U bent hier

Het Diamantmuseum in Antwerpen

Het Diamantmuseum in Antwerpen

 

Het Diamantmuseum in Antwerpen

Sabine Denissen (red.)

 


Inhoudsopgave:

·         Historiek van het museum

·         Het diamantverhaal

·         Antwerpen, wereldcentrum voor diamant

·         Diamonds are forever

·         Algemene informatie


 

Historiek van het museum

 

 

Het Diamantmuseum werd voor het eerst geopend in 1971 op de benedenverdieping van het Provinciaal Veiligheidsinstituut in de Jezusstraat te Antwerpen. Kern van de presentatie was de deelcollectie 'diamantalaam'  die het Provinciebestuur van Antwerpen geërfd had van de Vereniging Museum voor Vlaamsche Beschaving en Openluchtmuseum en die bewaard  werd in het depot van het Museum  voor Kunstambachten Sterckshof (nu Museum Sterckshof-Zilvercentrum) te Deurne.

 

Aanleiding hiertoe was de tentoonstelling 'Diamant' in de stadsfeestzaal te Antwerpen in 1967. Deze tentoonstelling was zo succesvol dat besloten werd op permanente wijze dit uitermate belangrijke handelsproduct voor Antwerpen voor het grote publiek te ontsluiten.

 

Al snel bleek dat het museum in de Jezusstraat eigenlijk te klein geconcipieerd was, zodat in 1988 werd verhuisd  naar een nieuw  gebouw in de Lange Herentalsestraat, vlakbij de Antwerpse diamantwijk Hier kon, verspreid  over drie verdiepingen het diamantverhaal op een veel uitgebreidere en didactisch beter uitgebouwde wijze aan bod komen en kon ook de kunsthistorische evolutie van het diamantjuweel, dankzij de aanwezigheid van een goed beveiligde schatkamer, een plaats krijgen.

 

Dit nieuwe museum,  dat voorzien  was voor een jaarlijkse toestroom van 20.000 bezoekers, kreeg er zo'n 80.000 tot 100.000 over de vloer en barstte weerom al snel uit zijn voegen. Door de aanstelling in 1992 van een conservator - voordien  was er één conservator  voor de vier provinciale musea - werd de werking van het museum nog aanzienlijk uitgebreid.

 

Omwille van het ruimtegebrek,  te wijten aan een actievere deelname aan het culturele en toeristische landschap, en omdat de presentatie na tien jaar niet meer beantwoordde  aan de huidige tendensen in de museumwereld, besloot het Provinciebestuur van Antwerpen opnieuw  te verhuizen. Van meet af aan werd duidelijk gesteld dat het museum op een toplocatie moest gevestigd zijn, midden in het hart van het toeristische centrum en nog steeds vlakbij  de diamantwijk

 

Na een tweetal jaren zoeken viel de keuze op een mooi historisch pand op het Koningin Astridplein, vlakbij  het Centraal Station (in de toekomst een halte van de TGV), de Antwerpse Zoo en de Koningin Elisabethzaal en nog steeds op loopafstand van de diamantwijk.

 

De omvorming  van dit pand tot een uiterst modern diamantmuseum met een vloeroppervlakte van 1100 m', kostte 5 miljoen euro waarvan er 1,5 miljoen naar de inrichting ging. Naast een didactische tentoonstelling verdeeld over drie verdiepingen, beschikt het museum op elke verdieping  over een schatkamer waar diamanten en diamantjuwelen voor de nodige schittering  zorgen, over een museumshop,  een bibliotheek, een ruimte voor creatieve ateliers, een ontvangstruimte en een koffiehoekje.

 


 

Het diamantverhaal

 

 

Wat is diamant?

 

Diamant  is het hardste bekende materiaal – hardheid 10 op de schaal van Mohs - en kan daarom enkel met diamant bewerkt worden. Vanwaar die hardheid?

 

Het mineraal diamant is zuivere koolstof. De koolstofatomen van diamant vormen een driedimensionaal kristalrooster. Elk atoom is telkens aan vier andere atomen gebonden. Deze bindingen zijn kort en stevig. Daarom is diamant zo hard.

 

De meest voorkomende  kristalvormen zijn de octaëder (achtvlak), de dodecaëder (twaalfvlak) en de kubus. Twee met elkaar vergroeide kristallen noemt men maccles of kristaltweelingen.

 

Perfecte diamantkristallen zijn kleurloos. De meeste sierdiamanten hebben echter een groenachtig gele tint. Ook bruine, roze, blauwe, groene en grijze stenen komen voor. Deze natuurlijke kleur is het gevolg van structuur­ afwijkingen in het kristalrooster.  Stikstofatomen kleuren de diamant geel of bruin, boor maakt hem blauw.Tijdens en na het kristallisatieproces kunnen er barsten of glessen ontstaan. Soms bemerkt men ook allerlei insluitsels. Vele zwarte insluitseis kunnen leiden tot de vorming van zwarte diamant.

 

Het gewicht van diamant wordt uitgedrukt in karaat (kt), afgeleid van keration, de Griekse benaming voor de peulvrucht van de Johannesbroodboom. Vermits de pitjes hiervan alle ongeveer 0,2 gr wegen, werden zij in Byzantium als gewichtseenheid gebruikt voor parels en edelstenen. In 1911 werd het metrieke karaat van exact 0,2 gr ingevoerd, die onderverdeeld  is in 100 punten. Eén punt is dus 0,002 gr.

 

Diamanten, waarvan sommige fluoresceren onder ultraviolet licht, hebben nog andere bijzondere eigenschappen. Ze zijn een goede warmtegeleider. Bovendien zet de steen bij warmte nauwelijks uit. Diamant kan echter wel verbranden vanaf 600 à 700 °C.

 

Diamanten stoten water af, maar trekken vet aan. Zij worden niet aangetast door zuren en basen. Men gebruikt zwavelzuur om ze te reinigen.  Opgepast echter voor sommige zouten, zoals gesmolten kaliumnitraat, dat diamanten wel aantast.

 

 

Vindplaatsen

 

Diamant, dat door vulkaanuitbarstingen werd opgestuwd,  ontstaat in het binnenste van de aarde op 150 tot 200 km diepte en bij een zeer hoge druk (tot 70 000 kg/cm2) en temperatuur (boven 1200 °C). Deze condities komen niet overal voor; ze worden  enkel bereikt onder oude stabiele 'Archeon'-inclusies, de oudste kernen van de aarde.

 

Plotselinge, zeer diepe vulkaanuitbarstingen kunnen deze diamanten naar de oppervlakte brengen.

 

De primaire vindplaats is dan ook het stollingsgesteente van de vulkaanpijp, blue ground of kimberliet  genoemd. Door erosie, namelijk regen en wind, werd het diamanthoudende gesteente afgebroken en meegevoerd naar de omgeving van de krater (yellow ground) en naar rivierbeddingen, waar het alluviaal ontgonnen wordt. Soms werden deze secundaire afzettingen nogmaals afgebroken, waardoor diamant ook in kuststreken en op de zeebodem terecht kwam.

 

Wanneer de mens voor het eerst diamant als werktuig of als siersteen ontdekt heeft, is niet meer te achterhalen; wel was diamant reeds lang vóór de klassieke Oudheid bekend. Tot het begin van de achttiende eeuw  kwam nagenoeg alle diamant uit Indië. De Fransman Jean-Baptiste Tavernier (1605-1689), zoon van een Antwerps graveur, die een zestal reizen naar Perzië en Indië maakte, beschreef in zijn reisverslag de ontginningsmethodes en de grote stenen uit de schatkamers  van de Indische  vorsten.

 

Toen omstreeks 1725 de Indische vindplaatsen uitgeput geraakten, werd in Brazilië diamant ontdekt; eerst langs de goudmijnen en rivierbeddingen in de streek van Minas Gerais en later in Bahia. De Portugese kolonisten  monopoliseerden de ontginning,  waarvoor duizenden slaven werden  ingezet. Rond 1830 leverden ook hier de meeste mijnen geen diamant meer op. Brazilië is onder meer bekend om zijn 'carbonados', zwarte diamanten die in de industrie gebruikt worden.

