U bent hier

Een selectie opmerkelijke OCMW collecties - Waardevol erfgoed van eeuwen zorgverlening

Jacob Jordaens (1593-1678), De Nood Gods of de Wassing en de Zalving van het lichaam Christi, olieverf op doek, Maagdenmuseum Antwerpen.

 

Inleiding

 

OCMW collecties zijn minder bekend bij het grote publiek, maar ze zijn historisch en maatschappelijk van groot belang. Wat zijn dat voor verzamelingen en waarom is het de moeite waard er in dit OKV-nummer bijzondere aandacht aan te besteden? Wat is de (cultuur)historische betekenis van deze collecties, die veel ouder zijn dan ‘klassieke’ musea en die een intrinsieke maatschappelijke relevantie hebben? 

 

Het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn is een overkoepelende instelling op gemeentelijk niveau die instaat voor tal van aspecten van sociale en maatschappelijke dienstverlening. Deze wettelijk gereglementeerde structuur gaat terug op de latere middeleeuwen. In de twaalfde en dertiende eeuw beginnen overal in Europa stedelijke en kerkelijke overheden de zorg voor armen, behoeftigen en zieken op een meer gestructureerde wijze te organiseren. Allengs wordt de versnipperde liefdadigheid – verzorgd door adel, burgerij, kloosters en kerken – meer gereglementeerd, waarbij door de snel toenemende verstedelijking in de Lage Landen het de stedelijke autoriteiten zijn die hierin coördinerend en sturend optreden. Vaak zijn het kloosterordes en kloosterlingen die met de feitelijke uitvoering van de zieken en armenzorg belast worden, en dat onder toezicht van de stedelijke magistraten. Naast de hospitalen die zieken en bejaarden opvangen, en de in grote getale opgerichte godshuizen als huisvesting voor de behoeftigen, zijn het de zogeheten ‘Bergen van Barmhartigheid’ waar de liefdadigheid en armenzorg gecentraliseerd worden. Vanaf de zestiende eeuw komt er langzamerhand wetgeving op landelijk niveau, iets dat versneld wordt door de verregaande scheiding tussen Kerk en Staat tijdens de periode van de Franse Revolutie; waarbij de sociale en maatschappelijke zorg in essentie een overheidstaak wordt. Deze tendens wordt alleen maar sterker aan het einde van de negentiende eeuw en in de crisisperiode van het interbellum, totdat in 1976 de nog steeds geldende OCMW wet van kracht wordt.

 

Dat is in hele grove trekken de geschiedenis die OCMW’s in ons land delen. Daarnaast zijn er de vele verschillen en eigenaardigheden die samenhangen met specifieke historische ontwikkelingen en beleidskeuzes in de afzonderlijke steden , zoals de bijdragen in dit themanummer fraai illustreren. In dit caleidoscopische beeld komen de markante verschillen in de lotgevallen van het on(t)roerend erfgoed van deze zorginstellingen evenzeer tot hun recht als de vele overeenkomsten. Met name in de (tweede helft van de) twintigste eeuw nemen de bestuurlijke verantwoordelijken beslissingen die verregaande implicaties hebben voor de wijze waarop het erfgoed nu beheerd wordt. 

 

In sommige gevallen – Antwerpen, Brugge, Brussel, Damme en Turnhout zijn daar voorbeelden van – worden de historische collecties ‘gemusealiseerd’. Maar ook dan zijn er uiteenlopende keuzes gemaakt: in Antwerpen en Damme blijven deze musea binnen de structuur van het OCMW bestuur, terwijl men in Brugge en Turnhout opteerde om deze over te hevelen naar de stedelijke museale structuren. In Gent worden dan weer delen van de collecties gemusealiseerd via de stad – via allerlei omwegen nu in het bezit van het STAM – tterwijl een niet minder belangrijk deel van de erfgoedcollecties actief ontsloten en zichtbaar gemaakt is via het OCMW archief. Dat laatste is overigens een belangrijke en niet te onderschatten constante: ook wanneer, zoals in Brugge, de keuze gemaakt is om de kunstcollecties extern te museali - seren, dan nog blijft het niet minder belangrijke historische archief binnen de schoot van het OCMW. 

 

Overigens is het nog maar de vraag in hoeverre bij een toekomstige herziening van de OCMW wetgeving het wat erfgoed betreft nogal kunstmatige onderscheid tussen stedelijke en OCMW structuren gehandhaafd zal blijven, dan wel geleidelijk zal verdwijnen. Een belangrijk en niet te onderschatten aandachtspunt in deze is de formeel en juridische onzekere en daarmee nogal kwetsbare status van al deze erfgoedensembles. Hoezeer ook talrijke (grote en kleine) OCMW besturen met veel aandacht en met oog voor financiële consequenties de zorg voor hun erfgoed ter harte nemen, zijn er in het meer en minder verre verleden ook voorbeelden van het tegendeel: verwaarlozing en versnippering van collecties tot verkoop van belangrijk roerend en onroerend patrimonium. Dit themanummer en een volgend jaar te realiseren website die geheel gewijd zal zijn aan OCMW erfgoed zullen naar wij stellig hopen een stimulans zijn om alle betrokkenen – publiek, politici, bestuurders en OCMW medewerkers – meer bewust te maken van het intrinsieke belang van de collecties.

 

En daarmee kom ik terug op de cruciale vraag die ik aan het begin stelde: waarom is het de moeite waard om deze collecties te bewaren, te bestuderen en voor het publiek te ontsluiten? Wat is de maatschappelijke relevantie om hier aandacht voor te vragen en te blijven investeren? OCMW collecties hebben een lange geschiedenis en zijn ontstaan ver voordat er sprake was van musea zoals wij die kennen – een concept dat grofweg vanaf het einde van de achttiende eeuw zijn intrede deed in Europa. Het zijn collecties die niet museaal verzameld en bijeengebracht zijn, maar ‘utilitaire’ collecties die in de loop der eeuwen organisch gegroeid zijn als intrinsiek onderdeel van maatschappelijke zorginstellingen. In het beste geval kunnen eeuwen geschiedenis van zorg voor lichaam en ziel geïllustreerd worden in locaties waar gebouw, collectie en (im - materiële) geschiedenis één onlosmakelijke eenheid vormen. Het Brugse Sint Janshospitaal dat vanaf de twaalfde eeuw tot 1976 onderdeel was van een actieve ziekenhuissite en waar de zusters tot enkele jaren geleden gewoond hebben, is daar een treffend voorbeeld van; naast vele andere, zoals Damme, Lessen en Maagdenhuis. Niet alleen de ouderdom en de continuïteit is van belang, het gaat ook om collecties die universele thema’s weerspiegelen die niets van hun actualiteitswaarde verloren hebben: opvang van behoeftigen, zorg voor ouderen, ziekte en sterven, onthaal van vreemden… Thema’s die los van welke maatschappelijke en politieke visie dan ook niets van hun relevantie verloren hebben, en waarvan we uit het verleden kunnen leren, relativeren en inspiratie op doen. Daarbij gaat het dikwijls om gebouwen, archieven en objecten die een grote kunst- en cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen, van het wereldberoemde ensemble schilderijen van Hans Memling in Brugge tot de zeldzame groep papkommen in Antwerpen, van aandoenlijke devotionalia in Damme tot het intrigerend medisch instrumentarium in Lessen. Als beheerders van deze collecties is het onze hoop dat u na het lezen van themanummer met andere ogen kijkt naar dit minder bekende, maar unieke deel van ons historisch patrimonium.

 


INHOUD

  • Inleiding
  • Zorginstellingen in de grootstad
  • Hospitaalmusea
  • Een keuze uit interessante OCMW collecties
  • Praktisch

 

Zorginstellingen in de grootstad

 

 

Brussel en Antwerpen

 

 

het brusselse ocmw museum

 

In Brussel bestond er – zoals in 1531 verplicht door Keizer Karel – een koepelorganisatie, de ‘Overcaritaet’, in veel opzichten de voorloper van het moderne OCMW. De stad benoemde vier ‘Overcaritaetmeesters’ om de zorgbevoegdheden uit te voeren. Ze moesten toezicht houden op alle private en openbare liefdadigheidsinstellingen en rechtstreeks zorgen voor die behoeftigen waar enkel stedelijke hulp voor bestond: vondelingen, wezen, krankzinnigen, blinden en gevangenen. Van de ‘Overcaritaetmeesters’ bestaan er verschillende groepsportretten, meestal met een aantal vondelingen. 

 

De kiem van de huidige sociale diensten zat in de parochiale Tafel van de Heilige Geest of Armentafel, waarvan de belangrijkste die van de hoofdparochie van Sint-Michiel en Sint-Goedele was. Ze werd bestuurd door de Armenmeesters, lokale notabelen die sinds het midden van de dertiende eeuw de talrijke giften en legaten van particulieren beheerden. Van die Armentafels of fundaties bewaart het OCMW een afdruk van een votiefplaat van een stichting uit 1488 voor arme gevangenen en enkele penningen (armenlood) die gebruikt werden voor distributies.

 

Een sociale rol speelden ook broederschappen en ambachten, via hulpkassen en soms zelfs eigen opvanginstellingen. De Sint-Elooisbroederschap, gegroeid uit leden van metaalambachten, zou uiteindelijk alle behoeftige inwoners zonder onderscheid steunen. Van de Sint-Elooiskapel is een schilderij van de beschermheilige bewaard. De broederschap bestelde het in 1701-1703 bij Jan van Orley (1665-1735). 

 

Godshuizen werden gesticht door families, zoals Baeckx en Pacheco, of ambachten om voor levenslang onderhoud van ouderen in te staan. Er is in het huidige stadsweefsel nog maar weinig te bespeuren van die godshuizen, en qua erfgoed is de balans ook beperkt.

