U bent hier

Het Huis van Alijn - Museum van de dingen die voorbij gaan

Het huis van Alijn

Het Huis van Alijn - Museum van de dingen die voorbij gaan

 

INHOUD:

  • Van Kinderen Alijnshospitaal tot Het Huis van Alijn 
  • Het museum en de collectie
  • Activiteiten en tentoonstellingen
  • Identificatiekamer 
  • Praktische informatie 

 
 
De vermelde afbeeldingen zijn te zien in het PDF-document
 

 

Van Kinderen Alijnshospitaal tot Het Huis van Alijn

 
"Een monument dwingt een herinnering af. Het stelt een naam, een gebeurtenis of een begin nadrukkelijk aanwezig. In een monument ligt de referentie aan het 'publiek' besloten. Het monument is ook een plaats van tegenspraak en een strijdplaats. De strijd om het publiek domein, om de betekenis van het verleden en om de toekomst. Het monument creëert en definieert een kader, een wereld." (Bart Verschaffel)
 
 

'Up de Leye bij Alijns hospitaale'

 
 
Op de Kraanlei, in de schaduw van het Gravensteen, in het historisch centrum van de stad en grenzend aan het Patershol is het Huis van Alijn ondergebracht in het Kinderen Alijnshospitaal, het enige bewaarde godshuis in Gent. In de Middeleeuwen werden godshuizen gesticht met een liefdadig doel of als boetedoening. In deze stichtingen werden zieken ter verpleging opgenomen, kregen bejaarde lieden vrije inwoning en soms levensonderhoud, prebende genaamd. Ook arme reizigers werd gedurende enige dagen onderdak verleend.
 
 
De geschiedenis van het gebouw gaat terug tot in de veertiende eeuw. Het Kinderen Alijnshospitaal, ook wel Sint-Katharinahospitaal genaamd, werd opgericht als zoenoffer tussen twee Gentse vooraanstaande patriciërsfamilies, de Rijms en de Alijns. 600 jaar later is hier een van Vlaanderens mooiste musea met een waardevolle historische volkskundige collectie gehuisvest. Of hoe een middeleeuwse familievete aan de basis ligt van een rijke en bewogen geschiedenis.
 
 

'wanconst, rancuer, nyt ende onminne' leidt tot een moordaanslag in het middeleeuwse Gent

 
 
Boven de ingangspoort van het museum wordt verwezen naar de oorsprong van het gebouw: 'Kindren Halyns Hospital anno 1363'. De naam van het hospitaal verwijst naar de gebeurtenissen die aanleiding gaven tot het ontstaan van het gebouw. Het is gesticht als teken van verzoening na een jarenlange bloedvete tussen twee Gentse patriciërsfamilies, de Rijms en de Alijns. Het beeld van de Heilige Katharina in de nis boven de ingangspoort refereert aan de patrones van Katharina Zelverberchs, de moeder van de twee vermoorde broers Alijn. De drie wapenschilden verwijzen naar drie families die in latere eeuwen een belangrijke rol speelden in het herstellen en uitbreiden van het godshuis.
 
 
De volksoverlevering verhaalt over een liefdesdrama, een Vlaamse versie van het Romeo en Julia-verhaal, een ruzie tussen de volders en de wevers. Een jonge volder, Hendrik Alijn, was verliefd geworden op de rijke weversdochter Godelieve. Haar vader weigerde toestemming te geven voor het huwelijk want hij had voor zijn dochter een zekere Simon Rijm als huwelijkspartner uitgekozen. Simon was een rijke patriciër, afkomstig uit het weversambacht. Godelieve weigerde echter op de avances van Simon in te gaan. Gekwetst door haar afwijzing en opgehitst door de haat tegen de volders zon de wever op wraak. Vergezeld van zijn broer en enkele bendeleden begaf hij zich naar de Sint-Janskerk en vermoordde er tijdens de kerkdienst zijn rivaal Hendrik Alijn, zijn broer Seger en een dienaar.
 
 
Een oorkonde bewaard in het Stadsarchief laat toe om de historische omstandigheden te reconstrueren. Simon en Goswin Rijm behoorden tot een van de oudste en invloedrijkste families van Gent. In 1352 beschuldigden zij de gebroeders Hendrik en Seger Alijn van smadelijke beledigingen. Tussen beide families ontstond een diepe haat die resulteerde in een moord op de gebroeders Hendrik, schepen te Gent in 1354, en Seger Alijn in de toenmalige Sint-Janskerk - de huidige Sint-Baafs-kathedraal - door de gebroeders Rijm.
 
 
Als gevolg van dit dubbel vergrijp, namelijk een moord in een kerk (een daad van heiligschennis) en het doden van een schepen (een schending van de schepenwaardigheid), werden de Rijms, die uit Gent gevlucht waren, door de graaf van Vlaanderen Lodewijk van Male vogelvrij verklaard. Zoals toen gebruikelijk was, werden hun huizen met de grond gelijk gemaakt. De moordenaars slaagden erin om op vrije voeten te blijven.
 
 
Enkele jaren na de feiten, op 17 mei 1361, diende Simon Rijm een genadeverzoek in dat in 1362 door de graaf van Vlaanderen werd ingewilligd. Naast het ondernemen van boetebedevaarten werden de Rijms veroordeeld tot het betalen van een jaarlijkse rente waarvan de opbrengst diende gebruikt te worden voor de oprichting en het onderhoud van een godshuis waar men onderdak verleende aan behoeftige mensen.
 
 
De ouders van de vermoorde Alijns stelden als gebaar van goede wil hun woning aan de Kraanlei beschikbaar voor het op te richten godshuis. Het hospitium werd aldus gebouwd op de grond van de familie Alijn. De stichtingsacte van de graaf van Vlaanderen Lodewijk van Male van 23 juli 1363 bepaalde dat het godshuis een eeuwigdurend hospitaal voor de verzorging van arme lieden zou worden en dat er een kapel zou worden opgericht. Ook dienden er werken van christelijke barmhartigheid te worden uitgevoerd.
 
 
De graaf kende zichzelf de titel van 'stichter en beschermer van het gesticht' toe. In een eerste bouwfase werden een achttal huisjes en een kapel opgetrokken. Deze werd toegewijd aan de Heilige Katharina, de patroonheilige van Katharina Zelverberchs, de moeder van de vermoorde broers, vandaar dat het godshuis ook wel het Sint-Katharinahospitaal wordt genoemd.
 
 

 

Huisvesting voor 'arme luyden'

 
 
In het hospitaal kregen acht arme en behoeftige oude vrouwen onderdak. Geld voor de bewoners en voor het onderhoud van de gebouwen werd bekomen door schenkingen van vooraanstaande families. De eerste bewoners kwamen in 1366. De bewoners kregen hulpgeld, prebende of traktement genaamd. Een van de bewoners, de 'meesteresse' was belast met de zorgen voor de kapel en de kerkgewaden, het betalen van de prebende en het sluiten van de deuren van het godshuis. Om het samenleven in goede banen te leiden was er ook een reglement. Buitensporigheden zoals overdreven eet-en drankgebruik en onzedig gedrag werden streng gestraft. Bij de minste overtreding werd de prebende ingehouden.
 
 

 

Verval en heropleving wisselen elkaar door de eeuwen heen af

 
 
In 1513 was het complex sterk vervallen en in onbewoonbare toestand geraakt. De nieuwe voogden, Lievin van Pottelsberghe en zijn vrouw Lievine van Steelant zorgden voor het herstel van de acht huisjes en voor een uitbreiding van het godshuis. In 1519 werden acht huisjes bijgebouwd.
 
 
In 1543 legde de zoon François van Pottelsberghe de eerste steen voor de nieuwe kapel, die in laatgotische stijl is opgetrokken. Het torentje werd opgericht in 1549. De eenbeukige kapel heeft een bovenverdieping. Het gebouw vervulde dan ook een dubbele functie. De benedenverdieping fungeerde als bidruimte en de bovenverdieping werd als vergaderzaal voor de regenten van het godshuis gebruikt. In 1746 werd de kapel gewijd door de bisschop van Doornik.
 
 
Tijdens de Franse overheersing, eind achttiende eeuw, kwam het Alijnshospitaal onder het beheer van de Stedelijke Commissie der Burgerlijke godshuizen en werd het 'Hospice nr. 20'. Eind negentiende eeuw telde het godshuis achttien huisjes en was het uitsluitend bewoond door alleenstaande vrouwen van boven de zestig. In 1880 vernielde een brand het dak en het hoektorentje en werd de kapel van een platter dak voorzien. Uiteindelijk werd het gebouw in 1883 door de Commissie verkocht.
 
 
Het complex werd gekocht door de industrieel Van Loo-Pickaert die het geheel inrichtte als beluik voor arbeidersgezinnen. De kapel verloor haar religieuze functie en werd een schrijnwerkerswinkel en werkplaats. De leefomstandigheden in het beluik waren uiterst penibel. Er was in deze periode een zestigtal gezinnen gehuisvest. Tot midden twintigste eeuw bleef het voormalige gdshuis als beluik functioneren.
 
