtapparatuur en weinig geschikte affuiten. Deze nadelen compenseerde men door een grote hoeveelheid munitie in korte tijd op de vijandelijke vliegtuigen af te vuren. Het Engelse "Pom-Pom" Vickers-Maxim kanon, dat patronen kaliber 37 mm afvuurde volgens het principe van de Maxim-mitrailleur, bracht een oplossing. Op een aangepaste affuit geplaatst, bekwam men een verrassend goed luchtdoelgeschut. Vanaf 1915 wordt de Pom-Pom gebruikt bij het Belgische leger. "Pom-Pom" verwijst naar de benaming gegeven door de Afrikanen in het Engels leger.

 

Eén totaal nieuw wapen was het gepantserde voertuig op rupsen. 'Tank' was oorspronkelijk hiervoor een codenaam, die uiteindelijk door alle legers werd gebruikt. Deze tank was een Britse uitvinding om de oorlog, die volledig was vastgelopen in de loopgrachten, een hernieuwd offensief élan te geven. Er was eveneens nood aan een voertuig dat op alle terreinen kon opereren. De tank werd bedacht om de vijandelijke stellingen te doorbreken en om een infanterieaanval te steunen en te begeleiden. Tanks (en dan meer bepaald de Britse Mark I) werden voor het eerst ingezet in september 1916 in Bapaume tijdens de Slag om de Somme in Frankrijk. De Mark IV verscheen op het front vanaf juni 1917.

 

De tankbemanningen vochten in zeer moeilijke omstandigheden. Het lawaai van de motor en wapens was oorverdovend en de temperatuur in de pantserwagen liep op tot ongeveer 38°C.

 

Er werden zo'n 420 stuks gebouwd; slechts een heel beperkt aantal is vandaag nog te vinden. Het exemplaar van het KLM is het laatste ter wereld met de originele camouflagekleuren.

 

Na onbevredigende frontervaringen met de Schneider- en Saint-Chamondtanks in 1916, drong kolonel J.E. Estienne, de "vader" van de Franse tank, aan op de productie van een lichte pantserwagen. In 1917 vervaardigde Renault de FT-17 (FT = faible tonnage).

 

Het was tevens de eerste tank die over een volledig ronddraaiende kanonkoepel beschikte. Ook het Amerikaanse leger gebruikte dit model in 1918. Na de Wereldoorlog hebben de legers van diverse landen (waaronder België) hun eerste pantsereenheden met deze tank uitgerust. Deze is nog in gebruik gebleven tot in het begin van de Tweede Wereldoorlog.

 

 

De Bordiau hal

 

De Bordiau hal van het KLM handelt over de conflicten na 1918. Vöör de definitieve inrichting van de zaal stonden de stukken die er worden tentoongesteld verspreid over de andere zalen of in de reserves. We kunnen twee Belgische stukken uit het interbellum in de kijker plaatsen: het kanon 120 mm en het autokanon T13.

 

Tussen de twee wereldoorlogen realiseerde het Belgische bedrijf John Cockerill, in samenwerking met de Fonderie Royale de Canons, een uitstekend veldkanon. Het Belgisch leger nam dit FRC kanon 120 mm Lang in gebruik vanaf 1934.

 

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog bezat de Belgische artillerie 24 exemplaren. Na de capitulatie op 28 mei 1940 namen de Duitsers een aantal van deze kanonnen over en gebruiken ze zelf in de kustartillerie; meer bepaald in de Salzwedel Neu batterij te Raversijde, waar nu nog een replica te zien is.

 

Het stuk dat wordt voorgesteld in het KLM werd teruggevonden in Duitsland na de oorlog. Het is het laatste ter wereld.

 

Door de neutraliteit van ons land had het Belgisch leger steeds een louter defensieve houding ingenomen. Toen de overheid tijdens de jaren dertig besloot materieel aan te kopen, wenste men dan ook geen tanks aan te schaffen maar opteerde men eerder voor antitankwapens.

 

De keuze viel op een Brits onderstel van Vickers-Carden-Loyd uitgerust met een Belgisch FRC (Fonderie Royale de Canons te Luik) kanon van 47 mm en een FN (Fabrique Nationale te Herstal) machinegeweer die naar achter werden gericht. Deze Tl 3 werd gebouwd in Familleureux in 1937.