 

Het Sint-Janshospitaal, met stip de belangrijkste zorginstelling van Brussel, werd in 1195 opgericht door een broederschap, gewijd aan de Heilige Geest. Verzorging gebeurde door gasthuiszusters-augustinessen met omkadering door de stadsgeneesheer en de stadschirurgijn. Het hospitaal beschikte in het oude stadscentrum over administratieve en logistieke gebouwen, het kloostercomplex (met eigen infirmerie) en de zorgruimten. Merkwaardige schilderijen uit het patrimonium van het Sint-Janshospitaal zijn het drieluikje met centraal een Madonna met kind van de school van Rogier van der Weyden (1400-1464) en een Sint-Jan op Patmos door Joost de Momper (1564-1635). 

 

Meest opmerkelijk is een gebeeldhouwd retabel met beschilderde luiken, door Brusselse ambachtslieden vervaardigd. Het liturgisch zilverwerk is eveneens indrukwekkend. Daar kwam na 1783 en de afschaffing van de kloosters nog de gift bij van de familie de Merode, die stukken afkomstig van onder andere de Sint-Pietersleprozerie schonk. Verder vindt men nog talrijke meubels die door de zusters gebruikt werden, en zelfs een kabinet van moeder overste.

 

De Sint-Pietersleprozerie was al voor 1174 buiten de stad opgericht, maar na 1356 binnen de tweede omwalling opgenomen. Voor de verpleging zorgden gasthuiszusters-augustinessen en er was een Sint-Pieterskapel. Daar het aantal lepralijders steeds verder verminderde werd Sint-Pieter na 1750 een contemplatief klooster. Daarom werd het in 1783 afgeschaft en tot algemeen ziekenhuis omgevormd. Uit de kapel stammen twee standbeelden, één van de heilige zelf, een ander van Onze-Lieve-Vrouw van Smarten. 

 

Naast de ‘zorginstellingen met een klooster’ waren er ook kloosters die een zorgfunctie hadden. In Brussel waren dat vooral de Cellebroeders (Alexianen), de Zwartzusters en de Grauwzusters (Arme Klaren). Van deze kloosters is heel weinig bewaard. De Zwartzusters beschikken wel over een eigen museum in de Basiliek van Koekelberg.

 

Veel vrouwen vonden sinds de dertiende eeuw een onderdak in het begijnhof. Meer bemiddelde begijntjes bouwden er een eigen huisje, anderen leefden samen in een van de conventen. Brussel telde twee begijnhoven in het centrum, waar op het einde van de achttiende eeuw een duizendtal vrouwen leefden. Mannen konden terecht bij de Bogaarden. Van het begijnhof is enkel de kerk bewaard gebleven. Van de kapel van de infirmerie rest nog een aantal belangrijke kunstwerken: de polyptiek uit 1520, toegeschreven aan Barend van Orley (1487/91-1541), met portretten van twee begijntjes, een groepsportret van de bestuurders met de pastoor (ca. 1650), waarschijnlijk door Gaspar de Crayer (1584-1669). In de eetzaal van de infirmerie hing een indrukwekkend clairobscur schilderij toegewezen aan Mathias Stomer (ca. 1600-na 1652) met de bespotting van Christus.

 

Tijdens de Franse centralisatie vanaf 1796 werden in Brussel zoals elders twee commissies belast met de uitvoering van de nationale zorgpolitiek: Burgerlijke Godshuizen en Weldadigheid, die echter al in 1803 samensmolten tot Raad der Godshuizen, met tot 1827 als bevoegdheidsgebied het hele arrondissement. Het roerend en onroerend patrimonium werd samengevoegd.

 

Veel van de in het Ancien Régime bestaande kunstwerken waren ondertussen al verdwenen tijdens de godsdienstoorlogen (1567-1585, zoals de kapel van Sint-Elooi), of door het bombardement van 1695 (het Sint-Janshospitaal en nogmaals de kapel van Sint-Elooi). Sommige instellingen hadden te kampen met een brand of hadden door geldnood werken moeten verkopen. Wat nog overbleef werd na 1798 geïnventariseerd door de Raad der Godshuizen. Als de hoofdzetel in 1843 verhuisde naar de Kruidtuinlaan, naast het nieuwe Sint-Jansziekenhuis, werden de belangrijkste werken daar samengebracht. Giften en legaten bleven het erfgoed vergroten. Soms door kunstenaars (zoals Gilles-Lambert Godecharle, Paul Lauters en Emile Namur), vaker door families en raadsleden. De koninklijke familie schonk onder andere twee achttiende-eeuwse wandtapijten. 

 

Voor de nieuw gebouwde ziekenhuizen en rusthuizen werden kunstwerken besteld, bijvoorbeeld standbeelden van vorsten die een band hadden met Sint-Jan of Sint-Pieter. Vaak was het om de kapel te verfraaien, zoals vier schilderijen van François-Joseph Navez (1787-1869) voor het Groot Gods - huis en meubilair van Jan Frans Van Hool (1812-1883) voor Sint-Jan.

 

De invloed van de geneesheren leidde tot het vervaardigen van borstbeelden, gedenkplaten of medailles voor de opeenvolgende diensthoofden. De aandacht voor het snel evoluerende medisch materiaal groeide, en daardoor werd hoe langer hoe meer van het instrumentarium bewaard. Tenslotte kwamen af en toe ook nog voorwerpen binnen als toevallige archeologische vondsten: prehistorische vuurstenen, Romeinse munten of middeleeuws beeldhouwwerk.

 

Pas na de Eerste Wereldoorlog stelde een van de raadsleden, Maurice Frison, voor om een klein museum op te richten. Na het succes van een eerste tentoonstelling (1921), werd een eerste deel opengesteld in 1924, gevolgd door de officiële opening in 1927. De grootste stukken en de liturgische voorwerpen en kunstwerken kregen een plaats in de kapel van Sint-Jan, terwijl de portretten, het meubilair en de wandtapijten in de vergaderzalen pronkten.

 

Met de verhuis van de hoofdzetel naar een nieuw gebouw naast Sint-Pieter in 1935, werd de ruimte beperkt tot de vergaderzalen van de administratie. Sindsdien, ondanks nieuwe opstellingen in 1961 en 2005, bleef de vraag naar een aangepaste ruimte open. Ondanks het ontbreken van een herkenbaar gebouw met een tentoonstellingsruimte, trachtten zowel de Raad der Godshuizen als nu het OCMW dit erfgoed al twee eeuwen in goede omstandigheden te bewaren. Ondertussen zijn belangrijke delen van de collectie elders getoond op tentoonstellingen: in 1950 in het Paleis voor Schone Kunsten, in 1961 samen met de andere COO’s in het PSK en in 1962 in Charleroi, in 1975 ter gelegenheid van 50 jaar COO, in 1998 in de galerij van het Gemeentekrediet en in 2010 in de Hallepoort, in samenwerking met de KMKG en het Brussels gewest.

 

 

het maagdenhuismuseum in antwerpen

 

Tussen 1350 en 1354 stichtte Hendrik Suderman op de percelen die hij van het Sint-Elisabethgasthuis kocht, een huis voor arme vrouwen en meisjes. In 1553 opende de rijke koopman Jan van der Meere in de ach - terbouw een school voor ‘jonge schaemele maegdeckens’. Ongeveer twee eeuwen later, in 1634, werd het aanpalende huis in het complex betrokken en verbouwd. Het pand kreeg zo zijn huidig uitzicht, met kruisvensters in een gevel van zand- en baksteen.

 

Er zijn twee grote bouwperiodes. De eerste, de kapel en de ingangspoort, is rond 1564 te situeren. De tweede, de rest van het gebouw met als hoog - tepunt de binnenkoer, vond plaats in 1634-1635. Van deze bouwfase getuigen de lichtjes gebombeerde arduinen barokzuilen en de Madonnabeeldengroep. Het Maagdenhuis deed dienst als meisjesweeshuis tot aan de sluiting in 1882. Het Bestuur van de Burgerlijke Godshuizen maakte daarna van het pand zijn hoofdzetel.

 

Door de eeuwen heen hebben de Antwerpse liefdadigheidsinstellingen ge - bouwd, de kapellen van hun gestichten versierd en gebruiksvoorwerpen, zoals meubels en huisraad, aangekocht om hun residenten te huisvesten. Nu zijn tal van deze gebouwen als monument geklasseerd. Vele gebruiksvoorwerpen en kapelversieringen zijn samengebracht in het Maagdenhuis. Het Maagdenhuismuseum toont een kleine, maar rijke en verscheiden collectie schilderijen en sierkunsten uit de vijftiende, zestiende en zeventiende eeuw, vaak verwijzend naar de armen-, vondelingen- en wezenzorg, geëxposeerd in een unieke omgeving. Aan de opening van dit museum gaat een lange geschiedenis vooraf.

 

Al in 1839 werd te Antwerpen een commissie opgericht, belast met de inven - tarisatie van de kunstwerken in de provincie. De rijke collectie schilderijen van het Knechtjeshuis (het jongensweeshuis) en het Maagdenhuis trok al snel de aandacht van de commissie. In 1847 stelde de dichter Charles Herreys een lijst op van 160 kunstwerken die in het bezit waren van het Bestuur van de Burgerlijke Godshuizen. 

 

Na de opening van het nieuwe – toen nog stedelijke – Museum voor Schone Kunsten, vroeg het stadsbestuur de beste schilderijen uit de collectie van de Burgerlijke Godshuizen in bruikleen. Het armenbestuur ging hierop in en stond in 1890 ongeveer veertig kunstwerken af, waaronder de triptiek van Barend Van Orley, gemaakt in opdracht van de aalmoezeniers. Momenteel bevindt dit drieluik zich in de kathedraal van Antwerpen (voor de tentoonstelling Reünie) maar is normaliter nog steeds in het KMSKA te bewonderen.

