U bent hier

Gasthuismuseum Sint-Dimpna in Geel

Ziekenzorg in het Geels Gasthuis, 1639, olieverf op doek, 126 x 241 cm

 

Zorg is blijkbaar iets besmettelijks in Geel. Op de plek waar de Gasthuiszusters Augustinessen zich eeuwenlang inzetten voor de ziekenzorg, waakt de huidige ploeg van het Gasthuismuseum Sint-Dimpna over hun nagedachtenis. 

 

 

GOD OF DOCTOOR 

 

De Zusters Augustinessen die in 1552 naar Geel trokken om het oude gasthuis te hervormen, wisten niet wat hen allemaal te wachten stond. De volgende eeuwen trotseerde de communauteit godsdienstoorlogen, Franse bezetters, pest- en cholera-epidemie­ën, tot zelfs de dreiging van de sloophamer. Dat het personeel van het Gasthuismuseum ook toegewijd is, bewijst alvast de uitreiking van de Museum Publieksprijs 2009: "We hebben als niet-erkend museum nochtans niet veel armslag," zegt conservatrice Frieda Van Ravensteyn. "Toch hebben we de laatste jaren fel ingezet op interactieve en multimediale toepassingen voor alle mogelijke doelgroepen. Met de Museum Publieksprijs hopen we nu ook voor allochtonen een gepast project te ontwikkelen."

 

De Open Monumentendag op 13 september 2009, met als thema 'zorg', grijpt het museum aan om gedurende zes maanden de schijnwerpers op stukjes vergeten ziekenzorg te richten: "Met de tentoonstelling God of Doctoor focussen we op de evolutie van de ziekenzorg. Tot ongeveer 1800 moest de zieke het stellen met huis-tuin-en-keukenmiddeltjes, met bijgeloof, veel gezwets en de feitelijke onmacht van doctoors, chirurgijns en kwakzalvers allerhande. Soms nam God het over en bracht troost en hoop, maar ook schuld en boete en nog méér vragen."  

 

 

'T SIJN MEEST DE ARMEN DIE SIJ BEDIENEN 

 

Frieda Van Ravensteyn brengt ons tot bij het hart van het museum: het schilderij Ziekenverzorging in het Geelse gasthuis uit 1639, waaruit ze 'voorleest'. Het schilderij hangt waar het zich afspeelt, in de vijftiendeeeuwse gasthuiskapel, waar de eerste ziekenkamer zich bevond: "Ziekte werd toen nog als een gevolg van zonde gezien. Op het schilderij staan zes alkoven en een bedstee, en zusters die de arme patiënten in hun eerste levensbehoeften voorzien. Hun voeten worden gewassen, ze worden ontluisd en ze krijgen een vers bed dat met een bedpan wordt verwarmd. Om betwisting te vermijden, is het moeder-overste die het eten bedeeld. Er is ook de zorg voor het zielenheil van de patiënten, zoals de aanwezigheid van de priester laat zien. Weeshuizen bestonden nog niet, maar dit schilderij maakt duidelijk dat de zusters ook vondelingen opvingen. Hoewel de armenzorg voorging (En Segh voor eerst 't sijn meest de Armen / Die zij bedienen en erbarmen / In Siecktens, Qualens, Loop oft Pest ,/ 't Is bij hun al om ter best.) is er als randfiguur een man met een zotskap te zien, de handen gekneveld op de rug."

 

"Op het schilderij zijn nog geen dokters of chirurgijns te bekennen," merkt Van Ravensteyn verder op: "De interne huisopleiding ging over van de ene generatie zusters op de andere. Spijtig genoeg zijn door een vroegere opknapbeurt de alkoven en de afsluiting tussen de eerste ziekenzaal en de kapel afgebroken. Tijdens de mis ging de afsluiting open zodat de zieken konden meevieren vanuit hun bed." 

 

In de negentiende eeuw werden de Ziekenzalen 11 en lil bijgebouwd, die in tegenstelling tot de eerste ziekenkamer in de kapel, al wel konden verlucht worden. In die zalen toont het museum onder andere een amputatiedoos of de allereerste Geelse 'ziekenwagen' (berrie), in gebruik tot in 1919 het nieuwe ziekenhuis van Geel werd gebouwd, dit keer buiten de muren van het oude gasthuis.  

 

 

SMAKELIJK OFSCHOON NIET LEKKERLIJK 

 

Alsof de Zusters Augustinessen elk moment hun taken zullen hervatten, zo liggen de oude vertrekken erbij. Wat leert ons een rondgang door het imposante Ambachtsgebouw, of door de archieven waarin de conservatrice ons een blik gunt: "Aankopen gebeurden in functie van tekorten en hiaten. Zo zie je dat de zusters wit brood aankochten, maar volkoren- en roggebrood niet want dat bakten ze zelf. Ook rundsvlees kwam van buiten het gasthuis, het eigen vee was melkvee. Verder voorzagen ze in de eigen behoeften met schapen (hamelenvlees), geiten en pluimvee. Extra's werden er ook aangekocht als er soldaten moesten mee-eten. Geel is in de geschiedenis overspoeld door legereenheden, van de Spaanse koninklijke troepen, de Staatse troepen uit de Noordelijke Nederlanden en vreemde troepen in dienst van een van de twee strijdende mogendheden. Brandschattingen, inkwartieringen, afpersingen en opeisingen volgden elkaar op. Ter verantwoording van de uitgave van negen stuivers, noteerde moeder-overste: "aen Langen Lievens knecht dat hij ons pert daer gaeye sloech tot dat de rovers ewech waren."

