U bent hier

De stedelijke Musea van Kortrijk

De stedelijke Musea van Kortrijk

 


INHOUD:

De Stedelijke Musea van Kortriik

Isabelle De Jaegere

Greet Verschatse

 

  • Twee vrome vrouwen
  • Canterbury Tales in Kortrijk
  • Slaat dood!
  • De kist van Oxford
  • Stadsuitbreiding
  • Kortrijk, nijverig nest
  • Water en vuur
  • Maurice De Bevere alias Morris
  • De fine fleur van Kortrijk
  • Vrienden van de musea
  • Kortrijkse kunstenaars verzameld
  • De Kortrijkse Kunstwerkstede
  • Oranjerie of orangerie? 

 

Twee vrome vrouwen

 

 

De Groeninge abdij en het Broelmuseum vormen de Stedelijke Musea van Kortrijk. Beide zijn gratis toegankelijk en liggen in het hart van de stad, vlakbij de Broeltorens en het Begijnhof. Samen geven de Stedelijke Musea een boeiend overzicht van de rijke Kortrijkse cultuurgeschiedenis.

 

 

Op het moment dat graaf Boudewijn IX in 1204 keizer wordt,van Constantinopel, bevindt zich tussen zijn trouwste medewerkers een zekere Walter van Kortrijk, klerk en later ook zegelbewaarder van het grafelijke scriptorium.Voor bewezen diensten ontvangt Walter het leen Rodenburg, gelegen in het huidige Marke, deelgemeente van Kortrijk. Zijn twee dochters Johanna en Agnes erven dit leen en stichten er rond 1238 een cisterciënzerinnenabdij ter ere van Onze-Lieve-Vrouw. De grote weldoenster van deze abdij is gravin Johanna van Constantinopel, de dochter van Boudewijn IX.

 

Als blijkt dat Rodenburg geen veilige plek meer is voor de zusters, verhuizen ze naar Groeninge, een weiland in de onmiddellijke buurt van Kortrijk en de Leie. Daar bouwen ze rond 1265 de Groeningeabdij, die milde steun mag ontvangen van Beatrijs, burchtvrouw van Kortrijk en weduwe van Willem van Dampierre.

 

Zijn jongere broer Gwijde van Dampierre is graaf van Vlaanderen op het moment van de Guldensporenslag. Die vindt plaats vlak in de buurt van de toenmalige abdij en volgens de overlevering worden enkele vooraanstaande gesneuvelden daar begraven.

 

Tijdens de godsdienstoorlogen van de zestiende eeuw wordt het klooster geplunderd en verlaten de zusters hun abdij. Ze laten een nieuw onderkomen optrekken dichter bij de stad, in de Groeningestraat. Daar beleeft de abdij tijdens de zeventiende eeuw een grote bloei. De sterke persoonlijkheid van abdis Catharina Doens (1618-1646) en de miraculeuze uitstraling van het beeldje van Onze-Lieve-Vrouw van Groeninge zijn hier niet vreemd aan. In de achttiende eeuw treedt een vervlakking op en tijdens het Franse Bewind wordt de abdij (zoals zovele andere in Vlaanderen) afgeschaft, met verkoop van alle goederen. Een deel van het roerend kerkelijk patrimonium komt terecht in de Sint-Michielskerk bij de paters jezuïeten.

 

Vanaf 1845 beheren de zusters Arme Klaren een slotklooster op de voormalige site van de Groeningeabdij. Ze bouwen er een nieuwe bidkapel, want de oude kloosterkerk is vervallen. De Arme Klaren verlaten Kortrijk in 1978. Hun domein wordt door de stad Kortrijk gekozen als vestigingsplaats voor een nieuw museum dat de geschiedenis van de stad vertelt, met uiteraard grote aandacht voor de Guldensporenslag.

 

De intussen gedeeltelijk gerestaureerde kloostervleugels bevinden zich in een park - de voormalige kloostertuin - tussen het Begijnhof en de Houtmarkt. De bezoeker geniet mee van deze oase van rust in het centrum van het bedrijvige Kortrijk. Een ideale plaats om te verpozen. Een ideaal kader om de plaatselijke geschiedenis te leren kennen.

 

De oudste sporen van menselijke aanwezigheid in de streek stammen uit het epipaleolithicum, dit is het einde van de laatste ijstijd. Silexkernen, schrabbers, klingen, stekers en spitsen zijn teruggevonden in Harelbeke. Ze dateren van rond 9000 vóór Christus.

 

De neolithische mens gaat zich vestigen en bedrijft landbouw en veeteelt. Gepolijste vuistbijlen en andere werktuigen getuigen van deze nieuwe activiteiten. Vanaf omstreeks 1800 vóór Christus breekt de metaal tijd aan in Europa. Bronzen bijlen, weefgewichten, glasfragmenten en zelfs een Keltisch muntje duiken op. De Kortrijkse deelgemeente Kooigem kent een Keltische vesting.

 

Het Romeinse Cortoriacum levert interessant archeologisch materiaal op. Een uitgestrekt grafveld, talrijke waterputten, een offerkuil of favissa en verschillende losse vondsten getuigen van de Romeinse bloeiperiode tijdens de eerste en tweede eeuw na Christus. Gebruiksvoorwerpen in terra sigillata, een grote bronzen ketel, munten en een glazen prisma fles illustreren de hoge kwaliteit van leven. Die kwaliteit daalt zienderogen tijdens de vierde eeuw en kwijnt helemaal weg na de val van het Romeinse Rijk.

 

De Stedelijke Musea hebben de collectie Romeinse stukken voor een groot deel te danken aan het legaat van Jacques Viérin (1909-1991). Deze Kortrijkse architect hield tijdens zijn loopbaan de talrijke sites waar hij huizen liet bouwen goed in het oog. Hij liet grondsporen intekenen, registreerde elke vindplaats en haalde belangwekkende archeologische stukken te voorschijn, vooral in de buurt van de Leie. Zijn kennis over de geschiedenis van de vroegste tijden was zeer aanzienlijk, zodat hij in het standaardwerk De geschiedenis van Kortrijk (Tielt, 1990) samen met prof. Van Doorselaer dit hoofdstuk voor zijn rekening nam.

 

Na de vijfde eeuw breekt een duistere periode aan die duurt tot de stadscultuur van de Middeleeuwen haar eerste sporen nalaat. Die hebben in hoofdzaak een religieus en institutioneel karakter. De privileges van de stad worden in 1190 op perkament gezet. Het zegel van de eerste burggraven van Kortrijk evolueert naar het huidige stadswapen (sinds 1309). Intussen wordt het christendom gepredikt. De Kortrijkse parochiekerk wordt toegewijd aan Sint-Maarten. Oude relieken krijgen een onderkomen in religieuze centra. Dit zijn onder meer een fragment Heilig Haar van Christus, een Heilige Kaars van Atrecht, schedels van de Heilige Maagden van Sint-Ursula en een kazuifel van de Heilige Thomas van Canterbury.

 


Canterbury Tales in Kortrijk

 

Het meest spectaculaire vroegmiddeleeuwse museumstuk in de Groeningeabdij is ongetwijfeld de kazuifel, die toebehoord zou hebben aan de Heilige Thomas van Canterbury. In dezelfde stof zijn ook een manipel en een stola bewaard. Hoe de relieken van deze in 1170 vermoorde Engelse aartsbisschop in Kortrijk terechtkwamen, is een raadsel. Grondig onderzoek door textielingenieur Daniël De Jonghe en het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium in Brussel heeft uitgewezen dat de kazuifel inderdaad uit de twaalfde eeuw dateert en in Spanje geweven werd. De stof bestaat uit kostbare gouddraad en zijde, volledig en overdadig versierd met geometrische motieven. Na de tijdrovende restauratie, uitgevoerd door Marie Mones, is in de randmotieven van de kazuifel het Koefisch opschrift Al-hamdu opgemerkt, wat een dankzegging of lofprijzing (aan God) inhoudt. De kazuifel werd in de loop van de zeventiende eeuw in de Groeningeabdij vereerd door 'vrouwen die bevrucht zijn', dus door zwangere vrouwen, in de hoop op een voorspoedige bevalling.