 

In 1925 kwam de Commissie van Openbare Onderstand in het bezit van dit rijke kunstpatrimonium. Het bestuur besloot om, naar aanleiding van een internationaal congres over de liefdadigheid en van de Wereldtentoonstelling, een museum te openen. Dit kreeg in 1930 een plek in de kapel van het weeshuis en werd in de loop van de jaren een aantal keer grondig gerenoveerd. Hierbij kwamen geregeld schilderijen terug uit het Museum voor Schone Kunsten. In 1985 verhuisden de diensten van de algemeen secretaris en de voorzitter van het OCMW naar het aanpalende Marnixhuis. Hierdoor kreeg het museum de beschikking over de hele benedenverdieping van de voorbouw van het Maagdenhuis.

 

Het museum voert geen bewuste aankooppolitiek. Toch verwerft het soms nieuwe kunstwerken. Zo schonken de paters Jezuïeten in 1992 het waardevolle Sint-Annadrieluik, toegeschreven aan de entourage van Michiel Coxie de Jonge (1499-1592) aan het museum. Ook zijn er in het verleden legaten geweest, die in feite afbetalingen waren door minder bedeelden. Paul Joostens (1889-1960) heeft destijds zijn rekening voor een verblijf in het SintElisabethgasthuis ‘afgekocht’ met een olieverf; één van zijn zogenaamde ‘poezeloezen’. Dit werk wordt nog steeds in het socio-cultureel centrum Elzenveld bewaard. Het kunstpatrimonium daar aanwezig, evenals dat van het Zorgbedrijf, blijft eigendom van het Antwerpse OCMW. Het gaat om een collectie van zo’n 3.000 stuks, verspreid over een grondgebied van Zandvliet tot Wilrijk, van de Linkeroever tot de Kempen. Slechts 150 kunstwerken ervan bevinden zich in het Maagdenhuis: het gaat hier wel om de kunsthistorisch meest belangrijke.

 

Van het oorspronkelijke meubilair van het meisjesweeshuis is bijzonder weinig bewaard gebleven. Het interieur oogt nu veeleer als een klein, traditioneel ‘Museum voor Schone Kunsten’ dan als een oud godshuis. De bezoeker van het Maagdenhuis weet de intimistische sfeer te waarderen en ontdekt de prachtige binnenkoer, het ontroerende verhaal van wezen en vondelingen, het schitterende meubilair, gecombineerd met een verrassend grote rijkdom aan kunstschatten. De band tussen architectuur enerzijds en de erin bewaarde collectie anderzijds, vormt een kostbare en geapprecieerde ‘navelstreng’. Het typevoorbeeld hierbij is de beroemde collectie majolica papkommen: de grootste verzameling polychroom beschilderd aardewerk uit het zestiendeeeuwse Antwerpen. Destijds gebruiksvoorwerpen, werd deze reeks van 63 kommetjes in 2011 definitief op de Topstukkenlijst van de Vlaamse Gemeenschap geplaatst.

 

Conservatie en restauratie zijn taken die het OCMW museum ter harte neemt. Zo kwamen de laatste jaren zowel een ijzeren offerblok uit de zeventiende eeuw, smeedijzeren gedenktekens-sierpalmen uit het begin van de twintigste eeuw, de negentiende-eeuwse vondelingenkleedjes, maar ook de witmarmeren buste van Sebastiaan van den Eynde (1624-1702) met het portret van weldoener Cornelius Lantschot, de Emmaüsgangers van Theodoor van Loon (ca. 1582-1649) en een prachtige achttiende-eeuwse ramskop in terracotta aan bod. Zeer recent beëindigde het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium twee van de meest spectaculaire restauratiebehandelingen. Eerst de fameuze Houten Clara: een groot zeventiende-eeuws eikenhouten beeld dat een weesmeisje uitbeeldt en Hendrik Conscience (1812-1883) de inspiratie gaf tot zijn gelijknamige novelle. Vervolgens een van de allerbelangrijkste schilderijen uit de hele OCMW collectie: de zogenaamde Nood Gods (of Wassing & Zalving van het Lichaam Christi) door niemand minder dan Jacob Jordaens (1593-1678): een olieverfdoek destijds door de barokmeester zelf aan de ‘Kamer der Huysarmen’ geschonken. 

 

In het Maagdenhuis is de bezoeker te gast in een van de weinige Antwerpse musea dat tegelijkertijd een ‘historisch huis’ is, met een verrassend grote schilderijencollectie van hoog niveau. Zowel de primitieven, een markante verzameling maniëristen, als vertegenwoordigers van de drie belangrijkste barokmeesters zijn aanwezig: Rubens (olieverfschets Christus als beschermer der wezen), Van Dijck (De H. Hiëronymus) en Jordaens komen aan bod. En er zijn het oudst gedocumenteerde werk van Pieter Aertsen (1507/08- 1575), het drieluik met de voorstelling van Christus tussen de boosdoeners, het zogenaamde Jan Van der Biesttriptiek, één van de sleutelwerken van de Noord-Nederlandse schilder Abraham de Vries (ca. 1590-ca.1650), het magnifieke paneel Portret van de schilder Simon De Vos.

 

Een ander kunstwerk, de zestiende-eeuwse pijpaarden Buste van Gillebert Van Schoonbeke (1519-1556), is een volstrekt unicum in onze musea. Heel uitzonderlijk is dit beeldhouwwerk gerealiseerd in een techniek die voorbehouden bleef voor een portret van een paus of een koning, maar niet aan een Antwerpse grondspeculant avant-la-lettre. 

 

Vervolgens is er de mooie verzameling van - uitstekend bewaard gebleven - burgerlijk meubilair. De renaissance tweedeurenkast, versierd met medaillons/grotesken en arabesken, in de zestiende-eeuwse zaal, is een van de fraaiste in het genre. Mooi gebrandschilderd glas, samen met het fraaie interieur van de Voorzitterszaal (in neo-Vlaamse renaissance) en de stemmige binnenkoer laten eveneens een sterke indruk na. Tenslotte bewaart het museum enkele unieke archiefstukken, waaronder het oudst bekende zegel van de stad Antwerpen, gehecht aan een document uit 1232, de notariële Akte der Verkiezing van Karel V tot Rooms Keizer uit 1519 en de maquette van de ‘vondelingenschuif’ en de bijhorende vondelingentekens uit de negentiende eeuw.

 


 

Hospitaalmusea

 

 

Brugge, Lessen en Damme

 

 

brugge: het sint-janshospitaal en het hospitaal o.-l.-vrouw ter potterie

 

Het OCMW patrimonium in Brugge is vrij volledig bewaard en grotendeels in situ gebleven. Het erfgoed bestaat uit de gebouwen van de meeste middeleeuwse hospitalen van de stad, het mooiste van hun inboedels en hun archief, die de neerslag vormt van acht eeuwen armenzorg.

 

Het OCMW bezit nog steeds een belangrijk deel van de monumenten, zoals de drieënveertig godshuisbeluiken en het hospitaal O.-L.-Vrouw ter Potterie en is eigenaar van een waardevol kunstpatrimonium. Het OCMW bewaart ook het archief van de caritatieve instellingen. De stad verwierf vorige eeuw het begijnhof en het Sint-Jansdomein. Sedert 1990 beheert ze de twee OCMW musea: het Sint-Janshospitaal, ook bekend als Memlingmuseum, en het museum O.-L.-Vrouw ter Potterie. Samen hebben ze het label ‘landelijk museum’.

 

De kunstcollectie in beide musea is in de loop van de voorbije eeuwen ontstaan ten behoeve van het hospitaalleven, de kloostergemeenschap en de religie en wordt in de historische context bewaard. Zo zijn vier panelen van Hans Memling (ca.1430/40-1494) voor het Sint-Janshospitaal geschilderd. De broeders en zusters die de panelen hebben besteld en bekostigd, zijn erop geportretteerd. Hun namen en functies komen komen in het archief voor. Deze extra dimensie vormt een meerwaarde voor de kunstverzameling en voor de bezoeker. Het contact met de kunstwerken oefent een grote aantrekkingskracht uit op het publiek. Het Memlingmuseum? Het Sint-Janshospitaal? Of moeten we beide namen gebruiken om volledig te zijn?

 

Ook in het Hospitaal van O.-L.-Vrouw ter Potterie is de kunstcollectie sterk verbonden met het dertiende-eeuwse hospitaal en kerk. Heel wat kunst - voorwerpen zijn er ontstaan rond de devotie van O.-L.-Vrouw. Ze worden getoond in het museum of vormen een mooi coherent geheel met het grotendeels barokke kerkmeubilair. De kerk heeft haar aloude functie bewaard. De enkele hospitaalzusters en de bloeiende confrérie opgericht ter ere van O.-L.-Vrouw staan in voor het bestendigen ervan. De liturgische voorwer - pen en het kerktextiel zijn zowel museumobject als gebruiksvoorwerp. Het hospitaal evolueerde in de vijftiende eeuw naar een bejaardenhuis. Het is het nog steeds. Op de site worden de middeleeuwse gebouwen geconfronteerd met een hedendaags woonzorgcentrum.

