U bent hier

Constant Permeke - Tussen geweld en compassie

Constant Permeke, Over Permeke, 1922, Collection MuZEE, Oostende © SABAM 2012

 

In 2012 is het zestig jaar geleden dat Constant Permeke overleed. De Koninklijke Musea van Antwerpen en Brussel tonen hun topstukken van het boegbeeld van het Vlaamse expressionisme.

 

 

ZOALS EEN BOER HET LAND OMSPIT

 

Met de Permeketentoonstelling in Bozar komt een belangrijke periode van onze kunstgeschiedenis in beeld. Het gaat om het interbellum waarin het Vlaamse expressionisme zijn toppunt bereikte. Constant Permeke (1886-1952) staat centraal en wordt vrij uitvoerig getoond en dat is ook logisch. Hij liep tijdens het interbellum ook al het meest in de kijker. Maar het is toch mooi meegenomen dat de Koninklijke Musea van Brussel en Antwerpen tegelijkertijd hun topstukken uit die periode tonen. Men kan dan heel wat werken van Permeke bekijken, tussen die van zijn tijdgenoten. De curator van de tentoonstelling in Bozar, Willy Vandenbussche, legt bovendien nog een link naar de actuele kunst, door tekeningen van naakten van Marlene Dumas (1953) en duistere landschappen van Thierry De Cordier (1954) op te nemen. Op die manier krijgt het evenement een zeer boeiende dimensie. 

 

Willy Vandenbussche is met deze tentoonstelling niet bepaald aan zijn proefstuk toe. Hij heeft jaren geleden al een grote monografie aan Permeke gewijd (Mercatorfonds) en een tentoonstelling in het museum van Oostende (nu Muzee, vroeger PMMK). Hij heeft het Permekehuis in Jabbeke nieuw leven gegeven, ook door verbanden met hedendaagse kunst te leggen, exact wat er nu in Bozar gebeurt.

 

In de jaren 1920 en 1930 werd de toen al helemaal volwassen kunst van Permeke nog afgedaan als barbaars, brutaal, vormloos en duister. Voor de notarissen en artsen die kunst kochten was de keuze tussen een landschap van De Saedeleer en een werk van Permeke snel gemaakt. Wie wou trouwens die boeren en vissers met te grote handen en tronies in huis? Dat belette het jonge Paleis voor Schone Kunsten niet al in 1930 150 werken (van 1912 tot 1930) van de meester te tonen. Luc en Paul Haesaerts stelden toen dat Permeke schilderde “zoals het volk zou schilderen indien het belangstelling had voor kunst” en “hij gaat tewerk met zijn kleuren zoals een boer die zijn land omspit, hij bemest het oppervlak met het geloof en de vrees van de landman.” 

 

Hoe conceptueel moet men dat nu opnemen? Permeke schreef op 18 januari 1930 een brief aan PSK-directeur Charles Leirens (1888-1963): “Een retrospectieve Permeke zal u niet elk jaar tonen! (…) Kunst heeft wel niets te maken met leeftijd, maar voor mijn 40 jaar is het een mooi resultaat voor mijn werk, de inhoud en variatie. Het feit is zeldzaam. (…) Ik moet nog zo lang mogelijk werken en rustig blijven.” Dat laatste was profetisch want Permeke kreeg nog heel wat tentoonstellingen in het Paleis voor Schone Kunsten, in 1933, 1936, 1937, 1939,1944 en 1947. En in 1938 toonde men er zelfs werk van zijn zoon, John Henry Permeke. 

 

 

HET HARDE BESTAAN

 

Er is al veel te doen geweest over de schildertechniek van Permeke. Zelfs het woord asfalt is toen gevallen, omdat de broeders Haesaerts het over ‘bitume’ hadden om het intense zwart van sommige werken te beschrijven. Dat was wel overdreven. Men kan ook niet zeggen dat het zwart er met de jaren frisser is gaan uitzien. Het duistere heeft te maken met de visie van de kunstenaar op zijn onderwerp. Vergeet niet dat hij twee verwoestende oorlogen en de grootste financiële crisis van de twintigste eeuw heeft meegemaakt, met ook desastreuze gevolgen voor de kunstmarkt. Verwacht dan ook geen in de tuin ronddartelende juffrouwen, een onderwerp dat zijn leermeesters, Emile Claus (1849- 1924) en co., niet hebben verwaarloosd. Permeke had het over het harde bestaan van vissers en boeren en dat waren bij hem geen poserende modellen voor sociale, al dan niet larmoyante, figuren, een genre in de negentiende-eeuwse schilderkunst, zoals de school van Düsseldorf. 

