U bent hier

Herbert Foundation - Veertig jaar verzamelen

Herbert Foundation - Veertig jaar verzamelen
Foto: Ph. De Gobert

 

Tony Herbert was een belangrijke verzamelaar van Vlaamse expressionisten. Het lag voor de hand dat zoon Anton die collectie zou voortzetten, maar hij koos een andere weg.

 

 

DRIE GENERATIES KUNSTENAARS

 

“Piero Manzoni is een model. Hij stierf op zijn dertigste in 1963, met slechts zes jaar echte werkactiviteit, maar wat een omwenteling! We hebben hem zelf niet gekend, maar hij is de essentiële aanzet voor onze interesse in kunst.” Dat zegt Anton Herbert in een interview met Marc Ruyters in 2006. Het is merkwaardig dat hij dat zegt, want Anton Herbert is een van de kinderen van de verzamelaar Tony Herbert (1902-1959). Anton is heel zijn leven omgeven door kunst en kunstenaars.

 

Tony Herbert was een van de belangrijkste verzamelaars van Vlaamse expressionisten. Topwerken van Jean Brusselmans (1884-1953), Gust De Smet (1877-1943), Constant Permeke (1886-1952), Edgard Tytgat (1879-1957) en Frits Van den Berghe (1883-1939) behoorden tot die collectie en vele daarvan bevinden zich nu gelukkig in openbare verzamelingen. Het leek voor de hand liggend dat die bijzondere collectie door Anton en Annick Herbert zou verdergezet worden, maar er verscheen een interessante figuur op het toneel die de gang van zaken mee een heel andere weg opstuurde.

 

Die figuur was Fernand Spillemaeckers (1938-1978). Hij was zowel kunstenaar, criticus als galeriehouder. Hij introduceerde met zijn galerie MTL de minimal art en de conceptuele kunst in ons land en zorgde voor tal van debatten en confrontaties. Hij was eigenlijk voortdurend in de weer om de kunst van zijn tijd bij een breder publiek ingang te doen vinden. Deze gepassioneerde man kon de Herberts niet ongevoelig laten en zij kozen resoluut voor de kunst van hun generatie.

 

Anton Herbert: “Onze disponibiliteit beslaat drie generaties. De eerste is de generatie van onze mentors, kunstenaars die aanleiding zijn geweest voor onze manier van omgaan met kunst. (…) Dan is er onze eigen generatie, die van Daniel Buren (°1938), Carl Andre (°1935), Art & Language, Marcel Broodthaers (1924-1976) en Bruce Nauman (°1941). Dat is onze basis en ons werkterrein: een dertigtal kunstenaars. Tenslotte is er de generatie direct erna, met Franz West (1947-2012), Martin Kippenberger (1953-1997), Mike Kelley (1954-2012), Jan Vercruysse (°1948). We hebben ze opgenomen in het geheel en ze met de andere kunstenaars geïntegreerd.” (in ART, januari 2006)

 

Wat de Herberts vooral boeit is het contact met de kunstenaars, de gesprekken, het delen van inzichten. Het is duidelijk dat je niet eindeloos door kunt gaan met die kennissenkring als je niet in oppervlakkigheid wilt vervallen. Ze hebben hun keuzes gemaakt en hebben die in de loop van veertig jaar verzamelen uitgediept, consequent een richting gevolgd en daarbij ook uitgebreid gedocumenteerd. Een werk dat nog altijd doorgaat. Ze zijn dan wel gestopt met verzamelen, het archief dat een onmiskenbaar en quasi evenwaardig onderdeel van die verzameling vormt, blijft voor uitbreiding vatbaar. 

 

 

VOOR HET PUBLIEK

 

De beslissing om de verzameling voor het publiek open te stellen is er niet van de ene op de andere dag gekomen. De oprichting van de Herbert Foundation is een werk van lange adem geweest. Anton Herbert ziet drie fundamentele pijlers: de collectie, het archief en de tentoonstellingen. “Het mag absoluut geen mausoleum worden,” zegt hij: “De collectie moet een werktuig zijn, net zoals het archief en de exposities. De verzameling van documenten in het archief is niet slechts complementair, ik geloof dat ze eigenlijk essentieel is. De collectie kan niet zonder het archief, ze versterken elkaar. Het ene is niet heel veel waard, het andere wellicht heel veel, maar als de twee niet samengaan, zou alles verloren zijn.”