 

In beide hospitalen is de oorspronkelijke inrichting van de ziekenzalen niet meer aanwezig. In het Sint-Janshospitaal is wel de apotheek met het originele interieur bewaard, in de Potterie, de kerk. Kunstwerken ‘tot troost van de lijdende’ zijn tastbaar aanwezig in de twee museale collecties. Typisch hospitaalmeubilair en gebruiksvoorwerpen waren onbestaande. Medische instrumenten ouder dan 1796 zijn niet bewaard. Daarom is het illustreren van de zorg voor het lichaam een ondergeschikt item in de museumpresentatie van Sint-Jan en onbestaande in het museum van de Potterie. 

 

Sint-Jan is een van de meest typische middeleeuwse hospitaalcomplexen van Noord- en West-Europa. Het is ook het oudste gasthuis van de stad. Het is gelegen op een unieke site, het hospitaaldomein, dat sinds de middeleeuwen niet veranderd is, met de hospitaalgebouwen die bestaan uit de historische panden die dateren van de dertiende tot de zeventiende eeuw, het negentiende-eeuwse ziekenhuis en de uitbreidingen uit de twintigste eeuw.

 

Omstreeks 1150 werd een eerste ziekenzaal opgetrokken in de schaduw van de O.-L.-Vrouwekerk. De oudste sporen zijn nog duidelijk in het hospitaalgebouw aanwezig. In de dertiende eeuw werd het hospitaal uitgebreid. Dit resulteerde na drie verschillende bouwcampagnes in drie hallen, loodrecht op de eerste ruimte gesitueerd. Binnen zijn deze doorbroken en vormen ze één grote ziekenzaal. De architectuur, grotendeels in een laatromaanse Doornikse stijl, is eenvoudig en functioneel. Het broederklooster en de romaanse toren dateren ook uit de dertiende eeuw, het zusterklooster stamt uit de zestiende en zeventiende eeuw. 

 

Het vroegste bewaarde document, uit 1188, is de hospitaalregel. Sint-Jan was dan in volle werking. Het hospitaal was eerder een toevluchtsoord voor de pelgrim, de reiziger, de ‘schamele’ en de zieke. Lekenbroeders en -zusters stonden in voor het beheer en de verzorging. Het toezicht berustte bij de stedelijke overheid. De Brugse schilder Jan Beerblock (1739-1806) gaf in zijn doek Gezicht in de oude ziekenzalen een duidelijk beeld van het interieur van de ziekenzaal en de werking, in pittige en exacte details afgebeeld, zoals het was op het einde van de achttiende eeuw. 

 

In de negentiende eeuw werd het interieur van de ziekenzaal gewijzigd. De ommuring van de kerk vond plaats in 1820. Na het vertrek van de zieken in 1864 naar het nieuwe ziekenhuis werd de historische hospitaalzaal in verschillende nutsruimten onderverdeeld. 

 

De topstukken uit de verzameling zijn zes werken van Hans Memling. Het Drieluik met Sint-Jan de Doper en Sint-Jan de Evangelist (1479) was bestemd voor het nieuwe hoogaltaar van de kerk. Deze gotische bidruimte maakte toen deel uit van de ziekenzaal. Naar aanleiding van de barokke herinrichting van de kerk in 1637 is het drieluik overgebracht naar de kapittelzaal van het zusterklooster. In 1489 werd het Ursulaschrijn plechtig ingewijd en in de bidruimte geplaatst. De twee kleine triptiekjes, het ene in 1479 door broeder Jan Floreins besteld, het tweede door broeder Adriaan Reins, 1480, waren wellicht bestemd voor het broederklooster. Tijdens de Franse overheersing verhuisden het Portret van een jonge vrouw of Sibylla Sambetha (1480) en de Diptiek van Maarten van Nieuwenhove (1487) van het afgeschafte krankzinnigenhuis Sint-Juliaan naar Sint-Jan. Het Memlingmuseum bezit naast schilderijen van andere meesters ook waardevol beeld - houwwerk en een opmerkelijke collectie meubilair van de veertiende tot de negentiende eeuw. Eeuwenlang was het beheer en de werking van de instelling zo goed als onveranderd gebleven.

 

In de loop van de achttiende eeuw konden de werken van Hans Memling op een groeiende interesse rekenen. Maar het waren vooral de romantici uit het begin van de negentiende eeuw, met de herontdekking van de Vlaamse primitieven en Rijnlandse schilders, die de Memling-pelgrimage op gang brachten. De werken van Memling in hun middeleeuwse omgeving kunnen bewonderen was voor de kunstliefhebber een bijzondere ervaring. Door het toenemende aantal buitenlandse toeristen besloot de Commissie van Burgerlijke Godshuizen in 1839 een museum in te richten in de kapittelzaal van het zusterklooster. Alle Memlingpanelen, samen met een tachtigtal schilderijen en enkele preciosa, kregen een plaats in het ‘museum van het Sint-Janshospitaal’. Heel wat beroemdheden kwamen dit curiositeitenkabinet bezoeken, zoals de schilders Gustave Courbet (1844) en Paul Gauguin (1894) en schrijver Victor Hugo (1861). 

 

In 1890-91 nam stadsarchitect Louis Delacenserie het schilderijenkabinet onder handen. Hij paste de kapittelzaal aan in neo-barokstijl. Enkel de zes Memlingpanelen kregen er een plaats. Tot 1958 bleef het kleine, drukbezochte museum, dat pas naar aanleiding van de belangrijke Memlingtentoonstelling in 1939 ‘Memlingmuseum’ werd genoemd, in het zusterklooster. Voor een deel van de schilderijenverzameling en kunstvoorwerpen uit SintJan bouwde men een nieuw museum in het voormalige kartuizerinnenklooster, waar ook het secretariaat van het bestuur van de Commissie voor Burgerlijke Godshuizen was gevestigd. Hiervoor deed men opnieuw een beroep op Delacenserie. Het Museum van de Burgerlijke Godshuizen, geopend in 1897, tenslotte exposeerde het patrimonium van de meeste caritatieve instellingen van de stad. 

 

Het middeleeuwse Sint-Jan kende vooral rond 1900 een intensieve restauratiecampagne, al is het is pas in het midden van de vorige eeuw dat de ziekenzalen en beide kloosters als erg waardevolle monumenten zijn erkend. Na de restauratie van de zuidgevels en na enkele ingrepen in de ziekenzalen, werd in 1958 in een deel van de zuidelijke ziekenzaal het Memlingmuseum geopend. De Memlingpanelen zijn uit het klooster naar hier overgebracht. Daarnaast viel de keuze op de oudste schilderijen uit de vijftiende en zestiende eeuw en enkele sculpturen en kunstvoorwerpen afkomstig uit het tijdens de oorlog gesloten Museum van de Burgerlijke Godshuizen. In 1972 werden apotheek, tot dan nog in gebruik voor het ziekenhuis, en de aanpalende voogdenkamer aan het museumcircuit toegevoegd. De situatie is tot 1985 zo gebleven.

 

In 1976 verlieten de ziekenhuisdiensten, na acht eeuwen, het centrum van de stad voor een nieuwbouw aan de stadsrand. Ter gelegenheid hiervan organiseerde de COO de tentoonstelling 800 jaar Sint-Janshospitaal. De unieke relatie tussen hospitaaldomein, architectuur, historische inboedel en archief werd voor het eerst benadrukt. Toen ook begon de structurele professionele museale werking. De idee ontstond om het hospitaalleven te illustreren van de vroegste getuigen tot het einde van het Ancien Régime. 

 

In 1985 werden, na de nodige infrastructuurwerken, de Memlingschilderijen naar de hospitaalkerk overgebracht. De kerkbeuk is nu bestemd voor de vier kunstwerken besteld voor Sint-Jan. De twee portretten afkomstig van het Sint-Juliaanshospitaal hebben samen met het monumentale veertiendeeeuwse Sint-Corneliusbeeld een plaats in de zijkapel. 

 

Om in een laatste fase (2002) de ziekenzalen volwaardig in te richten als een hedendaags museum zijn de niet originele muren en constructies uitgebro - ken. Zo ontstond opnieuw de monumentale ruimte. 

 

Er is gekozen voor een thematische museumopstelling. Na een bondige historiek van de stad en de plaats van de zorginstellingen in het verhaal, belicht de presentatie de iconografie van het hospitaaldomein, de gebouwen, het beheer, het leven in de ziekenzalen, de verzorging met aandacht voor de zielzorg, lijden en dood. Daarna komt de hospitaalkapel, die als een Memlingschrijn is opgevat. Ook de monumentale zolder met origineel gebinte is als ‘ervaringsruimte’ in het museumcircuit opgenomen. Een tweede zolder, die gedurende de middeleeuwen deels als leef- en slaapruimte voor de zusters diende, is nu een tentoonstellingsruimte. Het broederklooster met de zeventiende-eeuwse apotheek is via het hospitaaldomein te bereiken.  

 

Door de eigenheid van het roerend patrimonium is het Sint-Janshospitaal geen museum van schone kunsten, sierkunsten of een zuiver historisch museum. Alle voorwerpen, ongezien de kwaliteit, speelden hun rol in het hospitaalleven. De topstukken, zoals de vier kunstwerken van Hans Memling, maar ook het atelierwerk, doorsnee productie uit het Brugse en zelfs de gebruiksvoorwerpen getuigen over de eeuwenoude werking van de belangrijkste caritatieve instelling van Brugge. 

 

Het tweede museum is ondergebracht in het hospitaal O.-L.-Vrouw ter Pot - terie. Het hospitaal ontstond rond 1276. Het is toegewijd aan O.-L.-Vrouw. Potterie wijst op de ligging, langs de Reie, waar zich ook pottenbakkers hadden gevestigd. In 1300 fuseerden het hospitaal en het H.Geesthuis. Deze instelling stond in voor de zorg voor thuiswonende armen van de stad. Een religieuze gemeenschap van zusters en vanaf de fusie ook broeders stond in voor de zorg van behoeftigen, zoals het Sint-Janshospitaal. In de vijftiende eeuw evolueerde de instelling naar een bejaardentehuis. 