 
In het begin van de twintigste eeuw kreeg het gebouw de aandacht van de architect Valentin Vaerwijck (1882-1959) die er een historische en oudheidkundige studie wijdde aan het godshuis. Op de wereldtentoonstelling van 1913, in de wijk 'Oud-Vlaanderen' stelde hij zijn maquette van de restauratie van het 'Halijnhospitaal' tentoon. Pas in 1941 werd het complex gekocht door het Gentse Stadsbestuur. De huisjes waren op dat moment omwille van gezondheidsredenen onbewoonbaar verklaard. Het Kinderen Alijnshospitaal werd in 1943 als monument geklasseerd. Twee opties boden zich aan: ofwel het geheel restaureren en inrichten als een museum voor volkskunde ofwel enkel de buitengevels restaureren en de woningen inrichten voor bejaarden. In 1953 viel de beslissing om in het gebouw een museum onder te brengen. Een jaar later werd Valentin Vaerwijck aangesteld als ontwerper van de restauratiewerken aan de huisjes en de kapel. In een eerste fase werden de kapel en het kloktorentje gerestaureerd naar de zestiende-eeuwse toestand. De huisjes zelf werden hersteld door werkloze vaklieden onder toezicht van Rob Van Belle, die Vaerwijck na zijn dood was opgevolgd.
 
 
De daken werden vernieuwd en van dakkapellen en dakvensters voorzien, deuren en vensters werden vervangen en kregen een ander uitzicht. In functie van het museum werden de tussenwanden vooraan in de huisjes doorbroken.
 
 
Op 9 september 1962 werd het Museum voor Volkskunde officieel geopend. De collectie van het voormalige Folkloremuseum in de Lange Steenstraat kreeg aldus een nieuw onderkomen. In 2000 kreeg het museum een nieuwe naam, waarbij de verwijzing naar de ontstaansgeschiedenis van het gebouw terug aan de orde wordt gesteld: het Huis van Alijn.
 
 
Afbeeldingen:    
  • Voorgevel van het Huis van Alijn, 2001.
  • Gezicht op de binnenkoer van het Huis van Alijn, 2000.
  • Nis boven de ingangspoort met het beeld van Sint-Katharina en stichtingsdatum van het godshuis.
  • Gezicht op de binnenkoer, eerste helft twintigste eeuw.
  • De kapel als opslagruimte.
  • Voorstel tot restauratie van Valentin Vaerwijck, 1909.
 

Het museum en de collectie

 

  

Folkloremuseum

 

 
Tot 1962 was het Folkloremuseum ondergebracht in de Kerk van de Geschoeide Karmelieten in de Lange Steenstraat. Het museum werd officieel geopend op 16 juli 1932. De geschiedenis van het museum is nauw verbonden met de Koninklijke Bond der Oost-Vlaamse Volkskundigen, die in 1926 werd opgericht met het doel de studie van het volksleven te bevorderen. Naast de uitgave van het volkskundig tijdschrift Oost-Vlaamse Zanten en de oprichting van een volkskundige bibliotheek in 1926 werd vanaf 1927 onder impuls van het bestuur een volkskundige collectie opgebouwd die in de loop van de jaren steeds omvangrijker werd.
 
 
De eerste folkloretentoonstelling tijdens de Gentse Feesten van 16 tot 24 juli 1927 betekende de start van een permanente collectie. Door de verhuis van het Museum voor Oudheden naar de Bijlokeabdij, in 1925, kwam de Kerk van de Geschoeide Karmelieten vrij. In 1928 volgde een tweede tentoonstelling, gewijd aan het volkstoneel in Oost-Vlaanderen. Ook in de hiernavolgende jaren werden verschillende folkloretentoonstellingen georganiseerd.
 
 
Dank zij een intensief verzamelbeleid - schenkingen en aankopen - groeide de collectie snel aan. Zo werd de werkplaats van de tinnegieterij van de Gentse familie De Keghel, na de stopzetting van het bedrijf in 1917, in 1933 naar het museum in de Lange Steenstraat gebracht. De tinnegieterij 'In den gouden hond', aan de Kortemunt, was van het laatste kwart van de achttiende tot het begin van de twintigste eeuw, het belangrijkste tinnegietersbedrijf van Gent. Tal van tinnen objecten en het tinnegietersgerei werden in 1919 door de Stad Gent aangekocht. De productie van dit familiebedrijf kan exemplarisch genoemd worden voor de Vlaamse tinnegieterij van de negentiende eeuw. Tin bleef tot het einde van de negentiende eeuw, niettegenstaande de concurrentie van andere materialen zoals keramiek en glas, een onmiskenbaar dagelijks gebruiksvoorwerp omwille van zijn bestendigheid tegen corrosie en vooral omwille van zijn onbreekbaarheid. De nieuwe industriële ontwikkelingen zorgden ervoor dat het tin niet langer voor gebruiksvoorwerpen werd gebruikt, maar enkel nog voor siervoorwerpen.
 
 
In 1942 werd een stangpoppentheater opgericht in de schoot van de Bond der Oost-Vlaamse Folkloristen. Het 'Spelleke van de Folklore' was de voortzetting van het alomgekende Gentse 'Spelleke van de Muide'. In 1962 verhuisde het poppentheater mee naar het Museum voor Volkskunde aan de Kraanlei. Anno 2001 wordt nog steeds elke woensdag en zaterdagnamiddag een voorstelling gegeven voor jong en oud. Tijdens de Gentse Feesten wordt gespeeld in openlucht. Het legendarische Gentse Pierke, het guitige en schalkse ventje, weet nog steeds veel kinderhartjes te beroeren.
 
 

 

Museum voor Volkskunde

 
 
Bij de verhuis naar het Kinderen Alijnshospitaal in 1962 veranderde de naam van het Folkloremuseum in Museum voor Volkskunde. Men opteerde ervoor om in elk van de huisjes een ambacht tentoon te stellen. In de verschillende kamertjes kon de bezoeker het alaam en de producten van de hoedenmaker, de schoenlapper, de kaarsengieter, de thuiswever, de kuiper of de klompenmaker aanschouwen.
 
 
In de trant van de toenmalige tijdsgeest werden getrouwe en sprekende reconstructies van verdwenen ambachten en interieurs uitgebeeld. De folkloristen streefden ernaar om de sfeer van 1900 zo nauwkeurig mogelijk weer te geven en de wereld op te roepen waarin ambachtslui hun stiel uitoefenden. De bezielers wilden de verscheidenheid van de in onbruik geraakte of zeldzaam geworden ambachten in beeld brengen. Getuigenissen van het volksleven in Vlaanderen verzamelen en van de ondergang redden was toen een belangrijke drijfveer. Met nostalgie keek men immers op de goede oude tijd terug.
 
 
Daar de collectie van het museum tevens de algemene stedelijke volkscultuur omvat, werd ook het interieur van een salon van de kleine burgerij gereconstrueerd en werd een prebendewoning ingericht. In deze ruimte met plattebuiskachel werden volkse huisraad en aardewerk tentoongesteld om de sfeer van een armtierige woning op te roepen.
 
 
Tot ver in de twintigste eeuw was inzicht krijgen in de 'eigen volksaard', het eigene van een volk, een belangrijke doelstelling van de volkskunde. De volkscultuur werd in tegenstelling tot de cultuur van de elite beschouwd als relatief statisch van karakter en daardoor samen met de taal als de meest authentieke uiting van de nationale 'volksziel'.
 
 
Een andere karakteristiek van deze romantisch-nationalistische volkskunde is dat men zich richtte op de anonieme volkscultuur. Het ging om die culturele uitingen die kunnen beschouwd worden als de collectieve expressie van het volk. Men ging er vanuit dat het mogelijk zou zijn om op basis van de waarneming van deze cultuuruitingen een geografische reconstructie te maken waarbij de grenzen een beeld zouden opleveren van cultuurgebieden. Door haar sterke gerichtheid op de eigen, autochtone cultuur is de volkskunde in de jaren dertig en veertig vatbaar gebleken voor politiek misbruik. Dat heeft na de Tweede Wereldoorlog geleid tot een grondige bezinning op de grondslagen van het vak, uitmondend in een theoretische heroriëntatie binnen de Europese volkskunde in de jaren zestig.
 
 
Het concept van de authentieke, statische volkscultuur van de plattelandsbevolking maakte plaats voor een dynamische opvatting van volkscultuur als cultuur van het dagelijkse leven, waaraan alle sociale groepen binnen de multiculturele samenleving deel hebben. In de jaren tachtig en negentig kreeg zowel het sociologisch, antropologisch, etnologisch als historisch onderzoek zijn plaats binnen de discipline van de volkskunde.
 
 

 

Het Huis van Alijn

 
 
In 2000 begon het derde leven van het museum onder de nieuwe naam 'Het Huis van Alijn'. De naamsverandering staat symbool voor een nieuw beleid en een nieuwe positionering, maar duidt meteen ook de verankering van het museum aan met de ontstaansgeschiedenis van de site.
 
 
In de nieuwe visie op volkscultuur gaat veel aandacht uit naar de maatschappelijke rol van het museum binnen een samenleving waarin verschillende culturen naast en met elkaar leven. Het Huis van Alijn wil een huis zijn met een open deur op de wereld waarbij op een creatieve en kwaliteitsbehoudende manier met erfgoed wordt omgegaan en waarbij de relatie met de buurt, met de stad wordt hersteld, vernieuwd en verstevigd. De nieuwe werking wil de mooie site terug tot leven brengen. Het museum wordt een erfgoedproject. Het Huis van Alijn wil als museum fungeren als een hedendaags communicatieplatform op het vlak van het volkskundig cultureel erfgoed dat zich door eigen accenten onderscheidt van de andere volkskunde- en heemkundige musea in Vlaanderen. Het Huis van Alijn wil het unieke patrimonium waarover het beschikt, zowel roerend als onroerend erfgoed, op een actieve en open wijze bewaren, bestuderen, open stellen en communiceren naar een breed publiek.
 