 

Maar er is meer. In 1999 trof de Archeologische Stichting Zuid-West-Vlaanderen bij opgravingen in het centrum van Kortrijk een veertiende-eeuws pelgrimsinsigne aan met een afbeelding van Thomas Becket. Het was de gewoonte dat pelgrims uit Canterbury zo'n insigne meebrachten. Dit pelgrimsteken en de aanwezigheid van belangrijke relieken van de Heilige Thomas in Kortrijk zouden er kunnen op wijzen dat de stad ooit een vaste halte geweest is op de pelgrimsroute vanaf het vasteland naar Canterbury.

 

In 2000 organiseerden de Stedelijke Musea de grote tentoonstelling Thomas Becket in Vlaanderen: waarheid of legende? Talrijke kunstwerken en documenten werden samengebracht, onder meer reliekkistjes uit Limoges en de beroemde Becket-leaves, enkele zeer waardevolle dertiende-eeuwse perkamenten vellen met een geïllustreerde levensbeschrijving van Thomas Becket. Ze werden tot voor kort in Kortrijks privé-bezit bewaard. Een uitgebreide catalogus van de tentoonstelling in eindredactie van prof. Raoul Bauer is nog beschikbaar.


 

Gedurende de eerste drie kwart van de dertiende eeuw wordt Vlaanderen achtereenvolgens bestuurd door twee vrouwen, de gravinnen Johanna en Margaretha van Constantinopel. Zij bevorderen de stichting van liefdadigheidsinstellingen, kloosters, begijnhoven en leprozerieën. Ook in Kortrijk. De landbouw zorgt voor meeropbrengsten, de handel bloeit en het bevolkingscijfer stijgt in snel tempo.

 

Een derde vrouw, Beatrijs van Brabant (+ 1288), vormt de link met het thema van de Guldensporenslag. Een levensgroot portret van haar hangt in de Groeningeabdij, geflankeerd door enkele grote stenen van haar teruggevonden hartmonument. Haar lichaam werd begraven in de abdij van Marquette in Noord-Frankrijk. Maar haar hart en ingewanden werden bewaard in een loden urne, die in de Kortrijkse Groeningeabdij bijgezet werd en later overgebracht naar de Sint-Michielskerk, waar ze nog steeds aanwezig is.

 

Beatrijs was gehuwd met Willem van Dampierre en dus de schoondochter van gravin Margaretha van Constantinopel. Maar het lot was haar niet gunstig gezind. Haar man overleed in 1251 aan de verwondingen opgelopen tijdens een toernooi. Zij kreeg Kortrijk als weduwegoed en haar zwager Gwijde van Dampierre werd in 1278 graaf van Vlaanderen. Het was onder zijn bewind dat de breuk met de Franse koning Filips IV de Schone zich voordeed. Deze pijnlijke kortsluiting in de feodale verhouding leenheer-leenman lag aan de basis van de Guldensporenslag.

 


 

SLAAT DOOD!

 

 

De benedictijn Gilles li Muisis gelooft zijn ogen niet wanneer hij op 11 juli 1302 - uitgerekend de feestdag van Sint-Benedictus - een groot aantal vluchtende Franse soldaten in paniek Doornik ziet naderen. De nederlaag in de slag bij Kortrijk heeft het trotse Franse leger helemaal uiteen doen spatten. Honderden edelen, onder wie aanvoerder Robert d'Artois, zijn gedood. Het getuigenis van Gilles li Muisis over 1302 - een schitterend geïllustreerd middeleeuws handschrift - is in de Kortrijkse stadsbibliotheek bewaard.

 

Hoe is het zover kunnen komen? Omdat de Franse koning de macht van de graaf van Vlaanderen op gebied van rechtspraak en muntslag systematisch ondermijnt en zijn huwelijkspolitiek dwarsboomt, verbreekt Gwijde van Dampierre in 1297 formeel de feodale band met zijn leenheer Filips IV de Schone. Een oorlogscampagne volgt en Vlaanderen wordt ingelijfd bij het Franse kroondomein. De graaf, zijn oudste zoon Robrecht van Bethune en een vrij groot aantal Vlaamse edelen verdwijnen in Franse gevangenschap. Jacques de Châtillon wordt in Brugge tot gouverneur aangesteld. De koning houdt met zijn echtgenote Johanna van Navarra een blijde inkomst in 'zijn' Vlaamse steden.

 

Maar het verzet groeit. Vooral in Brugge keren de stedelijke milities zich tegen de bezetter. Hun leider is Pieter de Coninck, een wever. Op 18 mei 1302 doden ze tijdens de vroege ochtend van de 'vrijdag van Brugge', later genoemd de Brugse Metten, tientallen Fransen.

 

De talrijke en machtige ambachten vinden - en dit is uitzonderlijk in de Middeleeuwen - aansluiting met enkele leden van de grafelijke familie. En die is omvangrijk. Gwijde van Dampierre, zelf reeds 76 jaar oud in 1302, heeft twee huwelijken achter de rug, die zestien kinderen en talrijke kleinkinderen opgeleverd hebben. Kleinzoon Willem van Gulik, wiens oudere broer in 1297 omgekomen was bij Veurne, zoekt naar vergelding. De twee zonen Jan en Gwijde van Namen sluiten zich eveneens aan. Ook andere leden van de clan Dampierre verlenen hun medewerking, onder meer om diplomatieke steun van de paus te bekomen tegen de machtige koning van Frankrijk.

 

De opdracht van de opstandelingen is niet gering. In een mogelijke confrontatie met het goed uitgeruste Franse ridderleger hebben ze weinig kans van slagen. Maar onder leiding van Willem van Gulik rukken de Vlamingen op vanuit Brugge. Ze veroveren het Brugse Vrije en de kuststreek, waar telkens bekwame strijders en talrijke stoottroepen gemobiliseerd worden. Ook de Ieperlingen en een paar honderd Gentse bannelingen onder leiding van Jan Borluut doen mee.

 

Intussen heeft de Franse koning, woedend om het bloedbad van Brugge, een feodaal leger samengesteld onder de leiding van Robert d'Artois. Hij is in de slag bij Veurne zijn enige zoon verloren, en heeft dus nog een rekening te vereffenen met de Vlamingen. Hij trekt met een leger van ongeveer achtduizend man op naar Kortrijk, waar de Vlamingen de burcht, in handen van het Frans garnizoen van Jean de Lens, belegeren.

 

De grote confrontatie tussen beide legers vindt plaats op een open veld even buiten de stad op 11 juli 1302. De kampen zijn ongelijk. Een Vlaams leger van ongeveer 9.000 man boogschutters en voetvolk aan de ene kant neemt het op tegen een leger, bestaande uit voetvolk, boogschutters en zowat 2500 ruiters aan de andere kant. Het zijn vooral de vervaarlijk aanstormende ruiters - de 'tanks van de Middeleeuwen' - die het verschil maken. Dankzij de veertiende-eeuwse kronieken van onder meer Lodewijk van Velthem zijn de omstandigheden van de slag bij Kortrijk vrij goed gekend.

 

Door een slimme strategie, geschikte wapens, forse bevelen - slaat dood! - en een sterke motivatie slaagt het Vlaamse voetvolk erin de Fransen te verslaan. Voor de Vlamingen is het alles of niets. Achter hen liggen de Leie en de vijandelijke burcht van Kortrijk. Ze kunnen onmogelijk vluchten. Hun militaire aanvoerder Jan van Renesse, bondgenoot van de Dampierres, vormt met zijn mannen een achterlinie te paard en jaagt iedereen de strijd in. Door middel van pieken en goedendags weten de Vlamingen de eerste charge te breken door de paarden - van Velthem heeft het over 'horsen' - neer te slaan. In plaats van de Franse ridders gevangen te nemen, zoals toen gebruikelijk was, worden ze door de woeste Vlamingen gedood. "Een onmogelijke gebeurtenis", oordeelt de Italiaanse kroniekschrijver Giovanni Villani. Onweerlegbare documenten bewijzen dat Villani in Brugge verbleef in 1306, dus hij kon het weten.