 

De bouw van de ziekenzaal en aanpalende ruimten dateert van het begin van de veertiende eeuw. Dan volgde de nog bestaande hoofdbeuk van de kerk, in 1359 ingewijd. De tweede kerkbeuk, ook O.-L.-Vrouwkapel genoemd, is van 1623-24. Het indrukwekkende beeld van de miraculeuze madonna, in natuursteen en wellicht kort na het ontstaan van het hospitaal te dateren, is hier nog aanwezig, samen met een laat-middeleeuws mirakelboekje, drie Brugse wandtapijten en de glasramen die Maria’s mirakels beschrijven. Het oude hospitaal was oorspronkelijk met de kerk als één ruimte opgevat, een gangbaar gebruik in de middeleeuwse hospitaalbouw.

 

Al voor de Commissie voor Burgerlijke Godshuizen in de negentiende eeuw in beide instellingen een ‘cabinet de tableaux’ inrichtte, was hun erfgoed bekend bij het publiek. De kunstliefhebber kwam naar Sint-Jan om de Memlingpanelen in hun natuurlijke omgeving te bewonderen. In het Hospitaal van O.-L.-Vrouw ter Potterie was het de gelovige die de kerk bezocht en verrijkte. De geschiedenis van het hospitaal, het belang van Onze-Lieve-Vrouw en de kostbaarheden van de kerk werden al in de zeventiende eeuw uitvoerig beschreven.

 

In 1836 verlieten de bejaarde bewoonsters de niet meer aan de tijd aangepaste ziekenzaal. De Commissie voor Burgerlijke Godshuizen besloot om in deze ruimte het kunstpatrimonium te verzamelen. Later in de negentiende eeuw opende hier een museum, opgevat als volgestapeld kunstkabinet. De kunstvoorwerpen kwamen niet enkel het hospitaal van O.-L.-Vrouw ter Potterie maar ook uit instellingen die met de Franse bezetting verdwenen, zoals het leprozenhuis Magdalena. 

 

Met de bouw van een nieuw bejaardenhuis in 1974 werd het kabinet gesloten. Het OCMW besliste enkele jaren later om het interieur grondig te vernieuwen. Het museum heropende de deuren in 1982. Weinig iconografische bronnen en voorwerpen die de hospitaalfunctie en historiek kunnen illustreren zijn bewaard gebleven. Daarom is geopteerd om voorwerpen om hun kunsthistorische waarde te tonen en niet om hun documentair belang. In de vroegere ziekenzaal zijn meubels en panelen uit de vijftiende en zestiende eeuw samengebracht. De collectie is gevarieerd en bestaat uit schilderijen, sculpturen, meubels, zilver, textiel en geeft een beeld van de artistieke productie vanaf de vijftiende eeuw.

 

 

hospitaal notre-dame à la rose in lessines

 

Het hospitaal Notre-Dame à la Rose, gebouwd langs de Dender in het hart van Lessen, werd gesticht in het midden van de dertiende eeuw op initiatief van Arnulf IV van Oudenaarde, heer van de stad en grootbaljuw van Vlaanderen, en van zijn echtgenote, Alix de Rosoit, een Franse prinses. Arnulf IV, de rechterhand van Johanna van Constantinopel, gravin van Vlaanderen, was betrokken bij de politieke en militaire twisten van zijn tijd. Op het einde van zijn leven besloot hij zich grootmoedig te tonen en hij voorzag in zijn testament aanzienlijke sommen geld ten voordele van de armen, bedelaars en daklozen van de streek. Bij de dood van Arnulf IV in 1242 zou zijn weduwe de wilsbeschikking uitvoeren.

 

In 1246 stelde Alix de Rosoit in Lessen een dubbele religieuze gemeenschap aan: enerzijds enkele lekenbroeders die zich hoofdzakelijk bezighielden met het werk op de hospitaalboerderij en anderzijds zeven zusters augustinessen voor het toezicht en de verzorging van de zieken. In die tijd was Notre-Dame à la Rose een bescheiden gebouw met twee vleugels, al waren alle noodzakelijke zalen aanwezig: ziekenzaal, kapel, refter, slaapzaal en noviciaat. In de loop der eeuwen werden de hospitaalgebouwen getransformeerd om ze beter aan te passen aan het hospitaal- en kloosterleven. Het hoofdgebouw evolueerde in de zestiende, zeventiende en begin achttiende eeuw tot de vierhoek zoals die er vandaag staat, met een harmonieuze combinatie van renaissance en laat-gotiek. 

 

Het bestuur was in handen van de priorin en van de meester-directeur die waakte over de spirituele houding in klooster en hospitaal. De meester-directeur diende zich te wenden tot de bisschop van Kamerijk, in geval van geschil of enige andere bezorgdheid. Het was inderdaad het bisdom dat statuten en levensregels toekende aan elke hospitaalinstelling die binnen zijn invloedssfeer gevestigd was.

 

Met de Franse Revolutie nam de stad het beheer van het hospitaal op zich. In de loop van de negentiende eeuw had het te kampen met een groeiende vraag naar verzorging ten gevolge van de exploitatie van de lokale porfiergroeven. De registers getuigen van het grote aantal gewonde steengroevearbeiders, zieken en invaliden die in die periode in Notre-Dame à la Rose werden verzorgd en geopereerd. Daarom kwam er rond 1830 een tweede ziekenzaal, en tussen 1860-1870 nog eens twee bijkomende zalen. Zelfs met de intrede later van lekenpersoneel (verpleegsters, verzorgenden, onderhoudspersoneel) heeft de religieuze gemeenschap een dominerende rol gespeeld tot 1980, het jaar van vertrek van de laatste patiënten uit het hospitaal, dat inmiddels een geriatrische instelling was geworden.

 

Het hospitaal Notre-Dame à la Rose is geklasseerd sinds 1940 en, sedert 1993, erkend als Buitengewoon Erfgoed van Wallonië. Ondanks de onderscheidingen zijn de redding en herbestemming van de hospitaalsite geen eenvoudige operatie geweest. Gelukkig is de groep vrijwilligers van toen (1980-1990) blijven geloven in de toekomst van de plek. Ze slaagden erin, de lokale en regionale politieke verantwoordelijken ervan te overtuigen om zich te buigen over de vraag hoe het verder moest met dit unieke oord en om heel  dringend restauratiewerken te beginnen. De klassering heeft een verhoging van de subsidiëring van het Waals Gewest mogelijk gemaakt. Dankzij de lokale, regionale, provinciale en Europese fondsen heeft het hospitaal een tweede leven en een bestemming als museum gekregen. 

 

De gebouwen, de interieurdecoraties, de tuinen, de kunstcollecties, de medische en farmaceutische verzamelingen vormen een sterk coherent geheel van uitzonderlijk grote waarde. De restauratiewerken wierpen een nieuw licht op talrijke zalen van het bezoekerscircuit. Kwetsbare en fragiele collectiestukken, zoals zilverwerk en archieven, konden eindelijk worden tentoongesteld. Het vierhoekig hoofdgebouw omsluit een binnentuin die op zijn beurt om - ringd wordt door de kloostergangen. Ze vormen de belangrijkste assen die de bezoekers naar de museumzalen leiden. Eerst is er in de ondergrondse ruimte de kennismaking met de structuur van de site en met de stichters. Er staan een maquette van de volledige site en enkele van de interessantste overblijfselen die in 2001 aan het licht kwamen, zoals de resten van een grafmonument (einde dertiende eeuw) dat wel degelijk dat zou kunnen zijn van Arnulf IV van Oudenaarde, de stichter van het hospitaal. 

 

Op de eerste verdieping is de spiritualiteit van de religieuzen en het leven in gemeenschap van de hospitaalzusters van Lessen de rode draad. De tentoongestelde werken bieden een interessante dialoog over essentiële thema’s: de christelijke naastenliefde, de religieuze roeping, de schenkingen, kunst en spiritualiteit, statuten en levensregel van de gemeenschap, de functie van de boeken in het hospitaal.

 

Het gelijkvloers getuigt van een zekere dualiteit in de historische samenstel - ling. Talrijke kamers maken deel uit van het ‘slot’ en waren uitsluitend voor de religieuzen bestemd: de refter, de ziekenboeg, de werkkamer (die vandaag als ‘Schatkamer’ is ingericht). Andere kamers waren duidelijk op de buitenwereld afgestemd. Ze houden rechtstreeks verband met de hospitaalfunctie van de instelling en herinneren er aan dat het hospitaal meer dan zeven eeuwen lang geleefd heeft in het hart, op het ritme en in dienst van de inwoners van een stad en een streek: de ziekenzalen, de apotheek, de kapel en de vreemdelingenzaal.

 

Het parcours eindigt met als hoogtepunt de triptiek van de zalen die gewijd zijn aan de zorg voor ziel en lichaam: de kapel en de twee ziekenzalen. De barokke kapel van het hospitaal is volledig gerestaureerd: van de klokkentoren tot het orgel, van de glasramen tot de versiering van het gewelf en de vergulde decors van het hoofdaltaar. Als plaats van de spirituele zorgen sluit ze natuurlijk aan op de ziekenzaal uit het Ancien Régime. Ook deze zaal kreeg een grondige restauratie. De vitrines in deze zaal leggen het verband tussen de medische technieken van toen (de geneeskunde van de humores, de chirurgie en haar evolutie enz.) en de directe omgeving van de zieke.