 
Gelijktijdig met de naamsverandering werd gestart met de herinrichting en renovatie van het museumgebouw en met de reorganisatie van de collectie. Tegen 2003 moet de vernieuwing voltooid zijn. Om de museale collectie tot zijn recht te laten komen, staat het maximaliseren van de kwaliteiten van het gebouw voorop. Er vinden geen ingrijpende verbouwingswerken aan het museum plaats. De herwaardering van de collectie staat centraal, meer bepaald het zoeken naar een manier om vanuit een hedendaagse visie om te gaan met een volkskundige verzameling die in het verleden vanuit een andere visie en vanuit een andere maatschappelijke context werd opgebouwd.
 
 
Sinds zijn ontstaan is het museum in de eerste plaats gewijd aan stadsvolkskunde. Duizenden voorwerpen en documenten illustreren de tradities uit het vroegere dagelijkse leven. Aan de hand van een thematische opdeling van de collectie - levenscyclus, volksreligie, vrije tijd en ontspanning, ambacht en handel - wordt liefde, pijn, geloof, passie, inventiviteit, creativiteit en ontspanning in beeld gebracht. Een tijdloos verhaal over mensen en de wijze waarop ze hun leven vorm geven. De bezoeker maakt hier kennis met het dagelijkse leven in Gent in de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw.
 
 

 

De museumopstelling

 
 

Levenscyclus

 
 
'Pillegift en Engelenbrood' belicht op een boeiende en associatieve wijze de manier waarop cruciale overgangsfases in een mensenleven van geboorte tot dood rond de eeuwwisseling in het verstedelijkte, katholieke Vlaanderen werden beleefd. Deze zetten de mens aan tot ritueel handelen, al dan niet gevat in het keurslijf van religie en traditie. Vier belangrijke drempelmomenten, met name zwangerschap en geboorte, groei naar volwassenheid, begeerte en huwelijk, ziekte en dood komen aan bod. Deze ingrijpende gebeurtenissen speelden zich allemaal thuis af. Het geboortehuis was immers ook het sterf- en uitvaarthuis waardoor de confrontatie met het broze leven en de onontkoombare dood veel directer was.
 
 
De christelijke begrafenis staat in het teken van de wederopstanding. Dit komt duidelijk tot uiting in grafschriften en bidprentjes. De mens heeft ambigue gevoelens ten aanzien van dit ultieme afscheid. Men heeft verdriet om het verlies van de dode, maar men heeft ook angst voor de dode. De nabestaanden vreesden dat de overledene hen wilde meenemen in de dood, of dat de dode de overtocht naar de hemel niet zou maken. Zijn ziel zou dan kunnen blijven rondspoken en de mensen lastig vallen. Men stelde bijgevolg alles in het werk om de overtocht zo goed mogelijk te laten verlopen en om de terugkeer van de doden te bezweren.
 
 
Een gelovige moest zuiver zijn en vrij van zonden om naar de hemel te kunnen gaan. Daarom kreeg de stervende de laatste sacramenten - de biecht, de communie, en het heilig oliesel - toegediend. De angst om eeuwig te schroeien in de hel was groot. Voor de berechting werd naast het sterfbed een gelegenheidsaltaar geïnstalleerd. De kaars die de stervende in zijn hand hield, werd in de volksmond ook wel de 'reisstok' genoemd. De dood werd verkondigd door het 'wenen' van de klok.
 
 
Men moest allerlei rituele voorschriften in acht nemen om te verhinderen dat de ziel van de dode zou terugkeren. Men sloot de ogen van de dode, bedekte de spiegels, hield ramen en rolluiken gesloten, en keerde de glazen om te beletten dat de ziel van de dode zich erin zou schuilhouden. Opdat de dode niet het geluk van het huis met zich zou meevoeren, werden haarlokken en stukjes nagels van handen en voeten weggenomen en bewaard in de familie. Van oudsher wordt aan menselijk haar een bijzondere (levens)kracht toegekend. Soms maakte men ter nagedachtenis ook haarsouvenirs uit de lokken van de overledene.
 
 
De dode werd thuis afgelegd en opgebaard op het bed waar hij zijn doodsstrijd had gestreden, gekleed in zijn mooiste hemd, zijn zondags pak of zijn huwelijkskledij. Het wassen en afleggen van het lichaam, en het waken bij de dode was een burenplicht. Als laatste groet gaf men de dode een kruisteken met een in wijwater gedrenkte palmtak. Men waakte bij de dode en bad voor zijn zielenrust. De lijkgeur werd verdreven door allerlei huismiddeltjes zoals het branden van wierook en het leggen van versgemalen koffie onder het sterfbed.
 
 
Het leven van de rouwenden stond stil: de klok werd stilgezet, er mocht geen muziek gespeeld noch gefeest worden. Men droeg zwarte rouwkledij opdat de familieleden onherkenbaar zouden zijn voor de dode. De duur van de rouwperiode hing af van de verwantschap met de dode en zijn sociale positie.
 
 
De begrafenisplechtigheid met de koffietafel of 'uitvaart' is een definitief afscheid aan de overledene. Het dode lichaam wordt bij de familie weggehaald en krijgt een definitieve rustplaats op het kerkhof. Hoewel men de dood 'de grote gelijkmaker' noemt, komt bij de begrafenis de sociale stand van de overledene duidelijk tot uiting. Voor de kerkelijke uitvaart bestonden verschillende klassen. Tot ongeveer 1940 was het gebruikelijk om na de eersteklasse-lijkdienst brood uit te delen aan de armen. Pas vanaf 1953 werden de lijkkoetsen vervangen door gemotoriseerde lijkwagens.
 
 
In het begin van de twintigste eeuw overleden nog vele moeders en kinderen in het kraambed. Door de beperkte hygiëne en de gebrekkige medische kennis was de geboorte een riskant gebeuren. In Vlaanderen hoopte men de bevalling in goede banen te leiden door de moeder te omringen met kerkkaarsen en andere beschermende voorwerpen. Ook magische middelen dienden voor een voorspoedige bevalling te zorgen. Men zette bijvoorbeeld een roos van Jéricho in een kommetje water. Deze woestijnroos opent als ze in contact komt met water. Men plaatste deze in de kraamkamer opdat de baarmoeder zich ook zou ontsluiten.
 
 
Men geloofde dat een kind werd geboren met de erfzonde. Uit schrik voor een onverwachte dood doopte men kinderen binnen de drie dagen na de geboorte, anders zouden ze eeuwig blijven rondzwerven als 'dwaallichtjes'. Wanneer men vreesde dat het kindje voor de geboorte zou sterven, werd met een doopspuit wijwater in de baarmoeder gebracht.
 
 
Bij het doopsel wordt met water en olie de erfzonde weggewassen en wordt het kind opgenomen in de christelijke gemeenschap. Bij de doop legde de priester het kind een schapuliertje op. Dit amulet met de afbeelding van heiligen beschermde het kind tegen ziekte en onheil. De witte doopkledij symboliseert de zuiverheid van het gedoopte kind. Vroeger gebeurde de naamgeving tijdens het doopsel. De naam werd soms geheim gehouden tot het doopsel. De dag van het doopsel, de naamdag, was dan ook belangrijker dan de geboortedag.
 
 
Praten over seksualiteit en zwangerschap was taboe. Lange tijd werd aan kinderen verteld dat kinderen door de ooievaar werden gebracht of dat ze werden geboren uit de kolen. Dit vinden we vaak terug op geboortekaartjes. Namen werden van generatie op generatie doorgegeven. Het kind kreeg voornamen van peter, meter of van de dagheilige van de doopplechtigheid. Aangezien het kind te jong was om zelf een geloofsbelijdenis af te leggen, deden peter en meter dit in zijn naam. Tot aan het vormsel fungeren zij als een tweede stel ouders en staan zij in voor de christelijke opvoeding van hun petekind. Bij het doopsel schonken zij een 'pillegift' aan hun petekind. Typische pillegiften zijn de tinnen doopschaal en de wieg. Peter en meter betaalden ook de suikerbonen die na de doopplechtigheid werden uitgedeeld aan buren en familie. Familiebanden concretiseren zich ook in attributen die van generatie op generatie worden doorgegeven zoals het doopkleed, de doopkaars en de wieg. Na de kerkelijke plechtigheid hield men de 'tweede doop' in de herberg of organiseerde men een doopfeest voor de familie.
 
 
Het onderricht op school stond in functie van het katholieke geloof. Kinderen moesten vrome, gelovige volwassenen worden. Orde, discipline en tucht waren de pijlers van het onderwijs. Ongehoorzame kinderen kregen van het zweepje of moesten met hun knieën in hun klompen gaan zitten. Vanuit de school en het gezin voedde men kinderen op in een rollenpatroon. Jongens en meisjes werden op school gescheiden. Meisjes werden opgevoed tot huisvrouwen, toegewijde moeders en echtgenotes. Ze leerden breien, borduren en naaien. Hun borduursteken oefenden ze op een merklap, zo leerden ze tegelijkertijd de cijfers en het alfabet. Jongens werden opgevoed tot arbeiders en kostwinners.
 
 
In 1914 verlengde men de schoolplicht van zes tot veertien jaar. Na de schooltijd werden arme kinderen uit werken gestuurd. Dit betekende vaak ook het einde van hun kindertijd. Kinderen uit de rijkere klassen genoten een verdere opleiding en hadden ook meer tijd om te spelen. In de collectie bevindt zich een achttiende-eeuws houten hobbelpaard dat de bekende beeldhouwer Laurent Delvaux sculpteerde voor zijn kinderen. Het wordt gerekend tot een van de meest prestigieuze speelgoedtuigen die ons uit de achttiende eeuw zijn overgeleverd. Dergelijke hobbelpaarden waren uitsluitend bestemd voor kinderen van de gegoede klasse. Ze hadden ook een educatieve functie, met name de kinderen vertrouwd te maken met de beginselen van het paardrijden. Kinderen uit de minder gegoede milieus moesten het stellen met paardjes uit karton of papier-maché. Dit meesterwerkje werd in 1943 in de collectie van het Museum voor Volkskunde opgenomen en kan als een belangrijk collectiestuk worden beschouwd.
 