 

De slag bij Kortrijk, later genoemd de Guldensporenslag, liet weinig materiële getuigenissen na. Een maquette met een groot overzicht van het slagveld, een verguld bronzen spoor, enkele werpstenen, de punt van een goedendag en nog enkele veertiende-eeuwse stukken zijn in de Groeningeabdij te zien. Een mooi veertiende-eeuws stenen hoofd van een krijger illustreert het uitzicht van een man in maliënkap. Er zijn ook enkele vrij zeldzame munten van deelnemers of betrokkenen bij de veldslag. Zilveren munten tonen de Vlaamse graven Gwijde van Dampierre en Robrecht van Bethune.

 

Niettegenstaande Hendrik Conscience beweert dat Robrecht van Bethune een aandeel had in de overwinning van 1302 op de Groeningekouter, staat het historisch vast dat hij toen de gevangene was van de Franse koning. Het zou tot 1305 duren vooraleer hij vrij kwam.

 

Twee prachtige gouden munten van Filips IV de Schone zijn onlangs verworven. Op een agnel d'or staat het opschrift 'PhREX' onder een Lam Gods. Op een zogenaamde chaise d'or zien we Filips de Schone op een prachtige gotische troon. Guy IV van Saint-Pol, de broer van de beruchte Brugse gouverneur Jacques de Châtillon, is eveneens op een munt te zien. Van Velthem vermeldt deze man in zijn Spieghel Historiael. In plaats van in Kortrijk naar het slagveld toe te rijden, galoppeert hij in de tegenovergestelde richting. "Valsce ridder, kere !" schrijft van Velthem. Maar even later stelt hij vast: "hij vliet der doet al dat hi can" (hij vlucht voor de dood zoveel hij kan). Guy IV van Saint-Pol overleeft de slag bij Kortrijk en wordt meteen daarna aangesteld tot nieuwe opperbevelhebber van het leger, met de opdracht de overgebleven manschappen te hergroeperen. Na twee belangrijke veldslagen in 1304, waarbij de drie aanvoerders van Kortrijk, Willem van Gulik, Gwijde van Namen en Jan van Renesse uitgeschakeld worden, raakt het conflict in Vlaanderen 'opgelost' met het verdrag van Athis-sur-Orge in 1305. De Franse troon eist een kolossale boete van de opstandelingen en de feodale band tussen Vlaanderen en Frankrijk wordt hersteld met Robrecht van Bethune als nieuwe graaf van Vlaanderen.

 


De kist van Oxford

 

Het voorpaneel van de zogenaamde kist van Oxford bevat afbeeldingen die geïnterpreteerd worden als scènes in verband met de slag bij Kortrijk. De kist werd aangetroffen in een boerderij in de buurt van Oxford in het begin van de twintigste eeuw, precies in een periode waarin de zeshonderdste verjaardag van de Guldensporenslag met veel luister herdacht werd. Prof. Jan Frans Verbruggen, historicus en gespecialiseerd in de bronnen over de Guldensporenslag, publiceerde een grondige analyse van de taferelen op de kist in 1952 en in 1977.

 

De datering van de jaarringen in het hout, de inhoudelijke en de technische kenmerken bevestigden de identificatie van de afbeeldingen als een waardevol iconografisch getuigenis van de slag bij Kortrijk. Vooral de heraldische figuren op wapenschilden, vaandels, schouderplaten en kledij zijn duidelijke punten die zijn stelling kracht bij zetten.

 

Toen de stad Kortrijk met subsidie van de Vlaamse regering in 1977 op het punt stond de merkwaardige kist aan te kopen, verkondigde prof. Roger Marijnissen plots dat het stuk een negentiende-eeuwse vervalsing was. Na deze zware verdachtmaking ging de aankoop niet door.

 


 

De slag bij Kortrijk werd beschreven in verschillende middeleeuwse kronieken en geïllustreerde handschriften. In de Grandes Chroniques de France, een overzicht van de politieke geschiedenis van Frankrijk, wordt 1302 meestal aangehaald, soms met een illustratie. De zich ontwikkelende geschiedschrijving haalt de historie telkens weer op, tot ze in 1838 door Hendrik Conscience tot een populaire roman verwerkt wordt. Dan is het hek helemaal van de dam. De heldendaden van Pieter de Coninck en Jan Breidel worden dik in de verf gezet.

 

De tijdsgeest van nationalisme en romantische vaderlandsliefde wordt er flink door gevoed. De middeleeuwse veldslag van één dag krijgt de status van breekijzer voor een bijtijds fel bevochten politieke en culturele Vlaamse ontvoogding. Prestigieuze herdenkingen vinden plaats. Met veel luister worden onthullingen van standbeelden, historische stoeten en allerhande manifestaties georganiseerd. En in 1973 roept de Vlaamse regering 11 juli uit tot officiële Vlaamse feestdag.

 

Maar, laten we nog even terugkeren naar 1838.

 

Tijdens de romantiek werden de meest heroïsche fases uit het verleden aangegrepen om de eigen natie te verheerlijken. Zo ook in het jonge België. Hendrik Consciences Leeuw van Vlaanderen was een nationale hit, eerder dan een Vlaams epos. De jonge schrijver inspireerde zich voor zijn eerste succesvolle roman op het schilderij van de Antwerpse schilder Nicaise De Keyser, voorgesteld in het Salon van Brussel in 1836 en op groot applaus onthaald. Zijn doek La Bataille des Eperons d'Or stelde het dramatische hoogtepunt in de Guldensporenslag voor, namelijk de moord op Robert d'Artois. Het grote schilderij van 470 op 622 cm was vanaf 1841 tentoongesteld in Kortrijk, maar het raakte vernield tijdens de Tweede Wereldoorlog.

 

Momenteel bezitten de Stedelijke Musea twee doeken met de Slag der Gulden Sporen.

 

Het eerste is onlangs aangekocht als zijnde een voorstudie door Nicaise De Keyser. Het Vlaams Ministerie voor Cultuur gaf er een aanzienlijke subsidie voor. Het schilderij is een onafgewerkte basisvoorstelling van de moordscène, knap in de verf gezet met trefzekere toetsen en met veel aandacht voor lichteffecten en dynamiek, typisch voor de stijl van De Keyser. Ten opzichte van het eigenlijke werk, waarvan een foto bewaard is, zijn enkele personages aangepast, maar het geheel heeft dezelfde krachtige uitstraling.

 

Een tweede werk is veel gedetailleerder afgewerkt en mist enigszins de gedrevenheid van het vorige. Het werd aangekocht in 1963 als een 'voorstudie', maar deze stelling is niet langer houdbaar. Gezien de grote populariteit van De Keysers werk is het niet ongewoon dat er talrijke kopieën van gemaakt werden, waarvan dit er waarschijnlijk één is.

 


Stadsuitbreiding

 

De middeleeuwse stad Kortrijk, zoals voorgesteld op de maquette van de Guldensporenslag, heeft zich nadien nog sterk uitgebreid. In de vijftiende eeuw lieten de Bourgondische hertogen extra versterkingen bouwen. De vervallen middeleeuwse burcht werd vervangen door een kasteel aan de Leie, gericht tegen Frankrijk. De kleine Leie werd gegraven en het zo ontstane stadsdeel, later Budaeiland genoemd, was toegankelijk via de kolossale Leiepoort. Een tweede Broeltoren kwam tot stand aan de linkeroever van de Leie. Tijdens de bloeiperiode van de zeventiende eeuw kreeg de stad extra volume binnen de nieuwe, stervormig aangelegde vestingmuren. De wijk Overleie breidde zich uit, net als de wijk Overbeke, waar de cisterciënzerinnen van Groeninge zich gingen vestigen. Toch was de veiligheid allesbehalve gegarandeerd. Vooral de troepenbewegingen van Lodewijk XIV teisterden de streek. In 1667 veroverde de Zonnekoning Kortrijk.