 

De tweede ziekenzaal (omstreeks 1830) brengt twee complementaire thema’s samen. Dankzij de herinrichting van een gedeelte van de ziekenzaal op het einde van de negentiende eeuw wordt men zich bewust van de evolutie in de levensomstandigheden van de patiënten (hygiëne in het hospitaal). Anderzijds wordt de ontwikkeling in tal van domeinen m.b.t. ‘de kunst van het verzorgen’ in de negentiende eeuw – neus-keel-en-oor, elektrotherapie, tandheelkunde, oogheelkunde, diagnostiek, gynaecologie en verloskunde – geïllustreerd aan de hand van een brede waaier medische instrumenten van destijds. Ze worden voorgesteld en in hun context geplaatst in ruime vitrines. 

 

Het bezoekerscircuit geeft inzicht in de subtiele alchemie die de verschillende hoofdrolspelers in de geschiedenis van de zorgverstrekking verbond: de stichters, de weldoeners en beschermers van de instelling, de zieken, de religieuzen en andere verzorgers (dokters, chirurgijnen, verpleegsters), de wereldlijke overheden.

 

 

damme

 

De bezoeker van het museum Sint-Janshospitaal in Damme stapt door een geïllustreerd geschiedenisboek dat ziekenzorg en kloosterleven doorheen de eeuwen oproept. Meer dan een museum, bezoekt hij eigenlijk een huis waar hij echte dingen kan zien in een omgeving die meehelpt het verhaal te vertellen van de gepresenteerde collectiestukken.

 

Al sinds de dertiende eeuw heeft Damme een hospitaal. Het oudst bewaarde document is een reglement uit 1249, maar de instelling is ouder hoewel het gebouw jonger is. Het laat dertiende-eeuwse hospitaal, dat nog altijd het stadsbeeld domineert, werd opgetrokken volgens het toen gangbare model voor een gasthuis: een rechthoekig gebouw huisvestte op de gelijkvloerse verdieping de ruime ziekenzaal en op de bovenverdieping de dormter van de zusters. Daarboven was een zolder. Latere uitbreidingen van het hospitaal vonden vooral achteraan plaats, onder andere een infirmerie, een keuken en een brouwerij. In de negentiende eeuw en aan het begin van de twintigste eeuw werden langs de straatkant een noordelijke en een zuidelijke vleugel aangebouwd. De bezoeker kan kennis maken met de bouwgeschiedenis want de museumruimtes liggen in het historische hospitaalgebouw.

 

Het museum opende in 1901 en bleef tot aan het begin van de zestiger jaren beperkt tot één ‘oudheidskamer’. Het idee om meubilair, schilderijen, huisraad, liturgische voorwerpen en nog veel meer aan het publiek te tonen, kwam van de toenmalige pastoor Juliaan Opdedrinck. Amper geïnstalleerd in Damme, legde hij zich toe op de studie van het kloosterarchief en schreef hij de geschiedenis van het hospitaal. Hij had ook belangstelling voor het roerend patrimonium, dat hij in een permanente opstelling tentoonstelde. Het Bestuur der Burgerlijke Godshuizen stelde hem ‘de beste plaats’ ter beschikking en hij richtte daar zijn ‘oudheidskamer’ in. Opdedrinck liet een klein boekje uitgeven met een overzicht van de tentoongestelde stukken. Het museum trok jaarlijks enkele honderden bezoekers.

 

Opdedrinck werd in 1910 overgeplaatst, maar de kloosterzusters van het Sint-Janshospitaal zorgden ervoor dat de kunstkamer opengesteld bleef. De pastoor-stichter had ongetwijfeld de collectie verder willen verrijken door aankopen, maar na zijn vertrek is dat stilgevallen. Het kan ook als een zegen beschouwd worden want nagenoeg alles wat nu getoond wordt, is vergroeid met het hospitaal en wie er gewoond en gewerkt hebben.

 

In de beginjaren 1960 werd het museum uitgebreid en heringericht. De kloostergemeenschap stond toen een klein bovenkamertje af zodat er meer tentoonstellingsruimte kwam en een verbindingsgang werd uitgebouwd tot een volwaardige expositieruimte. De intentie om de voorwerpen chronologisch samen te brengen leek niet haalbaar: sommige perioden zijn maar met een beperkt aantal stukken vertegenwoordigd en anderzijds zou bijvoorbeeld het opstellen van alle gotische kistbanken in één zaal niet te verantwoorden zijn. Een aantal schilderijen en liturgische voorwerpen werd in het kader van versobering na het Tweede Vaticaans concilie vanuit de kapel overgebracht naar het museum. 

 

In 1985 besloot het OCMW deeltijdse medewerkers in dienst te nemen voor de openstelling van het museum. De openingstijden werden uitgebreid en er werd gestart met een gerichte publiekswerking. Enkele zomers na elkaar pakte het museum uit met Museum te gast waarbij een museum wordt uitgenodigd om zich voor te stellen aan de hand van stukken uit de eigen collectie. De gastmusea moeten aan een onderwerp gewijd zijn waarover het museum Sint-Janshospitaal zelf ook iets kan tonen. Te gast waren: het Zuivelmuseum (Blankenberge), het Tabaksmuseum (Wervik), het Borstelmuseum (Izegem) en het Musée du Marbre (Rance). 

 

Het museum van het Sint-Janshospitaal is geen museum voor religieuze kunst, al overheerst vooral bij de schilderijen de religieuze thematiek. Kruisdragende Zusters toont de doorzettingskracht die van een kloosterlinge verwacht wordt wil ze in haar roeping trouw volharden. Laatgotisch en barok meubilair geven een beeld van hoe de ruimtes waren aangekleed en huisraad in tin of zilver laat zien wat er in de keuken of aan tafel gebruikt werd. Gedrukte of handgekleurde bidprentjes (‘sanctjes’) herinneren aan na te volgen heiligen en geven inspiratie voor een christelijke levenshouding. Aan de hand van de gedrukte plooiprent Thrésor des âmes dévotes (achttiende eeuw) kan persoonlijk gebed het hart in de juiste stemming brengen. Liturgisch materiaal met als bijzonder stuk een vroeg zeventiende-eeuws chrismatorium herinnert eraan dat bij de eredienst voor God niets kostbaar mooi genoeg kon zijn. 

 

Als getuigen van dagelijks leven treffen we een ivoren dominospelletje aan, springt een Vlaamse eiken bolpoottafel in het oog of leiden zilveren vorken met de initialen van de zusters in gedachten naar de tafelende kloosterlingen. En met de neus op een tafereel van het Laatste Oordeel begrijpt de bezoeker hoe eeuwenlang de gelovigen met schrikbeelden werden bestookt opdat ze uit angst voor hel en verdoemenis hun levenswandel zouden aanpassen.

 

Heel binnenkort verlaat het woonzorgcentrum de huidige gebouwen en trekt ook het OCMW weg uit de Damse kern. Voor het oude Sint-Janshospitaal en zijn omgeving wordt een nieuwe invulling uitgetekend.

 


 

Een keuze uit interessante OCMW collecties

 

 

Gent, Turnhout, Vilvoorde en Kortrijk

 

 

archief ocmw gent

 

Het Archief OCMW Gent kent een lange geschiedenis van het bewaren, opslaan en ook verhuizen van archiefstukken. Tot 1975 werden de archieven van de COO opgeslagen in administratieve lokalen op de hoek van de Zandpoortstraat en de Sint-Martensstraat. Alle vrije ruimten in het gebouw waren goed om de archieven te bewaren.

 

Daarna volgde een periode van plaatsgebrek waarbij het archief op verschillende locaties terecht kwam. Deze toestand was onhoudbaar geworden waardoor het bestuur van het OCMW Gent besliste een gloednieuw, volledig op maat gemaakt archiefgebouw te bouwen op de Campus Prins Filip. Einde 2006 werd het Archief OCMW Gent plechtig ingehuldigd. Vanaf dan waren de stoffige zolders, bezemkasten en klamme kelders verleden tijd en werd de collectie van het Archief OCMW Gent centraal beheerd in volwaardige, klimatologisch aangepaste archiefdepots.

 

De collectie bestaat uit drie deelcollecties: archiefstukken, bibliotheek en kunstcollectie. Het historisch archief omvat de archiefstukken van de Commissie voor Burgerlijke Godshuizen en het Bureel van Weldadigheid en loopt van 1796 tot 1925. Het bevat interessante stukken, zoals de registers met de notulen van de beraadslagingen van beide instellingen, rekeningen, jaarverslagen en dossiers over bouwwerken. De kaartencollectie bevat een schat aan informatie over historische landwegen en eigendomsverhoudingen. De bekendste stukken zijn de registers van de vondelingen, die gedigitaliseerd zijn en via de website kunnen geraadpleegd worden.

 

De bibliotheek bevat onder andere boeken en tijdschriften over de geschiedenis van het OCMW en zijn voorgangers, algemene informatie over maatschappelijk welzijn en armoedebeleid en jaarverslagen van OCMW Gent.

 

De kunstcollectie van het Archief is gedurende vele jaren opgebouwd uit bezittingen, aankopen en schenkingen. Zo vertrouwde dokter Jozef Guislain zijn verzameling schilderijen aan de Commissie voor Burgerlijke Godshuizen toe. Een andere belangrijke collectie is die van de artiest Joseph De Vuyst uit Sint-Amandsberg. Zijn weduwe gaf veel van zijn religieuze tekeningen en stadszichten aan de COO van Sint-Amandsberg in ruil voor steun.  

 

De meeste objecten uit de kunstcollectie zijn gefotografeerd en beschreven. Voorwerpen uit de kunstcollectie, vaak met een historische waarde, worden geregeld gebruikt en in bruikleen gegeven voor tentoonstellingen. 