 
Meisjes werden opgevoed tot voorbeeldige dames, terwijl jongens een klassieke opleiding kregen. Een jongen werd pas als echte man beschouwd als hij in het leger ging. Bij de loting konden rijken zich vrijkopen en een arme man in ruil voor geld hun legerdienst laten doen. In 1909 werd de loting vervangen door de dienstplicht.
 
 
Vóór 1910 betekende de viering van de eerste en enige communie en het vormsel rond twaalf jaar naast een religieuze meteen ook een sociale overgang. Vanaf die leeftijd werden kinderen ingeschakeld in het arbeidscircuit. Bij het vormsel hernieuwden de vormelingen de doopbelofte, de geloofsbelijdenis die peter en meter bij het doopsel in hun naam afgelegd hadden. Op het communiefeest dronken de communicanten hun eerste glas wijn of rookten ze hun eerste sigaar. In 1910 stelde paus Pius X de leeftijd van de eerste communie vast op zeven jaar. Het vormsel en de plechtige communie legde hij vast op twaalf jaar. Geleidelijk boette de plechtige communie als sociale overgang aan belang in.
 
 
Het vormsel en de plechtige communie vielen ook op de leeftijd dat kinderen de eerste tekenen van fysieke volwassenheid vertoonden. Vooral in de negentiende-eeuwse katholieke levenssfeer kregen jongeren vanwege hun ontluikende seksualiteit sociale beperkingen opgelegd. Tijdens de puberteit zette immers het spel der verleiding in. Vooral bij de burgerij hechtte men er veel belang aan dat de meisjes zich aan de gedragsvoorschriften hielden. In welstellende kringen was kledij een belangrijk middel in het verleidingsspel: het uiterlijk werd aangewend om te behagen en indruk te maken. Men ontwikkelde ook een gebarentaal met behulp van handschoenen en waaiers.
 
 
Het huwelijk was vroeger een belangrijke sociale overgang. De statuswijziging van vrijgezel naar getrouwde man of vrouw moest worden vergoed aan de gemeenschap en familie. Zij onderwierpen bruid en bruidegom ook aan symbolische bestraffingen omdat deze hen verlieten. De bruidegom moest zijn vrienden op de vrijgezellenavond trakteren op 'huilbier' of 'scheebier' (afscheidsbier). Aan de vooravond van de bruiloft gingen de vrienden van de bruidegom de bruid 'losschieten' met kanonnetjes. Na de huwelijksinzegening werden bruid en bruidegom 'gestropt' aan het kerkportaal en moesten ze de doorgang naar een nieuwe levensfase 'afkopen'. De ringen staan symbool voor de verbondenheid. Bij het portaal strooide men rijst over bruid en bruidegom. De kiemkracht van rijst symboliseert de vruchtbaarheid. Ondanks het taboe op seksualiteit - iedere vorm van seksualiteitsbeleving die niet de voortplanting tot doel had, was een zonde -was het volgens de katholieke kerk toch een zegen om veel kinderen te hebben. Ook door geschenken wenste men het pasgetrouwde koppel vruchtbaarheid toe. In de collectie bevindt zich een prachtig versierd achttiende-eeuws struisvogelei. Hoewel het gebruik van struisvogeleieren in onze streken natuurlijk zeldzaam is, komt het ei wel meer voor in de volkscultuur. Het is immers hét symbool voor levenskracht en vruchtbaarheid. Dit ei werd door een zeeman als huwelijksgeschenk gegeven, wat ook in de motieven wordt gereflecteerd.
 
 

 

volksreligie

 
 
In de afdeling volksreligie wordt de bezoeker ingewijd in de gebruiken en tradities uit de Vlaamse religieuze volkscultuur. Vroomheid en angst van de 'kleine, nietige mens' voor de duivel en de straf van God gaven aanleiding tot bijgeloof en godsvrees. De wereld van de volksbedevaarten, boetedoeningen en andere magische devotionele praktijken waarbij (patroon)heiligen om genezing, geluk en voorspoed werden gevraagd, roept fascinerende beelden op. Devotieprentjes, bedevaartvaantjes, ex-voto's, relikwiehouders, besloten hofjes en religieuze grafiek zijn vaak pareltjes van volkskunst en huisvlijt.
 
 
De mens stelt zich vragen over de zin van geboorte, ziekte, lijden en dood. De religie biedt de mens een verklaring voor zijn levensvragen en bescherming tijdens onzekere momenten. Bij ziekte smeekt men genezing af. In het volksgeloof richt men zich voor elke kwaal tot een bepaalde heilige. De Heilige Coleta verzocht men om een goede bevalling. Tot de Heilige Anna wendde men zich voor een goed huwelijk.
 
 
Op bedevaarten offerde men aan de heilige in kwestie wassen en metalen ex-voto's en brandde men kaarsen ter bescherming en genezing van mens en dier. Ook relikwieën - vermeende stoffelijke overschotten of stukjes kledij van heiligen - schreef men een beschermende werking toe. Om te genezen at men ook letterlijk bedevaartzantjes op.
 
 
Ex-voto's werden opgehangen in kerken en kapellen, in bedevaartsoorden, waar een bepaalde heilige werd vereerd. De term ex-voto is Latijn en betekent letterlijk gegeven uit gelofte. In deze betekenis werden in de klassieke oudheid massa's wijgeschenken geschonken aan de goden uit dank voor het bekomen van genezing en voorspoed en om van onheil te worden gevrijwaard. In onze cultuur worden ex-voto's geschonken aan de heiligen. Alle mogelijke voorwerpen komen in aanmerking om als ex-voto te worden geschonken: geld, schilderijen, bloemen, kaarsen, juwelen en gebruiksvoorwerpen. Ex-voto's worden onder meer vervaardigd uit was, ijzer, hout of zilver. Speciaal vervaardigde ex-voto's tonen meestal een afbeelding van de persoon, ziekte of gebeurtenis. Door het vasthouden van het beeldje wordt de pijn of ziekte waaraan men lijdt, overgedragen op het voorwerp. Zo offerde men ex-voto's in de vorm van tanden aan de Heilige Apollonia omdat zij beschermt tegen tandpijn. Varkentjes werden geofferd aan Sint-Antonius omdat hij de beschermheilige is tegen de varkensziekten. Afhankelijk van de cultusplaats worden votieven op het altaar of op een tafeltje geplaatst, aan of voor het beeld van de geneesheilige geofferd. Vaak waren deze ex-voto's ook te koop in de buurt van kerken en kapellen en in de nabije omgeving van bedevaartplaatsen.
 
 
Een andere typische uiting van Vlaamse volksdevotie zijn de bedevaartvaantjes. Elk bedevaartsoord had zijn eigen vaantje. Op het papieren of linnen vaantje staat meestal de kerk of de kapel van de bedevaartplaats afgebeeld, de vereerde heilige en enkele attributen. De bedevaarder kon het aanschaffen en meenemen naar huis waar het vervolgens in de huiskamer of in de stal werd opgehangen en diende als aandenken of als afweermiddel tegen onheil.
 
 
De belangrijkste inspiratiebron in deze religieuze volkskunst is wellicht de dood van Christus geweest. Naast de kapelletjes met Mariabeelden treft men langs de wegen door het Vlaamse land en in talrijke huiskamers kruisbeelden aan. In het museum worden dan ook kruisbeelden in alle vormen, materialen en met verschillende afbeeldingen bewaard. Het kruisbeeld, de calvarieberg, is wellicht de meest voorkomende afbeelding van het lijden van Christus. De devotie beperkte zich niet tot de kruisbeelden in huis. Ze waren ook te vinden in kerken, op graven, aan de rozenkrans, op doodskisten, op bidprentjes en huiszegens.
 
 
In de collectie bevinden zich ook veel heiligenbeelden. Beelden van patroonheiligen waren te zien in kerken en kapellen, maar ook gilden hadden er in hun bezit. In Vlaanderen was Sint-Sebastiaan een geliefde patroonheilige van vele gilden. Pijl en boog waren oorspronkelijk het meest gebruikte wapen van de gilden. De patroonheilige van de gilden vinden we ook veelal afgebeeld op siervoorwerpen, zoals borden en andere kunstvoorwerpen, vaandels en meubilair. In de collectie van het museum bevinden zich heel wat voorwerpen die getuigen van het rijke verenigingsleven.
 
 
De verzameling volkse religieuze voorwerpen wordt in de loop van 2002 ondergebracht in de kapel. Ex-voto's, relikwiehouders, heiligenvoorstellingen, bedevaart- en processieattributen en tal van volks-godsdienstige drukwerken zullen er de spontane en de opgelegde volksdevotie illustreren.
 
 

 

Vrije tijd en ontspanning

 

 

In de opstelling 'Fanfares en ander feestgedreun' wordt de bezoeker ondergedompeld in het feestgebeuren en maakt hij kennis met de vedetten van weleer: de excentrieke kermis- en circusartiesten, de befaamde marktzangers, de sterren van het podium en de bejubelde sporthelden.