 

De vondst van een diamant langs de Oranjerivier in 1866 werd het begin van de Zuid-Afrikaanse diamant­ rush. Gelukzoekers uit heel de wereld doorwoelden eerst de Vaal- en de Oranjerivier. Men vond echter meer diamant op de uitgestrekte gronden van de nabijgelegen boerderijen Koffiefontein, Jagersfontein, Dutoitspan, Bultfontein en hoeve Vooruitzicht; deze laatste was eigendom van de gebroeders De Beer.

 

In de pionierstijd verdeelden de boeren hun grond in talloze claims die ze in concessie gaven. Soms moesten de rivaliserende diamantzoekers een echte wedren lopen om hun stukje terrein te bemachtigen. Dan begon het graven; ieder spande zijn kabel om de blue ground op te halen. Zo ontstond de grootste kunstmatige krater ter wereld: de big Hole of Kimberleymijn, zo genoemd naar John W. Kimberley, de toenmalige Britse minister voor Koloniën. Het diamanthoudende gesteente kreeg voortaan de naam van kimberliet.

 

De Engelsman Cecil Rhodes, de latere eerste minister van de Kaapkolonie  (1890), en zijn rivaal  Barney Barnato brachten orde en organisatie in de ontginningschaos door één na één de claims op te kopen. Rhodes, naar wie Rhodesië, het huidige Zimbabwe, genoemd werd, stichtte in 1881 de De Beers Mining Company. In 1888 richtte hij de De Beers Consolidated  Mines Ltd. op.

 

De nieuwe trust slorpte geleidelijk alle andere diamantmaatschappijen op, waardoor De Beers zijn controle op de internationale diamanthandel en -industrie verwierf.

 

Rond de eeuwwisseling werd ook in andere Afrikaanse landen zoals Namibië, Angola, Sierra Leone en Tanzania diamant gevonden.

 

Het diamantverhaal van Zaïre, toen nog Belgisch Kongo, start in 1907 met de alluviale vindplaatsen in Tshikapa (West-Kasai). De ontginning gebeurde door de Forminière, gesticht in 1906 door Leopold  II. Vanaf 1913 werden diamanten verscheept naar Antwerpen. Langs de Mbujimayi-rivier (Oost-Kasai) werden in 1918 bij de aanleg van een spoorweg rijke diamantlagen ontdekt. Zaïre is momenteel, na Australië en Botswana,  de derde grootste wereldproducent met een export van 15 miljoen karaat. Over de eigenlijke productie zijn echter geen cijfers bekend. Het merendeel van de geëxporteerde diamanten zijn evenwel industriediamanten.

 

Reeds in 1829  werden in de Oeral kleine hoeveelheden diamant ontdekt. Nochtans werd Rusland  pas een belangrijke  wereldproducent nadat in de jaren 1950 de Siberische diamantmijnen ontdekt werden.

 

In 1976 werd in het westelijk district van Australië, nabij het Argylemeer, de gelijknamige mijn ontdekt. Argyle produceert voornamelijk gele en bruine diamanten en af en toe de zeldzame roze diamanten waarvoor de mijn wereldberoemd is. Met een jaarproductie van 40 miljoen karaat is Australië momenteel de grootste producent van slijpbare en industriediamant.

 

Voor wat de kwaliteit betreft staat momenteel Botswana op de eerste plaats. De mijnen Jwaneng, Orapa en Lethlakane leveren uitstekende diamanten op die Botswana tot de rijkste wereldproducent maken.

 

De meest recente mijn is de EKATI™ Diamond Mine gelegen aan het Lac de Gras, in de Northwest Territories, in Canada die officieel geopend werd op 14 oktober 1998.

 

 

Ontginning

 

In en om een uitgestorven vulkaan gebeurt de ontginning door mijnbouw.  Bij openluchtontginning of dagbouw wordt de kraterpijp  uitgegraven.  Vroeger werd het diamanthoudende gesteente losgehakt met pikhouwelen en met emmers via kabels en ladders naar boven gebracht. Nu worden  de wanden  trapsgewijs uitgehaald met zware werktuigen.  Daarbij wordt soms ook springstof  gebruikt.

 

Bij ondergrondse  mijnbouw  werd vroeger de diamanthoudende blue ground losgehouwen.  Thans worden  de kimberlietwanden uitgehold, zodat zij door druk instorten. Het losgekomen gesteente valt in opvang kegels en wordt  met wagentjes naar boven gevoerd.

 

Soms worden  de beide ontginningsmethodes gecombineerd. Nadat de mijn eerst trapsgewijs  in openlucht ontgonnen werd,  worden boortunnels gegraven die gevuld worden  met springstof.  De rotswanden vallen in de kuil van de kraterpijp  in collectoren.

 

Het gesteente gaat dan naar fijnstampers  en vervolgens met wagentjes naar boven.

 

Zoals vroeger wordt ook nu nog met zeven in rivierbeddingen naar diamant gezocht. Aanvankelijk kon dit enkel tijdens het droge seizoen. Later werden dammen gebouwd om de rivierloop af te leiden.

 

De industriële  ondernemingen gebruiken  nu grote graafwerktuigen om de diamanthoudende lagen vrij te maken. Na afdamming van de rivier wordt een put gegraven die tot 20 m dieper kan liggen dan de rivierbodem. Een pomp zuigt dan grote hoeveelheden slijk en gesteente op. Op brede rivieren  wordt  gewerkt  met baggermachines.

 

Destijds werd op de stranden van zuidwestelijk Afrika door berooide gelukzoekers onder een brandende zon op handen en voeten naar diamanten gezocht.

 

Thans worden massa's duinzand  met enorme graafmachines en soms met springstof verwijderd. Om de branding tegen te houden, worden dijken opgetrokken van wel 20 m dik. Het duinzand wordt soms tot op 20 m onder de zeespiegel en tot 200 m in zee verwijderd.

 

Eens de diamanthoudende  grintlaag bereikt, vegen de mijnwerkers met borstels het resterende zand weg en verzamelen zij het diamantgesteente. De ontginning op de zeebodem is zwaar en gevaarlijk  door de branding. Van op een platform wordt het grint met buizen opgezogen en onmiddellijk  aan boord verwerkt.

 

 

Winning

 

Vroeger verbrijzelde men de yellow ground,  de geërodeerde en zacht geworden blue ground die zich aan de oppervlakte bevindt,  met houten stampers. Nadien werden  de diamanten met de hand uitgezocht.

 

De blue ground uit de krater die veel harder is, werd eerst over grote vlakten  uitgespreid om te verweren. Eens verbrokkeld, trokken paarden de railwagentjes met het diamanthoudende gesteente naar wasplaatsen, waar het gezeefd werd.

 

Nu worden tonnen diamanthoudend gesteente gewassen in draaiende kneedmachines, agitatoren (schud- of mengapparaat), jigs (pulszeef) of andere apparatuur waarmee de afvalgesteenten  verwijderd worden.  Ten slotte komt het concentraat op banden, ingesmeerd met vet. Het steengruis wordt door een krachtige waterstraal  weggespoeld;  de diamanten, die water afstoten, blijven  in het vet kleven.  Dit vet wordt afgeschraapt en verzameld  in trechters met zeven die in warm  water gedompeld worden. Het vet smelt en de diamanten blijven achter op de zeven. Om 1 gram diamant over te houden moet gemiddeld 20 000 kg grond op deze wijze verwerkt worden.

 

De winning door middel van X-stralen is vrij recent. Via transportbanden komt het diamanthoudende gesteente in een donkere kamer. Door de röntgenstralen lichten de diamanten nauwelijks zichtbaar voor het blote oog, op. Zij prikkelen echter een zeer gevoelige foto­elektrische cel die een luchtstroom  veroorzaakt  waardoor elke diamant van de andere gesteenten wordt weggeblazen.

 

 

Handel

 

Diamant legt een internationale weg af vooraleer het in een juweel wordt verwerkt. Na de winning wordt ca 60% van de wereldproductie door De Beers Consolidated Mines Ltd. verhandeld. De overige 40% wordt op de markt gebracht door producerende landen, kleine mijnen of individuele ontginners.  De multinational De Beers centraliseert en controleert sinds jaren de wereldhandel. Zo wordt een geregelde markt met stabiele prijzen verzekerd.