 

Hij liet deze inname schilderen door Adam Frans Van der Meulen, zijn uit Brussel afkomstige hofschilder die met het leger meereisde als een soort oorlogsfotograaf à la gloire du roi. Hij schilderde zeer nauwkeurig de skyline van Kortrijk. Naast de Sint-Maartenskerk, de Onze-Lieve-Vrouwekerk, het Bourgondisch kasteel en de Broeltorens is de Sint-Michielskerk erbij gekomen, een realisatie van de paters jezuïeten.

 

De achttiende eeuw betekent eerder een stagnatie in de stadsuitbreiding, maar in de negentiende eeuw gebeurt heel wat. Kortrijk is vanaf 1839 per spoor bereikbaar. De omwallingen en de stadspoorten verdwijnen rond 1860 en een nieuw kanaal verbindt de Schelde met de Leie. Brede wegen en bruggen worden aangelegd, zodat een ring rond Kortrijk tot stand komt: une ceinture des boulevards. Gedurende de negentiende eeuw verdriedubbelt het bevolkingsaantal. Daar is de opkomende industrialisatie natuurlijk niet vreemd aan. Anno 1900 telt Kortrijk ruim 33 000 inwoners.


 

Kortrijk, nijverig nest

 

 

Vele generaties kunstenaars en ambachtslieden uit het nijvere Kortrijk lieten een schat aan prachtige producten na. In de Groeningeabdij ziet u Kortrijkse toegepaste kunsten op hun mooist. De collecties damast, Kortrijks zilver, tin en aardewerk worden er tentoongesteld. Het werk van Kortrijkse beeldende kunstenaars en de internationale collectie keramiek worden geëxposeerd in het Broelmuseum (zie verder).

 

Damast is een techniek waarbij tekeningen wit op wit in een satijn-5 binding geweven worden op een trekgetouw. Via Damascus - de oorsprong van het woord damast - is deze vrij complexe weeftechniek afkomstig uit het Oosten, waar met zijde gewerkt werd.

 

De techniek werd bij ons toegepast op fijne linnen weefsels. De damastweverij in Kortrijk kreeg een vaste structuur vanaf het einde van de vijftiende eeuw. In 1496 meer bepaald kreeg de nering van Sint-Catharina een keur. Als gevolg van de godsdienstoorlogen vertrokken in de laatste decennia van de zestiende eeuw heel wat damastwevers naar het Noorden. Onder hen is Passchier Lammertijn ons best bekend. Hij voerde in Haarlem, waar al blekerijen en linnenweverijen bestonden, het damastweven in. Omdat de emigranten hun ontwerpen en weeftoestellen meenamen, is het vaak moeilijk om de Haarlemse van de Kortrijkse damasten te onderscheiden.

 

Ondanks de emigratie bleef de damastweverij in Kortrijk bestaan. In de daaropvolgende eeuwen verwierven de Kortrijkse wevers een grote faam. Ze leverden mooi versierde linnen stoffen aan de Europese elite. Koningen, prinsen, edelen en bisschoppen lieten hun persoonlijk tafellinnen hier weven. Soms werd gekozen voor bijbelse taferelen, anderen wilden een aandenken aan een veldslag of huwelijk. Ook talrijke wapenschilden, jachtscènes en plant- en bloemmotieven komen voor. Steeds bereikten de wevers een uiterst elegant resultaat. Vanaf het midden van de achttiende eeuw kreeg Kortrijk meer en meer te kampen met buitenlandse concurrentie. In de negentiende eeuw stelde de Fransman Joseph-Marie Jacquard (1752-1834) een nieuwe, eigen techniek op punt om patronen in te weven. De oude damastweverij had afgedaan.

 

De damastverzameling van Kortrijk is de grootste van België. Ze is gebaseerd op het legaat van baron Joseph de Bethune (1859-1920).

 

Eén van de oudste stukken - het is moeilijk kiezen uit het overweldigende aanbod - is een damasten tafellaken waarop het scheppingsverhaal uitgebeeld wordt. Over de volledige oppervlakte van het stuk (206 x 231 cm) komt de ingeweven voorstelling telkens spiegelsymmetrisch terug. De op die manier verdubbelde figuur wordt vier maal herhaald. Op één strook zien we van boven naar onder een weergave van het scheppingsverhaal, gebaseerd op het boek Genesis. Bovenaan staat de Schepper of God de Vader, een oude man in een lang gewaad en met een drieledige kroon op het hoofd. Hij heft beide armen op in een bezwerend gebaar. Hij wordt omringd door planten, dieren, de zon, de maan en de sterren. Vogels vliegen boven zijn hoofd en vissen zwemmen in het water onder zijn voeten.

 

Een sierlijke banderol vermeldt in het Latijn: "Gaat en vermenigvuldigt u". Op een apart plaatsje symboliseert een zwaan met een gekromde, slanke hals de zuiverheid van het tafereel. Dan is de schepping van de mens aan de beurt. We zien een naakte Adam en een kersverse Eva, die te voorschijn komt uit de zijde van Adam. God schenkt haar het leven door haar vingertoppen aan te raken. De volgende scène speelt zich af in de tuin van Eden. Adam plukt de verboden vrucht. Hij merkt niet dat de duivel (het Kwaad) in de boom verscholen zit. God roept: "Adam, waar ben je?" Maar het is te laat. Op de achtergrond duikt in plaats van de zwaan van daarnet een varken op, symbool van onreinheid en wellust. Een engel met geheven zwaard verjaagt de mens uit het Aards Paradijs. Verslagen, met de hand voor het gezicht, druipt hij af naar het wereldse tranendal. Nu is zijn naaktheid met een lendendoek bedekt. Dit Kortrijks damast dateert vermoedelijk uit de zestiende eeuw en werd in 1997 in Nederland aangekocht.

 

Een mooi voorbeeld uit de achttiende eeuw is een damasten servet, geweven naar aanleiding van de grote overwinning van de Franse koning Lodewijk XV bij Fontenoy in 1745. De koning (LEROY) wordt bovenaan te paard afgebeeld. Hij nam inderdaad ook zelf deel aan de strijd. Het bombardement van de ommuurde stad Doornik (TOURNAY) vult samen met talrijke kanonnen het onderste gedeelte. In het midden zien we een rechtstreeks treffen tussen infanteristen en cavaleristen, geflankeerd door vaandels en tenten. De overwinnaar is duidelijk te identificeren aan de hand van het grote wapenschild bovenaan met drie Franse lelies. Rechts van de koning houdt een knielende vrouw het wapenschild van de stad Kortrijk in haar rechterhand. Het visitekaartje van de Kortrijkse damastwever kon moeilijk duidelijker aangebracht worden. Van dit servet bezitten de Stedelijke Musea twee exemplaren, aangekocht in 1992 en in 1994.

 


Water en vuur

 

Tijdens de Tweede Wereldoorlog bevond zich een deel van de museumcollecties in de Grote Hallen, op het huidige Schouwburgplein in Kortrijk. Dit gebouw lag vrij dicht bij het station, dat een uitgelezen doelwit vormde voor de geallieerde bombardementen in 1944, omdat de Duitsers gebruik maakten van de spoorlijnen om hun troepen in Noord-Frankrijk te bevoorraden.

 

De Grote Hallen brandden volledig uit tijdens de aanval van 21 juli. Een aantal schilderijen, onder meer de Slag der Gulden Sporen van Nicaise De Keyser, werd vernield.