 

De Herberts hebben hun maatschappelijke rol van in het begin ernstig genomen. De collectie is tot stand gekomen vanuit een reflectie over kunst en maatschappij. Ze verzamelen naar eigen inzicht kunst sedert 1972. Meer dan een decennium later worden ze door Rudi Fuchs, toenmalig directeur van het Van Abbe Museum in Eindhoven, gevraagd om een groot deel van hun collectie aan het publiek te tonen. Dat is niet zo evident als dat nu het geval is. Onder de titel L’Architecte est absent wordt in 1984 het resultaat van elf jaar verzamelen getoond in confrontatie met een aantal werken uit de collectie van het museum.

 

Alhoewel de verzameling van Herbert het hoofdbestanddeel vormde van de tentoonstelling ontstonden op die manier boeiende dialogen zoals bijvoorbeeld tussen een werk van Carl Andre en Piet Mondriaan (1872-1944) of dat van Lawrence Weiner (°1942) en Max Beckmann (1884-1950). 

 

De Herberts hadden enkele jaren eerder een geschikte ruimte gevonden voor hun collectie, een industrieel gebouwencomplex in Gent. Het was vooral het neutrale karakter van dat gebouw dat hun aantrok en de doorslag gaf. Daarom was ook de titel van de tentoonstelling in Eindhoven niet zomaar gekozen. Hij is ontleend aan Le Corbeau et le Renard (1968) van Marcel Broodthaers. Met de titel wilden ze het belang benadrukken van een neutrale ruimte om kunst te tonen. Spektakelarchitectuur is niet aan hen besteed.

 

Twee jaar later kwam de spanning tussen privé en openbaar nog eens tot uiting tijdens de gedenkwaardige manifestatie Chambres d’Amis van Jan Hoet in Gent. Het opzet van Jan Hoet was om kunst uit het museum te halen en te tonen in de leefwereld van de mensen.

 

De Herberts stelden hun voorwaarden, ze wilden een kunstenaar van hun keuze, dat werd uiteindelijk Daniel Buren. Zowel Herbert als Hoet trokken naar Buren in Parijs en de gehaaide strateeg, die Buren ook is, stelde voor om zijn werk zowel in het museum als bij de Herberts thuis te maken. Het werd Le Décor et son double op basis van een gastenkamer bij de Herberts. Buren had zijn bekende streepjespatroon toegepast op de site in de Raas van Gaverestraat, zij het voor de helft van de ruimte, en in een replica van die ruimte in het museum voor de andere helft. De plek bij de Herberts was niet toegankelijk voor het publiek, die in het museum natuurlijk wel.

 

Het werk in het museum werd niet aangekocht en bewaard. Het werd een kwarteeuw later gereconstrueerd en opnieuw getoond en behoort nu tot de vaste collectie van het S.M.A.K. in Gent.

 

 

DUBBELTENTOONSTELLING

 

Natuurlijk onderhouden eigenaars van een dergelijke verzameling niet enkel contacten met hun kunstenaars maar hebben ze een uitgebreid netwerk van conservators en curatoren van overal ter wereld.

 

Zo volgden zij al geruime tijd de werking en de tentoonstellingen van het Casino Luxembourg - Forum d’Art Contemporain in het groothertogdom. De herhaalde contacten met Enrico Lunghi die toen het initiatief leidde, mondden uit in een tweede tentoonstelling in 2000. Het werk Many Colored Objects Placed Side by Side to Form a Row of Many Colored Objects van Lawrence Weiner van 1979, dat in zijn volle lengte over de gevel van het vroegere casino was aangebracht, was meteen ook de titel voor de expositie.

 

Alhoewel door de beperkte oppervlakte slechts een selectie van de collectie kon getoond worden, waren uitzonderlijk veel kunstenaars op de opening aanwezig wat leidde tot een gedenkwaardige reünie. De tentoonstelling in Luxemburg kreeg in de ondertitel ook het woordje ‘programme’ mee. Dat duidde op het feit dat de collectie in dat jaar haar rustpunt had bereikt. De krijtlijnen waren uitgezet, het kader lag vast, van Marcel Broodthaers tot Mike Kelley, nu was het tijd om verder uit te diepen.

 

Op deze wijze was de collectie nog te gast in musea van Barcelona, Graz en nog onlangs in het Mumok in Wenen.

 

Overal worden de verzamelaars met veel respect, warmte en bewondering begroet. Met hun eerder rationele en beredeneerde aanpak hebben ze een verzameling op punt gezet die zonder meer museumwaardig is en waar sommige instellingen jaloers op mogen zijn. Regelmatig zullen nu tentoonstellingen gehouden worden in het industrieel gebouw dat via de Gentse Coupure te bezoeken is.