 

Met de Tl 3 beschikt het KLM over een uniek stuk. Dit voertuig is inderdaad het enige exemplaar ter wereld dat niet vernietigd werd tijdens de Tweede Wereldoorlog. Alle andere werden immers vernietigd voor de Belgische capitulatie of na de inbeslagneming door de Duitsers. Het stuk draagt de kentekens van de veldtocht van mei 1940 (Compagnie van Grenswielrijders van Lanaken) en is nog steeds bedrijfsklaar.

 

 

De vierkante koer

 

De tanks en gepantserde voertuigen uit de periode van de hedendaagse conflicten staan gegroepeerd in de buitenkoer, ook "pantserkoer" of "vierkante koer" genoemd.

 

De Duitse Panzer IV werd vervaardigd tussen 1937 tot 1943. Oorspronkelijk was hij uitgerust met een kort 75 mm kanon en woog hij 18 ton. (Ausführung A). De versie G heeft een lang kanon en weegt 25 ton (Ausführung G). Er werden meer dan 9000 exemplaren van alle types gemaakt en we vinden ze terug op alle strijdtonelen waaronder die van België en Frankrijk in 1940.

 

De "Matilda" is een Britse tank voor infanterie-begeleidingen en werd geproduceerd vanaf 1939. Het Britse expeditiekorps in België in 1940 bestond uit het type Mark II. Zijn pantsering was bestand tegen het geschut van de Italiaanse tanks in Libië, maar zijn kanon van 2 pond (40 mm) was veel te zwak in het gevecht tegen de Duitse 88 mm kanonnen.

 

Eén van de grootste klappen voor het Duitse leger tijdens de oorlog 1939-1945 was het verschijnen van de Sovjet tank T34; eerst met een 76 mm kanon en later met een 85 mm kanon. Met zijn geringe bodemdruk (0,78 kg/cm2) kon hij zich verplaatsen op plaatsen waar de Duitse pantservoertuigen zich in de modder vastreden. Deze tank werd geproduceerd vanaf 1943. De bemanning bestond uit 5 man.

 

Er werden 30.000 exemplaren geproduceerd en deze T34 heeft, samen met zijn Amerikaanse Sherman tegenhanger, bijgedragen tot de nederlaag van de Duitse pantserdivisies.

 

De Amerikanen ontwikkelen de "Sherman": een tank geschikt voor massaproductie. Hij had een zwak kanon en was weinig gepantserd; daartegenover stond dat hij snel kon worden vervangen. Dit was niet het geval in het Britse of Duitse leger.

 

De meest geslaagde pogingen om de Sherman te verbeteren, werden door de Britten bedacht. Om het tegen de Duitse Panzers op te nemen, werd het oorspronkelijke kanon vervangen door het uitstekende kanon "17 ponder" (76,2 mm) en werd de tank door de Britten herdoopt in "Firefly". Om de Duitse waarnemers te misleiden, werd de loop gecamoufleerd in een loop met het kaliber van de "Sherman".

 

Het Belgisch leger had er 200 in gebruik. De eerste gevechtstanks van deze reeks werden aan het gewicht gekocht (35.000 BEF per stuk) van de firma Van Loo uit Antwerpen, die na de bevrijding het overschot van de geallieerden had opgekocht. Het exemplaar van het KLM behoort tot deze serie.

 


 

De Marine

 

 

Louis Leconte, de eerste hoofdconservator van het Legermuseum, was gepassioneerd door de Belgische Marine en zorgde ervoor dat overal in de zalen ook tal van voorwerpen uit de zeevaart terechtkwamen. Die zijn opnieuw in hun context geplaatst. De voorkeur werd gegeven aan een chronologisch overzicht boven een aparte afdeling voor de marine, waardoor het bewogen karakter van de Belgische militaire marine meer tot uiting had kunnen komen.

 

 

De Koninklijke Marine 1831-1862 (zaal België en de 19de eeuw)

 

In februari 1831 stemde het Nationaal Congres over de budgetten waarmee een Koninklijke Militaire Marine moest worden opgericht met, in die tijd, vier kanonneerboten en twee brigantijnen. In 1832 kon België, dankzij de verovering van de citadel van Antwerpen, die tot dan nog steeds in handen van de Nederlanders was, twaalf Nederlandse kanonneerboten toevoegen aan zijn vloot.

 

Hoewel ze aanvankelijk in het leven was geroepen om het land te verdedigen, toezicht te houden op de Schelde of de grote visserij tot aan de banken van Newfoundland te beschermen, werd de Koninklijke Marine al snel ten dienste van de belangen van de handel met de kolonies gesteld.