 

De damasten lagen opgestapeld in brandkoffers maar leden toch zowel brand- als waterschade.

 

In 1986 werd een grootscheeps opgevatte restauratiecampagne afgesloten met tientallen geconserveerde damasten servetten en een prachtige catalogus als resultaat.

 

Intussen is een tweede catalogus uitgegeven (1996) en breidde de collectie zich uit tot ruim 450 stukken.

 

Speciaal ontworpen tentoonstellingskasten en een eigen fotografietechniek werden uitgewerkt door ereconservator A. G. Pauwels.


 

De zilvercollectie in de Groeningeabdij weerspiegelt de rijkdom van de hogere klassen, vooral in het ancien régime. Enkele schitterende exemplaren komen uit het Kortrijkse begijnhof. Dankzij een bruikleencontract, in 1995 met het OCMW van Kortrijk gesloten, kunnen deze kunstvoorwerpen in de Groeningeabdij tentoongesteld worden.

 

Het oudste stuk is een vijftiende-eeuwse zilveren schotel, waarop het wapenschild van Kortrijk voorkomt in een vierpas.

 

Uit de zeventiende eeuw dateren een kelk in verguld zilver, een grote torenmonstrans waarvan de lunula of maanvormige houder voor de hostie bezet is met fonkelende diamanten en een grote ronde schotel, versierd met bloemen en ranken.

 

Een zilveren ciborie is afkomstig van de Groeningeabdij zelf. Ze werd openbaar verkocht in 1797, maar kwam via de Sint-Michielskerk terug in de museumcollectie terecht. De ciborie staat op een ronde gewelfde voet en is op een barokke wijze getooid met cherubs, parelsnoeren, druiventrossen en korenaren. Onderaan is in de voet een opschrift gegraveerd, dat verwijst naar Lutgarde Honoreet, abdis van de Groeningeabdij van 1683 tot 1693.

 

De meeste stukken Kortrijks zilver stammen uit de achttiende en de negentiende eeuw. Uitzonderlijk zijn in Kortrijk twee merkplaten bewaard uit die periode, zodat bijna alle plaatselijke merktekens met zekerheid geïdentificeerd kunnen worden.

 

Enkele heel bekwame Kortrijkse zilversmeden zijn Pieter Ignatius Nolf, Gaspar de Millecamps, Hendrik Van Leerberghe, Augustin Vandewinckele en Philip Devos. Zij leverden prachtige producten af van zowel kerkelijk als burgerlijk zilver.

 

In de Groeningeabdij ziet u schitterende kandelaars uit die periode, fijn afgewerkte olie- en azijnstellen en enkele sierlijke koffie- en chocoladekannen.

 

Eén van de mooiste negentiende-eeuwse stukken is de uitermate zeldzame zilveren percolator van August Gavier (1813-1863). Er is een geschilderd portret bewaard van deze man. Zijn percolator (uit het Italiaans: percolari = doorsijpelen) werd gebruikt om koffie te zetten. Twee zilveren vaten staan vast op een zwaar marmeren voetstuk, te verplaatsen door middel van een stevig handvat in het midden. Aan de rechterkant wordt water opgewarmd boven een alcoholvuurtje. De stoom vermengt zich in het linkervat met het koffiegruis. Na verloop van tijd kan uit het rechtervat koffie geschonken worden. Het tapkraantje is versierd met een sierlijk vismotief.

 

De collectie Kortrijks zilver werd ontsloten door wijlen conservator Paul Debrabandere in zijn boek De Kortrijkse edelsmeedkunst uit 1979.

 

Kortrijks aardewerk heeft veel weg van het beter bekende Torhouts aardewerk. Dat komt omdat de Kortrijkse producent Pierre-Joseph Laigneil (1870-1950) eerst in de leer ging in Torhout. De typische kleuren -gifgroen, oker, donkerbruin en kobaltblauw - en een volkse afgeleide van de art-decostijl komen steeds terug.

 

Laigneil trok knappe ontwerpers aan voor zijn pottenbakkerij, onder wie Victor Acke en Emmanuel Viérin. Het bedrijf in de Vanden Peereboomlaan floreerde vooral vóór de Eerste Wereldoorlog. De productie werd stopgezet in 1926. De gebroeders Caesens, aanvankelijk de financiers van Pierre-Joseph Laigneil, en hun vennoot Alfons Noseda zetten de Kortrijkse traditie van pottenbakken voort. Een grote brand verwoestte hun bedrijf in 1919, zodat opnieuw moest gestart worden. Constant Desmet werd aangetrokken als meester-boetseerder. De pottenbakkerij Caesens bereikte in de jaren twintig een hoogtepunt met meer dan zestig werknemers. De zogenaamde 'Groeningevaas', een kanjer van ruim 80 cm hoog, was hun pronkstuk.

 

Ze geeft in één oogopslag het hoogdravende karakter weer van de toenmalige Guldensporenvieringen.

 

De grote knotsen aan weerszijden zien er vervaarlijk uit. Met de middeleeuwse goedendag hebben ze weinig of niets gemeen. De stijl van de aangebrachte figuren is volks, met talrijke motieven zoals sporen, een klimmende leeuw met rode tong en de oprukkende Vlaamse milities, die in de Guldensporenslag de overwinning behaalden.

 


Maurice De Bevere alias Morris

 

Niet alleen in aardewerk maar ook bij de productie van pijpen wordt met klei gewerkt. Judocus Augustinus De Bevere uit Kortrijk wordt in 1825 vermeld als pijpenmaker in de Menenstraat. Zijn achterkleinzoon Amand stopte met de zaak in 1950. Zijn zoon, Maurice De Bevere, gooide het over een andere boeg. Hij werd striptekenaar onder de naam Morris en ontwierp de figuur van Lucky Luke. Wereldwijd zijn miljoenen van zijn stripalbums verkocht. De man stierf in 2001 nadat zijn geboortestad hem als ereburger had gelauwerd. In de stedelijke openbare bibliotheek van Kortrijk bevindt zich een meer dan levensgroot beeld van de Amerikaanse cowboy met Kortrijkse roots. De pijpen en enkele mallen die zijn familieleden vervaardigden zijn te zien in de Kortrijkse Stedelijke Musea.


 

De fine fleur van Kortrijk

 

 

Het omgaan met klei om allerlei sier- en gebruiksvoorwerpen te vervaardigen, houdt de mens al sinds de vroegste tijden bezig. De keramiekafdeling van het Broelmuseum - het troetelkind van de toenmalige conservator A.G. Pauwels en voorzitter E. Van Hoonacker - is bij specialisten bekend als het neusje van de zalm van wat door de eeuwen heen is vervaardigd. Pauwels en Van Hoonacker kozen voor een unieke en overzichtelijke opstelling, waarbij de stukken gerangschikt zijn volgens de verschillende productietechnieken.

 

De collectie focust niet op Kortrijk maar toont stukken uit diverse internationale productiecentra, weliswaar met de nadruk op Europa.

 

Het oudste stuk uit de collectie is afkomstig uit het Verre Oosten. In 2002 kochten de Stedelijke Musea een neolithische Chinese grafurne van 34 cm hoog, in een vrijwel perfecte staat geconserveerd. Het certificaat van datering op basis van thermoluminescentie geeft aan dat deze kruik ongeveer 4800 jaar geleden gebakken werd.

 

Ze heeft een zeer typische platbolvormige romp en een cilindervormige korte hals. De urne is gemaakt uit gepolijste rode aarde en koud beschilderd met zwart (ijzer) en roodbruin (mangaan) over de volledige bovenste helft, tot en met de lusvormige oortjes aan weerszijden.

 

De beschildering is aangebracht in geometrische patronen waaronder grote ruiten, golfmotieven en kruisarceringen.

 

Dit waardevolle stuk is een product van de neolithische Majiayao cultuur in de Chinese provincie Gansu.