 

Het Ambachtsgebouw overkoepelt de werkruimtes voor de materiële voorzieningen: de brouwerij, de bakkerij met de mutsaardoven waar tot 32 broden tegelijk ingingen, en met de doofpot waarin de assen werden bewaard, de moosbank voor het karnen van de melk ... 

 

De oude woorden komen goed tot hun recht op de sobere onderschriften. In de dienstbodekeuken voor het lekenpersoneel, dat nog tot 1960 op de gasthuishoeve werkte, werd ook geklust: schoenen herstellen, wol kaarden, haspelen na het spinnen. De kloosterkeuken waar de maaltijden voor de zusters en de zieken werden bereid, is uitgerust met een Godinkachel uit 1900. In de jaren 1930 kreeg de keukenzuster nog de volgende richtlijn mee: zoo goed mogelijk, smakelijk ofschoon niet lekkerlijk, de spijzen voorbereiden en ze afwisselen. Vandaag mag het ook lekker zijn: "Naar het kookeiland uit 1757 zijn al verschillende architecten komen kijken. Heel de pottenwinkel is hier nog intact." 

 

 

WEERLYCKE LICHTVEERDIGHEDEN 

 

De refter in het kloostergebouw is uitgerust met een renaissancekast, een achttiende-eeuwse Franse kleerkast en een zogeheten 'plattelandskast'. "Dat wijst erop dat het Geelse Gasthuis nooit zo rijk geweest is als het Sint-Janshospitaal in Damme en Brugge of het Sint-Elisabethgasthuis te Antwerpen," zegt Van Ravensteyn: "Het Geelse Gasthuis was een plattelandsgasthuis. De collectie wordt getoond zoals de zusters haar verworven hebben, via mecenassen of erfenissen."

 

De refter diende ook om de geestelijke honger te stillen. In de tot kapittelzaal herbestemde refter werden de materiële zaken van het gasthuis, maar ook de tekortkomingen van de leden besproken: "Wie bijvoorbeeld het silentium had doorbroken of weerlycke lichtveerdigheden had gehanteerd, kon hier als strafmaat het 'kattenplankje' krijgen. De maaltijd werd geserveerd op het plankje op de grond waartoe de zuster zich dan moest verlagen. In de zeventiende eeuw was er op een bepaald ogenblik zelfs een tuchtprobleem. De zusters gingen iets te preventief om met de alcoholische producten uit de apotheek." Maar de Moederskamer van het kloostergebouw leert dat het er in de regel strikt aan toeging: over het verschil in habijten voor novices of geprofeste zusters, over de bruidsschat of over de verkiezing van moeder-overste: "Dat gebeurde met een zakje bonen, zodat de zusters die analfabeet waren toch konden laten zien voor welke medezuster ze een boontje hadden." 

 

 

SINT-DIMPNA, PATRONES VAN DE GEESTESZIEKEN 

 

De wereldberoemde gezinsverpleging van psychiatrische patiënten in Geel en het Gasthuismuseum Sint-Dimpna Geel zijn van oudsher communicerende vaten. Daarom is het ook logisch dat de collecties van de Sint-Dimpnacultus en het patrimonium van de Geelse Gasthuiszusters Augustinessen sinds 1971 verenigd zijn in een museum.

 

Hoe kwam Geel aan zijn eretitel 'Barmhartige Stede'? "Uniek is de gezinsverpleging nochtans niet," vertelt Van Ravensteyn: "alleen bleef die traditie in Geel bestaan, wellicht door de kracht van de legende van Sint-Dimpna waarvan men beweert dat ze tot de genetica van de Gelenaars behoort." In een nis in de buitenmuur van het museum bevindt zich de renaissancistische beeldengroep Marteldood Heilige Dimpna. Volgens de dertiende-eeuwse Vita Sanctae Dimpnae zou de Ierse prinses Dimpna, dochter van een heidense Ierse koning en een christelijke moeder, hier rond het jaar 600 gestorven zijn. Ze werd onthoofd door haar tot waanzin gedreven vader omdat ze zijn incestueuze voorstellen had afgewezen.

 

De door de Vita op gang gebrachte verering van Dimpna's relieken kende zo'n overrompeling dat de geesteszieke bedevaarders door Gelenaars werden opgevangen. "Vandaag plaatst het Openbaar Psychiatrisch Zorgcentrum (OPZ) Geel nog altijd een vierhonderdtal patiënten bij pleeggezinnen," zegt Van Ravensteyn: "Bij de autochtonen, zelden bij 'aangebrachten', zoals de inwijkelingen hier genoemd worden. De kluisters die vroeger bij de pleegzorg hoorden, zijn nu vervangen door tranquillizers. En de transistorradiootjes waaraan je de patiënten vroeger kon herkennen, door een hondje."

 

Ook de gasthuiszusters volgden het voorbeeld van de Geelse gezinnen en vingen de geesteszieke medemens op. Ze breidden het gasthuis zelfs uit voor deze commensalen of kostgangers, gebouwen die nu herbestemd zijn als eengezinswoningen: "De rijke geesteszieken, vooral vrouwen uit de burgerij uit het hele hertogdom Brabant, betaalden in feite de bouwcampagnes en de armenzorg."

 

An Devroe 

 


INFO

 

Gasthuismuseum Sint-Dimpna

Open: van dinsdag t.e.m. vrijdag en zondag van 14.00 tot 17.30 uur

Gesloten: maandag en zaterdag

Gasthuisstraat 1

2440 Geel

Tel. 014 59 44 43

www.gasthuismuseumgeel.net