 

Daartoe moest de Marine worden uitgerust met goed bewapende zeeschepen. Zo schafte de regering een oorlogsbrik aan: de Duc De Brabant, bewapend met 20 kanonnen en 130 bemanningsleden werd op 25 november 1845 te water gelaten Het schip maakte verschillende reizen over de Atlantische Oceaan (Brazilië, La Plata, Guatemala, West-Afrika) om de koloniale nederzettingen in diverse streken te ondersteunen. Nadat het schip al eerder van een aantal wapens was ontdaan, werd ook de laatste bewapening weggehaald in 1862. Daarmee was ook het tijdperk van de Belgische Koninklijke Marine ten einde.

 

De schoener Louise-Marie, nog een juweeltje van de Belgische Koninklijke Marine, nam deel aan een van de talrijke pogingen tot koloniale ontwikkeling. Paul Jean Clays maakte hem in 1849 onsterfelijk. Als oudmarineofficier schilderde hij diverse werken waarop de Louise-Marie stond afgebeeld. Het Legermuseum is in het bezit van verschillende zeegezichten van deze kunstenaar, waaronder de Verovering en vernietiging van Debokké, één van de best geslaagde qua detailweergave en kleurnuances. Het afgebeelde tafereel moet worden gesitueerd in een meer algemeen kader van pogingen om koloniale factorijen onder het bestuur van Leopold I op te richten. Als gevolg van de beperkingen die de Britse en Franse factorijen oplegden voor de invoer van koloniale waren in België, werden in 1848 onderhandelingen aangeknoopt met het oog op de vestiging van een Belgische factorij aan de Rio Nunez in Guinee (West-Afrika). België stuurde de schoener Louise-Marie en zijn gezagvoerder, Joseph Van Haverbeke, om de soevereiniteit van het Nalou-gebied aan de monding van de Rio Nunez te verwerven tegen een jaarlijkse rente van 5.000 frank. Kapitein Van Haverbeke keerde een jaar later terug naar het gebied, met het bekrachtigde verdrag op zak, maar ook om te bekijken wat de mogelijkheden waren voor de vestiging van een militaire basis ter bescherming van de Belgische kolonie. Bij zijn aankomst vroegen de Nalous die door de Landoumas (in het gebied meer landinwaarts gelegen) uit hun leefgebied waren verdreven, aan de Fransen en Belgen om hen te helpen. Met de steun van de twee oorlogsschepen die vlakbij lagen aangemeerd, werd Debokké met een strafexpeditie veroverd en werd er een nieuwe koning geïnstalleerd die de westerse belangen gunstiger gezind was. Toch bleef de rivaliteit tussen Nalous en Landoumas bestaan en leidde ze tot een chronische instabiliteit van de regio die uiteindelijk weinig geschikt bevonden werd voor de vestiging van een bloeiende handel.

 

In 1851 werden de Fransen en Britten ook een stuk inschikkelijker inzake invoer van Belgische producten, waardoor een Belgische factorij helemaal geen nut meer had.

 

Op het doek zijn de Belgische driemaster Emma en de Franse schoener Dorade te zien die Belgische en Franse manschappen laten ontschepen voor de bestorming van de heuvel. De kanonnen van de schepen bombarderen de hoogvlakte. De Louise-Marie, die een te grote diepgang had, kon de andere schepen niet volgen tot in de riviermonding. Daarom is de schoener ook niet te zien op het doek van RJ. Clays.

 

 

Eerste Wereldoorlog (zaal 1914-1918)

 

De collecties van het museum zijn buitengewoon goed gestoffeerd over de Eerste Wereldoorlog. Bij de Wapenstilstand in 1918 was België nog gedeeltelijk bezet door de Duitsers die bij hun terugtrekking grote hoeveelheden militair materieel achterlieten. Bovendien deed de toenmalige conservator, Louis Leconte, zijn uiterste best om van alle oorlogvoerende naties een overblijfsel van hun betrokkenheid bij het conflict te verkrijgen. In deze zaal is elk land afzonderlijk vertegenwoordigd.

 

We zijn erg verheugd dat er zich in onze collecties diverse Duitse torpedo's met torpedolanceerbuizen bevinden. Deze enorme stukken zijn nu in bewaring bij Sea Front in Zeebrugge. Toch is er nog steeds één te zien in de zaal die is gewijd aan de Eerste Wereldoorlog.

