U bent hier

Albert Van Dyck - Kempisch meisje

Albert van Dyck - Kempisch meisje
Albert Van Dyck (Turnhout 1902 -1951), Kempisch meisje, Schilderij op doek - 68 x 53 cm - gesigneerd rechts onder - niet gedateerd, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten – Antwerpen.

 

Albert Van Dyck was nog geen vijftig jaar toen hij in 1951 te Antwerpen overleed, maar toch behoort zijn œuvre thans reeds tot ons kunstpatrimonium en met heel wat van zijn tekeningen en doeken kan hij de vergelijking doorstaan met hét beste dat de grootste onzer schilders uit de jongste decennia hebben voortgebracht. Hij was schilder, tekenaar en etser van gevoelige landschappen en portretten, vrij traditioneel naar de vorm en sterk intiem van sfeer. Ook als mens was Van Dyck een innemende persoonlijkheid.

 

Hij werd geboren te Turnhout en studeerde o.m. aan de Academie en het Hoger Instituut voor Schone Kunsten te Antwerpen o.a. bij Opsomer en De Bruycker. In 1932 richtte hijzelf te Antwerpen een vrije academie op en in 1949 werd hij in die stad professor in tekenen aan het Hoger Instituut.

 

Aanvankelijk onder de invloed van de Latemse expressionisten evolueerde hij via een luministische, naar een zuiver picturale schilderkunst, die vóór alles aandacht schonk aan het kind, het jonge meisje en het schrale Kempische landschap waarin hij woonde, ni. te Kasterlee en te Schilde.

 

Zijn hele œuvre straalt een intense liefde uit voor de schilderkunst en voor de mens. Op het kunsthistorisch vlak kan hij het best gekenmerkt worden als een der zuiverste exponenten van het z.g. animisme in de Vlaamse schilderkunst tussen beide wereldoorlogen.

 

Het animisme was de naam die men heeft gegeven aan de richting die uitging van enkele Vlaamse schilders, als reactie op de door hen als buitensporig aangevoelde evolutie van het expressionisme.

 

In het werk van deze schilders - onder wie naast Van Dyck o.a. War van Overstraeten, Jozef Vinck, Marcel Stobbaerts en Albert Dasnoy dienen te worden genoemd - was, naast het verlangen naar het normale, het menselijk-gevoelige en begrijpelijke in opvatting en vorm primair.

 

In het kader van dit animisme zal Van Dycks werk in eerste instantie de meer introspectief ingestelde toeschouwer blijven boeien door de aard van dit werk zelf en eveneens door de innige, doch ook objectief ingestelde eigen geaardheid van de schepper ervan, die verschillende keren opnieuw op zoek is gegaan naar steeds hechtere, altijd andere schilderkundige uitdrukkingsmiddelen. Hij deed zulks om niet als schilder te stagneren in wat hij dacht onechtheid en herhaling te zijn.

 

Heel zijn leven is hij daarenboven een bekamper geweest van iedere vorm van academisme en van een onverantwoord ultra-modernisme. Hij durfde nog opkomen voor de waarde van het gevoel in het kunstwerk en ook daarom is hij steeds opnieuw koppig aan een nieuwe poging begonnen om nog rechtzinniger tegenover het leven te staan en tegenover de kunst.

 

Sinds zijn veel te vroege dood is er voor zijn werk een groeiende belangstelling te constateren. Bekende kunstcritici (Jozef Muls, Roger Avermaete, Walter Vanbeselaere, Marnix Gijsen, Urbain van de Voorde, Georges Marlier) schreven boeiende monografieën of studies over hem.

 

Ook als mens was Van Dyck iemand die met eerbied moet herdacht worden. Zijn hele œuvre is trouwens een eerlijk getuigenis van wat hij was als man. Hij heeft a.h.w. geleefd als een monnik, omwille van zijn kunst. Willens en wetens heeft hij in zijn leven het offer gebracht van de eenzaamheid.

 

Hij heeft zijn werk alleen willen voltrekken, omdat hij wist - hij schreef het ergens zelf - dat een kunstenaar niet een mens is als een ander. Albert Van Dyck leefde als een teruggetrokkene die wist waar hij heen moest en die begreep hoe zijn levenslot geregeld was. 'Niemand raakt daar aan', -noteerde hij ergens - 'en ik poog mijn man te staan. Ik weet wat ik waard ben en wat ook niet. En ik weet wat ik wil'.

 

Omdat hij wist wat hij wou, en naar dat weten heeft geleefd, zijn wij thans in de gelegenheid in zijn œuvre de begenadiging te vinden van een eerlijk artiest. Niet van een 'nieuwlichter of een revolutionair of een vervaarlijk genie', maar wel van een rijk, voornaam en zuiver talent, welks werk en stille roem zullen blijven groeien. Het gebeurt zelden dat het werk van een kunstenaar de kunstenaar overleeft. Dat is alleen bij de groten het geval. Albert Van Dyck behoort tot hen. Het doek 'Kempisch meisje' uit het Antwerps Museum voor Schone Kunsten, behoort tot Van Dycks picturale, luministische periode, een periode met werken vol warme kleuren met een meestal bruine ondertoon.

