U bent hier

Frits van den Berghe - Zondag aan de Leie

Frits van den Berghe - Zondag aan de Leie

Op een vijftiental kilometers van Gent, in de richting van Deinze, ligt aan een van de zwierige bochten van de Leie een dorp dat stilaan een Europese faam heeft verworven : Sint-Martens-Latem. Daar was het, -lang vóór de eerste wereldoorlog - dat een kunstenaarskolonie werd gesticht die op de plastische kunsten in Vlaanderen en in West-Europa een ontzaglijke invloed zou uitoefenen. Latem, zoals de gemeente in de volksmond heet, had reeds, omstreeks de jaren 1900, om zijn uitzonderlijk fraaie ligging en zijn bijzonder vreedzame sfeer, een eerste groep artiesten aangelokt die zich om de dichter Karei van de Woestijne en de beeldhouwer George Minne schaarden. Zij zouden de strijd aanbinden tegen het uitheemse 'luminisme' van Emiel Claus. Het waren Gustaaf van de Woestijne, Valerius de Saedeleer en Albert Servaes, die, aanleunend bij de Vlaamse Primitieven, onze schilderkunst opnieuw een geestelijke en symbolische inhoud hebben geschonken. Die eerste bent kreeg enkele jaren nadien een tegenhanger in een tweede groep kunstenaars, meestal oudleerlingen van de Gentse academie, die geen bepaald programma aankleefden, alleen maar het stadsleven beu waren en generlei toenadering zochten tot de reeds gevestigde en gevierde kolonie, behalve met Albert Servaes die de brug sloeg tussen beide groeperingen. De nieuw gekomenen heetten Frits van den Berghe, Leon en Gust de Smet, bij wie zich achteraf nog Constant Permeke voegde. Later zullen zij hun geestelijke promotors vinden in Professor André de Ridder en Paul-Gustave Van Hecke. Allen waren volksjongens, behalve Frits van den Berghe, die uit een intellectueel milieu stamde. Zijn vader had zich opgewerkt tot hoofdbilbliothecaris van de Gentse Universiteit en hijzelf, ook al had hij geen hogere studiën gedaan, was een schitterend leerling geweest en hij imponeerde zijn metgezellen door zijn welsprekendheid en zijn belezenheid. Die intellectuele vorming, die bovendien gepaard ging met een duidelijk afgebakende levenshouding op sociaal gebied, merkt men dadelijk aan zijn beste schilderijen, waarvan enkele door zijn tegenstrevers ten onrechte als 'literaire' doeken werden bestempeld. Ook het werk dat ons vandaag bezighoudt werd destijds als een anecdotisch en illustratief schilderij aan de kant gezet en het heeft jaren en jaren geduurd vooraleer de 'Zondag aan de Leie' als een van de meest typische scheppingen werd erkend van het ontwakend expressionisme in Vlaanderen. Laten wij niet vergeten dat wij hier staan voor een doek dat precies veertig jaar oud is ; het ontstond in 1924, ook al dagtekenen de voorstudies van één jaar vroeger. Wat was er met Frits van den Berghe al die tijd gebeurd ? Wij weten dat hij omstreeks 1905 met zijn jonge vrouw en zonder één duit op zak zijn intrek nam in een hofstedeken te Latem waar Albert Servaes, reeds ingeburgerd, zich bij hem kwam vervoegen. Hij schilderde er laat-im-pressionistische stemmingstaferelen, wazige zonsondergangen, landschappen in de maneschijn, sneeuwgezich-ten en intimistische interieurs, dit alles in een delicate gamma van grijs, wit, blauw en paars, verdoezeld en verdroomd, subtiel poëtisch naar vorm en naar inhoud. De eerste wereldoorlog die de ganse kunstenaarskolonie van Latem deed uiteenspatten, kwam Frits van den Berghe verrassen te New York tijdens een reis doorheen de Verenigde Staten. Daar zijn vaderland was bezet, week hij uit naar Nederland waar hij met Gust de Smet te Amsterdam, te Laren en te Blaricum, in de bitterste afzondering en in de zwartste miserie de grondslag heeft gelegd van het Vlaams expressionisme, waarvan de 'Zondag aan de Leie' een vroeg, doch kenschetsend voorbeeld kan genoemd worden. Steunend eensdeels op de veroveringen van de futuristen en anderdeels op de experimenten van de Duitse meesters der 'Brücke' en van de 'Blaue Reiter' die zegevierend het impressionisme onder de voet hadden gelopen, hadden Gust de Smet en Frits van den Berghe, elk naar eigen temperament en met hun eigen palet, een stijl geschapen die niets meer uit te staan had met het impressionisme der vroegere jaren, doch synthetisch en expressief, klaar en net, hartstochtelijk en intuïtief, de menselijke en de kosmische elementen in beeld bracht. En, wonder boven wonder... toen beiden