 

Ook dit pand dat dateert van de negentiende eeuw is heel bewust zo weinig mogelijk gewijzigd om de oorspronkelijke neutraliteit ervan te behouden. Er is een tentoonstellingsruimte van ongeveer tweeduizend vierkante meter in ontwikkeld.

 

In juni 2013 ging de stichting naar het publiek met haar eerste expositie in de eigen gebouwen: As if it Could – Works and Documents from the Herbert Foundation, ouverture.

 

Ook hier valt in de titel op dat collectie en archief even belangrijk zijn. En ook hier dient een werk van Weiner als leidmotief. Weiner is immers een schitterend voorbeeld van een conceptuele kunstenaar. Hij is sterk taalgebonden, zijn krachtige teksten worden aangebracht op diverse dragers naar de instructies van de kunstenaar en hebben in zich een sculpturaal karakter.

 

We kijken uit naar de dubbele tentoonstelling waarmee de stichting volgende maanden uitpakt. In Genuine Conceptualism op het gelijkvloers zal prof. Lynda Morris van de Norwich School of Art & Design een actuele reflectie brengen rond de artistieke avant-garde van de jaren 1960 en 1970. Ze zal hierbij gebruik maken van haar persoonlijke en zeer uitgebreide archief.

 

Morris mag gerust als een protagonist worden beschouwd, ze schreef in die jaren voor Studio International, het tijdschrift dat in 1893 ontstond als The Studio, en nog steeds met een indrukwekkend lezersbestand van groot belang is in de kunstwereld.

 

Door haar samenwerking met mensen als Nigel Greenwood (1941-2004), Germano Celant (°1940) en Konrad Fischer (1939-1996) bouwde ze een nauwe band op met diverse kunstenaars.

 

Nigel Greenwood was de galeriehouder die bijvoorbeeld Gilbert & George presenteerde met hun bekende performance Singing Sculptures.

 

De Italiaanse kunsthistoricus en curator Germano Celant zal voor altijd verbonden blijven aan de term ‘Arte Povera’ waarmee hij het werk van kunstenaars als Luciano Fabro (1936-2007), Giulio Paolini (°1940), Mario Merz (1925-2003) en tal van anderen naar voor bracht.

 

Konrad Fischer tenslotte was zelf kunstenaar maar ook galeriehouder en verzamelaar. In zijn toonaangevende galerie in Düsseldorf toonde hij de belangrijkste conceptuele kunstenaars van die tijd.

 

Lynda Morris had op die manier contacten met al deze kunstenaars en is dus een belangrijke en bevoorrechte getuige van de kunst in die decennia. Zij zal haar tentoonstelling opbouwen rond haar eigen archiefstukken en kunstwerken aangevuld met het archief en werken uit de collectie van de Herberts. Op die manier wil de Stichting duidelijk haar intentie van ontsluiting en verdieping inzake de kunst van die periode realiseren.

 

Op de bovenverdieping wordt de tweede tentoonstelling gepresenteerd. Anton Herbert treedt zelf op als curator samen met Laura Hanssens.

 

Hier is als titel Use me gekozen, afkomstig van de gelijknamige ets van Bruce Nauman die zich in de collectie bevindt. Helemaal in de geest van wat de initiatiefnemers willen, worden kunstwerken uit de collectie met bruiklenen geconfronteerd om de reflectie over kunst en maatschappij te stimuleren, om vragen op te roepen en op zoek te gaan naar mogelijke antwoorden.

 

Naast Bruce Nauman presenteert Use me werk van Jean-Marc Bustamante, Wim Delvoye, Katharina Fritsch, Robert Gober, Mike Kelley, Martin Kippenberger, Paul McCarthy, Reinhard Mucha, Kurt Ryslavy, Thomas Schütte, Jan Vercruysse, Franz West en Heimo Zobernig. 

 

Bij de tentoonstelling van Lynda Morris hoort een publicatie, want de Herbert Foundation is een levend studiecentrum van de kunst die de verzameling herbergt.

 

Daan Rau

 


Info

 

Tentoonstellingen

 

Unconcealment. Genuine Conceptualism

Use Me

Van 4 juli tot 8 november 2014

 

Herbert Foundation

Coupure Links 627 A

9000 Gent

Tel. 09 269 03 00

www.herbertfoundation.org

 

Wie de tentoonstellingen wil bezoeken, individueel of in groep, dient vooraf in te schrijven via telefoon of website.

De bezoekers worden steeds begeleid door een gids.