 

Tot het primitief aardewerk uit onze gewesten behoort het loodglazuur aardewerk. Dit wordt in de keramiekafdeling vertegenwoordigd door middeleeuwse bodemvondsten, Torhouts aardewerk en een rijke verzameling haardtegels uit de regio Zuid-West-Vlaanderen.

 

De namen 'faience' (verwijzend naar het Italiaanse Faenza) en 'majolica' (afgeleid van Mallorca) wijzen op de mediterrane productiecentra van dit geglazuurd en beschilderd aardewerk, dat vanaf de zestiende eeuw ook in de Nederlanden geproduceerd wordt. Een mooi voorbeeld daarvan is een Antwerps papkommetje uit ca. 1590, met in het plat een Madonna met kind, aangekocht in 2002. In de loop van de tweede helft van de zestiende eeuw vestigen Italiaanse faiencebewerkers zich in Antwerpen. Ze worden 'gleyers' genoemd, naar de benaming 'gleiwerk' of aardewerk, aangevoerd op galeien. Deze producten vertonen aanvankelijk de typische renaissance-ornamentiek, die echter vrij snel door eigen motieven vervangen wordt, vooral nadat de godsdienstoorlogen veel gegoede burgers, onder wie de majolicabakkers, naar het Noorden op de vlucht jagen.

 

In het Noorden breekt de Gouden Eeuw aan.

 

De productie van aardewerk kent een grote bloei. Delft is het bekendste centrum, maar het hoogtepunt van de productie valt vrij laat, pas vanaf omstreeks 1685 tot 1725.

 

Waarom?

 

Vanaf het begin van de zeventiende eeuw vormt de import van Chinees porselein een economische bedreiging voor de Nederlandse majolicabakkers.

 

De Chinezen maken gebruik van de in Europa onbekende basisgrondstof kaolien (Chin. kao ling = hoge berg, naar de vindplaats in China, een heuvel in Kiangsi), wat aan het porselein een fijne scherf, een hoge kwaliteit en een licht doorschijnende glans verschaft. Hoe kunnen de Delftse producenten deze kwaliteit evenaren? Door de scherf te verfijnen, de kwaliteit van het glazuur te verbeteren en door de blauwe beschilderingen (imitaties van de toen modieuze beschilderingen van het Chinese Wan-li porselein) proberen de Nederlanders de Chinese waar te imiteren. Op sommige schotels komen zelfs Chinese symbolen en planten voor.

 

Omgekeerd passen de Chinezen hun motieven aan om nog meer de Europese markt te veroveren. Vooral gedurende de zeventiende en achttiende eeuw komt de zogenaamde 'Chine de commande' in de mode. Een mooi voorbeeld hiervan in het Broelmuseum is een achttiende-eeuws porseleinen bord met het Oordeel van Paris, een gift uit 1994 van de vzw Kortrijk-Japan.

 

De Griekse godinnen Afrodite, Athena en Hera kibbelen wie de mooiste van de drie is. De Trojaanse prins Paris zal uitsluitsel geven en kiest voor Afrodite, die hem de eeuwige liefde belooft. Paris is zittend afgebeeld, links op het bord. De drie godinnen dragen elk hun attributen.

 

De pauw hoort bij Hera of Juno, die als echtgenote van Zeus een kroon draagt. Pallas Athene of Minerva is gewapend met speer en helm. In het midden staat Afrodite of Venus. Zij reikt naar de gouden appel en wint de schoonheidswedstrijd. Rechts op de voorgrond symboliseert de god Cupido met pijlenkoker de liefdesbelofte. Maar die heeft niet veel goeds in petto. Door zijn Griekse geliefde Helena te schaken veroorzaakt Paris de Trojaanse oorlog, uitvoerig beschreven in de Ilias van Homeros.

 

Om het gewone aardewerk minder poreus te maken, wordt het in de zeventiende-achttiende eeuw op een hogere temperatuur gebakken. Zo bekomt men het zogenaamde zandsteengoed. Bekend zijn de Keulse baardmannen en de kruiken uit onder meer Raeren, Siegburg, het Westerwald en Bouffioulx.

 

Vanaf de achttiende eeuw heeft Europa eindelijk eigen productiecentra van porselein. Meissen en Limoges behoren tot de pioniers, maar andere plaatsen als Sèvres, Parijs, Brussel en Doornik volgen snel. Twee achttiende-eeuwse porseleinen borden met les oiseaux de Buffon behoren tot de topstukken van het Broelmuseum. Ze werden geschonken door de Vrienden van de Musea in 1982 en in 1994.

 

De Franse geleerde George Louis Buffon (1707-1788) werd in 1739 benoemd tot intendant van de Jardin des Plantes in Parijs, waar hij een enorme collectie planten en dieren bijeenbracht. Hij gaf daarover een studie uit in maar liefst 44 delen, met talrijke prachtige illustraties van fauna en flora. Daarvan werden de ingekleurde gravures van vogels naderhand gebruikt om aardewerk mee te versieren.

 

Kortrijk bezit van de Flamant d'Amérique een afbeelding zowel in gravure als op een met blauwe rand versierd bord in Doorniks porselein.

 

Hetzelfde geldt voor de Casoar des Indes, die op een bord met groene boord in porselein van Sèvres voorkomt. Beide borden zijn verder gedecoreerd met gouden boorden, vlinders, decoratieve bloempjes en afbeeldingen van nog meer exotische vogels. Hun namen staan op de achterzijde van elk bord vermeld.

 

We blijven nog even in Frankrijk met een bord in 'faience fine' of steengoed, vervaardigd omstreeks 1826 in Ferrière-La-Petite, op een dertigtal km van Valenciennes. De Stedelijke Musea kochten het bord aan in 1994, nadat in oktober 1993 zo'n honderd stukken keramiek uit het Broelmuseum waren gestolen. Op het plat is een volledig kaartspel van 32 door elkaar gestrooide kaarten afgebeeld. Dit originele motief komt ook voor op een schotel in het Musée National de Céramique in Sèvres (Frankrijk). 'Steengoed' is een verdere evolutie van faience, uitgewerkt omstreeks 1760 door de Engelsman Josiah Wedgwood. Door het mengen van mergel in de klei bereikte hij een wit product, zodat een dure laag tinoxide kon worden weggelaten. De Engelsen noemden dit product 'creamware'. In Frankrijk wordt het 'faience fine' genoemd en in Duitsland spreekt men van 'Steingut'. De voornaamste centra voor steengoed in ons land zijn te vinden in Andenne, La Louvière, Luik, Namen, Nimy en Luxemburg. Door het goedkopere procédé van de 'creamware' geraakte faience naar het einde van de achttiende eeuw bijna volledig verdrongen.

 

Bijna, maar niet helemaal. Om af te sluiten stellen we nog een recente aankoop in Brusselse faience in de kijker. De grote faiencefabriek in de Lakensestraat in Brussel, vanaf 1724 geleid door Philippe Mombaers, kreeg in 1766 de titel van 'manufacture royale et impériale'.

 

Toen kleinzoon Joseph-Philippe Artoisenet in 1783 overleed, werd de zaak voortgezet door zijn weduwe Marie-Marguerite Vanden Driessche tot ook zij stierf in 1811. Uit de periode 1783-1811 dateert een Madonnabeeld, sinds 2002 in het Broelmuseum van Kortrijk. Maria draagt een donkerblauwe mantel boven een lichtblauwe jurk met bloemmotief. Het kind zit op haar linkerarm en is gedeeltelijk in de mantel van Maria gewikkeld. We zien de olijfgroene stof van de binnenkant. Het kind strekt beide armen uit naar de toeschouwer. Dit beeld is met een hoogte van 50 cm één van de grootste stukken in Brusselse faience.