 

In een eerste fase worden  de stenen gesorteerd om de handelswaarde te bepalen. Omdat het om grote hoeveelheden  gaat, wordt het voorsorteren verricht  door automatische machines.  Het uiteindelijke sorteren is echter nog altijd afhankelijk van de vakkennis van individuele sorteerders die de slijpbare diamanten opsplitsen naar grootte, zuiverheid, kleur en vorm. Zo worden  de diamanten verdeeld  in meer dan 5000 groepen. Tienmaal  per jaar wordt diamant verkocht aan zorgvuldig geselecteerde groothandelaars die uitgekozen worden op basis van hun financiële en vakkundige betrouwbaarheid. Bijna de helft van hen houdt kantoor in Antwerpen.

 

Via diamantairs  worden de goederen, zowel ruwe als geslepen, in beurzen en kantoren verder verhandeld. Van de 24 wereldbeurzen zijn er vier in Antwerpen gevestigd. Beurzen zijn ontmoetingsplaatsen, enkel voor leden toegankelijk, waar handelaars, makelaars en fabrikanten  hun goederen verhandelen en waar men op de hoogte blijft van de laatste nieuwtjes. De verkoop verloopt volgens een bepaald stramien.  Na het bod wordt de partij diamanten verzegeld  in een omslag.

 

De makelaar vraagt dan de goedkeuring van de eigenaar. Bij akkoord wordt de koop gesloten met een handdruk en de wens  'Mazel und Broche' (geluk en zegen). Wie misbruik van vertrouwen maakt, wordt op alle wereldbeurzen uitgesloten.  De diamantstroom vervolgt  dan zijn weg via handelaars en fabrikanten  tot bij de juweliers en de consument.

 

De handel, de industrie en de consument  worden  in ons land beschermd door de Hoge Raad voor Diamant in Antwerpen, opgericht in 1973. De HRD verzorgt de promotie van het begrip 'Cut in Antwerp' (de perfect geslepen steen), de beveiligde invoer van diamant, het certifiëren van geslepen stenen en de studie ter verbetering  van de bewerkingsmethodes.

 

De diamantwereld wordt omringd  door een netwerk van banken, verzekeringsmaatschappijen, veiligheidsdiensten, patroonsorganisaties en vakbonden.

 

 

Diamant in de industrie

 

Reeds in de Oudheid werd glas met diamant gesneden. In de Middeleeuwen werden er andere edelstenen mee bewerkt.  Pas in de negentiende eeuw kan men spreken van industriële  toepassingen. Zo werd in 1879 de St.-Gotthardtunnel geboord met diamantwerktuigen. Na de Tweede  Wereldoorlog komen er meer en meer toepassingsgebieden die elk een aangepast diamanttype vereisen. Ongeveer  de helft van de ontgonnen diamanten  wordt nu in de industrie  gebruikt. Hun vorm,  kleur, zuiverheid of grootte voldoen niet om ze in een juweel te verwerken.

 

Vandaag is het grootste deel van de industriediamant van synthetische  oorsprong. Het namaken van diamant fascineert de mens reeds lang. De Schotse geleerde James Ballantyne Hannay (1878) en de Franse scheikundige Henri  Moissan (1904) slaagden er in een kristal van koolstof te maken. In 1953 fabriceerde de Zweedse  firma A.S.E.A.  de eerste synthetische  diamantkristallen. Kunstmatig gevormde diamanten hebben geen groeiwas; hierdoor treden er minder spanningsverschillen op waardoor ze minder breekbaar zijn dan natuurlijke diamanten.

 

Er zijn twee groepen synthetische  diamant. De monokristallijne diamanten of korrels  variëren tussen minder dan 1 micron en enkele millimeter. Hun kleur gaat van wit tot donkergrijs. De polykristallijne diamanten of aaneengeklitte diamantkristallen vormen een grijze substantie van een paar centimeter.

 

De natuurlijke en synthetische  industriediamant wordt voor een brede waaier van toepassingen gebruikt. Om tot de gewenste bodemlaag te kunnen doorstoten, worden  olieboorkoppen en mijnbouwwerktuigen met diamant bezet. Een gediamanteerd zaagblad gaat vlot door gewapend beton. Compact-discs en microchips worden  met diamant in hun juiste vorm  gesneden. Ook in de medische sector is diamant van groot nut. Heel precies geslepen diamantmesjes laten toe delicate oog- en hartoperaties uit te voeren. Er zijn ook minder spectaculaire toepassingen zoals het slijpen van brilglazen en lenzen met diamantwerktuigen.

 

 

De bewerking van sierdiamant

 

Ruwe diamant vertoont vaak onzuiverheden en schittert nauwelijks. Door het slijpen van facetten worden  eventuele onzuiverheden verwijderd en krijgt de steen vuur en schittering. Deze schittering is het gevolg van de optische eigenschappen van geslepen diamant. Diamant heeft een hoge lichtbreking  of refractie. De lichtstralen  worden  optimaal weerkaatst wanneer de relatieve hoekgrootte juist berekend is.

 

Het licht dat de steen binnendringt  wordt bovendien in alle kleuren van de regenboog gesplitst. Deze kleurschifting of dispersie geeft de steen een oogstrelende flonkering.

 

Aan de bewerking gaat een grondig onderzoek vooraf. Met een loep wordt onderzocht hoe de ruwe steen met een minimum  aan gewichtsverlies tot een zo zuiver mogelijke diamant geslepen kan worden.  Eén grote steen is immers  meer waard dan vele kleine samen met hetzelfde gewicht en dezelfde zuiverheid.

 

 

Kloven - zagen – laser

 

Een diamant wordt  eerst gekloofd, gezaagd of met een laser verdeeld om hem een meer geschikte vorm te geven in functie van het gekozen slijpsel of om onzuiverheden weg te werken.  Het kloven gebeurt, zoals bij hout, in de richting van de groeiwas van het diamant­ kristal; het zagen tegen de groeiwas in; de verdeling  met laser houdt geen rekening met de groeiwas en kan in alle richtingen  gebeuren.

 

Het kloven is de oudste methode, maar meestal worden diamanten gezaagd, omdat dit nauwkeuriger kan en minder riskant is dan kloven.  Daar waar de klooftechniek  door de eeuwen heen onveranderd bleef, maakte het zagen wel een evolutie door.

 

In 1647 beschreef de Antwerpenaar Johannes De Laet in zijn boek De Gemmis et Lapidibus de oude zaagmethode. Een ijzerdraad  werd in een boog gespannen en ingewreven met diamantpoeder vermengd  met brandewijn en azijn. Het duurde dagen, soms weken om hiermee een steen door te zagen. Rond 1900 kwamen vanuit  de Verenigde Staten de eerste zaagmachines toe. Tegenwoordig  staan er vaak een honderdtal machines in een zagerij . Eén zager kan er twintig tot dertig tegelijk bedienen. De moderne automatische zaagmachine heeft een motor met regelbare snelheden. Een computer regelt de druk van de diamant op de zaagschijf.

 

Een diamant kan ook doorgebrand worden met een laserstraal. Deze meest recente methode van diamantverdeling heeft het voordeel dat geen rekening gehouden moet worden met de groeirichting van het diamantkristaL

 

 

Snijden

 

Door het snijden krijgt de diamant de grootst mogelijke omtrek of rondist,  waarmee de scheiding tussen de tafel- of bovenzijde  en de kollet- of onderzijde van de gesneden steen bedoeld wordt. Alleen de briljant en de hiervan afgeleide slijpseis zoals de markies, de hartvorm  of de peer worden eerst op de snijbank gerondist.

 

Vóór 1900 werd met de hand gesneden, doch rond de eeuwwisseling werd de snijmachine  in gebruik genomen, eerst aangedreven door een voettrapper, nadien met elektriciteit.

 

 

Slijpen

 

Om diamant zijn verblindende schittering te geven wordt hij geslepen in een aantal facetten met nauwkeurig berekende hoekverhoudingen.