 

Even daarvoor had hij, na in de marge van het expressionisme te zijn begonnen - vooral onder de invloed van Gust de Smet - een meer sculpturaal - grijze werkwijze toegepast en nadien zou hij tot een veel losser geschilderd, eigen verworven impressionisme komen. In elke trant heeft hij zeer mooie werken, doeken, tekeningen en etsen nagelaten. In dit boek vindt men op representatieve wijze Van Dycks innerlijkheid typisch uitgedrukt. Zoals dit jonge boerenmeisje, meditatief geschilderd, met haar rood-bruin jurkje, haar dun, schamel kleedje en met een paar bloemetjes op de schoot, er uit ziet, leven alle door Van Dyck geschilderde modelletjes hun eigen naar binnen gekeerd leven. Steeds opnieuw werd de schilder geboeid door de kinderziel. Van Dyck moet intens verwant zijn geweest met de kinderpsyche, met het innerlijk leven van het opgroeiend meisje, van haar ongerepte ziel, van haar nog zuiver gemoed, met haar dromenwereld waaruit de frele, ranke boerenmeisjes nog door niets kunnen worden verdreven.

 

Hij schilderde ze in hun dagelijks doen, zo onopvallend mogelijk, wanneer ze ergens op hun eentje een boek zitten te lezen, op de weg naar de school, alleen of in groep, met een ruikertje veldbloemen in de hand, of bij de schamel gedekte tafel, naast een lam, een veulentje, bij het spel - dat nooit luidruchtig schijnt; bij het haarkammen - waarbij ze elkaar helpen. Er is nooit uitbundigheid rond deze kinderen, wél schuchterheid, weemoed, ongekunsteldheid. Zij leven nog in een wereld van poëzie en van een zachte droom, van verbazing ook om het openbloeiend leven.

 

Er hangt iets verfijnds over deze boerenkinderen, iets ranks, sierlijks. In hun eenvoud zijn ze mooi en vol charme, nog in niets gestoord door de troublante deviatiemogelijkheden van het leven. Deze kinderen zijn allen zoals hun schilder zelf is geweest: zwijgzaam, evasief, nadenkend en in zichzelf gekeerd. Ook uit zijn landschappen ademt eenzelfde sfeer van introspectie. Het zijn lente- en zomerlandschappen. Alles in zijn œuvre is jong en groen. Winterzichten of oudere mensen heeft hij praktisch nooit geschilderd of getekend. Zijn landschappen zijn meestal verlaten en eenzaam. Ook hier heeft Van Dyck voor ons zijn zwaarmoedige ingesteldheid op het leven niet kunnen verbergen, ondanks de lente- en de zomersfeer. Het is alsof hij het vergaan van het bestaande wou verzwijgen; alsof hij - die zo vroeg moest heengaan - door de teleurgang van alle leven niet te vernoemen die teleurgang en die dood heeft willen bezweren.

 

Van Dyck heeft van het land waarin hij woonde gehouden, en van de kinderen die hij kende. En hij heeft niets anders geschilderd dan die dingen waarvan hij hield. In een van zijn brieven schreef hij: 'Het is sinds lang een der artikelen van mijn geloof dat er geen kunst bestaat die niet gevoeld werd, anders gezegd dat men dat slechts kan vertolken wat men goed kent, wat men bemint, dat het kunstwerk maar rijpt naarmate deze kennis en liefde groeien. Dan valt het als een vrucht van de boom. Maar wij moeten weten wat voor een boom wij zijn, want velen onder ons hebben dikwijls gewenst een exotische aard te bezitten, maar die brengt op onze bodem geen enkele natuurlijke vrucht voort. Schilderen is niet alleen harmonisch opbouwen, het is niet alleen nabootsen, het is het een en het ander'. In het gehele œuvre van Van Dyck kan deze theorie met zijn schilderkundige verworvenheden gekonfronteerd worden. En daarin ligt m.i. zijn grootheid.

 

J.L. De Belder


Bibliografie:

  • M. Gysen, Albert van Dyck, in Forum, mei, 1930
  • A. van Hoogenbemt, Albert van Dyck, in Kunst, nr 6, 1933
  • P. Flerens, Albert van Dyck, ou l'héroisme de la sagesse, in Appollo, nr 15, 1942
  • R. Avermaete, Albert van Dyck (1902-1951), Brussei-A'dam, Elsevier, 1956
  • J. Muis, Albert van Dyck, Monografieën over Belgische Kunst, Brussel, Elsevier, 1957
  • W. Vanbeselaere, In Memoriam Albert van Dyck, Antwerpen, Druk. Blondé, 1957
  • R. Avermaete, Albert van Dyck, in Nationaal Biografisch Woordenboek, dl. I, Brussel, 1964