U bent hier

Géricault in MSK Gent - Fragmenten van mededogen

Géricault in MSK Gent: fragmenten van mededogen
Théodore Géricault, Portret van een kleptomaan, ca.1820-24, olieverf op doek, 61,2 x 50,1 cm, Museum voor Schone Kunsten, Gent.

 

Het Museum voor Schone Kunsten in Gent pakt uit met een grote tentoonstelling over Théodore Géricault, een door de realiteit en alle aspecten van de menselijke natuur begeesterd schilder.

 

 

STRIJD EN COMPASSIE

 

Het was de wens van Robert Hoozee – vorig jaar plotseling overleden – zijn loopbaan bij het Museum voor Schone Kunsten in Gent af te sluiten met een tentoonstelling over Théodore Géricault (1791-1824), van wie het, met Portret van een kleptomaan, een hoofdwerk bezit. Het siert het museum dat dit project nu gestalte krijgt. En hoe! Als hommage aan Hoozee, in hechte samenwerking met de Schirn Kunsthalle in Frankfurt en belangrijke musea in Frankrijk en elders als bruikleengevers. Het is al een halve eeuw geleden dat er een grote Géricault-tentoonstelling buiten Frankrijk werd georganiseerd, overigens de eerste, in 1953 in Winterthur. 

 

Théodore Géricault werkte in Parijs in het begin van de negentiende eeuw en overleed op 33-jarige leeftijd. Zijn werk ontstond tegen de achtergrond van grote conflicten en contrasten. Hij had het geluk op te groeien in een rijke familie en te ontsnappen aan de legerdienst door zich tegen betaling te laten vervangen. Hij erfde al snel en kon zo over een persoonlijk fortuin beschikken. 

 

Zijn oeuvre heeft iets onafgewerkt. Maar er zijn belangrijke hoogtepunten. Ter vergelijking: zijn zeven jaar jongere leerling en vriend Eugène Delacroix (1798- 1863) overlijdt op 65-jarige leeftijd, als de grote held van de Franse romantische schilderkunst, die Géricault initieerde.

 

Het werk van Géricault staat in verband met politieke gebeurtenissen. Hij was aanvankelijk fan van Bonaparte, maar voelde zich snel ontgoocheld. In 1812 nam hij als twintigjarige deel aan de Salon in Parijs en behaalde, met een ruiterportret, een gouden medaille. In 1814 was hij lid van de bereden jagers van de Nationale Garde, die Parijs verdedigde. Wat later trad hij toe tot de Koninklijke Musketiers die in 1815, het jaar van Waterloo, de vlucht van Lodewijk XVIII naar Gent afschermden. 

 

Géricault verliet de compagnie en nam voor de tweede keer deel aan de Prix de Rome, opnieuw zonder succes. Hij trok dan op eigen kosten naar Firenze, Rome en Napels. Tekenend voor zijn romantische geest is wel dat hij in Rome geen antieke monumenten of beelden schilderde, maar wel onderwerpen als De arme familie en De Barbarijse paardenloop, beide in de tentoonstelling. Hij toonde zijn hele jonge leven belangstelling voor paarden. Zijn vroege dood is een gevolg van de zoveelste val van een paard. 

 

 

HET VLOT VAN MEDUSA

 

Na Géricaults terugkeer uit Italië, treft een ongelukkige gebeurtenis zijn verbeelding. In 1816 was het Franse marineschip Medusa, op weg naar Senegal, vastgelopen op een zandbank voor de Afrikaanse kust. De kapitein vond er niets beters op dan met zijn bemanning in de reddingssloepen weg te varen. Zo liet hij 150 opvarenden achter op een haastig gefabriceerd vlot. Die dobberden dertien dagen stuurloos op de oceaan en toen ze op een strand aanspoelden waren ze nog met vijftien. De vreselijke taferelen op het vlot sloten aan bij de belangstelling van Géricault voor dode lichamen en extreme gemoedstoestanden. Hij schildert echter niet de geschonden of aan stukken gereten lichamen waarover de overlevenden vertelden. Zijn naaktfiguren zijn intact maar dragen de kleur van de dood, grauwgroen en gelig. Hij toont meer interesse voor de gevoelens, pijn, angst, wanhoop, waanzin. Hij zocht trouwens overlevenden op om uit te vissen wat er juist gebeurd was. 

 

De tentoonstelling toont heel wat studietekeningen van ledematen en van door een guillotine afgehakte hoofden. Het ging Géricault niet enkel om het anatomische maar ook om het zoeken naar een gevoel, een uitdrukking van pijn. 