 
 
In het vermaak van de volkse stedeling aan het eind van de vorige eeuw was het estaminet hét hart van het verenigingsleven. Duivenmelkers, vinkeniers, schutters, wielrenners en voetbalfans vonden de weg naar het café waar overwinningen van de plaatselijke (sport)helden in ware volksfeesten uitmondden. Ook op buurt- en kermisfeesten werd uitbundig gezongen, gedronken en gedanst. Muziek was heel belangrijk binnen de vrije tijd. Zowel zelf muziek maken als het beluisteren. Een typisch negentiende-eeuws volksinstrument is de rommelpot. Deze bestaat uit een aardewerken pot waar een varkensblaas overheen is gespannen. Door met een rieten stokje op en neer te bewegen begint het membraan te trillen en krijgt men een specifiek knorrend geluid.
 
 
De meer gegoede burgerij verzamelde zich in de salons en schouwburgen en trok naar de hippodroom of de roeibaan. De statige groepsportretten van de schuttersgilden laten geen twijfel bestaan over het elitaire karakter van deze verenigingen. Op zondag waren uitstapjes naar het stadspark, de dierentuin en naar zee geliefd.
 
 
In de negentiende eeuw had zowat elke stad een dierentuin. Deze parken waren louter bedoeld als recreatieparken en hadden geen wetenschappelijke fundering. De Gentse dierentuin, opgericht in 1864, verdween in 1904. Ondertussen had de burgerij de Kempen, de Ardennen en vooral de Kust als nieuwe trekpleister ontdekt. In de negentiende eeuw kwamen de vervoersmogelijkheden in een stroomversnelling terecht. Door de trein, de auto en fiets neemt de bewegingsvrijheid toe. Rond de eeuwwisseling was reizen nog een privilege voor de adel en de burgerij. De invoering van het wettelijk betaald verlof in 1936, de congé payé, werkt drempelverlagend en laat meer mensen toe uitstapjes te maken.
 
 
Het hedendaagse beeld van de toerist gewapend met fototoestel wortelt ook in de late negentiende eeuw. Omstreeks 1880 kent de fotografie in het toerisme een snelle doorbraak, ook al mag dit uiteraard niet te snel veralgemeend worden. Het bleef een luxe om zich te vereeuwigen op foto. De eerste souvenirfoto's geven vaak een vertekend beeld: de toerist werd gefotografeerd in studio waarbij men de vakantiesfeer imiteerde. Aan de kust waren er heel wat fotografen die een studio hadden ingericht volgens de omgeving. Geleidelijk gaat men fotograferen buiten de studio.
 
 
Fotografie groeit geleidelijk aan uit tot een heuse hobby. De pioniers waren wetenschappers, maar al in de late negentiende eeuw worden verenigingen opgericht voor amateurfotografen. In Gent werd de eerste afdeling van de Association Belge de Photographie opgericht in 1874. Deze vereniging kende een eigen tijdschrift en enkele befaamde leden, zowel professionele fotografen zoals Edmond Sacré, als enkele amateurfotografen, zoals Arnold Vander Haegen. Deze vereniging was een elitair genootschap. Geregeld werden uitstapjes georganiseerd. Rond de eeuwwisseling krijgt deze voorname vereniging concurrentie van andere fotoclubs, zoals de Photo-Club Gantois en Lux Nova.
 
 
De centrale plaats van het estaminet komt duidelijk naar voor bij heel wat sporten. Het café is duidelijk de volkse vergaderplaats bij uitstek. Vaak was het café clublokaal van meerdere verenigingen, die elk hun plaatsje op de muur eisten, zodat een heuse verzameling trofeeën, bloemen, foto's de gelagzaal sierde. Spelers en supporters van zowel echte caféspelen als kaarten, biljart, struifvogelwerpen of vogelpik, als van de groepssporten op het veld verzamelen in het estaminet waar werd nagepraat over de sportieve prestaties.  
 
 
Het struif- of struisvogelspel is een volksspel dat bekend staat onder de roepnaam 'vogelpik'. Doel van het spel is een houten blazoen te treffen met een aan het plafond gehangen houten of ijzeren vogel. De afneembare pinvormige snavel vervangt de pijlen uit de 'klassieke' versie. De spelers laten de vogel naar het scorebord zwieren zodat de snavelpin in een van de genummerde ringen blijft steken. Winnaars van wedstrijden werden vroeger in natura (vlaaien, eieren,...) beloond.
 
 
In de negentiende eeuw worden heel wat verenigingen opgericht. Sport is duidelijk ook klassengebonden. Schieten, paardenrennen, roeien en de zogenoemde zelfbewegingssporten met motorvoertuigen waren zeer elitair. Heel wat van deze elitaire sportverenigingen hadden een gesloten karakter en hielden vast aan tradities, zoals onder meer de rijke en traditionele schuttersgilden met hun aloud patrimonium. In deze gilden werd vooral het schermen, boogschieten, kruisboogschieten en hun varianten beoefend. Meer volkse schuttersverenigingen, zoals de blaaspijpverenigingen, waren verbonden met een café. Andere volkse sporten waren wielrennen, voetbal, duivensport, vinkenzetten en turnen. De meeste van deze sporten waren aanvankelijk erg elitair, maar groeiden uit tot volkse sporten.
 
 
In heel wat sporten worden dieren betrokken. Het ruwe omgaan met de dieren, kaderde volledig in de tijdsgeest. Zonder scrupules werden de ogen van de vinken dichtgebrand, zodat die meer hun 'suskewie' zouden zingen of moesten hanen het tegen elkaar opnemen tot de dood. Hoewel hanengevechten sinds 1929 officieel verboden waren, bleven ze heel lang erg populair. Op deze bijeenkomsten werd veel geld ingezet, zowel op het gevecht zelf als op veel andere verboden gokspelen die er werden beoefend, zoals het spel 'zon en ankers'. Net zoals bij duiven- en paardensport, was ook hier het financiële aspect belangrijk. Duivensport was een echte Belgische sport; zelfs nu nog zijn de Belgische wedstrijdduiven overal sterk gegeerd.
 
 
Het opmeten van de tijd was bij de duivensport heel belangrijk. De duif met de hoogste gemiddelde vliegsnelheid is de winnaar van de vlucht. Om de aankomsttijd te meten werd een constateur gebruikt. Dit instrument bevat een dubbele klok, waarmee de tijd kan worden afgedrukt. Aanvankelijk had enkel de duivenmaatschappij een constateur in het lokaal, zodat het een race werd om als eerste bij het clublokaal te zijn.
 
 
België is ook een echt wielerland. Het palmares van de flandriens getuigt hiervan, samen met de vele wielerklassiekers die in België gereden worden. De meeste grote wielerklassiekers zoals Luik-Bastenaken-Luik, de Ronde van Vlaanderen of Paris-Roubaix werden opgericht rond de eeuwwisseling. In deze periode ontstonden ook heel wat hedendaagse voetbalclubs, zoals A.A. Gent. Sportclubs waren heel amateuristisch georganiseerd. Op zondag trokken heel wat mensen naar de voetbalstadia of de velodroom. Sporthelden waren echte volkshelden, die naast hun sportieve prestaties meestal nog gingen werken. Van beroepssport was slechts beperkt sprake. Wedstrijden waren heuse massabijeenkomsten, waarbij de fanfare het geheel een feestelijk tintje gaf.
 
 
Het hoogtepunt in het ontspanningsleven was de kermis. De oorsprong van de kermis situeert zich in de kerkmis, het middeleeuwse gebruik om de kerk te wijden. Hierbij verzamelde zich een massa op het kerkplein, bijgevolg een graag geziene gebeurtenis voor allerlei venters, straatmuzikanten, goochelaars of toneelspelers. Geleidelijk aan groeide hieruit de foor, die zich verder ontwikkelde tot de kermis zoals we die nu kennen.
 
 
Elke wijk had zijn eigen kermis, waarbij de fanfare, alle lokale verenigingen, de dekenij en alle cafés betrokken waren. Bij deze kermissen werden zowel elitaire vermakelijkheden zoals een schutterswedstrijd, als volksvermaak zoals volksspelen georganiseerd. Ook tijdens de kermis stond het café centraal en werd het sluitingsuur versoepeld. In Gent waren er acht wijkkermissen, die men 'De Acht Zaligheden' noemde. Deze acht kermissen duurden elk twee weken en volgden elkaar chronologisch op. Vóór het kermisseizoen, vierde men uitbundig carnaval en was er de grote kermis, de Halfvastenfoor. Het idee om deze wijkkermissen te herleiden tot één 'Algemene Kermis' werd al in de jaren 1830 gelanceerd.
 
 
Men raakte het niet eens of het een elitair gebeuren moest worden, met paardenrennen als kern, of een heuse foor. In 1838 werden de eerste paardenrennen, de hippische feesten, georganiseerd, maar in 1843 ging men over tot het organiseren van de eerste 'Algemene Kermis' of 'Gemeentefeest', met galaconcerten, bals en vuurwerk en de paardenrennen als hoogtepunt. Het enige waarbij iedereen aanwezig was, was het bal op de Kouter. Rijk en arm dansten op hetzelfde plein, strikt van elkaar gescheiden. Deze overkoepelende, van overheidswege ingerichte kermis deed de kleine wijkkermissen niet verdwijnen. Geleidelijk gingen ze wel aan belang inboeten en stemden ze hun programma af op de algemene kermis, die evolueerde tot de hedendaagse Gentse Feesten.
 