 

Tot het begin van de twintigste eeuw was de versteller de centrale figuur in het slijpersatelier.  Hij verplaatste de steen telkens wanneer de diamant een nieuw facet had gekregen. Hij moest daarvoor elke keer het soldeer (waarmee  de steen vastgezet werd) boven een vuurtje mals maken en de steen voor de slijper in de juiste stand plaatsen voor een nieuw facet. Gezond werk  was het niet, vermits het soldeer uit een legering van lood en tin bestond. Loodvergiftiging was geen zeldzaamheid bij verstellers en slijpers. Vanaf het begin van de vorige eeuw kon de slijper zelf de diamant in mechanische doppen verstellen en sinds de jaren dertig zijn er automatische slijptangen. Na het slijpen worden de afgewerkte stenen in een afkokerij  gereinigd in zwavelzuur.

 

In de pre-industriële  periode had men soms een week nodig om één facet te slijpen. De schijven  werden in beweging gebracht met grote wielen  die gedraaid werden door leerjongens, vrouwen of kinderen. In de negentiende-eeuwse  fabrieken werden de slijpmolens soms aangedreven door paarden. Rond 1840 kwamen  de eerste stoomslijperijen op. In het begin van de twintigste eeuw werd geleidelijk op elektriciteit  overgeschakeld.

 

Mechanisatie en automatisatie versnelden het slijp­ proces en verbeterden  het rendement.  Reeds in 1644 beschreef Boëtius de Boot een experimentele  molen om zestien stenen tegelijk te slijpen. Deze idee werd hemomen  door Bell Telephone Mfg Cy,  die in 1967 de Busy  Bee ontwikkelde, waarmee in één keer de kolletzijde van 36 stenen geslepen werd.  De machine kende echter weinig succes.

 

 

Carat  - Colour - Clarity - Cut

 

De 4 C's, Carat - Colour - Clarity - Cut, bepalen de kwaliteit  en de waarde van een geslepen diamant.

 

Vooreerst wordt rekening gehouden met het gewicht van de steen, uitgedrukt in karaat. Een karaat is onder­ verdeeld in100 punten : 1.50 kt wordt gelezen als 1 karaat en 50 punten.

 

Ook de kleur speelt een rol. Kleurloze diamanten zijn het waardevolst.  Vroeger werden ze blauwwit genoemd, nu exceptional white. Meer dan 80% van de geslepen stenen heeft echter een geelachtige kleur, de zogenaamde cape-kleuren die variëren  van vrijwel kleurloos tot uitgesproken geel. De kleur van diamant wordt bepaald aan de hand van masterstones of toetsstenen. Onder de kleurstenen of fancy colours, die soms duurder zijn dan kleurloze diamanten,  bevinden  zich ook de treated colours, stenen waarvan de kleur kunstmatig beïnvloed  werd door bestraling.  Dit kan met gesofistikeerde apparatuur achterhaald worden.

 

De zuiverheid van diamant wordt bepaald door het aantal, de grootte, de plaats van de insluitsels of inwendige  onzuiverheden, én door uitwendige  elementen zoals krassen. Een loepzuivere  diamant  is een steen die geen onzuiverheden vertoont onder een loep die tien maal vergroot. VVS  of very,  very  small  inclusions zijn uiterst kleine insluitsels die moeilijk met een loep te zien zijn. Piqués zijn insluitsels  die men zelfs met het blote oog waarneemt en die de kleur van de steen beïnvloeden.

 

Bij de kwaliteitsbepaling speelt ook het slijpsel een rol. De ideale verhoudingen (proportions)  en de afwerkingsgraad (finish grade) zijn van enorm belang. Cut in Antwerp staat voor een perfect geslepen steen.

 

Echtheid en kwaliteit van een geslepen steen worden precies beschreven  op een diamantcertificaat Hierop staan de 4 C's centraal. De certificaten van het Gemmological  Institute of America  (GIA), van het International Gemmological lnstitute (IGI) en van de Hoge Raad voor Diamant  (HRD)  in Antwerpen worden vandaag overal ter wereld hoog gewaardeerd. Sinds kort brengt de Hoge Raad voor Diamant een minuscule laserinscriptie aan als bijkomend identificatiemiddel.

 

De vraag naar certificaten komt zowel van diamantairs, van juweliers  als van particulieren. Tal van diamantairs geven eigen certificaten  uit.

 


 

Antwerpen, wereldcentrum voor diamant

 

 

De diamantnijverheid in Antwerpen: een historische schets

 

Volgens de traditie vond  Lodewijk van Berckem in 1476 in Brugge het diamantslijpen uit. Deze legende wordt door vele historische gegevens tegengesproken, onder meer door een document uit 1465, waarin reeds vier Brugse slijpers vermeld  worden.

 

Wanneer  de Brugse haven door de verzanding van het Zwin aan belang inboet, verhuist  de diamanthandel in de tweede helft van de vijftiende  eeuw geleidelijk naar Antwerpen. Een verbod uit 1447 op de verkoop van valse stenen bewijst dat er toen reeds diamanthandel was in de Scheldestad. Eerst gebeurde dit in het Predikherenpand, daarna vanaf 1553 in het Juwelierspand in de Zierikstraat. De vermelding van slijper Wouter Pauwels  in 1482 is voorlopig het oudste spoor van diamantbewerking in Antwerpen.

 

Aanvankelijk was de Antwerpse diamantwereld hoofdzakelijk in handen van Portugese en Italiaanse handelaars. De bekendsten zijn de Genuees Juan-Carlos Affaytadi, die in 1515 toekwam,  Simon Rodrigues d'Evora, ook bekend om zijn caritatieve werken, én de Portugese joden Diego en Gaspar Duarte.

 

Het bewerken van diamant was een huisnijverheid, meestal beoefend op de hoogste verdieping, waar  in de smalle straten het meeste licht binnenkwam. Er werd gewerkt in de zomer van zes uur 's morgens tot zeven uur in de avond en in de winter van zeven uur 's ochtends tot acht uur 's avonds. Wanneer het donkerde werd bij kaarslicht doorgewerkt. In elk atelier stonden één of twee molens waarop tot 24 stenen konden worden geslepen.

 

Ter regeling en bescherming van hun ambacht richtten de diamant- en robijnsnijders in 1582 een eigen natie op. Een eerdere aanvraag  daartoe in 1577 werd door het stadsbestuur  verworpen onder druk van de Portugese handelaars die geen baat hadden bij een strenge reglementering  van het diamantsnijdersambacht. Amper  één jaar na de oprichting van de natie scheurden de robijnsnijders zich af wegens onenigheid. Pas in 1627 keerden zij terug naar de diamantsnijdersnatie. Het reglement van de natie telde niet minder dan 39 bepalingen, waarvan 14 aan de opleiding waren gewijd.

 

Het oudst gekende gildenhuis,  't Schild van Dort, bevond zich op de Eiermarkt waar nu het Torengebouw staat. De natie huurde het pand van 1642 tot 1663. In dat jaar kocht zij een eigen huis, Het Vosken, in de Korte Klarenstraat nabij de Beurs. Het was sober ingericht: voor feesten werden wandtapijten, tafels, stoelen en kasten gehuurd.  In 1763 werd het huis gestoffeerd door P.J. Tassaert met tien schilderijen over het leven van de patroonheiligen Sint-Petrus en Sint-Paulus.

 

De Sint-Petrus-en  Paulusbroederschap werd  in 1621 opgericht. Jaarlijks  woonden  de gildenbroeders op 29 juni een mis bij in de inmiddels  verdwenen Karmelietenkerk. In 1 778 werd de broederschap, die blijkbaar  in de achttiende eeuw verdwenen was, heropgericht in de Sint-Augustinuskerk. Zij verdween opnieuw  in 1903. De christelijke  vakbond  nam in 1949 de draad weer op. Sinds 1976 is de broederschap overgebracht naar de Sint-Pauluskerk; 29 juni is nog steeds een officiële feestdag in de Antwerpse diamantsector.