 

Het Archief verzamelt zo veel mogelijk objecten die met de huidige werking van het OCMW te maken hebben en die later van historisch belang kunnen zijn. Daarnaast is het steeds op zoek naar voorwerpen die een band hebben met de voorgangers van het OCMW. Het kan gaan over gebruiksvoorwerpen (stempels, zwangerschapsschorten voor het personeel, uniformen van de wezenfanfare …) tot grotere stukken zoals vlaggen, gedenkplaten, muurpla - ten, naamplaten en meubels uit het gewezen weeshuis. Het archiefgebouw heeft vijf depotruimtes, een kunstkamer, een bibliotheek en een erfgoedka - mer. De totale omvang van de depots voor het archief, de bibliotheek en de kunstcollectie is 5,5 km.  

 

Het Archief OCMW Gent voert onderzoek uit in het kader van tentoonstellingen, vaak in samenwerking met een externe partner. Op regelmatige basis werkt het samen met de Universiteit Gent, pedagogische wetenschappen, voor de uitwerking van verschillende projecten die vertrekken vanuit het historisch archief. Dat resulteerde in de tentoonstellingen Mama waar ben je? over de Gentse vondelingen en verlaten kinderen en Publiek Geheim over de Gentse weeskinderen. Van deze laatste tentoonstelling verscheen in 2012 het boek Mag ik dit vertellen? Stemmen uit de Gentse weeshuizen (1945-1984).

 

 

begijnhofmuseum -tram 41 inturnhout

 

Het Begijnhofmuseum bevindt zich op het begijnhof van Turnhout, een site die beheerd wordt door het OCMW. Deze toewijzing gebeurde tijdens de Franse overheersing (1794-1815). De republikeinse bezetter seculariseerde alle begijnhoven en vertrouwde ze toe aan de Commissie voor Burgerlijke Godshuizen. In Turnhout wilden de Fransen het begijnhof zelfs verkopen, maar uiteindelijk gingen ze akkoord met een compromis. De begijnen zouden huur betalen voor hun onderkomen. Tot 2009 verhuurde het OCMW de huizen op het begijnhof van Turnhout. Nadien koos het voor het systeem van erfpacht.

 

Het museumgebouw, Begijnhof 56, is de oude pastorie van Johannes Mermans (1631-1697). Hij kwam in 1677 op het begijnhof wonen en zou er 21 jaar blijven. Al in 1693 stichtte hij de fundatie Mermans. Het was zijn wens dat na zijn dood acht minder gegoede meisjes uit zijn geboortestreek (Mol, Dessel en Balen) begijn zouden kunnen worden. Tot de Franse revolutie mochten deze jonge vrouwen gratis in de oude pastorie, het Sint-Jansconvent, wonen. Daarna werden ze aan dezelfde regels onderworpen als de andere begijnen. Pastoor Frickel (1894-1984) startte in 1953 met de inrichting van het Begijnhofmuseum in het Sint-Jansconvent samen met enkele begijnen en conservator Louis Goris (1924-2010). Ze verzamelden – zonder onderscheid – alle voorwerpen die ooit toebehoord hebben aan Turnhoutse begijnen of begijnhofpastoors. De Commissie van Openbare Onderstand stelde het pand Begijnhof 56 ter beschikking. Op dat moment woonde juffrouw Temmerman nog op de eerste verdieping van het museum. 

 

In 1959 namen de Vrienden van het Begijnhof van Turnhout de verantwoordelijkheid mee op zich om de collectie aan te vullen. In 1997 startte het OCMW met de restauratie van de vervallen achterbouw van het museum (de vroegere wasserij). De achterbouw werd via een glazen gang verbonden met de voorbouw zodat het museum in oktober 1999 zijn huidige oppervlakte kreeg. 

 

Tijdens de restauratie- en sluitingsperiode in 1998 startte in opdracht van het OCMW een werkgroep onder leiding van stadsarchivaris Harry de Kok om de doelstellingen van het museum onder de loep te nemen. De werkgroep besloot om in te zetten op de educatieve functie van het museum. In de vernieuwde opstelling verschenen tekstplaten met uitleg en illustraties bij het ontstaan van het begijnenwezen. Het museum heropende in 1999.

 

In 2002 droeg het OCMW het Begijnhofmuseum voor 99 jaar over aan Stad Turnhout. Het vormt samen met het Taxandriamuseum, het Nationaal Museum van de Speelkaart en het Stadsarchief één geheel: TRAM 41. TRAM 41, Turnhoutse Route Archief en Musea, vertelt de geschiedenis van de stad Turnhout vanuit vier deelcollecties.

 

De erkenning van het samenwerkingsverband TRAM 41 zorgt voor een evo - lutie in de museumwerking. Voordien konden er slechts sporadisch restau - raties uitgevoerd worden wanneer de vriendenvereniging hier sponsors voor vond. Wat registratie betreft, bestond er enkel een gedateerde catalogus van de collectie. Vandaag is de permanente opstelling volledig geregistreerd en wordt er veel aandacht geschonken aan de preventieve conservering van de collectiestukken.

 

Het Begijnhofmuseum ademt een huiselijke sfeer uit met museumruimtes die ingericht zijn als kamers met religieuze en huishoudelijke voorwerpen die toebehoord hebben aan Turnhoutse begijnen. Sommige kamers hebben nog steeds de functie die ze hadden toen er nog begijnen woonden. Bezoekers krijgen zo een goed beeld van hoe ze leefden en wat ze deden. 

 

In 2000 ruimden medewerkers van het OCMW de zolder van de begijnho - finfirmerie op. Ze vonden een stapel oude boeken en documenten. Gelukkig vertrouwden ze die toe aan het museum, want het bleek een zeldzaam mu - ziekarchief te zijn. In 2004 startte de vzw Resonant het onderzoek van de 17 handschriften en 56 drukken uit de zestiende tot de twintigste eeuw. Het is de omvang van het archief die het zo uniek maakt alsook het feit dat het als geheel bewaard is. Inhoudelijk geeft de collectie inzicht in de devotionele en liturgische aandachtspunten van het begijnenleven. Het topstuk van de collectie is ‘handschrift 1’, een responsoriaal processionale van rond 1550, een koorboek dat processiegezangen bevat. Of het gemaakt is in of voor het begijnhof is niet met zekerheid vast te stellen. Het processionale is in 2006 gerestaureerd en staat sinds 2009 op de Topstukkenlijst van de Vlaamse Gemeenschap.

 

 

onze -lieve -vrouwekapel in vilvoorde

 

Slechts weinigen zullen het OCMW van Vilvoorde associëren met een rijk cultureel-historisch erfgoed en een gevarieerde kunstcollectie. De huidige ziekenhuis- en woonzorgcentrumsite herbergt sedert de dertiende eeuw een onafgebroken traditie van georganiseerde hospitaliteit, geneeskunde, verpleging en verzorging. Binnen het grote gebouwencomplex dat meegroeide met de noden van de tijd, staat sedert meer dan drie eeuwen de bijzondere, barokke Onze-Lieve-Vrouwekapel. De kapel, ingewijd in 1692, is gebouwd in de tweede helft van de zeventiende eeuw ter vervanging van de oorspronkelijke kapel uit de dertiende eeuw die zwaar beschadigd werd tijdens godsdiensttroebelen rond 1578-79. 

 

De Onze-Lieve-Vrouwekapel is de laatste getuige van zeven eeuwen bestuur door de gemeenschap der Zwarte Zusters, of ook gasthuiszusters. Tot aan de Franse Revolutie bestuurden de zusters de site onafhankelijk. Op hun eigen - dom binnen de stadmuren genoten ze van administratieve, sociale, financiële en materiële immuniteit. Toen ze tijdens de jaren 1950 geleidelijk en onder lichte dwang de toenmalige COO-site begonnen te verlaten en uitweken naar Lier, ging dit gepaard met ressentiment. Vrijwel alle roerende, waardevolle bezittingen werden meegenomen. De kapel zelf en haar inboedel daarentegen is sedertdien vrijwel onveranderd gebleven. 

 

De Onze-Lieve-Vrouwekapel is door de Vlaamse Gemeenschap als monument erkend wegens haar historische, artistieke en architecturale waarde. Als gevolg hiervan startte het OCMW van Vilvoorde met eigen budgettaire mid - delen drie restauratiedossiers op voor een aantal schilderijen. Het onderzoek en de behandeling vond plaats in de Artesis Hogeschool Antwerpen. Een laat zestiende-eeuwse calvarie op paneel dat in zeer slechte staat was, kwam als eerste aan de beurt. Het schilderij heeft waarschijnlijk nooit in de kapel gehangen. Omdat het lang verstopt was en de zusters bij hun vertrek er wellicht geen weet meer van hadden, is het achtergebleven. Het tweede dossier omvatte de cyclus van de veertien kruiswegstaties uit de negentiende eeuw. 

 

Het derde restauratiedossier betrof het portret van mevrouw Elise Soyer. Het schilderij werd begin jaren zeventig van vorige eeuw aan de Vilvoordse Commissie van Openbare Onderstand geschonken door Dr. Isère Druwez, chirurg aan het toenmalige ziekenhuis van de COO. Het portret is van de hand van Jan Portaels (1818-1895), afkomstig uit Vilvoorde. Hij begon zijn opleiding in het atelier van François-Joseph Navez te Brussel. Zijn klassieke scholing zette hij voort bij Paul Delaroche in Parijs. In 1842 wordt hij laureaat van de prestigieuze Prix de Rome. Na een uitgebreide mediterrane rondreis keerde de kunstenaar terug naar België waar hij al snel hoog aangeschreven werd als schilder en leraar. Vooral zijn portretten genoten aanzien bij de burgerij. In zijn privé-atelier leidde hij verscheidene belangrijke kunstenaars op.