 

In bezet België fungeerde Brugge als basis voor de Duitse Flandernflotille. De havens van Zeebrugge en Oostende stonden via kanalen in verbinding met Brugge en waren dus het vertrekpunt voor torpedo- en duikbootaanvallen (U-Boote). Deze kleine vaartuigen werden gedemonteerd vervoerd over de sporen van de scheepswerven van Kiel naar de Cockerill-werven in Hoboken. Daar werden ze geassembleerd en vervolgens via de binnenwateren vervoerd tot in Brugge waar met name twee types onderzeeërs waren gestationeerd: de UB's en de UC's. De UB's waren kustpatrouille-vaartuigen, een model ontwikkeld vanaf 1915 voor korte-afstandsopdrachten in de Noordzee; de UC's waren mijnenlegger-onderzeeërs. Deze kleine eenheden konden makkelijk bewegen doorheen de ondiepe Belgische wateren, maar ze hadden geen dieptemeters of apparatuur voor positiebepaling aan boord. Door de vier zandbanken langsheen de Belgische kust liepen tijdens het conflict dan ook tal van onderzeeërs aan de grond.

 

Enkel de UB's waren met torpedo's uitgerust. Deze onderzeeërs konden maximaal vier torpedolanceerbuizen aan de voorsteven en twee aan de achtersteven bevatten. Het laden van de torpedo's gebeurde langs de achterzijde, hetzij met de hand hetzij elektrisch. Het aantal torpedo's aan boord verschilde nogal en was met name afhankelijk van de plaats die ze innamen: vaak werden veel van deze wapens aan boord gebracht ten koste van de ruimte die voor de bemanningsleden beschikbaar was.

 

De firma Schwarzkopff maakte torpedo's van diverse kalibers (45 of 50 cm). Het exemplaar dat in het museum te zien is, heeft een lengte van 5 meter en een diameter van 45 cm. Hij werd voorzien van een lading van 150 kg in de kop. Een torpedo van dit type kon een afstand van 0,55 zeemijl (ca. 1.000 meter) afleggen met een snelheid van 35 knopen (65 km/u). Om te controleren welke diepte en richting aan de torpedo moest worden gegeven, moest een roer worden bijgesteld met behulp van een sleutel die naar rechts of links kon worden gedraaid. Naast deze torpedo's bestond de bewapening van onderzeeërs verder uit mijnen, Maxim-mitrailleurs of kanonnen met klein kaliber (begin van de oorlog) die op het dek waren gemonteerd. Meestal werd een vijandelijk schip geïmmobiliseerd met behulp van een torpedo, waarna het met het kanon tot zinken werd gebracht.

 

 

Na 1945 (Driehoekige binnenkoer)

 

In het museum zijn ook twee schepen ondergebracht: de riviersnelboot Meuse en de Avila, het motorjacht van wijlen Koning Boudewijn. De voormalige plezierboot van Koning Boudewijn en Koningin Fabiola, de Avila, had zijn aanlegplaats in Spanje, waar de vorsten gewoonlijk hun vakanties doorbrachten. Na het overlijden van de Koning schonk de Koningin het jacht aan het museum.

 

De Meuse is een riviersnelboot (Patrolboat river) die in 1953 werd gebouwd op de scheepswerf van Regensburg in Duitsland. Net als de drie andere boten van dit type, de Libération (nog in dienst), de Schelde en de Sambre, werd de Meuse in 1954 door de Belgische Zeemacht in gebruik genomen. Tot 1961 waren de boten gestationeerd in Niehl, Duitsland. Daar patrouilleerden ze op de Rijn, tussen Keulen en de riviermonding. Nadat het Belgische smaldeel van de Rijn was weggehaald, werden de boten naar België overgebracht en in Antwerpen gestationeerd (militaire basis van Kallo). Ze patrouilleerden er op de Schelde tot ze geleidelijk aan buiten dienst werden gesteld. De Meuse werd in 1987 uit de vaart genomen.

 


 

De Educatieve Dienst

 

 

Sinds in september 1990 een educatieve dienst werd gecreëerd, heeft deze een brede waaier aan publieksactiviteiten ontwikkeld. Naast rondleidingen biedt het museum reeds 10 jaar animaties voor de jongste bezoekers en hun ouders aan. Daarnaast proberen de twee medewerkers van de dienst om de collecties toegankelijk te maken voor een zo breed mogelijk publiek.