 

Na een grote bloei in de zeventiende  eeuw ging de diamantnijverheid bergaf omwille van de uitputting van de Indische diamantvelden.  Niettegenstaande er reeds in 1727 Braziliaanse diamanten werden ingevoerd,  waren in 1738 ruim 160 van de 180 natieleden werkloos.  Het vrij verklaren van de handel in juwelen en edelstenen in 1754 verergerde de toestand. Tot haar opheffing door de Fransen  in 1798 speelde de natie nog slechts een secundaire  rol.

 

In tegenstelling tot de diamantbewerkers bleken de diamanthandelaars zowel in de zeventiende  als de achttiende eeuw minder gevoelig voor crisistoestanden. Balthasar de Groote, een verwant van Rubens, verstuurde in 1631 niet minder dan 7760 kt diamant in één verzending.  Ze werden gestolen en doken terug op in Italië, wat leidde tot een proces in Rome met Rubens als getuige. Ook de handelaarsfamilie Forchoudt,  die later in het Rubenshuis  woonde, werd met een diamantroof geconfronteerd.

 

De markantste handelaar in de eerste helft van de achttiende eeuw was de Engelsman James Dormer (1708-1758). Met kooplui uit Londen en Amsterdam trachtte hij contracten af te sluiten om jaarlijks  25 000 tot 30 000 kt af te nemen. Zijn poging om het alleenrecht op de Braziliaanse diamanten te bekomen mislukte. De Portugese koning kende het monopolie toe aan Amsterdam, waardoor  het verval  van de Antwerpse diamantnijverheid in de hand gewerkt  werd.

 

Vrouwen werden vaak afgeschilderd als minderwaardige werkkrachten die de slijpmolens draaiden. Nochtans blijken ook vrouwen in de achttiende eeuw diamant te bewerken  en te verhandelen. Anna  Philippina Reyns nam in 1726 als twintigjarige de diamanthandel van haar vader over. Ze had contacten met Amsterdam, Londen,  Lissabon  en Cadiz. Clara Maria Brants,  dochter van een rijke diamanthandelaar en vrouw van een slijper, leerde in dezelfde periode vrouwen roosjes en briljanten slijpen, hoewel de natie zich tegen deze vrouwenarbeid verzette.

 

Alhoewel  de diamantnijverheid in de loop van de achttiende eeuw achteruitging, stond het Antwerpse vakmanschap nog hoog aangeschreven. De Franse koning Lodewijk XVI liet in 1787 zijn kroonjuwelen in Antwerpen herslijpen. Dit gebeurde op 23 molens die in het kartuizerklooster stonden opgesteld. Het slijpen duurde negen maanden.

 

In de negentiende eeuw kwam, dankzij  enkele kapitaalkrachtige juweliers, weer leven in de Antwerpse diamantwereld. In 1836 begon Jean-Joseph Bovie een fabriek die jaarlijks 30 000 kt Braziliaanse diamant verwerkte, hoofdzakelijk bestemd voor export. De diamantslijperij werd aangedreven  door stoommachines.  Tussen 1840 en 1860 volgden  de fabrieken  van Bordinckx, Hartog, Meeus-Trachez en Jacobs & David. Met het vrijkomen van de gronden rond het afgebroken Herentalse fort - nu het stadspark - verhuisde  deze nijverheid  rond 1860 naar de huidige diamantwijk

 

Door de aanvoer kort na 1867 van de pas ontdekte Zuid-Afrikaanse diamanten  werd Antwerpen terug bevoorraad met eerste-kwaliteitsgoederen. De fabrieken rezen als paddestoelen uit de grond. De Antwerpse Volksslijperij, gesticht in 1898 in de Van Immerseelstraat, was met 775 molens de grootste. Met het gebouw Wolf in de Hoveniersstraat kwam  in 1928 een nieuw  type diamantslijperij in voege. Ateliers  en kantoren waren gescheiden maar door een gang met elkaar verbonden, wat de controle op het werk  vergemakkelijkte.

 

Voor het verhandelen van diamant kwamen in de negentiende eeuw de fabriekseigenaren samen in cafés zoals Le Chalet  en Café de l'Est op de De Keyserlei, De Kroon  in de Vestingstraat en Flora in de Anneessensstraat. Het gebrek aan veiligheid deed de diamantairs uitkijken naar meer geschikte plaatsen. Zo werd in 1893 de Diamantclub van Antwerpen in de Pelikaanstraat opgetrokken. Andere volgden:  de Beurs voor Diamanthandel (1904), Fortunia  (1910), de Vereniging voor Vrije Diamanthandel (1911) en de Kring voor Diamanthandel (1929). Enkel de Fortunia verdween. De andere groeiden uit tot de vier wereldbeurzen die de Scheldestad rijk is. In 1927 werd door de patroons het Syndicaat  der Belgische Diamantnijverheid gesticht.

 

Ook de diamantbewerkers verenigden  zich. In 1889,drie jaar nadat een golf van stakersgeweld  en repressie het land opschrok, werd de Algemene Antwerpsche Diamantbewerkersvereniging opgericht die reeds vóór 1894 terug verdween.  In 1895 kwam  de algemene Diamantbewerkersbond van België (A.D.B.)  tot stand die van socialistische strekking was. De Christelijke Belgische Diamantbewerkerscentrale (C.B.D.), die in 1907 werd gesticht, groepeerde vooral de werknemers uit de buitenindustrie in de Kempen. Aanvankelijk verzetten de Antwerpse slijpers zich tegen deze concurrenten die langer en tegen lagere lonen werkten.

 

De vakbonden, die zich tot doel stelden betere arbeidsvoorwaarden te bedingen, brachten een sociale ommekeer teweeg. De slijpers werkten  van oudsher tien uur per dag en aten tijdens het werk. In 1895 werd de invoering van een schafttijd van anderhalf uur verkregen. De strijd voor de 9-urendag brandde los in 1904.

 

De geschiedenis herhaalde zich in 1937 toen met succes voor de 40-urenweek gestreden werd.

 

Naast werktijdverkortingen zorgden de vakbonden voor betere sociale voorzieningen en werkomstandigheden. Het vrijkomen van stof tijdens het slijpproces zorgde voor longziekten.  De tuberculosepatiënten werden in zelf opgerichte of gehuurde sanatoria verpleegd. Organisaties  als Zonnestraal  (A.D.B.) en Levenslust (C.B.D.) brachten de nodige fondsen samen.

 

De vakbonden richtten scholen en bibliotheken op, organiseerden avondlessen en lezingen,  bouwden turnclubs en harmonies uit. Zij zorgden voor ziekte- en levensverzekeringen, werkloosheidsuitkeringen en pensioenen.  Aan kinderen werden vakanties aan zee of in de Ardennen aangeboden; moeders kregen zwangerschapspremies. Deze vooruitstrevende voorzieningen, gerealiseerd tussen 1895 en 1945, stonden model voor de uitbouw van de sociale zekerheid  in België.

 

Tijdens  de Eerste Wereldoorlog werd de Diamant­ club omgevormd tot een Rode-Kruispost. Er werden instellingen opgericht om oorlogswezen en noodlijdenden op te vangen. Gedurende  de Tweede Wereldoorlog werd de diamantsector zwaarder getroffen dan in de eerste. Talrijke leden, waaronder vele joden, werden gedeporteerd.

 

De Antwerpse diamantnijverheid kwam nochtans telkens de rampspoed van de wereldoorlogen  te boven. Ter bevestiging hiervan werd in 1923 de Juwelenstoet georganiseerd die een fortuin kostte en waarnaar reeds bij de eerste rondgang 250 000 toeschouwers  kwamen kijken. Daar waar de diamanthandelaars vroeger - en dit reeds in de negentiende eeuw - op eigen houtje aan wereldtentoonstellingen deelnamen, organiseerden zij voortaan in groep tentoonstellingen,  meestal in samenwerking met het Antwerpse stadsbestuur.  In 1930, 1936 en 1948 werden  grote diamantexposities  gehouden.

 

Voor de wereldtentoonstelling in Brussel in 1958 werd de Diamantexpo vzw opgericht, die bleef bestaan tot de oprichting van het provinciaal Diamantmuseum in 1972.