 

De geportretteerde vrouw is de grootmoeder langs moederszijde van de schenker. Elise Soyer (1862-1953) engageerde zich gedurende haar hele leven voor de rechten van de vrouw. Zij was schatbewaarder, en later secretaris van de in 1908 opgerichte Belgische Nationale Vrouwenraad. Later werd ze ook vicepresident van de Fédération belge pour la Suffrage des Femmes. Ze stond aan de wieg van de Belgische vrouwenbeweging en nam wereldwijd deel aan feministische manifestaties. Elise Soyer gaf de vrouw een stem via de door haar opgerichte krant l’International Féminin. Zij bestuurde eveneens een amusementscomité dat concerten en toneelvoorstellingen organiseerde in Brusselse ziekenhuizen. De persoonlijkheid van Elise Soyer komt het best tot uitdrukking in haar motto: plus de justice par plus de bonté (meer rechtvaardigheid door meer vriendelijkheid).

 

 

ontsluiting begijnhof kortrijk

 

Met vijf beschermde monumenten is het OCMW Kortrijk één van de belangrijkste patrimoniumbezitters in de regio. Drie historische sites bevatten een roerende erfgoedcollectie: het Onze-Lieve-Vrouwehospitaal, het Baggaerts - hof en het Sint-Elisabeth Begijnhof. Vooral het Begijnhof heeft al heel wat investeringen gevergd. Begin 2012 startte de restauratie van de Sint-Annazaal. De goedkeuring van het subsidiedossier door minister van Onroerend Erfgoed, Geert Bourgeois, werd gerechtvaardigd omdat “het gebouw geïntegreerd wordt in de toeristische ontsluiting van het begijnhof.” Maar behoort erfgoed wel tot het takenpakket van een OCMW?

 

De architecturale waarde van de zeventiende-eeuwse Sint-Annazaal staat buiten kijf. Het kostte de begijnengemeenschap een fortuin vooral door de moeilijke zoektocht naar stevige en “bequaeme boomen” om de zoldering van bijna negen meter te kunnen overspannen. De zaal – aanvankelijk opgericht om het bestuur van het begijnhof te herbergen – kreeg doorheen de tijd diverse invullingen. In de geest van de Franse Revolutie rezen in 1798 plannen om het begijnhof om te vormen tot een gendarmeriekazerne, waarbij de Sint-Annazaal dienst deed als hospitaal en depot. Na de ontruiming werden er diverse vormen van onderwijs ondergebracht, waaronder de kosteloze zondagschool voor textielarbeidsters Sint-Anna, waarnaar het gebouw uiteindelijk genoemd werd. Het Kortrijkse begijnhof is een van de dertien Vlaamse begijnhoven die in 1998 werden toegevoegd aan de lijst van het cultureel en natuurlijk werelderfgoed van UNESCO. De erkenning impliceert enerzijds dat het in goede omstandigheden bewaard moet worden en voldoende toegankelijk moet zijn voor het publiek, en anderzijds dat de oorspronkelijke functies van de gebouwen gerespecteerd moeten worden. Dit betekent dat een goed evenwicht tussen de recreatieve functie en woonfunctie binnen de site van cruciaal belang is.

 

Om deze evenwichtsoefening tot een goed einde te brengen heeft het OCMW Kortrijk een beroep gedaan op de vzw Ename, expertisecentrum voor erfgoedontsluiting. Uit de analysefase is een ontsluiting naar voor gekomen op basis van vijf pijlers (een onthaal, een kijkwoning, een belevingscentrum, de Sint-Mattheuskapel en het kapelletje Onze-Lieve-Vrouw-ter-Sneeuw), met als hoofddoelstelling het bijstellen van het clichébeeld van de begijntjes als prevelende kwezeltjes naar begijnen als sterke vrouwen. In de kijkwoning, de portierswoning aan de hoofdpoort, zal het traditionele huiselijke leven van de begijn geëvoceerd worden. Het clichébeeld zal ontkracht worden in het belevingscentrum op de gelijkvloerse verdieping in de Sint-Annazaal door een dynamische opstelling gewijd aan deze sterke vrouwen in een keurslijf. Als rode draad worden drie verhaallijnen meegegeven: sterke vrouwen op zoek naar een eigen spiritualiteit (over het ontstaan), sterke vrouwen tegenover de kerkelijke en wereldlijke macht (afbakening van een eigen leefwereld) en sterke vrouwen creëren een stad in de stad (over de ontwikkeling van het begijnhof in Kortrijk). Deze verhaallijnen worden gestaafd aan de hand van relevante stukken uit het archief en de collectie van het begijnhof, en krijgen een visuele vertaling die zowel de nadruk legt op de eenheid van de begijnenbeweging als op de diversiteit binnen de begijnengemeenschap.

 

Omdat het dossier meer gericht is op erfgoed en toerisme, laaide de kernopdrachtdiscussie hoog op. Terecht, omdat het exploiteren van historisch erfgoed niet tot het takenpakket van een OCMW behoort, onterecht, omdat het OCMW als eigenaar de verantwoordelijkheid moet dragen voor haar roerend en onroerend erfgoed, en dus moet investeren in een structurele oplossing voor het beheer en de exploitatie ervan. In die zin werd sinds 2009 nauw overlegd met de stad Kortrijk over gezamenlijke financiering. Met 17.709 geregistreerde bezoekers uit binnen- en buitenland in 2011 is het Kortrijkse begijnhof immers één van de belangrijkste toeristische trekpleisters. Er is afgesproken dat het OCMW instaat voor de ontsluiting van het begijnhof en dat de stad de exploitatie op zich zal nemen. Er is gekozen voor 130 openingsdagen per jaar, wat een investeringskost van 50.000 euro en een meerkost van 100.000 euro per jaar betekent. Vanaf 2013 zal de stad het onthaal en de kapel exploiteren. Het belevingscentrum volgt in december van dat jaar. Afhankelijk van de goedkeuring van het restauratiedossier volgt de kijkwoning begin 2015.

 


 

Praktisch


Musea

 

Archief OCMW Gent

Neermeerskaai 1B

9000 Gent

Bezoek na contact met publieksverantwoordelijke Nele Lefever

Tel. 09 266 94 04

nele.lefever@ocmwgent.be

www.ocmwgent.be/archief

 

Baggaertshof

Open: dinsdag tot en met donderdag en in de weekends van 14.00 tot 18.00 uur in de zomermaanden, van 14.00 tot 17.00 uur in de wintermaanden

Gesloten: maandag, vrijdag en feestdagen

Sint-Jansstraat 37

8500 Kortrijk

Tel. 0474 42 39 83

www.kortrijk.be/adressen/baggaertshof

 

Begijnhof Kortrijk

Open: Begijnhof van 7.00 tot 21.00 uur, Bezoekerscentrum van 13.00 tot 18.00 uur in de zomermaanden, van 13.00 tot 17.00 uur in de wintermaanden

Gesloten: maandag en feestdagen

Begijnhof 2

8500 Kortrijk

Tel. 0473 86 26 88

 

Begijnhofmuseum–TRAM 41

Open: dinsdag tot en met zaterdag van 14.00 tot 17.00 uur, zondag van 11.00 tot 17 uur

Gesloten: maandag, 1 en 2 januari, 25 en 26 december

Begijnhof 56

2300 Turnhout

Tel. 014 42 12 48

www.begijnhofmuseum.be

 

Collectie OCMW Brussel

Open: van maandag tot en met donderdag van 14.00 tot 16.00 uur of op afspraak

Hoogstraat 298 A

1000 Brussel

Tel. 02 543 60 55

www.cpas-ocmwmuseum.be

 

Hôpital Notre-Dame à la Rose

Open: van 1 april tot 31 oktober op zaterdag, zon- en feestdagen van 14.00 tot 18.30 uur; van 1 juli tot 31 augustus van dinsdag tot zondag van 14.00 tot 18.30 uur

Place Alix de Rosoit

7860 Lessen

Tel.068 33 24 03

www.notredamealarose.com

 

Maagdenhuismuseum / OCMW Antwerpen

Open: weekdagen van 10.00 tot 17.00 uur, weekeinde van 13.00 tot 17 uur

Gesloten: dinsdag en feestdagen

Lange Gasthuisstraat 33 

2000 Antwerpen

Tel. 03 338 26 20

www.ocmw.antwerpen.be/maagdenhuismuseum

 

Memlingmuseum - Sint-Janshospitaal

Open: dinsdag tot en met zondag van 9.30 tot 17.00 uur

Gesloten: maandag

Mariastraat 38

8000 Brugge

Tel. 050 44 87 11-13

www.museabrugge.be

 

Museum O.-L.-Vrouw ter Potterie

Open: dinsdag tot en met zondag van 9.30 tot 12.30 uur en van13.30 tot 17.00 uur

Gesloten: maandag

Potterierei 79b

8000 Brugge

Tel. 050 44 87 03

www.museabrugge.be

 


Auteurs

 

Erik Claessens, stafmedewerker OCMW Vilvoorde,

en Sven Van Dorst, master in de conservatie en de restauratie

Hilde De Bruyne, archivaris-conservator OCMW-Brugge

Mieke De Jonghe, conservator Hospitaalmuseum Damme

Berber D’Haene, informatiebeheerder OCMW Kortrijk

Karolien Geerts, verantwoordelijke Begijnhofmuseum Turnhout

David Guilardian, OCMW Brussel

Nele Lefever, Archief OCMW Gent

Marc Vuidar, adjunct-conservator Hôpital Notre-Dame à la Rose Lessen (vertaling: André Batselier)

 

Coördinatie van de redactie: Daniël Christiaens, conservator Maagdenhuismuseum Antwerpen