 

Met traditionele geleide bezoeken, voor zowel scholen als volwassenen, wordt getracht om de historische context van de tentoongestelde objecten tot leven te brengen. Daarbij ligt het accent vooral op de menselijke en de sociale kant van de militaire geschiedenis. Tijdens de animaties, die zich richten op kinderen van 6 tot 12 jaar, worden onder begeleiding van een gids een aantal opdrachten uitgevoerd. Om drempelverlagend te werken krijgen ze daarbij ook de gelegenheid om een aantal collectiestukken te manipuleren. Door de kinderen het museumbezoek actief te laten beleven, wordt getracht ze te doen nadenken over de verschillende aspecten van oorlog en vrede.

 

Een andere, belangrijke doelgroep zijn de individuele bezoekers. Om hen tijdens hun bezoek een minimum aan informatie mee te geven, werkt de educatieve dienst hard aan onderschriften bij de duizenden objecten, ze plaatsen tekstpanelen met meer algemene informatie en stellen thematische brochures ter beschikking.

 

Regelmatig zet het museum ook activiteiten op touw voor families. Het meest recente initiatief in die zin was het museumspel "De kleine journalist in de Grote Oorlog". Met behulp van het nodige materiaal kregen de kinderen de opdracht om als journalist tijdens de Eerste Wereldoorlog, informatie in te winnen over verschillende aspecten van het leven aan het front. Door het maken van puzzels, het zoeken van voorwerpen en het ineenknutselen van objecten kwamen ze van alles aan de weet over het gebruik van gas, het hoe en waarom van camouflage, het oprichten van hospitalen en het leven in een loopgraaf. De ouders, die via een reeks educatieve fiches de nodige informatie ter beschikking kregen, konden de jongeren tijdens hun zoektocht assisteren. Deze formule zal zeker worden herhaald.

 

Ten slotte wordt regelmatig geprobeerd om het educatieve aanbod naar de verschillende doelgroepen toe zoveel mogelijk te diversifiëren. Een zeer specifieke categorie van bezoekers zijn de jongeren van 16 tot 18 jaar, die regelmatig in schoolverband de collectie rond de Eerste Wereldoorlog bezoeken. Om aan de specifieke eisen van dit publiek tegemoet te komen, ontwikkelen we een gerichte pedagogische begeleiding waarbij een meer actieve deelname van de adolescenten zal worden gevraagd.

 


 

PRAKTISCH

 


 

Het Museum is geopend van dinsdag tot zondag tussen 9 en 12 uur en van 13 tot 16.30 uur.

Maandag gesloten.

De Luchtvaarthal en de cafetaria blijven de hele dag open, zodat een ononderbroken bezoek mogelijk is.

Het KLM is heel vlot bereikbaar.

De esplanade voor het Museum biedt ruime (gratis) parkeermogelijkheden.

Tal van bussen of trams hebben een halte kortbij de ingang (bussen 20, 28, 36, 61, 67, 80 en tram 81).

Het metrostation "Merode" bevindt zich op enkele minuten lopen, evenals de treinstations "Schuman" en "Merode".

Het Museum is gratis.

Voor alle inlichtingen:

02/737.78.09 (public rclations)

02/737.78.33

02/737.78.11

 

www.klm-mra.be

 

Het Museum beschikt ook over een uitgebreide bibliotheek met een ruim aanbod van boeken en tijdschriften over militaire geschiedenis, een prentenkabinet, een cartotheek, een archief, een fototheek en een documentatiecentrum.

Inlichtingen: 02/ 737.79.30 

 


 

Auteursidentificatie

 

Gregory De Smet, persallaché 

Paul Dubrunfaut, assistent, titularis van de afdeling 'Vuurwapens en draagbare wapens'

Jean-Pierre Hausman, kolonel stafbrevethouder, opdrachthouder, hoofd van de afdeling 'Landmalerieel'

Sophie Hottat, welenschappelijk medewerkster 

Etienne Reunis, welenschappelijk medewerker, titularis van de afdeling 'Lucht- en ruimtevaart' 

Sven Soupart, verantwoordelijke voor het documentatiecentrum van de Luchtvaartafdeling 

Eddy Verbeken, adjudant-chef, adjunct van de afdeling Landmaterieel 

Sandra Verhulst, medewerkster educatieve dienst.