 

In die bewogen tijd (zonder enig sociaal vang- of hangnet) was het bestaan hard. Permeke is niet de enige kunstenaar die dat geregistreerd heeft. In de Belgische kunst bestaat er, zelfs in de vorige generatie al, een stevige traditie. Denk maar aan Eugene Laermans (1864-1940) of Constantin Meunier (1831-1905). Die hebben beiden een zin voor monumentaliteit, die men ook aantreft bij Permeke. Wat hem van zijn voorgangers onderscheidt is misschien wel de aandacht voor het individu. Dus niet dé mijnwerker of dé dokwerker maar, bij voorbeeld, Leonie, terecht de affiche van de tentoonstelling in Bozar.

 

En men mag de landschappen niet vergeten. Die zijn weids en worden dat steeds meer. Men noemde dat in die tijd kosmisch. Opmerkelijk is de dominantie van een kleur, groenachtig of uitgesproken geel. De gedachte is een beetje dat de natuur onder het zonlicht verstijft – een niet voor de hand liggende gedachte voor een noordelijk schilder. Maar wel veelbetekenend net voor een zaal met volledig zwarte en schitterende landschappen van Thierry De Cordier.

 

Van de sculpturen staan in Bozar slechts een paar voorbeelden. Bij de ingang de fraaie Niobe (1938) die het expressionisme en de art déco op een krachtige en charmante manier verzoent. Dat kan men niet zeggen van de ietwat stalinistische Zaaier (1939) met een eentonige patina. De sculpturen sluiten aan bij de prachtige tekeningen van vrouwelijke naakten uit die jaren, in houtskool en krijt, die een toppunt zijn in het latere werk. De vergelijking met werk van Marlene Dumas toont hier wel een totaal andere benadering.

 

 

DE MODERNEN, RONDOM PERMEKE

 

Sinds de sluiting voor verbouwing van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen organiseerde het in de Koningin Fabiolazaal al twee tentoonstellingen over de moderne kunstcollectie van het museum. De Modernen. Rondom Permeke is de derde.

 

De tentoonstelling confronteert Permeke met zijn tijdgenoten op een zeer zinvolle manier. Ze laat ook zien wat Permeke niet schilderde, bij voorbeeld een nieuw onderwerp als de mens en zijn vrije tijd (kermissen, wandelaars, enz.), wat men vaak bij Gustave De Smet (1877- 1943) en Frits Van den Berghe (1883-1939) vindt. Kleine intieme taferelen, interieurs of spelende kinderen zoals bij Hippolyte Daeye (1873-1952), Gustave De Smet en Edgard Tytgat (1879-1957), zijn aan Permeke niet besteed. Het loont ook de moeite de landschappen van Albert Saverys (1886-1964), Gustave De Smet en Permeke te vergelijken: het speelse van de twee eersten vindt men niet bij de laatste. Maar een leerling van Saverys, Jack Godderis (1916-1971) komt dan weer dicht bij Permeke. 

 

Een Permeke naast een Brusselmans (1883-1953) plaatsen is leerzaam om de twee kunstenaars beter te begrijpen. De grafiek (houtsnede) kwam in die tijd sterk op, bij Gustave De Smet, Frans Masereel (1889-1972) en anderen, maar liet Permeke eerder onverschillig. 

 

Het museum kon onlangs vijftien prachtige prenten van Gustave De Smet verwerven en toont die hier voor het eerst. Dit alles maakt het beeld dat men van Permeke krijgt, nog interessanter.

 

 

Joost De Geest

 


Info

 

Retrospectieve Constant Permeke

Nog tot 20 jan. 2013

Open: dinsdag t.e.m. zondag van 10 tot 18 u donderdag tot 21 uur

Gesloten: maandag

Paleis voor Schone Kunsten

Ravensteinstraat 23

1000 Brussel

Tel. 02 507 82 00

www.bozar.be

 

De Modernen. Rondom Permeke

Nog tot 24 feb. 2013

Open: dinsdag t.e.m. zondag van 10 tot 17u, zaterdag tot 18 uur

Gesloten: maandag

Koningin Fabiolazaal

Jezusstraat 28

2000 Antwerpen

Tel. 03 224 95 50

www.kmska.bemoretus.be