 


Vrienden van de musea

 

Wie geïnteresseerd is in kunst en geschiedenis van Kortrijk en op de hoogte wenst te blijven van alle activiteiten en initiatieven van de Stedelijke Musea, kan lid worden van de vzw Vrienden van de Musea. De vereniging organiseert daguitstappen, voordrachten en bezoeken aan kunstateliers. De Vrienden worden uitgenodigd voor vernissages, recepties en museum-bezoeken in binnen- en buitenland. Een interessante nieuwsbrief houdt alle leden uitgebreid op de hoogte van het reilen en zeilen in de Musea.

 

Sinds meer dan veertig jaar zetten de Vrienden zich in voor het bevorderen van de werking van de Stedelijke Musea. Geregeld schenken ze fraaie kunstwerken aan de Musea, die ze bekostigen met eigen middelen. Ze helpen in het beheer van de museumshop en steken een handje toe bij drukke gelegenheden zoals het Erfgoedweekend, Open Monumentendag, museumavonden of kinderateliers.

 

Meer info bij de Stedelijke Musea, Broelkaai 4, 8500 Kortrijk. Tel. 056/24 08 70.


 

Kortrijkse kunstenaars verzameld

 

 

Van in de achttiende eeuw bestaat in het Kortrijks stadhuis een 'schilderye camer' met een dertigtal stukken, maar het eigenlijke verzamelen van kunstwerken komt pas goed op gang in het begin van de negentiende eeuw. Dan richten enkele kunstminnende Kortrijkzanen een vereniging op, die in 1816 officiële erkenning en bekendheid krijgt als de Société pour l'encouragement des beaux-arts et de l'industrie. Burgemeester of 'meyer' Michel De Jonghe laat onderzoeken waar enkele grote Kortrijkse kunstwerken na de val van Napoleon gebleven zijn. Zijn zoon kunstschilder Jean-Baptiste De Jonghe wordt één van de grote gangmakers van de vereniging, die ijvert voor de inrichting van een Kortrijks museum.

 

Hij weet in 1838 de Grote jacht op herten en runderen van Roeland Savery te verwerven, restaureert het en verkoopt het aan de Société... voor 300 fr. Als leraar aan de Kortrijkse academie van 1826 tot 1841 en later ook aan de Antwerpse academie brengt De Jonghe aan een nieuwe generatie schilders de principes bij van het landschapsschilderen, zijn specialiteit.

 

Eveneens in 1816 ontstaat in Kortrijk een tweede vereniging van kunstliefhebbers. Ook zij stellen zich het beoefenen van Schone Kunsten tot doel en zij organiseren geregeld tentoonstellingen en wedstrijden. De twee kunstminnende verenigingen smelten na verloop van tijd samen en niemand minder dan Hendrik Conscience, arrondissementscommissaris in Kortrijk, neemt vanaf 1858 het voorzitterschap op zich van de Société pour l'encouragement des beaux-arts et de la littérature. In 1889 wordt de intussen vrij grote kunstcollectie van de Société overgedragen aan de stad Kortrijk. 

 

De grote Guldensporenherdenkingen van 1902 geven aanleiding tot een grootscheeps opgezette tentoonstelling Kortrijk door de eeuwen heen, die veel succes kent.

 

Een jaar later voegt Charles de Deken bij testament maar liefst 154 schilderijen toe aan de stedelijke verzameling. Ze worden tentoongesteld in de Begijnhofstraat, in de Grote Hallen op het Schouwburgplein en in het stadhuis. Deze verspreiding is geen ideale situatie.

 

Vanaf 1931 wordt een nieuwe locatie in de Rijselstraat 51 in gebruik genomen.

 

De grote stukken, opgesteld in de Grote Hallen, ondergaan veel schade door het luchtbombardement van 21 juli 1944, dat de Hallen volledig vernielt. Na WO II wordt het huis aan de Rijselsestraat al snel te klein.

 

Het stadsbestuur koopt in 1956 het huis Delplancke aan de Broelkaai 6. Dit is nu nog steeds het Broelmuseum, sinds 1959 permanent open voor het publiek.

 

In 1988 wordt er een nieuwe vleugel aan toegevoegd, onder meer om de afdeling keramiek een eigen plaats te geven. Het interieur van het achttiende-eeuws herenhuis ondergaat tussen 1992 en 1995 een grondige restauratie, zodat het nu een schitterend decor vormt voor de presentatie van de kunstwerken. Huiselijke elementen zoals marmeren schouwen, spiegels, bas-reliëfs, houten lambriseringen en luchters verlenen aan het interieur een extra cachet.

 

De Kortrijkse meester waar het Broelmuseum vooral mee uitpakt is Roeland Savery, hier geboren in 1576. Vier jaar later trekt hij wegens de godsdiensttroebelen met zijn familie vanuit Kortrijk naar het Noorden. Roeland leert het schildersambacht van zijn oudere broer Jacob.

 

In 1591 zijn beiden in de leer bij Hans Bol in Amsterdam. Het bekende paneel Plundering van een dorp van Roeland Savery, pronkstuk van het Broelmuseum, is een van zijn vroegste werken, gedateerd in 1604. De stijl van het werk is nog volop Bruegeliaans, terwijl zijn latere schilderijen met een lossere toets geschilderd zijn. We vinden Roeland Savery in 1604 terug in Praag aan het keizerlijke hof van Rudolf II. In opdracht van de keizer trekt hij naar Tirol, Italië en Istrië en maakt hij tekeningen van bossen, rotsen, bloemen en dieren. Nadat hij nog een tijd in Wenen vertoefd heeft, keert Roeland Savery in 1618 terug naar de Nederlanden en vestigt zich in Utrecht. Hij is nog steeds ongehuwd en dat zal ook zo blijven. In de jaren 1620 vormen landschappen en dierenparadijzen rond Orpheus, Adam en Eva en de Ark van Noah zijn hoofdthema's. De in Kortrijk geboren schilder sterft in Utrecht in 1639.

 

In het Broelmuseum worden in totaal negen schilderijen van Roeland Savery tentoongesteld. Begin 2003 werd, met steun van de Vlaamse Gemeenschap, het paneel Na de zondvloed aangekocht in Duitsland. Het stelt een landschap voor met dieren in een fantastische en imaginaire wereld. De natuur en het landschap, glashelder weergegeven, zien er vredig, ongerept en idyllisch uit. Het lijkt een paradijselijk visioen. Maar tegelijk bevatten de donkere bospartijen, de massa door elkaar krioelende vogels en landdieren, de donkere lucht en de weelderige dynamiek van het werk een ten top gedreven intensiteit en een dreigende dramatiek.

 

De kunstcollectie van het Broelmuseum kwam hoofdzakelijk in de negentiende eeuw tot stand, en dat is nu nog merkbaar. Binnen de grote productie van schilderijen die toen plaats vond, zijn naast portretten, genrestukken en stillevens voornamelijk landschappen en dieren vertegenwoordigd. De rode draad door de presentatie is Kortrijk. Schilders en beeldhouwers die in de regio gewoond of gewerkt hebben, krijgen de voorkeur.

 

Van de groep negentiende-eeuwse Kortrijkse dierenschilders geniet Louis Robbe (1806-1889) de grootste bekendheid. Zelf een leerling van Jean-Baptiste De Jonghe, beïnvloedt Robbe op zijn beurt Kortrijkse schilders zoals Edward Woutermaertens, Valere Verheust, Joos Vincent De Vos, Edmond De Praetere en de gebroeders Jan en Aimé Velghe. Robbe schildert aanvankelijk - als een typische adept van Eugène Verboeckhoven - in een gladde toets prenterige, sentimentele landschappen met koeien, geiten en schapen. Naderhand bereikt hij een zeer realistische weergave van zijn onderwerp. Hij is één van de eersten die zijn atelier verlaat en met een open blik de velden in trekt om daar de levensechte, krachtige dieren naar de natuur te schetsen. Deze schetsen werkt hij in zijn atelier verder uit tot schilderijen met een helder koloriet en met integratie van een goede lichtbeheersing. Het breed uitgewerkte Grazende koeien is hier een sterk voorbeeld van.