 

Een bijzondere plaats in de Antwerpse diamantwereld nemen de joden in. Reeds in de zestiende eeuw telde de stad verschillende joodse families, afkomstig uit Portugal, die actief waren in de diamanthandel  Rond 1880 groeide hun aantal sterk aan met Oost-Europese joden.

 

Zij speelden een rol in de oprichting van de Beurs voor Diamanthandel in 1904 en in het opstarten van de Kempische nijverheid. De naoorlogse heropleving van de Antwerpse diamantsector is grotendeels het werk van de joodse gemeenschap. Vandaag is nog een groot deel van de Antwerpse joden betrokken in de diamanthandel, doch Indiërs, Zaïrezen, Libanezen en andere nationaliteiten bepalen thans mede het internationale karakter van de diamantstad Antwerpen.

 

 

De mythe

 

Zijn de ontginning, de handel en de bewerking dagdagelijkse realiteit, dan behoort diamant tot het rijk van de verbeelding.

 

Diamant was eeuwenlang  slechts door weinigen bekend; zeldzaam  waren zij die ooit een diamant gezien of tussen de vingers hadden gehouden. De eerst bekende kwaliteit  was zijn hardheid.  Het woord diamant is trouwens  afgeleid van het Griekse adamas, wat onbuigzaam, ontembaar betekent. Vandaar ook de symboliek die aan diamant werd gegeven: hij weerde boze krachten en hield de eigenaar in goede gezondheid.

 

Onkwetsbaarheid leidt tot moed en onoverwinnelijkheid: zo werd diamant het symbool van vorstelijke macht. Bijna elk vorstenhuis heeft dan ook zijn kroonjuwelen. De Britse, bewaard in de Tower of Londen, zijn wel  de meest bekende.

 

Dure juwelen zijn nog steeds een statussymbool, maar de symbolische betekenis van onverwoestbaarheid is ingeruild  voor een meer sentimentele context, die van de eeuwige liefde en trouw. Een verlovingsring wordt dan ook op een klassieke manier met diamant getooid.

 

De vondst van een grote, ruwe diamant is wereldnieuws.  Naarmate  een diamant groter is, klimt zijn kostbaarheid  tot fabelachtige hoogten. Stenen van uitzonderlijk gewicht en kwaliteit  krijgen een naam die verwijst naar de vindplaats, Star of Sierra Leone, een eigenaar, de Hope, of een belangrijke figuur, de Cullinan; soms ook wel naar een gebeurtenis, zoals de in 1988 ontdekte Centenary, aldus genoemd omdat De Beers in Londen in dat jaar zijn honderdjarig bestaan vierde. Sommige stenen zijn al honderden jaren bekend en hebben een bewogen geschiedenis, waaraan  dikwijls sensationele episodes worden toegevoegd, waardoor ze in de legende treden.

 

Zo kreeg de blauwe Hope-diamant de roemruchte reputatie dat allen die hem ooit in hun bezit hadden op een ongelukkige, soms gewelddadige  wijze  aan hun einde zouden gekomen zijn.

 

Zou de Engelse gouverneur  Thomas Pitt werkelijk vervolgingswaanzin gekregen hebben door het neerdrukkende  bezit van de beroemde Regent en nooit twee nachten na mekaar onder hetzelfde dak geslapen hebben? Deze allermooiste briljant van 140.5 kt, in 1717 aangekocht door Filips van Orléans,  regent van Frankrijk - vanwaar de naam -, wordt thans bewaard in het Louvre in Parijs.

 

De rijkdom en de schittering maken van diamant een blikvanger in de wereld van de mondaine society en de film. Toen de veelbesproken actrice Elisabeth Taylor van haar even beroemde echtgenoot Richard  Burton een illustere diamant ten geschenke kreeg, kon de vreugde van de nieuwsjagers niet meer op. Marylin Monroe was meer dan een filmdiva, zij was een symbool. In de film Gentlemen prefer blondes zong zij de hit Diamonds are a girl's best friend. Voor de gelegenheid droeg ze een in peervorm geslepen diamant van bijna 26 karaat.

 

Toen in november 1987 de Golconda-diamanten van de Maharadja van Indore bij Christie's  in Genève geveild werden, of toen het diadeem van keizerin Eugénie, echtgenote van Napoleon III van Frankrijk, in februari 1988 door een Amerikaanse miljardair aan het Louvre in Parijs werd geschonken, ging het nieuws per telex de hele wereld rond.

 

De waarde van diamant oefent natuurlijk ook aantrekkingskracht uit op lieden met minder eerlijke bedoelingen. In het verhaal van vele grote stenen duiken diefstal en moord regelmatig op. In 1792, tijdens de Franse Revolutie,  werden alle Franse kroonjuwelen, die door het nieuw  bewind  in beslag genomen waren, gestolen. Het grootste deel ervan werd kort daarna teruggevonden.

 

Diamant is in ons dagelijks leven niet weg te denken als begrip van hoge waarde. Prijzen en trofeeën 'Diamant' genaamd, rijzen uit de grond. We kennen allen wel een gezegend echtpaar dat zijn diamanten bruiloft mocht vieren of een vereniging  die haar diamanten jubileum aankondigt. Als we woorden als schitterend en briljant in de mond nemen, willen we de voortreffelijke kwaliteiten van een prestatie alleen maar vergelijken met ... diamant!

 


 

Diamonds are forever:

 

 

de geschiedenis van het diamantjuweel

 

Algemeen wordt  aangenomen dat Indië het eerste land is waar diamanten werden gevonden. Vele jaren voor Christus werden ze reeds aangetroffen in de beddingen van rivieren.  De eerste ontdekking mag misschien gesitueerd worden rond 2800 v.C. wanneer volgens  geschreven bronnen de Dravidiërs met behulp van een zeef zochten naar goud. De interpretatie van de bronnen blijft echter moeilijk omdat steeds verwezen wordt naar het begrip 'harde en onoverwinnelijke materialen'. De effectieve benaming 'diamanten' komt pas veel later voor namelijk  in de Arthashastra (Sanskriet voor 'Wetenschap van de Materiële Opbrengst') geschreven na 321 v.C.

 

Edele metalen en edelstenen hebben in de Indische cultuur een diepe betekenis. Niet alleen hebben zij een quasi-goddelijk karakter, maar zij bezitten eveneens astrologische,  profylactische en zelfs geneeskundige eigenschappen.  Het dragen van bepaalde juwelen kenmerkt bovendien ook verschillende samskara of ontwikkelingsstadia in het leven van een individu. Juwelen en edelstenen vormen een integraal deel van de religie en de rituelen waardoor hun puur esthetische functie ver wordt overschreden.

 

Geprezen om zijn unieke hardheid en optische kwaliteiten  belichaamt de diamant in de Indische cultuur een oud mythisch concept en worden hem magische krachten toegewezen. 'Hij die een diamant draagt, zal het gevaar zien wijken, of hij nu bedreigd wordt door slangen, vuur, vergif, ziekte, diefstal, overstroming of kwade geesten', beweert de Ratnapariksa.

 

Om te vermijden  dat de magische krachten van de diamant verloren gingen, wilden zij zoveel mogelijk het maximale gewicht van de steen bewaren.  Omdat er hierdoor geen behoefte was aan het bereiken van een zuiver esthetisch resultaat of een optimale schittering beperkten de Indiërs zich slechts tot een vorm van polijsten van het oppervlak.

 

In Europa en meer bepaald in Noord-Italië, is men, omwille van esthetische eisen, vanaf het einde van de veertiende eeuw veel verder gegaan en heeft men onder invloed van de wetenschappelijke, vaak mathematische geest van de Renaissance, de basis gelegd voor de huidige slijptechnieken waarbij  materiaal wordt opgeofferd om tot een regelmatig gevormde steen te komen met het grootst mogelijke optische resultaat.

 

Terwijl de middeleeuwse mens juwelen en edelstenen draagt als talisman, als afweer voor een onheil waarvoor men geen verklaring heeft, draagt de renaissancemens juwelen om zijn plaats als individu in de maatschappij te beklemtonen. Juwelen en edelstenen worden  nu een belangrijk middel om uiting te geven aan status en rijkdom.