 

Het MSK toont een paar voorstudies en de levensgrote kopie van Het vlot van de Medusa. Het originele werk werd in 1819 tentoongesteld op de Salon, als Tafereel met schipbreuk en leverde Géricault een tweede gouden  medaille op. Het werd echter niet aangekocht door de Franse Staat, wat doorgaans gebeurde bij het verlenen van een gouden medaille. In 1820 is het werk met groot succes tentoongesteld in London en nadien in Dublin. 

 

Dat zet de kunstenaar er toe aan, in het gezelschap van Horace Vernet (1789-1863), via Vlaanderen naar Brussel te reizen, om er Jacques-Louis David (1748-1825), die er in ballingschap leeft, te bezoeken. Daarna reizen ze verder naar Londen. Géricault krijgt er een reeks opdrachten van de kunsthandel. In mei 1821 wordt hij uitgenodigd door Thomas Lawrence (1769-1830) op een banket in de Royal Academy. Hét teken van zijn internationale erkenning. 

 

 

MENSEN IN CRISIS

 

In die jaren schildert Géricault een reeks van tien portretten van mensen in crisis. Een tweede hoogtepunt in zijn oeuvre. Het museum van Gent bezit een van de vijf nog bekende exemplaren, Portret van een kleptomaan (ca. 1820-1824). Het komt uit de nalatenschap van de Franse arts Adolphe Lachèze, die in Baden-Baden woonde. Die kocht ze op de veiling van het bezit van de psychiater Etienne Georget, een vriend van Géricault. Het is niet onmogelijk dat Georget, die de schilder verzorgde toen die aan een depressie leed na het schilderen van Het vlot van de Medusa, opdrachtgever van de reeks is geweest. 

 

De reeks illustreert een periode in de benadering van de geesteszieken. Men nam aanvankelijk aan dat de waanzin fysische kenmerken vertoonde, zoals een onregelmatige vorm van de schedel (een teken van misvormde hersenen) of een bizarre gelaatsuitdrukking. Daar verschenen heel wat boeken over, met modellen (zowel gravures als vroege foto’s). Die wetenschap, de fysiognomiek, werd algemeen aanvaard, tot de eerste psychiaters beseften dat niet zozeer kijken, maar vooral luisteren naar de patiënten resultaten bracht. De reeks portretten van Monomanen van Géricault bevindt zich op het keerpunt van die evolutie. In zijn manier van schilderen is ondertussen iets van de gevoelige en lichte toetsen van Rubens binnengewaaid. Hij bezocht in Parijs, samen met Delacroix, de cyclus over Maria de Médicis. 

 

Géricault stierf begin 1824 en is begraven op Père-Lachaise. Zijn atelier werd een paar maand later geveild. Daar kocht de Franse staat Het vlot van de Medusa tegen 6.000 frank, een hoog bedrag. Men stelde ook vast dat de materiële toestand van het werk zorgwekkend was en liet een getrouwe kopie maken. Die werd lang in de Verenigde Staten bewaard, kwam tenslotte in het museum van Amiens terecht en is nu tentoongesteld in Gent. Het origineel hangt in het Louvre, als een icoon van de Franse kunst en geschiedenis. Het is best mogelijk dat Géricault met dit werk ook de politiek en het gebrek aan verstand en inzicht van zijn tijd wou aanklagen. Het werk is later alleszins zo geïnterpreteerd.

 

De tentoonstelling in Gent brengt zo een boeiend moment in de Europese kunst naar voor, met een mooi uitgewerkte internationale dimensie: Engeland, Duitsland en de vroege fotografie. Er is ook een zinvolle sprong naar het hedendaagse, met een paar ‘Koppen’ van Marlene Dumas, recente werken, die net als het oude voorbeeld intrigeren. En de mooie, verzorgde catalogus zou zeker de goedkeuring van Robert Hoozee hebben gekregen. 

 

Joost De Geest

 


Info

 

Tentoonstellingen:

 

Géricault Fragmenten van mededogen

Van 22 februari tot 25 mei 2014

Open: van dinsdag t.e.m. zondag van 10 tot 18 uur

Gesloten: maandag

 

Museum voor Schone Kunsten

Fernand Scribedreef 1

Citadelpark

9000 Gent

Tel. 09 240 07 00

www.mskgent.be

 

 

Archief

 

Théodore Géricault, De waanzinnige moordenaar: OKV 1966/9

Museum voor Schone Kunsten Gent: OKV 1998 nr. 1

www.tento.be