 

Van zijn stadsgenoot Louis Pierre Verwee (1826-1888), eveneens geschoold bij Jean-Baptiste De Jonghe, zijn een aantal zeer mooie winterlandschappen bewaard zoals De bevroren Leie in Kortrijk. De horizonlijn wordt bij Verwee alsmaar lager geplaatst, zodat hij in de overweldigende grijze sneeuwlucht al zijn vakkennis tentoon kan spreiden. Tegen de achtergrond van de sterke kleuren waarin de bovenverdieping van het Broelmuseum geschilderd is, komen deze doeken mooi tot hun recht.

 

In de vroege twintigste eeuw maakt het luminisme opgang. Bij een kunstenaar als Evariste Carpentier (1845-1922) verheldert het palet op een spectaculaire wijze. Terwijl zijn werk Het alarm uit 1884 nog baadt in een donkerbruine en beklemmende sfeer, komt in De jonge visser en Modderpoel in de Kempen het zwoele licht van de zomerse zon op het voorplan. Tijdgenoten als Georges Buysse (1864-1916), Emile Claus (1845-1922) en Emmanuel Viérin (1869-1954) laten nog opvallender het licht inspelen op hun werk, bijvoorbeeld in Gezicht op het Begijnhof van Kortrijk.

 

Dit doen ook enkele impressionistische beeldhouwers zoals Henri Boncquet (1868-1908) met het ingetogen brons Melancholie. Boncquet, geboren in Ardooie, liet zich inspireren door August Rodin en won in 1897 de prijs van Rome.

 

De medailles van de Kortrijkzaan Godfried Devreese (1861-1941) zijn uiterst verfijnd en knap gemaakt.

 

De Stedelijke Musea bezitten een van de grootste verzamelingen medailles Devreese van België. Onlangs nog werden een vijftigtal originele (loodzware!) medaille-matrijzen in getemperd staal aangekocht in Brussel. Devreese geniet in Kortrijk vooral bekendheid als beeldhouwer van het ruim dertien meter hoge Groeningemonument. Op een indrukwekkend voetstuk in blauwsteen troont de 'Maagd van Vlaanderen' sinds 1906 aan de Groeningelaan in Kortrijk, op slechts 5 minuten loopafstand van de Groeningeabdij.

 

De presentatie van naoorlogse kunstwerken in de nieuwe vleugel van het Broelmuseum is niet permanent. Ze wordt afgewisseld met tijdelijke tentoonstellingen rond hedendaagse kunst, keramiek en design. Grote namen zoals Octave Landuyt, José Vermeersch, Albert Saverys, Raoul De Keyser en Luc Peire zijn in de collecties vertegenwoordigd. Daarenboven wordt werk van jonge laureaten van de tweejaarlijkse wedstrijd Stimulans en van andere regionale kunstenaars aangekocht.

 


 

De Kortrijkse Kunstwerkstede

 

 

Een blik op enkele realisaties van de beroemde Kortrijkse Kunstwerkstede De Coene vormt een mooie afsluiter voor deze kennismaking met de Stedelijke Musea. In 1905 sticht Jozef De Coene (1875-1950) een zaak die zou uitgroeien tot een van de grootste en meest vernieuwende Belgische meubelfabrieken ooit.

 

De stichter is een man met een visie. Hij wil niet alleen meubels produceren, maar zorgt in samenwerking met de beste ontwerpers en kunstenaars uit zijn omgeving voor volledig afgewerkte interieurs. Zowel tapijten, luchters, spiegels, koperen meubelbeslag en siervoorwerpen worden in de firma ontworpen en vervaardigd. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog telt het Kortrijks bedrijf meer dan 3000 werknemers.

 

Na de oorlog komt De Coene er ondanks zware schade en moeilijkheden terug bovenop. Vanaf de jaren vijftig wordt met een nieuw ontwerpbureau gestart, toegespitst op moderne interieurinrichting. Dankzij de kwaliteitsvolle afwerking haalt de firma grote opdrachten binnen zoals de inrichting van het UNESCO-gebouw in Parijs, het meubilair van de Koninklijke Bibliotheek in Brussel en verschillende zalen van het UNO-gebouw in Genève. Als marktleider neemt De Coene tijdens de Wereldtentoonstelling van 1958 de inrichting van meer dan twintig paviljoenen voor zijn rekening. Het bedrijf verwerft de Benelux-licenties voor de vervaardiging van de bekende Amerikaanse Knoll-meubelen. Rond dezelfde tijd ontwikkelt de firma gelamelleerde houten spanten, die indrukwekkende overspanningen mogelijk maken. De spantenbouw, terug te vinden in hallen, feestzalen, sportcomplexen en zelfs kerken, wordt een handelsmerk van De Coene.

 

In het Broelmuseum zijn enkele representatieve meubels van De Coene tentoongesteld. Ze illustreren de gestroomlijnde elegantie en de kwaliteitsvolle afwerking van de Kortrijkse meubelfabrikant.

 


Oranjerie of orangerie?

 

Sinds 2001 is in de ommuurde tuin van het Broelmuseum een unieke serre of oranjerie in gebruik als vergaderruimte en cafetaria. Het mooi gerestaureerde gebouw dateert uit de negentiende eeuw en diende vroeger als wintertuin voor oranjeboompjes en andere uitheemse bloemen en planten. De grote centrale gebogen raampartijen - uiteraard naar het zuiden gericht - zorgen voor een unieke lichtinval. Het middengedeelte is symmetrisch geflankeerd door twee elegante torentjes. Het evenwichtige geheel straalt beslotenheid en rust uit.

 

De restauratie heeft lang geduurd, want het gebouw bevond zich volledig in verval.

 

Naast de installatie van praktische voorzieningen (verlichting, sanitair, keuken en toog) is de oranjerie sober gedecoreerd met houten lambriseringen en een zwart-wit betegelde oude kerkvloer. Het meubilair werd tweedehands in Brussel op de kop getikt. Het gaat om een authentiek café-interieur, in de jaren vijftig geleverd door de Kortrijkse meubelfirma De Coene. De meubels - armstoelen en barkrukken, bekleed met kunstleder en ronde tafeltjes waarvan het blad beschermd is met glas -zijn in eikenhout en in zeer goede staat.

 

De oranjerie kan gereserveerd worden om een museumbezoek in stijl af te sluiten.

 

Info en voorwaarden te bekomen bij de Stedelijke Musea Kortrijk, tel. 056/24 08 70.


 

Meer informatie


Stedelijke Musea Kortrijk

Directie en secretariaat

Broeikaai 4

8500 Kortrijk

Tel. 056/24 08 70

Fax 056/24 08 71

www.kortrijk.be/musea

musea@kortrijk.be 

 

Groeningeabdij

Houtmarkt

8500 Kortrijk

Museum voor geschiedenis van Kortrijk.

Gelegen in het Begijnhofpark, vlakbij het begijnhof, het Plein en het verkeersvrije winkelcentrum. 

 

Toegang GRATIS.

Openingsuren: elke dag open van 10u tot 12u en van 14u tot 17u.

Gesloten op maandag en van 25 december tot en met 2 januari.  


Auteursidentificatie

 

lsabelle De Joegere is licentiate kunstgeschiedenis en sinds 1988 conservator van de Stedelijke Musea Kortrijk. Haar specialiteit is het Kortrijks damast. Ze neemt de algemene leiding waar, onderhoudt de contacten met het stadsbestuur en treedt op als coördinator van zowel permanente als tijdelijke initiatieven.

 

Greet Verschatse is licentiate moderne geschiedenis en sinds 1993 wetenschappelijk medewerker in de Stedelijke Musea van Kortrijk. Haar werkterrein ligt vooral in de Groeningeabdij, waarbij ze zich toelegt op de Guldensporenslag in het bi jzonder en op de stadsontwikkeling in het algemeen.