 

Deze periode is ook bijzonder belangrijk voor de diamant. Tot de veertiende eeuw was de diamant een vrij onbekende steen in het westen. Vanaf de Renaissance maakt hij ten volle deel uit van de familie van de edelstenen en wordt hij in eender welk  juweel  gezet. Naast de vroegere gepolijste of ongeslepen puntdiamanten, komen in de vijftiende en zestiende eeuw vooral tafelgeslepen diamanten - puntdiamanten waarvan de bovenste punt is afgevlakt - veelvuldig  voor naast andere meer diverse slijpvormen:  ezelsrugdiamanten, diamanten en façon d'escusson, diamanten en façon d'un mirouer, ...

 

Om diamanten  te onderscheiden  van andere edelstenen op portretten uit die tijd, is het belangrijk te weten  dat ze worden  weergegeven als een zwarte steen. Door de minimale facettering wordt het licht binnenin niet gedispersieerd  en weerkaatst  maar wordt het licht eerder gereflecteerd op het oppervlak. Dit geeft een spiegeleffect waardoor  de steen donkerder  lijkt.

 

De zeventiende  eeuw is de eeuw van het échte diamantjuweeL De veelkleurige figuratieve juwelen maken nu plaats voor eerder sobere sieraden in geelgoud waarbij de aandacht getrokken  wordt door de edelstenen en vooral de diamanten.

 

In de tweede helft van de zeventiende eeuw krijgt Frankrijk greep op de politiek en zijn het Lodewijk  XIV en zijn Franse hof die in de mode de toon aangeven.

 

De glans van het hof van de Zonnekoning heeft een bijzonder grote uitstraling  op de andere vorstenhuizen in Europa en dwingt  tot navolging. Soirées en hofbals, tot dan toe eerder een zeldzaamheid,  worden  meer en meer gangbaar en brengen een andere levensstijl  voort. Bovendien  wordt  nu ook een onderscheid gemaakt tussen de informele juwelen voor overdag, en de formele parures en sieraden voor 's avonds. De diamanten worden  gereserveerd  voor de avondlijke  genoegens.

 

De techniek om diamanten  te slijpen wordt tijdens de zeventiende  eeuw verder op punt gezet in de slijperscentra Amsterdam, Antwerpen en Parijs. Tegen het eerste kwart van deze eeuw verschijnt  voor het eerst de roosslijpvorm, een rond facetslijpsel met regelmatige driehoekige facetten, naast de eenvoudige tafel geslepen diamanten. Op het einde van de zeventiende eeuw verschijnt  de eerste briljantslijpvorm. Het bijzondere hofleven dat zich in de loop van de zeventiende eeuw ontwikkelt met zijn avondlijke  feesten en bals, verlicht door talrijke kaarsen, is een sterke aanmoediging geweest om de edelstenen meer en meer te facetteren.

 

In de vroege achttiende eeuw maakt het zware en gewichtige van de barok stilaan plaats voor het speelse, lichte en asymmetrische van de rococo. Alle aandacht gaat nu naar de edelstenen die elk juweel zullen domineren of het nu om ringen gaat, om halssieraden, broches of oorhangers.  Diamanten blijven ongetwijfeld de belangrijkste en waardevolste edelstenen bij formele gelegenheden. Zij worden ingevoerd  vanuit de reeds lang gekende traditionele Indische mijnen, die stilaan uitgeput geraken, en vanuit de nieuw ontdekte mijnen in Minas Gerais,  Mato Grosso en Bahia in Brazilië, geëxploiteerd door Portugal en verhandeld  via Amsterdam.

 

Vanaf de achttiende eeuw wordt de diamant ook uitsluitend  in zilver  gezet - behalve in Spanje en Portugal waar de oude traditie langer bewaard blijft ­ om de natuurlijke kleur van de edelsteen beter te accentueren. De zettingen zijn evenwel  nog gesloten. Dit heeft als voordeel dat stenen van verschillende kleurnuances door het aanbrengen van een folie op de binnenzijde  van de zetting, beter op elkaar kunnen worden afgestemd, doch het nadeel is dat de schittering niet maximaal  is doordat het licht niet langs alle kanten kan worden opgevangen.

 

Tijdens  de Republiek (1789-1795) en in mindere mate tijdens het Directoire (1795-1799) zijn juwelen in het toonaangevende Frankrijk zeldzaam. Het tentoonspreiden van welstand  behoort niet tot de revolutionaire idealen van het nieuwe regime; bovendien zijn vele aristocraten met hun bezittingen gevlucht.  De rijke juwelencultuur wordt echter snel weer opgepakt tijdens het bewind  van Napoleon. Na zijn kroning tot keizer in 1804 bestelt hij oogverblindende  parures voor zijn echtgenotes, keizerin Joséphine en Marie Louise, en voor zijn zusters en schoonzusters. Juwelen en kledij dienen meer dan ooit om macht en glorie uit te drukken.

 

Vanaf nu worden diamanten ook gezet in open zettingen. Doordat het licht ook van onderuit door de steen kan vallen bereikt men een grotere schittering dan voorheen. De volledig zilveren  diamantjuwelen worden nu ook vervangen  door een laminaat van zilver op goud waardoor het juweel solider wordt en het zilver niet kan afgeven op de huid.

 

De troonsbestijging in 1837 door de achttienjarige koningin Victoria betekent een belangrijke omwenteling in de negentiende-eeuwse  juweelkunst Haar langdurige regering, de waarden die zij vertegenwoordigt en haar persoonlijke smaak in kleding en juwelen,  zijn zo bepalend dat Londen gedurende een bepaalde tijd meer de toon aangeeft dan Parijs.

 

Een bleke teint en een preuts voorkomen worden dé vrouwelijke look van die tijd. Dames kleden zich in lange, wijde rokken,  gecombineerd met hoog gesloten lijfjes versierd  met corsages in de vorm van bloemen en takken, bezet met edelstenen en rond het midden van de negentiende eeuw vaak voorzien van 'pampilles'.  Soms worden echte tuiltjes verse bloemen als corsages opgespeld. Bepaalde bloemen worden beschouwd  als symbolen van liefde en affectie en reflecteren zo de romantische en traditionele waarden  waar koningin Victoria voor staat. Typisch voor deze periode zijn ook sentimentele en herdenkingsjuwelen en het slangenmotief, symbool voor de eeuwigheid  en de eeuwige liefde.

 

Door deze overvloed wordt het nu mogelijk meer aandacht te besteden aan de kwaliteit.  Waar voorheen vaak diamanten werden samengebracht van versdrillende kleur en zuiverheid, kan nu een keuze gemaakt worden van stenen met vrijwel identieke kwaliteitskenmerken om een zo groot mogelijke eenvormigheid te bereiken. Bovendien dient men nu ook minder spaarzaam met het materiaal om te springen. Waar men voorheen zoveel mogelijk gewicht wilde behouden, wordt nu bijna 30% procent aan materiaal opgeofferd om een optimale schittering te bereiken.

 

Het is best denkbaar dat de nieuwe  elektrische verlichting  een rol heeft gespeeld bij deze evolutie, net zoals het roosslijpsel en de oude briljant zich ontwikkelden toen, onder impuls van het hof van Lodewijk XIV,  het avondleven  toenam en de dames bij het veelvuldige  kaarslicht wilden  schitteren.

 

De oude kussenslijpsels met hoge colletzijde en kleine tafels worden nu stilaan verdrongen door lichtere diamanten in oud-briljantslijpsel  tot Marcel Tolkowsky in 1920, op basis van de studie van de optica, een briljant ontwikkelt die mathematisch zodanig geproportioneerd is dat hij al het invallende  licht weerkaatst en dispersieert.  Mits enige aanpassingen is deze briljant tot op heden de meest bekende en begeerde diamantslijpvorm  gebleven.

 

Rond de eeuwwisseling doet bovendien ook een nieuw metaal zijn intrede dat het vroegere laminaat van zilver op goud vervangt:  het platina. Platina is sterker en lichter dan zilver en goud en is bijgevolg het metaal bij uitstek voor de productie van lichte, delicate en kantachtige juwelen.  Nooit voordien hebben gerenommeerde juweliers  de delicaatheid of het raffinement geëvenaard van deze belle époque juwelen.