 
Op dergelijke kermissen en foren waren veel attracties aanwezig. Hoewel het foorgebeuren in de negentiende eeuw sterk werd gehekeld, kreeg de kermis op het eind van de negentiende eeuw een nieuwe betekenis. De klemtoon kwam op het educatieve aspect te liggen: op de foor werden de nieuwe ontdekkingen en uitvindingen aan het grote publiek getoond. Hier kon men kennismaken met andere culturen, waarbij vooral de oosterse landen heel populair waren. Men kon Egyptische dadels en Turkse nougat proeven, buikdanseressen bewonderen in het 'Oosters Paleis' of vol ontzag kijken naar dierentemmers die in het circus levensgevaarlijke spektakels brachten met hun exotische dieren. Daarnaast waren er vele musea en de barakken 'entre-sorts'.
 
 
Ook hier werden allerlei nieuwe en vreemde dingen getoond: er was een mechanisch museum, voorstellingen met toverlantaarns en bewegend beeld, een anatomisch museum en kunstsalons. Heel populair was het tentoonstellen van de zogenoemde 'wonderen der natuur': dwergen en reuzen, Siamese tweelingen, vrouwen met baard en snor. Carrousels, wafelkramen en oliebollen waren steevast van de partij en zijn nog steeds kenmerkend voor de huidige kermis. Op de kermis waren ook zangers en venters aanwezig. In Gent was Karel Waerie, bekend als 'den Gentsche Béranger', de volksheld. Hij trok naar foren, markten en cafés om er te zingen. In zijn liedjes hekelde hij kerk en staat en zong hij over de dagelijkse realiteit van zijn publiek, zodat heel wat arbeiders zich in zijn teksten terugvonden. Hij was dan ook een heuse volksheld, zoals we in heel wat steden en dorpen aantreffen. Andere volksfiguren die we steevast terugvinden zijn de venters met de makaronkast, bij wie je tegen betaling een gok mocht wagen om een blad vol makarons te winnen.
 
 
Bij de foor en zeker bij de Gentse Feesten werden allerlei spektakels georganiseerd zoals de Venetiaanse waterstoeten, het oplaten van een luchtballon of een groots vuurwerk, onveranderd opgeluisterd door de fanfare.
 
 

 

Ambacht en handel  

 

 

De afdeling ambacht en handel weerspiegelt een andere tijdsgeest. Creativiteit en technisch vernuft maken het ambachtelijk product tot een staaltje van vakmanschap. Niet alleen de functionaliteit maar ook de sierlijke vormgeving van het alaam is soms verbazingwekkend.

 
 
In het huis van Alijn maakt de bezoeker kennis met het meesterschap van de barbier, de drukker, de houtdraaier, de tinnegieter en nog enkele andere beroepen. Daarnaast kan hij de sfeer snuiven van een oude kruidenierswinkel, een drogist en een snoepwinkel en maakt hij kennis met oude gebruiken en gewoontes. Uit onderzoek blijkt dat het versieren van gebak met een patacon een typisch Vlaams gebruik is. De patacon, een in pijpaarde witgebakken medaillon met aan de bovenzijde een afbeelding in reliëf en beschilderd in felle kleuren, werd op de bovenkant van een nieuwjaarskoek, van een kerst- of feestkoek ingebakken. De afbeeldingen zijn zowel profaan of religieus van aard.
 
 
In de collectie van het museum bevinden zich verschillende uithangtekens. Sommige zijn van eenvoudige makelij terwijl andere dan weer getuigen van vakmanschap en inventiviteit. Het merendeel van de uithangtekens stamt uit de negentiende en begin twintigste eeuw. In onze contreien duiken uithangtekens in het straatbeeld op in de Middeleeuwen. Deze gevelversieringen verdwenen na de Eerste Wereldoorlog. Naast geschilderde, figuratief uitgewerkte houten borden die aan staven werden opgehangen, werden ook gebeeldhouwde figuren uit hout of steen op de luifel geplaatst. Uithangtekens werden gebruikt als herkenningsteken maar fungeerden meteen ook als reclameborden.
 
 
Bij ambachtslui was het de gewoonte om hun instrumentarium af te beelden. Soms werd ook de patroonheilige op het uithangbord voorgesteld. De houten barbierstok in het kappersalon behoort samen met het scheerbekken tot de typische uithangtekens van de barbier. Deze voorwerpen zijn duidelijke verwijzingen naar het vroegere beroep van de barbier. Naast het haarknippen en baardscheren behoorde het ook tot zijn taak om abcessen te behandelen, aderlatingen te verrichten en kiezen te trekken. Tot en met de achttiende eeuw was het beroep van barbier immers verwant met de heel- en geneeskunde. Tijdens de Franse Overheersing werd een decreet uitgevaardigd dat een einde stelde aan het samengaan van deze praktijken. De voornaamste bezigheden van de barbier werden het knippen en scheren. Wanneer hij voldoende kennis en kapitaal had om de economische evolutie van haartooi en schoonheidsverzorging op de voet te volgen, kon hij zich opwerken tot 'coiffeur'. Het was vooral de gegoede burgerij die naar de 'coiffeur' ging. De dames-en herenkapper eigende zich deze benaming toe om zich te onderscheiden van de barbiers.
 
 
Het salon van de barbier was heel sober ingericht. Vaak bevond het zich in de herberg of in een vertrekje ernaast. Er was een wastafel, een scheerzetel, stoelen voor de wachtenden en kasten voor het opbergen van het gereedschap. Het meubilair van de kapper was kostbaarder, uitgebreider en smaakvoller. Bij het kappersalon hoorde een winkel waar een groot assortiment aan pruiken, toupets, reukwaren en opschikartikelen werden verkocht.
 
 
Het bekken werd van oudsher als uithangteken gebruikt. Daar het woord 'scheerbekken' niet voorkomt in oude teksten, wordt verondersteld dat het bekken in oorsprong een recipiënt was om het bloed op te vangen bij aderlatingen. Pas later wanneer dit bekken onder de kin van de klant werd geschoven, is het verworden tot een scheerbekken. Naast het bekken werd ook de barbierstok als uithangteken gebruikt. Deze stok werd gebruikt bij de aderlating. De patiënt diende de stok in de vuist te knellen en door het opzwellen van de aders kon de aderlating vlotter verlopen. Van het kabinet van de chirurgijn-barbier belandde de barbierstok als uithangteken bij de barbier en later bij de coiffeur. De barbierspaal die in het museum wordt bewaard, is spiraalsgewijs beschilderd met rode en witte banden. Het rood refereert aan het bloed en het wit aan de kleur van de linnen laatdoeken die bij het aderlaten werden gebruikt.
 
 
De unieke collectie achttiende-eeuwse apothekerspotten, opgesteld in een Empire-opstand die in 2001 werd gerestaureerd, is een echte blikvanger. Zowel de collectie potten als het interieur zijn afkomstig uit Gentse apotheken.
 
 
De apothekerspotten van het Huis van Alijn zijn over het algemeen in Delfts aardewerk, zeventiende- en achttiende-eeuws, met Latijnse opschriften. Naast deze potten zien we ook enkele mooie stenen mortieren en bronzen vijzels, twee waterfilters, een balans en een mooie glazen bol op de toonbank. Typisch zijn ook de met kleurstof gevulde glazen bollen die de uitstalramen van de apotheken opluisterden.
 
 
Voor de apotheker bestond ontzag en schroom die in de hand werden gewerkt door de raadselachtige emblemen en vaak exotisch aandoende symbolen, zoals de zaagvistanden, opgezette krokodillen, haaiengebitten en de hertengeweien in de apotheek. Deze voorwerpen sierden plafonds en muren en werden zelfs als uithangtekens gebruikt.
 
 
Deze (sier)voorwerpen schiepen een magische sfeer en in het volksgeloof en volksgeneeskunde werden er ook genezende krachten aan toegekend. Zo diende het schraapsel van hertshoorn om het krijgen van tanden te bevorderen en om overvloedige stoelgang te remmen. Gebrande hertshoorn werd bij vrouwen gebruikt tegen witvloed. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat hertshoorn rijk is aan mannelijke hormonen. Het schraapsel van de zaagvistand werd in de volksgeneeskunde gebruikt tegen de vallende ziekte. Op oude reclame- en adreskaarten vinden we deze symbolische elementen veelvuldig terug. Herten, slangen, vijzels en distilleer-apparaten zijn de meest voorkomende symbolen.
 
 
Naast de apotheek kan de bezoeker van het Huis van Alijn ook kennis maken met een drogisterij Joseph de Vreese-Wunghel en een kruidenierswinkel. In de drogisterij bevinden zich kleurrijke en decoratieve apothekerspotten in diverse vormen en maten, stroopen voorraadflessen in faïence, in bruin, blauw en groen glas. De grotere modellen, met rieten mantel, worden doorgaans dame-jeannes of mandflessen genoemd.
 
 
Op de toonbank van de drogist staan verschillende pillendoosjes en -verpakkingen en twee sifonflessen. De vitrinekast aan de muur toont enkele kleine toestellen uit de recepteerkunde waarmee aftreksels, mengsels en distillaten werden bereid alsook maatbekertjes, trechters, een reisapotheek en enkele pillenmachines. Bij de kruidenier staan de blikken voorraadpotten en kruidentonnen uitgestald.
 
 
Historisch bekeken bestaat er een nauwe relatie tussen deze drie beroepen. Vroeger gingen de arts en de zieke meestal bij de kruidenier of drogist om een kruid of gewas voor geneeskundig gebruik te halen om drankjes en zalven te bereiden. Het waren immers de kruideniers die voor de verkoop van grondstoffen, vooral in poedervorm, zorgden. Daarnaast waren er ook rondreizende kwakzalvers die allerlei geneeskrachtige drankjes en wondermiddeltjes aan de man probeerden te brengen. De geschiedenis van de artsenijbereidkunde in onze streken begint wanneer het woord 'apotheker' een begrip werd, iets wat voor de dertiende-veertiende eeuw nog niet het geval was. Vroeger hadden de apothekers veel weg van kruiden- en specerijenhandelaars. 'Apotheek' was synoniem van het Italiaanse 'boteca', het Franse 'boutique' en was een plaats waar niet alleen geneesmiddelen maar ook specerijen, verfwaren, parfumerie en eetwaren werden verkocht. Soms krijgt men aanduidingen dat herbergen en handels in wijnen aan een apotheek verbonden waren.
 