zich, na de oorlog, te Oostende opnieuw bij Permeke -uit Engeland terug - aansloten, stelden alle drie vast, dat zij langs verschillende wegen tot éénzelfde plastische oplossing waren gekomen. Het Vlaamse expressionisme was geboren. Van den Berghe en De Smet hielden het echter niet bijster lang te Oostende uit. De Leie lokte en zij gingen zich vestigen te Bachte-Maria-Leerne en daarna te Afsnee, doch steeds op enkele boogscheuten van Latem. Aldaar is ons schilderij ontstaan, zoals gezegd in de jaren 1923-24. De schilder heeft zijn land en zijn mensen teruggevonden. Hij wortelt weer in eigen bodem, doch er is in die tien jaar afwezigheid zoveel gebeurd, zoveel veranderd. Niet in de natuur, niet in de alledaagse mens, doch in hem. 't Is lente en zondag. Hij wandelt naar Drongen, daar, links in de verte, met zijn barokke toren, zijn klooster, zijn hoeven, zijn boomgaarden en zijn weilanden. Langs de zandige trekweg ontmoet hij de zondagwandelaars, de Broedertjes van de Christelijke scholen en de spelevarende roeiers. Destijds zou heel het menselijk gebeuren hem geenszins geboeid hebben en zou hij stellig, eens te meer, een lentelandschap aan de Leie met het dorp Drongen als achtergrond hebben uitgebeeld. Sedertdien is het zwaartepunt verlegd naar een ander element. De natuur, de atmosfeer, de lucht en het licht blijven nog een belangrijke factor in het schilderij, doch de mens primeert thans. Indien het nanoense zonnelicht, de bloeiende perelaar, de bolle wolken en het frisse groen de algemene seizoensfeer opwekken, wijzen de drie groepen mensen uitsluitend op het zondagsgebeu-ren. Enkel 's zondags gaat de Gentse burger in jacquet met sigaar en wandelstok op stap, zijn zwaarlijvige wederhelft en zijn spichtige spruit voor zich uitdrijvend naar de afspanning 'In den groenen Boomgaard' waar de versnapering wacht. Ook de drie Broederkens zijn alleen 's zondags denkbaar. Zij zijn, als rekruten zonder soldij, afgezakt van Drongen tot hier en rusten uit aan de oever, de armen braafjes gekruist en de ogen strak op de horizon gericht, boven elke verleiding uit. Die donkere, centrale groep contrasteert fel met de heldere kleurenpartij van de roeier en zijn meisje, geel en roodbruin tegen de achtergrond van het lila-blauwe water. De legende wil dat die roeier Permeke zou zijn. De meester van Jabbeke heeft inderdaad omstreeks die tijd een vol seizoen te Afsnee vertoefd en gewerkt, doch bij nader toezicht gaat de gelijkenis niet op ; vooral als wij weten dat Frits van den Berghe van zijn vriend Constant reeds twee machtige portretten had geschilderd die spreken van gelijkenis en van psychologisch doorzicht. Er zit ongetwijfeld veel humor en zelfs een stuk satire in dit doek, zoals trouwens in de meeste werken van Frits van den Berghe. Zij zijn daarom nog niet noodzakelijk literair. Literair is een schilderij alleen, wanneer zijn inhoud niet plastisch verantwoord is, met andere woorden, wanneer het gebeuren eerder verteld dan uitgebeeld is. Wat ook de inhoud weze, op de kwaliteiten van vorm en kleur komt het aan. Zoniet moeten wij Velasquez, Delacroix, Goya en zelfs Rubens onder de literaire schilders gaan rangschikken. Bij deze 'Zondag aan de Leie' staan wij precies voor de schilderkunstige synthese van een aantal beelden (wandelaars, Broedertjes, roeiers, land, water en lucht) die doorheen kleur en vorm tot een geestelijk, d.w.z. onreëel tafereel samengebald werden. Het landschap en de personages zijn niet meer realistisch gezien, doch getypeerd, ontdaan van hun individuele toevalligheden. Daarom ook heeft de schilder de dingen en de mensen vervormd, of liever 'hervormd' om de algemene expressie op de spits te drijven. Het zal niemand ontgaan dat er in dit schilderij hier en daar gewisse invloeden van het cubisme, van de negerplastiek en van het Duits expressionisme aan te wijzen zijn. Dat is echter van zeer ondergeschikt belang ten overstaan van de zeer persoonlijke, streng klassieke compositie, het weergaloos palet en de schalkse, bitterzoete humor van dit voortreffelijk kunstwerk. In het œuvre van Frits van den Berghe vertegenwoordigt de 'Zondag aan de Leie' het hoogtepunt van zijn tweede Latemse periode. Een paar jaar later zal hij aan deze stijl de rug toekeren en met zijn surrealistisch werk peilen naar de diepere afgronden van het fantastische en van het menselijk instinct.