 

Vanaf  1850 wint Frankrijk weer aan belang. Er regeert opnieuw een keizer, Napoleon III en diens echtgenote, keizerin  Eugénie,  wordt, net zoals Joséphine de Beauharnais, de toonaangevende  dame op modegebied. Ze spiegelt zich aan haar voorgangster en geeft de voorkeur  aan het neo-classicisme van het einde van de achttiende eeuw en de stijl van het Eerste Keizerrijk. Klassieke  motieven en elementen maken opnieuw opgang in de juweelkunst

 

De laatste decennia van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw kennen  een diepe verandering in sociale structuren  door de opkomst van een nieuwe  klasse die rijkdom heeft vergaard met handeldrijven en industrie  en die zich blijvend settelt in de maatschappij. Onder hen bevinden zich ook miljonairs die in Zuid-Afrika fortuin hebben gemaakt met de diamantmijnen die in 1867 ontdekt zijn. Diamanten komen nu zo overvloedig voor op de markt dat ze tijdens het laatste decennium van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw dé edelstenen bij uitstek worden.

 

Parallel met de ontwikkelingen van de traditionele juwelen tijdens het laatste decennium van de negentiende eeuw, ontstaat een nieuwe, zeer aparte stijl, de art nouveau.  De art nouveau  is een zeer sterke en eigenzinnige reactie op de artistiek onbevredigende tendensen van die tijd.  De armzalige kwaliteit  van de in serie geproduceerde juwelen, het gebrek aan creativiteit bij de neo-stijlen en het feit dat er meer aandacht geschonken wordt aan de intrinsieke  waarde van de edelstenen en diamanten in plaats van aan het ontwerp,  kan vele juweelkunstenaars niet meer bekoren.

 

Art nouveau juweelontwerpers zoeken naar een nieuwe, hedendaagse vormgeving  en laten zich inspireren op de natuur.  Materialen worden ondergeschikt aan het design en creativiteit wordt belangrijker dan intrinsieke waarde. Het is dan ook niet te verwonderen dat diamant in de art nouveau juwelen nauwelijks gebruikt wordt tenzij als een klein accent, als een lichtpuntje tussen de diverse andere materialen en het veelkleurig  email.

 

De Eerste Wereldoorlog maakt een abrupt einde aan de frivole periode van het begin van de twintigste eeuw. Platina wordt aangewend voor de productie van explosieven. Juweelkunstenaars wenden hun vakmanschap aan in de wapenindustrie en de vrouwen nemen jobs over van de mannen. Juwelen worden schaars en de kleding van de vrouwen wordt comfortabeler, losser en korter. Ze dragen voor het eerst een broek of zelfs een overall.

 

Wanneer de mode-industrie  zich opnieuw herstelt in 1919 is er heel wat veranderd. Dames zijn zelfbewuster geworden en verwerpen het aloude keurslijf van fatsoen en onderdrukking. Onder invloed van de Franse ontwerpster Coco Chanel wordt de androgyne look dé look van de geëmancipeerde vrouw.

 

In 1925 vindt in Parijs de Exposition Internationale des Arts Décoratifs et lndustriels Modemes plaats die duidelijk getuigt van deze nieuwe esthetiek en er haar naam aan geeft, de art deco. Lineaire,  geometrische vormen, gestileerde naturalistische decoratieve elementen en edelstenen van contrasterende kleur, vormen de typische vormentaal van de art deco juwelen.

 

Om tegemoet te komen aan de dwingende lijnen van deze geometrische vormentaal worden nu ook nieuwe slijpvormen  ontwikkeld: tapers, baguetten en triangels, omdat ze beter passen binnen de nieuwe lineariteit.

 

Het tweedimensionale  effect van de art deco juwelen wordt bovendien nog versterkt  door een nieuwe manier van zetten, de pavé-zetting waarbij grotere oppervlakken zo dicht worden bezet met kleine stenen dat ze de metalen structuur bijna volledig verbergen.

 

De Tweede  Wereldoorlog zorgt opnieuw voor een terugval in de juwelenindustrie. Platina wordt,  net zoals tijdens de Eerste Wereldoorlog, verbannen uit de juwelen­ productie naar de wapenindustrie en het geelgoud komt, na lang op de achtergrond verdrongen  te zijn, weer in gebruik. De onregelmatige aanvoer van edelstenen en diamant uit Zuid-Afrika zorgt er voor dat volumineuze juwelen met veel edelstenen schaars worden en worden vervangen  door juwelen gezet met kleinere en minder dure stenen of met hergebruikte edelstenen.

 

De tijd van de grote formele avondpartijen is eveneens voorbij. Minder stijve evenementen die een ander soort mode vragen, zoals cocktailparty's, komen in de plaats van de formele happenings. De kleding wordt praktischer en gouden juwelen bezet met diamant en gekleurde edelstenen, sieren de sobere zwarte  cocktailjurken.

 

De jaren zestig worden gekenmerkt  door sociale onrust en een tendens om het establishment aan te vallen. Dit laat ook zijn sporen na in de juwelenindustrie. Ongewone materialen en ongewone technieken om metalen te bewerken doen hun intrede. Het goud wordt bijvoorbeeld zo bewerkt dat het een ruw, gerafeld of steenachtig uitzicht krijgt of de indruk geeft van samengevoegde druppels. Juweliersmaken  nu ook gebruik van ongeslepen edelstenen en kristallen, iets wat voordien nooit gebruikelijk is geweest. Symmetrie en harmonie zijn niet lange meer de regel.

 

De belangrijkste vernieuwing vanaf de jaren zestig is echter het feit dat niet meer alleen de grote juweliershuizen maar ook de individuele kunstenaar-juweelontwerpers de trend zullen aangeven. Naast het traditionele juweel ontstaat in deze periode het kunstjuweel,  een uniek juweel dat de artistieke uiting is van de individuele creativiteit van een juweelontwerper.

 


 

Algemene informatie

 

 

Diamantmuseum Provincie Antwerpen

Koningin Astridplein 19-23

B-2018 Antwerpen

tel: 03/ 202.48.90

fax: 03/ 202.48.98

info@diamant.provant.be

www.diamantrnuseum.be

 

Open

1 mei t.e.m. 31 oktober: dagelijks van 10.00u - 18.00u.

1 november  t.e.m. 30 april : dagelijks van 10.00u - 17.00u

 

Gesloten

25 & 26 december en heel de maand januari

 

Toegangsprijzen

5.00 euro

3.00  euro: groepen (vanaf 10 pers.) en reductie

Gratis: individuele bezoekers: -18 en op vrijdag (géén groepen op vrijdag)

Speciale combitarieven: Diamantmuseum + Zoo

Alle prijzen zijn inclusief audiogids. Voor bijzondere tentoonstellingen kunnen  de prijzen afwijken.

 

Bibliotheek

In de bibliotheek staan er naast boeken en tijdschriften, ook dia's, video's... ter beschikking.

Enkel inzage in de leeszaal is mogelijk.

Openingsuren: di - wo – do van 9.30 - 12 u en van 14 - 16.30 u. ma en vr enkel op afspraak:

Nico Weckx,  tel 03 202.48.90.

 

Museumshop

In de museumshop vindt u boeken over diamant en stijlvolle geschenken. Nuttig, origineel en voor elke beurs. Elk artikel is op één of andere manier verweven met de wereld  van de diamant.

 

Publiekswerking

Inlichtingen:  03/202.48.91

 

Workshops

In het kader van tijdelijke tentoonstellingen worden thematische workshops ingericht.

 

En verder...

In het museum kan u dagelijks (behalve op zondag) een diamantslijper  aan het werk zien.

De dienst publiekswerking organiseert eveneens lezingen, nocturnes, evenementen,... 

 


 

Auteursidentificatie:

Sabine Denissen, hoofdconservator Provinciaal Diamantmuseum (red.), A. ·M. Adriaensens, A.-M. Claessens-Peré, L. De Ren, K. Jacobs, I. Kockelbergh, A. Volkaert, J. Walgrave