 
Apothekers begonnen zich gaandeweg van de kruideniers te onderscheiden doordat zij Latijn en vakkennis dienden te beheersen. Vanaf de achttiende eeuw werd het een langdurige universitaire studie. Op veel plaatsen werden de eerste apotheken op kosten van de overheid opgericht en ontwikkelde het beroep van apotheker zich pas in de loop van de negentiende en twintigste eeuw tot wat we vandaag kennen. Tot het begin van de negentiende eeuw schreven sommige apothekers op eigen houtje geneesmiddelen voor waardoor er een sterke strijd ontstond tussen de chirurgijns en de apothekers die ook aan huis bij de zieken poogden te gaan om geneesmiddelen voor te kunnen schrijven. Wanneer sterk werkend gif deel begon uit te maken van de geneesmiddelenschat van de apotheker veranderde deze situatie. In de tweede helft van de twintigste eeuw werd artsen officieel verboden een geneesmiddelendepot te bezitten wanneer een apotheek zich in de nabije omgeving bevond.
 
 

 

Het foto- en prentenarchief

 

 
In het Huis van Alijn wordt een omvangrijke collectie prenten, foto's en glasplaten bewaard. Ook beschikt het museum over een mooie collectie porseleinkaarten. Porseleinkaarten zijn negentiende-eeuwse adres- en reclamekaarten. De naam verwijst naar de techniek: op een kartonnen kaart werd een witte laag, een mengeling van pijpaarde en lijm, aangebracht. Op deze witte laag werd via de techniek van de kleur-lithografie een motief met tekst gedrukt. Handelszaken, ambachten, gilden en andere verenigingen gebruikten porseleinkaarten onder meer om hun nieuwjaarswensen over te maken. Ook geboortes en huwelijken werden ermee aangekondigd. Naast deze porseleinkaarten zijn er ook geboortekaartjes, communieprentjes, nieuwjaarsbrieven en doodsprenten bewaard. Dit archief kan op afspraak worden geraadpleegd.
 
 
Sinds een vijftigtal jaar bewaart het museum een collectie glasnegatieven van amateur-fotograaf Arnold Vander Haeghen (1869-1942). Men ontdekte deze waardevolle stukken op de zolder van het 'Hotel Vander Haeghen', een in de Veldstraat gelegen herenhuis dat in 1946 gelegateerd was aan de Stad Gent. Het 'Hotel Vander Haeghen' was drie generaties lang de woon- en werkplaats van de voorname drukkersfamilie Vander Haeghen. Zowel de Gazette van Gent (1841) als de Wegwijzer der Stad Gent (1842) werden er gedrukt en uitgegeven. De handdrukpers en andere drukkersmaterialen van de familie bevinden zich in de museumopstelling. De interessesfeer van Arnold Vander Haeghen reikte verder dan de drukkerswereld. Een van zijn grootste passies was fotografie. Rondtrekkend door de straten van Gent ontsnapten noch volkse noch mondaine taferelen of personen aan zijn lens. Straattonelen, markttonelen, processies, historische stoeten, het foorleven en sportmanifestaties werden in beeld gebracht.
 
 
Afbeeldingen: 
  • Nostalgie naar de goede oude tijd, Folkloremuseum.
  • Folkloremuseum (1932 - 1962).
  • Museum voor Volkskunde (1962 - 2000), kaarsengieterij.
  • Museum voor Volkskunde (1962 - 2000), prebendewoning.
  • Museum voor Volksunde (1962 - 2000), salon burgerij.
  • Museum voor Volkskunde, opening van het museum in 1962.
  • Lijkkoets, tweede helft negentiende eeuw.
  • Huwelijksfoto, rond 1900.
  • Doopspuit, negentiende eeuw.
  • Kinderbrenger, postkaart, begin twintigste eeuw.
  • Doodsprentje, 1854.
  • Communiecanten, eerste helft twintigste eeuw.
  • Postzegeltaal, postkaart, begin twintigste eeuw.
  • Struisvogelei gegeven als huwelijksgeschenk, achttiende eeuw.
  • Voorbeeld van religieuze volksdevotie en volkskunst, prent Sint-Isabella.
  • Wassen ex-voto, eerste helft twintigste eeuw.
  • Processie, eerste helft twintigste eeuw.
  • Sint-Sebastiaan, polychroom beeld.
  • Bidprentje, begin twintigste eeuw.
  • Verering van Sint-Antonius, Ingooigem, 1999.
  • Het Huis van Alijn, opstelling Fanfares en ander Feestgedruis, 2001.
  • Rommelpot, eerste helft twintigste eeuw.
  • Gentse turnvereniging 'Geluk in 't Werk'.
  • Strandtafereel, begin twintigste eeuw.
  • Struifvogel, negentiende eeuw.
  • Constateur, twintigste eeuw.
  • Uitstap Association de Photographie de Gand, Ooidonk, 1895.
  • Krachtpatser Raymond de la Ruelle, eerste helft twintigste eeuw.
  • Fotokraam op de foor, eerste helft twintigste eeuw.
  • Het Huis van Alijn, opstelling houtdraaier, 2001.
  • Patacon.
  • Het Huis van Alijn, opstelling barbier, 2001.
  • Zaagvistand, gebruikt als uithangteken van een apotheek.
  • Het Huis van Alijn, opstelling kruidenier, 2001.
  • Een kwakzalver te Sint-Niklaas, 1891.
  • Porseleinkaart, huwelijksaankondiging, negentiende eeuw.
  • Porseleinkaart, uitnodiging voor studentenbal, 1844.
  • Porseleinkaart, visitekaartje van Marie Provoost, bordeelhoudster, negentiende eeuw.
  • Gentse foor, krachtpatser Raymond de la Ruelle, rond 1900.
  • Paardensport, eerste helft twintigste eeuw.
  • Automobielsport, eerste helft twintigste eeuw.
  • Gentse foor, barak van goochelaar Louis Van Caeneghem, eerste helft twintigste eeuw.
  • Gentse foor, fotobarak, eerste helft twintigste eeuw.
  • Velodrôme Gantois aan de Godshuizenlaan, rond 1900.
 

Activiteiten en tentoonstellingen

 
 
Het Huis van Alijn organiseert museale en extramuseale activiteiten voor een breed cultureel geïnteresseerd publiek. Met de vaste collectie wordt een beeld van de Vlaamse stedelijke volkscultuur tussen 1880 en 1950 getoond. Met de nodige aandacht voor maatschappelijke tendensen en vanuit een multidisciplinaire gedachte worden door middel van een esthetische en gedurfde vormgeving in tijdelijke tentoonstellingen andere volksculturen in het licht gesteld en komen onderwerpen uit het brede (volks-) culturele veld aan bod. Op die manier kan de bezoeker de band leggen tussen het nabije verleden en het heden, tussen de eigen en de andere volksculturen.
 
 
Speciale aandacht gaat uit naar jongeren, allochtonen en senioren. Een belangrijk aspect van de maatschappelijke taak van een volkskundemuseum bestaat erin om jonge mensen te leren kennismaken met een verleden dat zij niet hebben gekend en hen voldoende reflectiemogelijkheden aan te bieden over de evolutie van de maatschappij daar zij gezien de snelle vooruitgang niet meer over de nodige herkenningspunten beschikken. Veel voorwerpen en gebruiken zijn jongeren vandaag totaal vreemd. Het overbruggen van deze steeds groter wordende kloof is een belangrijke opdracht van het museum. Hiertoe moet het museum kennis verzamelen van die mensen die ooit wel vertrouwd waren met deze voorwerpen. Ook wil het museum tonen aan deze jongeren dat volkscultuur niet saai hoeft te zijn, maar integendeel heel boeiend en verrassend kan zijn. Aangezien het Huis van Alijn gelegen is aan de rand van een wijk waar veel allochtonen wonen, vooral van Turkse afkomst, wil het museum ook deze bevolkingsgroep bij het museum betrekken. In een tijd van globalisering is het essentieel dat mensen die tradities en gebruiken van de eigen en de andere culturen leren kennen.
 
 
De eerste tentoonstelling die het nieuwe beleid gestalte gaf, was Arte Popular do Brasil of Volkskunst uit Brazilië. De keuze van de objecten, een selectie voorwerpen uit het Museu Casa do Pontal in Rio de Janeiro, was geaxeerd rond thema's als levenscyclus, geloof en religie, ambachten en handel, feest en muziek. Thema's die ook in de vaste collectie van het Huis van Alijn prominent aanwezig zijn.
 
 
Na Brazilië kwam Nagaland, voor velen in Vlaanderen een totaal onbekende cultuur. Deze tentoonstelling bracht een fascinerend beeld van deze gewezen koppensnellers, hun kunst, cultuur, origine en wereldwijde verwantschappen. Gelegen in het Noord-Oosten van India herbergt deze deelstaat een aantal etnische groepen. Hoewel veel van de traditionele praktijken aan het verdwijnen zijn of reeds verdwenen zijn, is het gebied, ook omwille van de politieke situatie (het streven naar onafhankelijkheid), nog steeds niet gestabiliseerd en is de toegang voor buitenlanders uiterst moeilijk. De beperkte toegang brengt met zich mee dat de kennis over de kunst en de cultuur van de Naga's nog steeds zeer beperkt is. Naast de steen- en houtsculpturen zijn het vooral de sieraden en andere opsmukartikelen die enigszins bekend zijn. De voorwerpen behoren tot privé-collecties en zijn nog nooit eerder tentoongesteld. Qua thematiek sluit deze tentoonstelling aan bij de permanente opstelling Pillegift en Engelenbrood daar de wijze waarop overgangsrituelen worden vorm gegeven ook hier het hoofdaccent zijn.
 
 
De museale en extramuseale activiteiten die zowel binnen als buiten de muren van het museumgebouw worden ontplooid, zijn gericht op zowel een lokaal als een internationaal publiek. Publiekswerking is de motor van het gehele museumgebeuren. De integratie in het stedelijk weefsel en in het leven dat zich in de stad ontwikkelt, is een agendapunt. Het Huis van Alijn probeert in te spelen op hetgeen zich buiten haar deuren afspeelt en gaat actief de uitdagingen van zijn tijd aan. Opdat het Huis van Alijn een open ontmoetingsplaats wil zijn, worden de stadsbewoners bij de projecten en tentoonstellingen zo veel mogelijk betrokken. Met de kabouterinvasies in de stad die de tentoonstelling Mannen met Baarden (over de tuinkabouter -2001) voorafgingen, werden de Gentenaars betrokken bij het tentoonstellingsproject. Er werden meer dan 10.000 witte kabouters uitgezet in de stad die mensen mochten meenemen en beschilderd terugbrengen naar de tentoonstelling.
 
 
Net als de tentoonstelling Mannen met Baarden werd ook de tentoonstelling Hoge Hakken, Roze Billen (van Antoniusvarkens tot pigs in cyberspace - 1999) voor het overgrote deel opgebouwd met voorwerpen van privé-personen. Door aan onderwerpen zoals varkens en tuinkabouters aandacht te besteden in tijdelijke tentoonstellingen proberen we te tonen dat volkscultuur heel breed is en dat onderwerpen uit de cultuur van het alledaagse leven ook museumwaardig zijn. Uiteindelijk gaat het museum over de mens, zijn leefomgeving, zijn gebruiken en rituelen en de voorwerpen die daarin een plaats hebben. Bepaalde tentoonstellingen worden ook geweven doorheen de vaste museumcollectie. In de rand van de tentoonstellingen worden steeds activiteiten ontwikkeld zowel voor kinderen als volwassenen, gaande van filosofiesessies met kinderen, ateliers, theatervoorstellingen tot vertelnamiddagen, filmvoorstellingen en concerten.
 
 
In kleinere tentoonstellingen worden voorwerpen uit de vaste opstelling onder de aandacht gebracht. Op de tentoonstelling JU! over hobbel- en andere speelgoed-paarden stond het prachtig eikenhouten hobbelpaard van de hand van de Gentse beeldhouwer Laurent Delvaux centraal. Deze beeldhouwer is vooral bekend om zijn monumentaal werk. Hij maakte een groot aantal religieuze sculpturen en was ook actief als beeldhouwer aan het Engelse en Portugese hof. Het hobbelpaard wordt gedateerd rond 1740. Volgens een recent verschenen studie zou Delvaux dit speelgoed hebben vervaardigd voor zijn kinderen.
 
 
Tijdens de Gentse Feesten organiseert het Huis van Alijn in de binnentuin een muziekfestival waarbij verschillende muziekgenres, in het bijzonder volksmuziek aan bod komen. Ook is er een jaarlijkse lezingencyclus 'De Ontgrenzing' waarbij sprekers vanuit verschillende wetenschappelijke disciplines vanuit hun vakgebied reflecteren over aspecten van de volkscultuur.
 
 
Afbeeldingen:   
  • Diverse affiches voor tentoonstellingen.
  • Binnenkoer tijdens de Gentse feesten, 2001.
  • Kabouterinvasie, 11 juli 2001.
 

Identificatiekamer

 
 
 
Het museum beschikt over een grote en gediversifieerde collectie (gebruiks)voorwerpen. Sinds het ontstaan van het Folkloremuseum in 1932 worden allerlei voorwerpen die verwijzen naar het alledaagse leven, de stedelijke volkscultuur anno 1880-1950, in de collectie opgenomen. Al deze voorwerpen, voor het merendeel schenkingen, hebben een verhaal, een levensgeschiedenis. Ooit hadden ze een functie, een betekenis en werden ze gebruikt door mensen.
 
 
Doordat deze voorwerpen in een museale context zijn bewaard, doorstonden ze de tand des tijds en leggen ze bij het begin van de eenentwintigste eeuw getuigenis af van een andere tijd, een andere mentaliteit en leefwereld. Jammer genoeg ging bij sommige voorwerpen het verhaal verloren. Geen verhaal, geen naam, geen betekenis en bijgevolg ook geen plaats meer in een museumpresentatie, want onbekend en niet geïdentificeerd. Veilig en wel opgeborgen in de reserves hebben deze soms banale, soms markante voorwerpen jarenlang een dood bestaan geleid. De verborgen zoldervondsten zijn als het ware ontdekkingen, curiosa die niet alleen nieuwsgierigheid, maar ook verwondering opwekken. Voortaan krijgen deze voorwerpen een plaats in een voor het publiek toegankelijke ruimte zodat opnieuw verhalen aan deze voorwerpen gekoppeld kunnen worden.
 
 
Meer nog, om het mysterie, de verborgen geschiedenis van deze voorwerpen te ontrafelen, wordt een beroep gedaan op de museumbezoeker zodat de kennis over deze objecten verder in de toekomst aan anderen kan worden doorgegeven.
 
 
Vanaf 1 september 2001 worden in een 'Identificatiekamer' in het museum die voorwerpen uit de museumcollectie verzameld waarvan herkomst en gebruik niet of weinig bekend zijn. In een eerste fase zijn twaalf voorwerpen uit de collectie geselecteerd. De bezoeker aan de 'Identificatiekamer' wordt uitgenodigd om zijn verhaal aan de objecten te binden en zijn ideeën over de betekenis van het voorwerp neer te schrijven: ervaringen en kennis als vroegere bezitter of gebruiker, anekdotes uit de tijd toen het object nog tot zijn leefwereld behoorde. Deze kamer, als onderdeel van de permanente museumopstelling, wordt een 'onderzoeksruimte' waar de bezoeker zijn verhaal kan toetsen aan dat van anderen.
 
 
Ook op de website van het Huis van Alijn kunnen de voorwerpen worden bekeken, worden de ideeën rond de voorwerpen weergegeven en kan de bezoeker van de site reageren op de voorwerpen. Het Huis van Alijn gaat ook op stap met de voorwerpen. De 12 objecten worden in een grote koffer gestopt en meegenomen naar Clubhuizen voor Senioren, Rust- en verzorgingstehuizen en alle andere plaatsen waar zich senioren bevinden.
 
 
Afbeeldingen:    
  • Het Huis van Alijn, identificatiekamer, 2001.
 

Praktische informatie 

 


Adres en openingsuren:

Het Huis van Alijn

Kraanlei 65

9000 Gent

tel. 09.269.23.50

fax 09.269.23.58

huis.alijn@gent.be

www.huisvanalijn.be

Het Museum is doorlopend open van 11 uur tot 17 uur.

Gesloten op maandag, 1 januari en 25 december. 

 

Bereikbaarheid

Het Huis van Alijn ligt in de historische wijk het Patershol, in het cenh·um van Gent, tussen de Vrijdagsmarkt en het Gravensteen (beiden op 100 meter).

Trein: Sint-Pietersstation, tram 1 (halte Gravensteen)

Auto: afrit Gent-centrum, P-route (naar Parking Vrijdagmarkt) 

 

Toegangsprijzen

normaal tarief 100 BEF (2,5 euro)

kinderen, student, CJP-pas, + 55 jaar, leden OKV 70 BEF (1,75 euro)

inwoners Gent en groepen vanaf 15 personen 50 BEF (1,25 euro)

scholen 30 BEF (0,75 euro)

gratis voor begeleidende leerkrachten, journalisten, leden KBOV, VMV, ICOM 

 

Rondleidingen

Voor rondleidingen in het museum en tijdelijke tentoonstellingen kan u contact opnemen met:

Het Huis van Alijn 09.269.23.50

Gidsenbond 09.233.07.72

Gandante 0479.51.52.42

Vizit 09.233.76.89 

 

Documentatie en archief

Het (foto-)archief en documentatie rond de museumcollectie is raadpleegbaar op afspraak.

Meer algemene informatie over volkscultuur is ook op te zoeken in de bibliotheek van de KBOV die is gevestigd in de ruimte boven de kapel van het museum. 

 

Museumherberg

De museumherberg wordt uitgebaat door de Vriendenkring.

U kan er rustig nagenieten van uw museumbezoek of zomaar binnenlopen voor een drankje.

Open van 11 uur tot 17 uur, behalve op maandag.

Op donderdag ook van 19 uur tot 1 uur. 

 

Herkomst Foto's

Alle foto's behoren tot de collectie/fotoarchief van het Huis van Alijn. 

 

Samenstelling

Sylvie Dhaene

Greet Vanderhaegen

Els Veraverbeke


 Auteursidentificatie

 

Sylvie Dhaene is kunsthistorica en museumdirecteur van het Huis van Alijn

 

Greet Vanderhaegen is kunsthistorica en collectiebeheerder van het Huis van Alijn

 

Els Veraverbeke is historica en wetenschappelijk medewerker van het Huis van Alijn